Nieuwsbrief Nr. 115 november 2019

Levend begraven worden…: oerangst?


Al jaren ben ik een trouwe lezer van de grapjes en weetjes op de achterzijde van een overbekende scheurkalender. Zo las ik in november onder de titel ‘Wat men je nooit vertelde tijdens de geschiedenislessen…’, volgende bewering:
 
In de jaren 1500 was de bevolking in Engeland sterk toegenomen en was er onvoldoende plaats om de doden te begraven. Daarom werd besloten om oude graven opnieuw te gebruiken. De kisten werden opgegraven en de beenderen die erin lagen, naar een beenderhuis gebracht. Bij het openen van die oude kisten ontdekte men echter dat in 1 op de 25 gevallen aan de binnenkant was gekrabd, wat er op wees dat diegene die erin had gelegen nog niet dood was, toen hij 
begraven werd. Van toen af werd er een touwtje om de pols van de dode verbonden met een belletje boven de grond. Er werd iemand aangeduid die de hele nacht op het kerkhof de wacht moest houden om te horen of de bel rinkelde. 
Zo werd er wel eens iemand “gered door de bel”…
 
Tekst: Stefan Crick
 

Levend begraven worden…: oerangst?

Over dit onderwerp heb ik jaren terug het boek gelezen van Jan Bondeson: Levend begraven, de gruwelijke geschiedenis van onze diepste angst. Deze auteur is niet de eerste de beste: hij is een Zweeds-Britse reumatoloog  en wetenschapper. Ter voorbereiding van zijn boek heeft hij veel onderzoek gedaan in de British Library, de Library of the Royal Society in Londen, maar ook in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zweden, Denemarken en de Verenigde Staten is hij op zoek gegaan naar bronnenmateriaal.  

Afbeelding: “L’inhumation précipitée” (1854), gemaakt door de Belgische schilder Antoine Wiertz (160H x 235B). Te zien in het gratis toegankelijke Wiertz Museum in de Europese wijk in Brussel. Naar het schijnt was de kunstenaar sterk onder de indruk van het feit dat tijdens de dramatische cholera-epidemieën die Brussel rond 1850 teisterden, er zeer snel begraven werd, soms zelfs te snel…
 
Toch kan hij niet nalaten tijdens de inleiding van zijn boek het griezelverhaal van de Amerikaanse schrijver Edgar Allan Poe met zijn beroemd horrorverhaal “De voortijdige begrafenis” aan te halen. Het lijden van een persoon die levend begraven  of opgesloten wordt, is een van zijn geliefde literaire onderwerpen…
De ondertoon van zijn boek is de ontleding van de diepgewortelde angst om levend begraven te worden. Volgens hem is deze angst latent… ook bij de 21ste-eeuwse mens.
 
Het is dan ook niet verwonderlijk dat door de eeuwen heen tientallen, misschien wel honderden bizarre verhalen opdoken over een dode die ontwaakt in zijn doodskist. Met alle speculaties daar omtrent. 
 

Angst voor de schijndood

De angst om levend begraven te worden kan evolueren naar een fobie. Toch bestaat er een redelijke verklaring voor deze angst. Eeuwenlang werd het merkbaar ontbreken van hartslag of ademhaling als voldoende bewijs beschouwd van iemands dood. Meermaals werden echter raadselachtige vaststelling gedaan bij opgravingen en herbegravingen. Men trof wel eens een skelet in een gedraaide positie in de vermolmde kist aan. Soms meende men ook krassen op de binnenwand van doodskisten te vinden. Daaruit trokken sommigen het besluit dat mensen toch mogelijk schijndood waren  en dan “levend” begraven werden. Ze kwamen slechts na de begrafenis weer tot bewustzijn en verstikten verschrikkelijk pijnlijk in hun kist. Iemand die bewusteloos was of in coma lag, liep dus het risico als dood bestempeld te worden, hoewel hij nog leefde.
 
In de ramsj (De Sleghte) is deze publicatie nog verkrijgbaar en wordt als volgt aangeprezen: Dit boek beschrijft op historisch verantwoorde wijze de ‘gruwelijke geschiedenis van onze diepste angst’: het angstbeeld om levend begraven te worden. De auteur, een Zweedse arts met een uitgesproken fascinatie voor het onderwerp, diept vanuit authentieke historische (Amerikaanse en Europese) bronnen de geschiedenis van dit angstbeeld uit en documenteert vanuit theologische, medische, sociale, literaire, culturele en folkloristische invalshoeken de concrete uitwerking ervan op het menselijk gedrag. Een even bizar als fascinerend verhaal is het resultaat: over opgravingen en angstaanjagende vondsten, schijndoden met speciale lijkenhuizen, veiligheidskisten voor ‘welgestelde wormvrezers’, klassieke verhalen zoals de Dame met de Ring. Uiteraard gaat hij ook in op de vraag wanneer een mens echt dood is en of tegenwoordig nog mensen levend begraven worden. Meer dan vijftig zwart/wit-illustraties verluchten en verlevendigen de tekst. Een uitgebreid notenapparaat en register besluiten dit boek dat tot de verbeelding van een grote doelgroep spreekt.
 
De dood wordt soms ook omschreven als slaap. Schijndood en toch begraven worden, de gruwel van elke rationeel denkend mens.

De doodsslaap

Dit taalgebruik werkt zeker het angstgevoel in de hand. Uit een slaap kan men immers ontwaken en dan …
In  het woordenboek Van Dale, anno 1898, wordt de doodsslaap omschreven als 
de dood als slaap beschouwd den doodslaap, ontslapen; slaap die met den dood overeenkomt, diepe slaap ‘ t is alsof ik uit een doodslaap wakker kom.
Overdrachtelijk: Brugges doodslaap.
Einde van de 20ste eeuw vermeldt  deze bron de doodsslaap als doodssluimer, de doodsslaap of sluimering beschouwd; de slaap die met de dood overeenkomt; diepe slaap enz. … 
 
Om enigszins tegemoet te komen aan de onzekerheid van levend begraven te worden, werden technische hulpmiddelen in het leven (!) geroepen.
Reeds in 1740 stelde de Deense anatoom Jacob B. Winslow vast dat de kans op een foute diagnose van overlijden vrij groot was. Daarom schreef hij een boekje waarin hij wees op de volstrekte onbetrouwbaarheid van de heersende kennis van overlijdenskenmerken.
In de inleiding stelde hij dat ‘de dood zeker is, want hij is onvermijdelijk, maar hij is ook onzeker, omdat de diagnose soms foutief is’. De ervaring heeft ons geleerd dat vele vermeende doden in leven bleken te zijn . Zij stonden op uit hun kist of zelfs uit hun graf.
Volgens Winsløw was de natuurlijke ontbinding van het lichaam het enige aanvaardbare overlijdenskenmerk, en hij riep dan ook op om niemand te begraven vóór ‘drie volle dagen van levenloosheid.’
Een vermeende dode moest in een warm bed gelegd worden en een groot aantal tests ondergaan. Zo werd het lichaam gekieteld met veren en werd het tandvlees met knoflook ingesmeerd. Als dat niet hielp werden er niespoeder, zweepslagen en eventueel een klysma ingezet, en soms werd de dode aan ‘ijselijke schreeuwen en overdreven herrie’ blootgesteld.
Mocht deze behandeling ook niet baten, dan konden er echt drastische maatregelen genomen worden, zoals urine in de mond gieten, een sneetje in de voetzolen maken, spijkers onder de nagels duwen en kokende was over het voorhoofd schenken.

Mortuaria, wachtkamer van de uiteindelijke dood

Om enigszins de kunnen ontsnappen aan het risico van levend begraven te worden, bedacht men talrijke middelen om dit te vermijden. In eerste instantie eiste de sterveling om na zijn dood niet onmiddellijk te worden begraven en het uitstel ervan enkele dagen te respecteren. 
 In 1787 publiceerde de Franse dokter François Thiérry een boek waarin hij beweerde dat de meeste mensen pas enige tijd na de eerste traditionele symptomen van de dood stierven. 
Eerder had ene Bruhier in 1745 reeds geopperd dat in alle Franse steden speciale wachtmortuaria gebouwd moeten worden, waar alle pasgestorven mensen naartoe werden gebracht en waar ze onder toezicht bleven tot de ontbinding begon. Ontbinding werd algemeen aanvaard als het enige betrouwbare kenmerk van het dood-zijn. Men vond dat de lijken best twee of drie dagen boven de grond gehouden konden worden om het begin van de rotting af te wachten.
Met allerhande bizarre behandelingen  poogde mens zekerheid te krijgen zoals het kietelen van het lijk, het insmeren van het tandvlees met knoflook.  Om het laatste restje leven in een schijndode te stimuleren werd via een blaasbalg een klysma aangebracht. In 1784 kreeg P. Previnaire een prijs van de Brusselse Academie van Wetenschappen, voor een boek over schijndood, met de beschrijving ervan die hij Der Doppelbläser noemde. Tot ver in de 19de eeuw werden deze klysma’s regelmatig toegediend, vooral in Nederland. 
 
In Toscane werd er in 1775 een hertogelijk edict uitgevaardigd dat iedereen officieel doodverklaard moest worden door een arts.
Eén van de meest invloedrijke medici in Duitstalig Europa was Johann Peter Frank: ook hij stelde in 1790 voor dat in elke stad een  gemeenschappelijk  Totenhaus, een huis voor de doden gebouwd zou worden waar de lijken onder toezicht zouden blijven tot de dood met zekerheid vastgesteld kon worden.
De eerste die er naar handelde was de 29-jarige Christoph Wilhelm Hufeland, een in Weimar praktiserend arts. Met de steun van hertog Karl August zamelde Hufeland de nodige fondsen in bij de rijke adel. In 1791 werd het mortuarium naar zijn ideeën gebouwd. Hij noemde het Vitae Dubiae Asylum, de opvang voor betwijfeld leven, en schreef een pamflet over zijn visie op echte dood versus schijndood en over de manier waarop mensen gered konden worden van een voortijdige begrafenis door middel van dergelijke wachtmortuaria zoals die van Weimar.
 
Volgens hem was het duidelijk dat alleen de tijd afdoende kon oordelen over “levend” of “dood”. In het Leichenhaus van Weimar, dat aan de buitenkant op een gewoon huis leek, was een lijkenkamer ingericht met acht brancards, die door een wachter via een raam in de gaten gehouden konden worden. 
De opzichter moest ook het vuur in de keuken opstoken waarmee het water in een centraal verwarmingssysteem onder de lijkenkamer verhit werd.
Hufeland had  het  niet hoog op met de Totenweiber, de vrouwen die de wacht hielden in de ouderwetse mortuaria in diverse Duitse steden. Als sprekend voorbeeld van hun intellectuele vermogens vertelt hij het verhaal van een van hen die eens had gezien hoe een lijk uit zijn kist wist te kruipen… In plaats van deze bijgelovige oude vrouwen wilde Hufeland jonge, geschoolde mannen die in dienst genomen zouden worden als opzichters van de Leichenhaüser die in heel Duitsland opgericht moesten worden.
Hufeland was een filantroop en geen handelaar in horror.
Ook in België en Nederland werd de oproep van Hufeland gehoord. In het Brusselse zou  tot 1870  in de omgeving van de Sint-Catharinakerk een wachtmortuarium geweest zijn met veertien bedden. In Amsterdam en Den Haag waren er toen vijf wachtmortuaria beschikbaar.
 
Op het einde van de 18de eeuw bedacht men een andere  manier om de mensen te beschermen tegen de gevreesde schijndood. Het gebruik van een”veiligheidskist” moet het voortijdig begraven voorkomen.
 
Onder impuls van hertog Ferdinand von Braunschweig werden vakmensen aangezocht om een speciale kist te ontwerpen. Deze werd voorzien van een  raampje en luchtgat om verstikking te voorkomen.
In 1798 dacht de Duitse dorpspastoor het probleem opgelost te hebben. Bij elke begrafenis werd een holle buis in de kist aangebracht.. Door deze buis kwam een touw dat leidde naar de kerkklok zodat de voortijdig begraven persoon zijn opstanding kon aankondigen…
In 1897 trachtte graaf Michel de Karnice-Karnicick, kamerheer van tsaar Nicolaas II en voornaam Russisch edelman die doctor in de rechten was aan de Leuvense universiteit, een veiligheidskist te ontwerpen. De aanleiding hiervan was zijn ontzetting bij de begrafenis van een jong Belgisch meisje: tijdens de eerste scheppen zand die op haar kist werden gegooid, kwam zij uit haar schijndood. Dit gruwelijk idee achtervolgde de nobele man. Deze kist was echter alleen te gebruiken in een grafkelder…
In een recent artikel in een vooraanstaand Vlaams dagblad met titel “Schijndood, 
Winterslaap in het operatiekwartier: mens was even schijndood. De artsen willen met hun experiment uitzoeken of schijndood de hersenschade kan beperken die patiënten vaak oplopen als ze ernstige verwondingen overleven.” 
Voor het eerst is een mens schijndood gemaakt en weer tot leven gewekt. De techniek moet chirurgen meer tijd kopen om ernstig gewonde patiënten te redden. Amerikaanse artsen hebben een mens in staat van schijndood gebracht door zijn hersenen tot onder 10 °C te koelen. Dat deden ze door het bloed van de patiënt te vervangen door  een ijskoude zoutoplossing ...
 
Het gevaar om levend begraven te worden is nu door middel van veilige diagnostische mogelijkheden dankzij het voortschrijdende wetenschappelijk inzicht “uitgesloten”.

Bronnen