Nieuwsbrief Nr. 113 - oktober 2019

ZomerzoektochtOproer over Kontichs kerkhof


Een aantal onder jullie hebben de zomerzoektocht in Kontich en Waarloos ingevuld.

 Vooraleer we de antwoorden geven, laten we jullie verder kennismaken met een kleurrijke geschiedenis van de begraafplaats van Kontich. In de inleiding was te lezen dat de nieuwe begraafplaats in gebruik genomen werd in 1913. Dit verliep echter niet zonder slag of stoot. Op basis van de begraafplaatsdossiers van de provincie Antwerpen, welke bewaard worden in het Rijksarchief van Beveren (Archieffonds PAA637), komen we te weten dat het bijna 100 jaar duurde eer de nieuwe dodenakker effectief geopend werd. 


Tekst en foto’s: Patrick Van den Nieuwenhof


Het dossier m.b.t. de verplaatsing van het kerkhof rond de kerk wordt geopend net na de Belgische onafhankelijkheid. De gemeente gaat niet in om het kerkhof te verplaatsen naar een plaats (Molenstraat) net buiten de bebouwde kom van de gemeente. In de zittingen van 8/10/1831 en 8/5/1832 gaf de gemeente tegenwind door te stellen dat het kerkhof in de Molenstraat te dicht bij de school gelegen is en dat er nog voldoende plaats is aangezien de parochie Lint, op dat moment nog onderdeel van Kontich, ook een begraafplaats heeft ingericht waardoor daar ongeveer een derde van de bevolking bediend kan worden.
 
Dertig jaar later, in 1862, komt de vraag opnieuw ter sprake. De Provinciale Commissie voor Openbare Gezondheid stelde de slechte staat van het kerkhof vast. Een tweede maal wordt voorgesteld om het kerkhof op te heffen, opnieuw stuitten ze op een nee van de gemeente. En de gemeente bouwt zelfs een grille rond het kerkhof. 
 
Opnieuw bijna dertig jaar later in 1891 komt het kerkhof opnieuw op de tafel van het gemeentebestuur te liggen. Ditmaal komt de bevolking in actie door een petitie te zenden aan de gouverneur met de uitdrukkelijke vraag om bij de gemeente aan te dringen op een spoedige verplaatsing van het kerkhof. 
 

De 128 ondertekenaars argumenteerden als volgt:

1. Dat het kerkhof tussen de huizen ingesloten is, dat het veel te klein is voor een gemeente van 4.500 inwoners.
2. Dat de veranderingen van 1866 ten gevolgen onzer klachten, met het doel van het kerkhof te vergrooten niet ernstig waren, ingezien men voor de kerk, een klein deel gronds innam, maar terzelfder tijd rond het kerkhof een gelijk gedeelte ontnam, om eenen weg te maken en het te kunnen afsluiten bij middel van eene grillie die tien duizend franken gekost heeft!
3. Dat het algemeen gekend is dat de doodskisten niet op den wettig vereischten afstand kunnen gelegd worden, bij gebreke aan plaats, en dat de begravingen niet kunnen geschieden waar de wet het alleen toelaat.
4. Dat alle de waters der woningen, welke het kerkhof omringen, ongezond zijn, en alsdus sedert jaren door de bevoegde overheid erkend zijn. 
5. Dat, wij met de begravingen allen hebben kunnen bestatigen dat de verderfelijke reuken uit de openstaande graven zich verspreiden, voortkomende uit vermelden toestand.
6. Eindelijk, dat er besmettelijke ziekten, die hier de laatste jaren geheerst hebben aan onze aanzienlijke gemeente merkelijk nadeel toegebracht hebben.

Het gemeentebestuur nam deze petitie niet ernstig zoals blijkt uit hun antwoord van 20 november 1891:

1. Dat hooger vermelde petitie op gansch onregelmatige wijze ter ondertekening aangeboden werd, vermits: 
a) de Vlaamsche vertaling slechts bij den Franschen tekst gevoegd is nadat deze de handteekens reeds droeg, 
b) verschillige personen vreemd aan de gemeente mede onderteekend hebben, 
c) vrouwen hunnen handteekening verleend hebben, 
d) verschillige personen uit één huis zich tusschen de ondertekenaars bevinden, 
e) verschillige personen min of meer verplicht zijn geweest te teekenen, 
f) personen geteekend hebben wier men deed geloven dat de petitie hun in naam van zekre invloedrijke personen aangeboden werd
2. dat het kerkhof niet te klein is, daar het slechts na tien à elf jaar rondgegraven is en de graven altijd hunnen wettige diepte en hunnen wettigen afstand hebben, dat daarenboven het getal van 4500 inwoners merkelijk overdreven is, mits een groot deel der bevolking te Linth hare rustplaats heeft
3. dat het water in de nabijheid van het kerkhof voor scheikundige ontleding allerbest bevonden is
4. dat de reuken, die zekere personen in den zomer bij eene begrafenis dachten gewaar te worden, enkel en alleen voortkwamen van de ontsmettingsstoffen, die overvloedig in de graven en in den omtrek ervan gestort werden
5. dat er sedert geruimen tijd strenge maatregelen zijn genomen om de kinderen bij elke begrafenis, die voor de openbare gezondheid gevaar oplevert, van het kerkhof verwijderd te houden
6. dat het in het geheel niet bewezen is, dat de besmettelijke ziekten, die in de gemeente geheerscht hebben, in de nabijheid van het kerkhof ontstaan zijn en daar de meeste slachtoffers gemaakt hebben; aangezien a) de pokziekte verre van de kom der gemeente begonnen is en slechts na verscheidene maanden geheerscht te hebben, één slachtoffer in de nabijheid van het kerkhof gemaakt heeft, b) de krop ontstaan is nogmaals buiten het dorp en ook mar één slachtoffer, en wel het laatste nabij het kerkhof gemaakt heeft
7. dat het overdreven is te beweren dat de typhus vele slachtoffers in de gemeente gemaakt heeft, aangezien deze ziekte van 1 januari 1886 tot 1 october 1891 slechts 4 sterfgevallen veroorzaakt heeft
8. dat het kerkfabriek in ’t geheel niet besloten heeft de kerk te vergrooten en er bijgevolg geen spraak kan zijn dat het kerkhof door vergrooting der kerk zou verkleinen
9. dat het verslag van den heer doktor Humblé over de noodzakelijkheid van het verplaatsen van het kerkhof niet in ernstige aanmerking kan genomen worden, aangezien mijnheer Humblé geen voorzitter maar enkel lid der plaatselijke gezondheidscommissie zijnde van deze noch last noch toelating ontvangen heeft om zijn verslag aan de provinciaal commissie van geneeskunst te doen geworden.

Noch de tussenkomst van de provincie noch die van de Minister van Binnenlandse Zaken brachten de gemeente op andere gedachten. Het dossier loopt opnieuw vast in 1893. 
 
Pas op 28/03/1911 geeft het bestuur van Kontich te kennen dat ze een nieuwe begraafplaats wensen en deze zal geopend worden op de huidige locatie in de Duffelsesteenweg.