Nieuwsbrief Nr. 12 - juli 2003

Funeraire Terebinthreis Noord-Italiëverslag van onze “Grafzerk” ter plaatse, Rudy D’Hooghe


Funeraire Terebinthreis Noord-Italië:

Grafzerkje Rudy D’Hooghe maakte volgend verslag.
 
Enkele dagen voor het vertrek valt eindelijk de dikke voorbereidingsbundel in de bus. Op de voorpagina wenkt een bedroefde en duidelijk niet geslachtloze engel. Venetië, Milaan, Turijn, Genua en Freiburg … het klinkt alvast veelbelovend.
 
Onder een stralende zon vertrekken we zuidwaarts. Na een vermoeiende busrit van twee dagen (via München) zuigen we onze longen vol met het frisse aroma van de Mare Adriatico. De airco in het hotel is welkom. Na een verfrissende douche genieten we van een spaghetti con cozze (mosselen), gevolgd door een vers visje, aan tafel gefileerd en overgoten met die heerlijke Italiaanse olijfolie. Als je dan nog als afsluiter een tiramisu met cappuccino onder je neus krijgt, dan begrijp je, dat die afmattende busrit zo uit je gedachten wegebt. Vanuit de whirlpool op het zonneterras van het hotel overschouw je de zee en waan je je zowaar een mini-uitgave van Neptunus.
 
Na een stevig ontbijt nemen we de vaporetto naar San Michele, het Venetiaans dodeneiland. Gezien je in Italië tussen de 24 uur en de 48 uur na het overlijden dient begraven te worden, wordt er hier ook op zondag begraven. De zon brandt alle gifstoffen uit onze poriën en met het handig plannetje van Arthur zoeken we de, met uitzondering van Stravinsky weinig bekende graven op.
 
De rest van ons Venetiaans verblijf, mogen we zelf invullen. Als je de naam D’Hooghe in het vaandel draagt, breng je natuurlijk eerst en vooral een grondig bezoek aan het voorname Dogenpaleis. Sedert de 6de eeuw tot Napoleon (1797) leidden opeenvolgend 120 Dogen (< Latijn ‘dux’ = leider) deze unieke stadsstaat: la Serenissima Venezia. Het is een rariteit in de Westerse geschiedenis dat een gemeenschap meer dan duizend jaar quasi ongehinderd kan bloeien. Alles stond dan ook ten dienste van la Serenissima, nooit tot heil van één of andere persoon die zichzelf oppermachtig waant. De nuchtere koopmansgeest zal hier zeker niet vreemd aan zijn. Het was onder meer een regel dat iedere koopman na een handelsmissie een geschenk meebracht voor de Serenissima Venezia. En het begint natuurlijk met het gebeente van de Heilige Marcus dat voor de moslimdouaniers verborgen in varkensvlees in 828 uit Alexandrië wordt meegesmokkeld.   In het Dogenpaleis word je letterlijk van alle kanten overdonderd door de meesterhand van Titiaan, alles gewaardeerd ingekaderd in 24-karaat goudwerk, het mocht iets kosten. Naast de San Marco-basiliek bezoek ik ook nog de Frarikerk van de Franciscanen en de San Zanipolo van de Dominicanen. Deze twee kerken mag je hoedanook niet overslaan. Ze illustreren hoe de Dogen opvallend werden gehuldigd, zij het dan wel post mortem. Vanuit de Campanile van de San Giorgio Maggiore kan je nog een laatste arendsblik over de pracht van Venetië werpen om weeral verder te reizen naar de volgende stop: Milano.
 
Een must in Milano is de Dom, de Scala, het Castello en vanzelfsprekend kunnen onze evajaanse reisgenoten moeilijk weerstaan aan de overdaad van modezaken. Ik moet eerlijk bekennen dat onze noorderburen hier heel gedisciplineerd mee weten om te gaan, het was integendeel één van de mannelijke collega’s die zich in de hogere modesferen liet meedeinen.
 
Een aantal van onze groep twijfelen geen seconde om ondanks de zengende hitte van 37°C toch een ganse dag te besteden aan het adembenemende Cimitero Monumentale. We komen er niet echt uit of dit nu de mooiste Europese begraafplaats is, dan wel die van Genua.
 
Ik start op de overweldigende galerij waar je wordt gedragen door de prachtigste marmeren engelen die één en al sensualiteit uitstralen. Enkel je plakkerig zweet houdt je voeten op de grond. Een zweem van licht parfum komt heupwiegend voorbij en je blijft je afvragen hoe deze Italiaanse schonen er toch maar in slagen om er ondanks deze tropische temperaturen er zo welgezind, lichtvoetig, heupwiegend, welriekend en vooral stralend blijven uitzien. Het zal aan de genen schelen, denk je, terwijl je vermoeid je zweet met je doordrenkte zakdoek afveegt.!
Natuurlijk staan we ook eens stil bij het alom gekende, levensgrote Laatste Avondmaal dat als grafzerkje dienst doet voor Campari. Er wordt beweerd dat hijzelf wordt afgebeeld als Christus, terwijl zijn raad van beheer de apostelen zijn en Judas, de verrader, zou Martini zijn, de concurrent. Si non e vero, buono trovata of iets dergelijks, wat betekent: als het niet waar is, dan is het toch goed gevonden. Rekening houdend met de geprezen Italiaanse bescheidenheid, kan dit dus best. Als je trouwens wat rondkijkt, merk je wel meer van dit Italiaans trekje. Kleine begraafplaatskathedraaltjes compenseren het verlies van begraven te kunnen worden in kerk of kathedraal. Een groep Duitse 18-jarige scholieren spiegelen zich één voor één in het reflecterend glas van de vele kapelletjes. Afhankelijk van onze leeftijd kennen we als begraafplaatsbezoeker blijkbaar verschillende funeraire invalshoeken.
 
Na Milaan volgt Turijn. Een veel te kort bezoek. Eerst krijgen we een interessante rondleiding in het crematorium. Hier wordt de as in één van de vier “niet-vergeetputten” gestrooid en belandt zo via ondergrondse waterstromen uiteindelijk in de Po. Een origineel idee. Door vooral plaatsgebrek stimuleert de Italiaanse overheid sterk de crematie. Momenteel kiest slechts 3 % van de Italianen voor crematie. Plaatsgebrek leidt ertoe dat de wetgever enkele initiatieven nam. Zo is crematie kosteloos en moet elke stad van meer dan 100.000 inwoners over een crematorium beschikken. Er zijn eveneens plannen om meer dan 8 miljoen bewoners van eeuwige graven te ruimen en cremeren. Wie niet akkoord gaat, dient een nieuwe concessietermijn te betalen. Eén van de meest verregaande wettelijke maatregelen tegenover de eeuwige vergunningen van weleer. Ik kan mij voorstellen dat dit in de praktijk nog niet direct zo een vaart zal lopen, zeker niet in Italië waar beenderputten niet eens bespreekbaar zijn. Na het verlopen van de concessie worden de resterende beenderen nog steeds netjes in een knekeldoosje gestopt dat in een muurnis een plaats krijgt. Het lijkt op onze columbariumnissen, maar het zijn dus wel degelijk knekelhuisjes. Voor een blik op de begraafplaats zelf rest er slechts een half uurtje, dus dan maar een Japans vluggertje.
Na Turijn naderen we langs een prachtige baai Genua. Genua valt op door zijn vele kronkelende middeleeuwse steegjes. De begraafplaats zelf, Il Staglieno, strekt zich met zijn 160 ha uit over een bergflank. Waar je ook loopt, je wordt overmand door imponerende graftekens. Ook hier weer vallen vooral de beeldhouwwerken in de gaanderijen van het Campo Santo op. Nieuwere gedeeltes zijn echter ondermaats onderhouden. Voor de huidige generaties doden is er geen fanclub weggelegd.
 
Op de terugweg brengen we een ochtendlijk bezoek aan een niet meer gebruikte begraafplaats in Freiburg (17de - 19de eeuw). Een mooi groen parkje met een schare stille getuigen van hoe het eens was. Een Duits echtpaar ontbijt in de warme ochtendzon op hun terrasje uitkijkend over deze oase, een man komt er zijn krant op een bankje lezen, een ander komt er joggen, een dame laat de hond uit. Dit alles lijkt in vredige harmonie met de resterende graftekens. Een vlijtige merel huppelt met een bundeltje stro naar zijn nest. Nieuw leven kondigt zich aan, ook op deze ogenschijnlijk dode akker …
 
Wie er zin in heeft gekregen: volgend jaar verkennen onze Nederlandse vrienden Hamburg en Denemarken. Zeker aan te bevelen!

Tekst en foto's : Rudy D'Hooghe