Nieuwsbrief Nr. 109 - januari 2019

Universitaire wapenborden... niet te verwarren met rouwborden, of toch wel?



Tekst en fotos: Stefan Crick
(Juli 2018)

Het Antwerpse Zilvermuseum Sterckshof  heeft een lange voorgeschiedenis die teruggaat tot in het interbellum.  De zilvercollectie van dit inmiddels opgeheven museum werd recentelijk ondergebracht in het nieuwe belevingscentrum DIVA rond diamant, juwelen en edelsmeedkunst dat gevestigd is in hartje Antwerpen.
 
Afgezien van de omvangrijke deelcollecties die het Sterckshof in andere musea onderbracht, bezat het collectiestukken die niet rechtstreeks met zilver en diamant verband hielden.
 
Enkele jaren terug tijdens mijn onderzoek naar funeraire wapenborden die in het depot van het Antwerpse Zilvermuseum zijn ondergebracht, ontdekte ik naast dertig rouwborden van ca. 1m bij 1m en tientallen kleinere rouwbordjes, twee opmerkelijke wapenborden. De rouwborden werden geïnventariseerd. De kleine kartonnen obiits werden in zijdepapier gewikkeld en opgeborgen.
De herkomst van de wapenborden kon niet achterhaald worden.
De titularissen van de obiits werden genealogisch onderzocht en hun respectievelijk wapen heraldisch beschreven. Dit resultaat werd gepubliceerd door de provincie Antwerpen onder de titel  “Sterckshofstudies 28- Wapenborden van het Zilvermuseum”.
Tijdens het onderzoek kwamen twee wapenborden aan het licht die pas na enig onderzoek geen funerair erfgoed bleken te zijn. Deze opmerkelijke heraldische borden waren universitaire wapenborden. Beschrijvingen van deze zeldzame relicten zijn slechts in enkele publicaties terug te vinden.
 
Uit de schaarse publicaties over de universitaire wapenschilden in de Leuvense universiteit kan opgemaakt worden dat tijdens het ancien régime de universitaire afgestudeerden zoals licentiaten, doctors maar ook de primussen van de Artes ter gelegenheid van hun promotie een wapenschild mochten ontwerpen en voeren. Ook studenten uit een familie zonder wapen, maakten gebruik van dit voorrecht. Dit gebruik bleef lang in voege aan de Leuvense universiteit.
 
Het wapen werd geschilderd op een rechthoekig bord of doek met daarop de wapenspreuk, de naam van de afgestudeerde laureaat, zijn geboorteplaats, de faculteit waaraan hij gestudeerd had en de datum waarop hij zijn universitaire graad ontving. Op de dag van de promotie trokken de gepromoveerden in stoet van hun Leuvens onderkomen naar de academiezaal van de faculteit. In deze stoet werd het wapenbord voor de gepromoveerde feestelijk uitgedragen.  Nadien trok men naar de Leuvense Sint-Pieterskerk waar het Te Deum werd gezongen.
Na de kerkdienst werd het wapenbord boven de voordeur van de studiewoning van de promovendus gehangen in een triomfboog. Later werd het wapenbord mét het diploma naar de ouderlijke woning gebracht. Uiteraard koesterde de familie dit kostbaar goed.
 

Een Leuvens (studenten)wapenboek
De Leuvense universiteitsbibliotheek herbergt een handschriftje waarvan de auteur André Jaerens (1713-1770) blijkt te zijn. De Dienst van de Adel bewaarde reeds een handschrift nr. 202, dat 42 hoofdzakelijk uit 1734 en 1735 bewaarde blazoenen weergeeft.
Ook dit was van de hand van de eerste wapenkoning van de Oostenrijkse Nederlanden.
Daarnaast komen in beide verzamelingen oudere wapens voor die Jaerens mogelijk in de herbergen, waar ze meer dan eens werden achtergelaten, heeft opgetekend.
 
Van in de Nieuwe Tijd al zien we dat veel afgestudeerde academici aan alle Europese universiteiten adellijke ambities koesterden. Dit vinden we ook terug aan de Leuvense universiteit. Wat eerst een studentikoos gebruik was, werd echter een ernstige aangelegenheid.
 
Iedere burger had het recht zich een blazoen toe te verschaffen. Dikwijls echter gebeurde dit door middel van usurpaties. Kon men dit gebruik bestempelen als een studentikoze aangelegenheid, toch brachten sommige gepromoveerden op hun schilden bepaalde versierselen zoals de helm, de wrong, het helmteken en de vlucht) aan, die echter exclusief voorbehouden waren voor de adel.
 
Het heraldisch gebruik van deze kentekens door de universitaire afgestudeerden die niet tot de bloedadel behoorden, heeft aanleiding gegeven tot processen gevoerd door de wapenherauten Dandelot en Leroux.. De bestraffing van de usurpatie werd omwille van pedagogische redenen door de academische overheid tegengewerkt.
De magistraten namen een ander standpunt in indien de afgestudeerden gebruik maakten van deze wapenborden of zich als edelen lieten betitelen buiten de Leuvense stadsgrenzen.
De wapenherauten keken streng toe op de navolging van de zgn. placcaten en ordonnanties over heraldiek en trachtten alzo te voorkomen dat gewone studenten de getimbreerde wapens buiten de universiteit, dus buiten Leuven gebruikten.
Keizerin Maria-Theresia  bepaalde in het reglement van 13 februari 1755 het scenario van een promotie en voorzag een kost van 1 à 2 gulden.

Reeds op 14 december 1616 hadden de aartshertogen Albrecht en Isabella  in het Plakkaat voorzien dat het bekleden van ambten de mogelijkheid bood om adeldom te verwerven. Er werd echter niet bepaald welke ambten of betrekkingen.
Gevolg: vele advocaten, secretarissen, griffiers van de Souvereine Raad van Brabant, sommige schepenen enz. legden dit artikel op een voor hen voordelige wijze uit. Zij voerden onder meer bij rouwplechtigheden getimbreerde wapens. Overtuigd van de waardigheid van hun ambt lieten zij zich als nobles en illustres aanspreken. Vooral advocaten hielden van adellijke voorrechten uit hoofde van hun academische studie, hun staat en het oude gebruik te mogen toeëigenen.
 
De Raad van Vlaanderen, de Raad van Namen en de Grote Raad van Mechelen hebben meermaals oordeel geveld in gerechtszaken met betrekking tot de usurpatie.
De Leuvense universiteit bleef het voorrecht van haar afgestudeerden verdedigen.
Het ongestoord aanwenden van getimbreerde wapens kon immers voor de gediplomeerde een soort persoonlijke adel bevestigen.
 
Het Edict van Maria-Theresia van 11 december 1754 vereiste dat voortaan niet drie, maar vier generaties de adellijke privileges hadden gebruikt om door usurpatie het voorrecht van adeldom te kunnen verkrijgen.
Door deze vereiste werden de thesissen en universitaire wapenborden angstvallig in de familie bewaard. In privé schilderijencollecties alsook in de reserves van enkele musea werden universitaire wapenborden ondergebracht.

Het Stedelijk Museum van Leuven bezit dertien universitaire wapenborden van Leuvense studenten uit de periode 1749-1791. Zij zijn niet ondertekend en het is moeilijk de auteur te achterhalen. Wel kennen we de namen van enkele Leuvense schilders zoals A.J. Van Campen, Gillis, Jacquin en P.J. Verhaegen.

Het Stedelijke Museum van Aalst bewaart een universitair wapenbord van J.F. Tack (1773) en in Asse bevindt zich het wapenbord van P.J. De Clippel (1790).

In de Utrechtse universiteit evenals in ander Noord-Nederlandse universiteiten kende men dit gebruik ook..
In het “Wapenboek der Gelderse-en Overijsselse studentenverenigingen” worden wel de beschrijvingen van de wapenboeken besproken. Over het gebruik van universitaire wapenborden wordt echter niet gesproken.

De universitaire wapenborden in
het Zilvermuseum Sterckshof
Op het  oudste wapenbord, met datum 30 augustus 1740, staat de naam van Petrus van Trier. Op die datum werd hem te Leuven de titel van licentiaat in de rechten verleend. Het  opschrift luidt: ARDUUM QUOD PRECLARUM PRAENOBILIS DOMINUS D: PETRUS VAN TRIER,TOPARCHA DE MEULENBERGH HILVARENBEECK SYLVAE DUCENSIS J U L AUGUSTI 1740
Het is een rechthoekig wapenbord 0,76m x 1,03m, gevat in een houten lijst. Het wapen werd geschilderd op canvas. Het universitair wapenbord verkeert in zeer slechte staat.
 
Genealogie van de wapendrager
Pierre van Trier, heer van Meulenberg en Brandt werd geboren op 12 december 1717 in Hilvarenbeek. Zijn vader was André van Trier, zijn moeder was Marie-Anne-Sophie Snats. Hij huwde met Jeanne-Pétronille van Vlemmeren in 1751. De familie van Trier was afkomstig uit noordelijk Brabant.
Pierre van Trier fungeerde als schepen van Antwerpen en  overleed te Antwerpen op 6 februari 1767.
 
Heraldische beschrijving
Het wapen is gevierendeeld waarvan het eerste en vierde deel groen is, beladen met een gouden Sint-Andrieskruis, een golvende zilveren dwarsbalk over het geheel een vrij kwartier van zilver, beladen met een klimmende zwarte leeuw, rood getongd en genageld van keel, de staart gevorkt.

Het tweede en derde met zwarte dwarsbalken, gebekt en gepoot van acht stukken, het schildhoofd beladen met drie zwarte eendjes, rood gebekt en gepoot. Op het gouden hartschild  beladen een hertenkop met tussen het gewei een eikel in natuurkleur. Wapenspreuk: ARDUUM QUOD PRECLARUM

In de Sterckshofcollectie werd eveneens het rouwbord van Pierre van Trier aangetroffen. Het werd in olieverf geschilderd op een ruitvormig, (0,765m x 0,76m) paneel, met gouden binnenbies. Het is gevat in een zwarte lijst verkeert in goede staat.
De tekst OBIIT FEB 1767 werd in gouden letters en cijfers aangebracht.

Ook het universitaire wapenbord van zijn zoon Egidius Henricus Josephus van Trier de Tiège is terug te vinden in de collectie van het Sterckshof.
Het wapenbord is rechthoekig (0,695m x 0,875 m). Het wapen werd geschilderd in olieverf op canvas en is gevat in een houten lijst. Het draagt de tekst PRAENOBILIS DOMINUS EGIDIUS HENRICUS JOSEPHUS VAN TRIER,. TOPARCHA DE MEULENBERG & BRANDT, ANTVERPIENSIS J.U.L. 15 MAY 1781
Het heraldisch bord is in slechte staat.
 
Egidius (Gilles)-Henricus-Josephus van Trier de Tiège werd geboren te Antwerpen op 1 maart 1755 en was de zoon van Pierre van Trier, heer van Meulenberg, Brandt en van Jeanne-Pétronille van Vlemmeren. Egidius huwde voor de eerste maal op 22 november 1785 te Leuven met Cathérine-Henriette de Marcq, (de Tiège) geboren te Brussel op 22 juni 1748, dochter van Théodore-Bernard, heer van Tiège en van Marie-Claire-Philippine de Coninck.
Uit dit huwelijk ontsproot dochter Julienne-Benoîte-Joséphine-Henriette van Trier de Tiège. Zij  huwde op 27 augustus 1812 te Antwerpen Alexandre-Josephe-Valentin genoemd baron de Browne
Hij huwde een tweede maal in Tienen op 12 juni 1805 met Marie-Jeanne-Josèphe de l’ Escaille, geboren te Tienen op 1 december 1762 en is er overleden op 19 november 1831. Zij was de dochter van Gabriel-Michel-
François en van Jeanne de Mockenborgh.
Egidius was Antwerps provinciegouverneur ad interim.
Hij overleed in Antwerpen op 30 september 1833 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Willibrordus te Antwerpen op 3 oktober 1933.Een rouwdienst werd gehouden op maandag 7 oktober om 11 uur  in de Antwerpse Sint-Jacobskerk voor het hoofdaltaar.
 
Heraldische beschrijving
Egidius-Henricus-Josephus van Trier de Tiège, lid van de Deputatie van de Provinciale Staten van Antwerpen verkreeg op 19 januari 1818 de adelserkenning en verlening van de titel ridder door koning Willem I te ’s-Gravenhage. Dit voorrecht was in de eerste officiële adelslijst bepaald : de titel is overdraagbaar aan de eerstgeborene.
Het wapen is gevierendeeld waarvan het eerste en vierde deel in groen  en is, beladen met een gouden Sint-Andrieskruis, een golvende zilveren dwarsbalk. Over het geheel een, vrij kwartier van zilver, beladen met een klimmende zwarte leeuw roodgetongd en genageld   van keel, de staart gevorkt. Het tweede en derde met zwarte dwarsbalken gebekt en gepoot van acht stukken, het schildhoofd beladen met drie zwarte eendjes van sabel, roodgebekt en gepoot. Het gouden hartschild  is beladen met een hertenkop met tussen het gewei een eikel in natuurkleur.
Het schild is gedekt met de Nederlandse ridderkroon waarop een zilveren helm goud geboord, getralied en gesierd, blauw gevoerd. Hierop een rode en gouden wrong, het helmteken een halve klimmende leeuw uit het vrijkwartier, in de rechterpoot een opgeheven zilveren  zwaard met gouden  greep. In de andere poot het hartkwartier van het schild. Helmdekkleed is rood en goud. Het schild wordt aan weerszijden vastgehouden door een klimmend gouden hert van goud, met omgekeerde kop.
Wapenkreet: PARTUE TUEBOR in zwarte letters op een zilveren lint
In de adelsbrief wordt als wapenkreet PER ARDUA CRESCO vermeld.”

Recentelijk (voorjaar 2018) werd op een Brusselse antiekveiling een wapenbord verkeerdelijk betiteld als  een Funerary hatchment with arms of Petrus Franciscus Xaverius Blyau of Kortrijk, licentiate of both laws from Leuven aangeboden. Echter na rechtzetting werd dit als universitair wapenbord geveild…

Bronnen & Literatuur
 
Mevr. A.M. Claessens-Peré, wetenschappelijk medewerkster van het Zilvermuseum maakte mij toen attent van het bestaan van een collectie, niet-geïnventariseerd. Zij was tevens eindredacteur van de catalogus.
 Stefan Crick, Wapenborden van het Zilvermuseum, Sterckshofstudie 28, provincie Antwerpen/2005/0180/47 ISBN 9066250763.
J. Dauwe, Universitaire wapenschilden in het Leuvens museum, Arca lovaniensis, 1974, blz. 81-101.
Luc Duerlo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III (1986)n pag. 103-106.
Luc Duerlo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III (1986)n pag. 103-106.
J.B. Christy, Jurisprudentia Heroica, enz… Brussel 1668 blz. 42.
 J.C.P. Steenkamp, Heraldisch vademecum, Amersfoort, 1938. Blz. 151
 O, Schutte, mr., De Wapenboeken der Gelders-Overijsselse studentenverenigingen, De Walbrug Pers, Zutphen 1975.
 ANB I; 1898 blz. 174-177.
L. Duerloo, Een Leuvens studentenwapenboek, Ex officina, III, 1986, blz.103-106.
P. GENARD, Verzameling der Graf- en Gedenkschriften van de provincie Antwerpen –Bundel 4b  ongeïdentificeerd en ongepubliceerd. Losse nota met initialen van de kunstenaar LP. berust in het Antwerpse provincie-archief P. GENARD, Verzameling der Graf- en Gedenkschriften van de provincie Antwerpen – Antwerpen, Kloosters, Buschman, Antwerpen, 1873, blz. .504-505.
 L. DUERLOO, P.JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel van de 15de tot de 20ste eeuw,  Gemeentekrediet, Brussel, 1992, dl N-Z, blz. 651, 652.
BARON DE BROWNE, Généalogie de la famille de Browne, Extrait de LA NOBLESSE BELGE, Annuaire de 1935-1939, H. Dessain,. 1939, pp 21-22.
RIJKSARCHIEF ANTWERPEN, archief rouwbrieven.
 L. DUERLOO, P.JANSSENS, Wapenboek van de Belgische Adel van de 15de tot de 20ste eeuw,  Gemeentekrediet, Brussel, 1992, dl N-Z, p. 651, 652.
DE RYCKMAN DE BETZ, Annuaire de la noblesse belge, 1998, I, p. 174.



-