Nieuwsbrief Nr. 104 - maart 2018

Adolf Loos


De passie voor  begraafplaatsen kreeg mij te pakken –ondertussen al een paar decennia geleden- toen ik toevallig  op het Zentralfriedhof van Wenen terechtkwam.
Het monument dat mij vooral trof op het ereperk was dat van Adolf Loos.
Tussen al de overdadig versierde grafmonumenten van de beroemde Wenenaars viel dit -door hemzelf ontworpen- monument op door zijn eenvoudige  kubusvorm.  
Ik kende wel een aantal gebouwen die hij had gerealiseerd in Wenen maar zijn geschiedenis was mij toen onbekend.
Ondertussen weet ik dat Adolf Loos geboren werd  in 1870 in Brno (Tsjechië) als zoon van een steenhouwer en stierf in 1933 in Wenen als wereldberoemd  architect.  Na zijn studies (technische bouwopleiding, geen architectuur) gaat hij naar Amerika.   De Amerikaanse  architectuur kan hem echter maar matig boeien; hij is meer gefascineerd door de alledaagse gebruiksvoorwerpen zoals bijv. valiezen, klederdracht.
Terug in Wenen zet hij zich af tegen de “valse façades” van de toenmalige nieuwe  Ringstrasse alsook tegen de Jugendstil.  Hijzelf gaat voor strengheid en volharding tegen de stroom in.
Hij verwerpt puur decoratieve versiering,  gaat voor functionaliteit, zakelijke eenvoud en geometrische helderheid in woord en bouw.  Voor hem is architectuur geen kunst omdat architectuur  een functie heeft.  Hij oordeelt dat enkel in het graf en het monument architectuur kunst kan zijn “het roept dan een andere wereld op”.
Hij concentreert zich 13 jaar op schrijven en ontwerpt slechts sporadisch interieurs.   Hij pleit voor efficiëntie, preciesheid, spaarzaamheid met weinig ornament. Hij gebruikt ruwe materialen omwille van hun eenvoud en schoonheid.  Hij zal zich de rest van zijn leven consequent houden aan datgene wat hij in zijn jonge jaren neerpent.
Vanaf 1907 ontwerpt hij een aantal gebouwen en woningen  in Wenen, Praag  en Parijs.  Zo ontwerpt hij ook een woning voor Josephine Baker  (nooit uitgevoerd).   Loos ziet zichzelf liever  niet als architect, hij schat het beroep van architect niet hoger in dan dat van bordenwasser.
In zijn persoonlijk leven laat hij zich omringen door jonge, artistieke vrouwen die steeds jonger worden naarmate hij ouder wordt en zij  introduceren hem in de kunstzinnige netwerken van die tijd, zowel in Parijs als in Wenen.   Oskar Kokoschka en Arnold Schoenberg zullen Loos ondanks zijn eigenzinnigheid levenslang steunen.   Zijn respectievelijke vrouwen, Lina Loos, Bessie Bruce, Elsie Loos en Claire Beck houden het nooit langer dan een paar jaar vol met hem….
 De laatste jaren van zijn leven is hij ziekelijk en tijdens een verblijf in een sanatorium in 1931 schetst hij zijn grafmonument op een kladje  papier. Daarna geeft hij precieze instructies aan zijn laatste vrouw Claire over de uitvoering.  Er moet grijze graniet gebruikt worden en de afmetingen zullen afhankelijk zijn van de hoeveelheid geld dat er op dat moment is “maar het mag ook niet te klein zijn want dan lijkt het op een grote inktpot”.   Er moet in ieder geval “honorary grave” op vermeld worden zodat de Wenenaars niet anders kunnen dan hem een plaats geven op het ereperk! Loos sterft echter zo arm als een kerkrat en geld voor een grafmonument is er niet.
Claire (fotograaf en schrijver) schrijft  een boek over haar leven met “Dolfie” om fondsen te werven voor het monument en gaat ook op bedeltocht  bij vrienden en vroegere opdrachtgevers.   Zijn lichaam wordt in 1934 overgeplaatst naar het ereperk van het Zentralfriedhof  maar pas in 1956 word het monument gerealiseerd.  Claire zelf is Joodse en eindigt in een massagraf samen met haar familie.

Jenny Bonnast
 
Bronnen

Adolf Loos.  A private portrait. By Claire Beck Loos, DoppelHouse press, Los Angeles, California, 2011

Foto’s : Wikipedia

https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Adolfloos.2.jpg,

 https://www.bildarchivaustria.at/Pages/ImageDetail.aspx p_iBildID=10829008 

Syllabus Frank De Groeve, Amarant, Een geschiedenis van de  moderne architectuur, 2017.