Nieuwsbrief Nr. 11 - mei 2003

“De dood en de grafdelver” van de hand van Carlos SchwabeGrafzerkje Marie Claire Vandersmissen stuurde volgende bijdrage


Een winterse avond op het Kerkhof. Aan de takken van de treurwilg hangen nog enkele dode blaadjes. Een paar sneeuwklokjes steken hun kopjes door de sneeuwlaag heen.
Een oude grafdelver heeft zojuist een nieuw graf gegraven als hij zich plots realiseert dat nu zijn eigen tijd gekomen is. De dood heeft deze sneeuwnacht uitgekozen om hem mee te nemen naar gene zijde. 
Carlos Schwabe heeft de dood in een vrouwelijke gedaante voorgesteld. Als een zwarte engel zit ze op de rand van het zojuist gedolven graf. Haar vleugels lijken op twee enorme zeisen. Ze hangen zo ver naar beneden dat ze de grafdelver omvatten in een dodelijke omhelzing. De engel is niet kwaadaardig; zij rukt de oude man niet weg uit het leven maar lijkt hem er vriendelijk op te wijzen dat hij daarvan afscheid moet nemen.  Van schrik laat hij de schop uit zijn handen vallen en grijpt naar zijn hart. Eeuwenlang werd de dood afgebeeld als de man met de zeis maar in het fin de siècle veranderde de dood van geslacht. Plots doemden er overal engelen des doods op. Van lieflijke verschijningen die achter zwarte sluiers minzaam glimlachen tot kwaadaardige heksen onder wier lange haren de holle grijns van een doodshoofd schuilgaat. De dood is vrouwelijk geworden. Deze transformatie toont nog eens hoezeer de preoccupatie met het vrouwelijk kwaad de tijdgeest beheerste. Men was niet alleen geobsedeerd door het zondige en perverse in de vrouw zelf, maar ging zelfs zo ver dat al het kwade vrouwelijk werd. Vampieren, monsters, duivels en besmettelijke ziektes; in het fin de siècle nam alles wat slecht, ziek en fataal was een verleidelijke vrouwelijke vorm aan.
 
Bronvermelding :  catalogus “fatale vrouwen 1860-1910”verschenen bij de gelijknamige tentoonstelling die van 17 mei tot en met 17 augustus 2003 te zien is in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen