Nieuwsbrief Nr. 11 - mei 2003

Roeselareverslag van het Grafzerkjesbezoek aan de begraafplaats van Roeselare


Twintig belangstellenden waren present, onder een stralend lentezonnetje. Daaronder 13 Grafzerkjes zodat de lokale pers en de inspanningen van Magda Deldaele toch zorgden voor 7 extra geïnteresseerden voornamelijk ex-leerlingen of collega’s van onze gidse Magda Deldaele. Heel positief ervoer ik het feit dat de stad Roeselare zijn stadsarchivaris afvaardigde om nota’s te nemen voor een film die zij over deze dodenakker gaan maken. Proficiat Roeselare, in de grootstad Antwerpen komen alle lovenswaardige initiatieven van individuen die het goed menen met de begraafplaatsen.
 

Gestart werd bij het monument voor Ferdinand Le Héttet, soldaat die sneuvelde op 19 oktober 1914. Op die dag sneuvelden ontelbare burgers en die dag staat nog steeds in de Roeselaarse analen vermeldt als “schuwe (= verschrikkelijke) maandag. Magda Deldaele wees ons op een historische onnauwkeurigheid: op het grafmonument staat een helm afgebeeld. De eerste infanteriehelmen werden echter eerst in 1915 ingevoerd. Na de Britse militaire begraafplaats trokken we naar de erebegraafplaats met een monument van architect René Doom en beeldhouwer Josuë Dupon, u weet wel de bekende dierenbeeldhouwer actief in het Antwerpse wiens grafmonument zomaar in de container gekieperd werd. Dank u wel mijnheer de schepen met de, met VISA, aangekochte smoking. We stonden ook stil bij het monument voor Helena Korn een joodse dame die naar Roeselare vluchtte en, omdat zij enkel de Duitse taal machtig was, aanzien werd als spionne. Totaal overstuur pleegde ze, in 1940, zelfmoord.
 
Priester Karel Dubois en vriend van Cyriel Verschaeve kreeg een modernistisch graf met opschrift “Vlaanderen hernieuwen in Christus” met daarboven de blauwvoet. Daarnaast het graf van Edmond Denys, aalmoezenier van de seizoensarbeiders. Karel Theodoor De Brouckere-Ritter was notaris en liberaal voorman en kreeg een hoge sarcofaag. Twee prachtige grafkapellen bekroond met sarcofaag bij de families Declercq-Debaene en Declercq-Debal. De familie Seaux, een bekende familie koperslagers, kreeg een enorm  gietijzeren kruis. Joseph Algar, zoon van een welstellend anglicaans dominee en vriend van Guido Gezelle en Hugo Verriest kreeg een neogotisch grafmonument. Top of the bill op deze dodenakker is uiteraard dichter Albrecht Rodenbach (1856-1880). Rodenbach studeerde aan het Klein Seminarie en was een van de verantwoordelijken voor “de groote stooringe”, een studentenopstand tegen het gebruik van het Frans in het onderwijs. Hij was leider van de Vlaamse studentenvereniging. Hij stierf heel jong aan een slepende longziekte. In het graf liggen ook de ouders van Rodenbach en de trouwe meid Pelagie. Een prachtig beeld van beeldhouwer Jules Lagae, “de verlatene” voorstellend, treffen we aan op het graf van ijzergroothandelaar Verhoestraete-Lagae. Magda Deldaele trok met ons naar wat overblijft van de protestantse begraafplaats. Dit kwam nadat de liberale industrieel Henri Tant protestantse werknemers ronselde in Zeeuws-Vlaanderen en in de Oost-Vlaamse enclave Sint-Maria-Horebeke om zij in zijn textielfabrieken te laten werken. Kunstschilder Alfons Blomme kreeg een mooi opschrift op zijn graf “al wat ik doe is Blomme zijn”. Afgesloten werd bij de grafkapellen van “nieuwmarkters”. Dit zijn handelaars die hun koopwaar van huis tot huis aanboden. Hun grafkapellen zijn opgesmukt met glasramen een altaar met schrijn en kandelaars.
 
Dank aan Magda Deldaele voor haar kennis die zij met ons wou delen. Dankzij u trokken de Grafzerkjes, eens te meer, tevreden huiswaarts.


Tekst en foto's : Jacques Buermans