Nieuwsbrief Nr. 95 - september 2016

Roeselare Berten Rodenbach e ne veugel in zien nand


Eind juli. Zerkjes aan het werk en Zerkjes met vakantie. Een select maar fijn groepje verscheen ten tonele om de sfeerrijke begraafplaats te ontdekken. We mochten zelfs een nieuw lid aan ons hart drukken. Een wat opgejaagde en nerveuze gidse doet mij pennen van jewelste. Vanaf 1806 aangelegd kant Groenestraat, begin twintigste eeuw uitgebreid richting Blekerijstraat, wat begrijpelijk is want op het oudste gedeelte liggen ze als haringen in een ton.
In 2011 besliste de stad Roeselare om deze dodentuin in verschillende fasen te herwaarderen. Mooi initiatief! Eerst werden de bestrating en de paden aangepakt. Wagens werden gebannen (joepie, we begraven onze geliefden weer zoals het moet, ingetogen en traag, te voet). Fietsers en voetgangers kregen de voorkeur. Weggesmeten geld want wat bleek: op de kaarsrechte paden waanden fietsers zich een reïncarnatie van Eddy Merckx die de spurt aantrekt. Wandelaars werden omvergekegeld en ondersteboven gereden.  Men gaat het huiswerk overdoen en kronkelwegjes aanleggen.
Men stelde een lijst op van 120 te restaureren graven. Handje klap. Tot de stad ontdekte dat ze in een financieel putje zaten. Uiteindelijk werden maar 8 graven opgeknapt. Einddoel is de creatie van een begraafpark. Een wat? Iedereen die mij kent, weet dat mijn nekhaartjes zich onttrekken aan de wetten van de zwaartekracht telkens dit modewoord valt. Want elke keer doemt de moord op het kerkhof van Ter Eken, St.-Niklaas voor mijn ogen op. Wat daar aan funeraire pracht tegen de vlakte is gegaan. Schandalig! In Roeselare hebben ze een bloemen- en insektentuin ontworpen. Het oogt mooi. Tot we vaststellen dat de muren rondom opgetrokken zijn met stukgeslagen grafmonumenten. Daar gaan mijn nekhaartjes weer. Maar genoeg gekafferd. Wat hebben we kunnen bewonderen.

Militaire erepleinen

Het Franse ereperk WO I is na St. Charles de Potyze (nabij Ieper) en de Ossuaire aan de voet van de Kemmelberg het derde grootste in Vlaanderen. Een monument ontworpen door Emiel Duyvewaardt domineert het geheel. Hier rusten ook strijders uit de Noord-Franse kolonies zoals Zouaven (Piés Noirs), Tirailleurs Sénégalais en Berbers. Ferdinand Le Hetet schonk men een praalgraf. Op Schuwe Maandag dekte hij moederziel alleen, tot op de tanden gewapend, de aftocht van zijn kameraden. Hij werd met bajonetsteken afgemaakt.
Tussen de gesneuvelden uit het Gemene Best ontdekken we 2 onbekende Fransen. Waarom ze hier werden bijgezet blijft een mysterie.
Achter een monumentaal gedenkteken, een ontwerp van architect René Doom en beeldhouwer Josué Dupon, kregen de Belgen een laatste stek. Soldaten en burgerslachtoffers rusten allemaal onder hetzelfde type kruis.
Pakkend is het tragische verhaal van de Joodse Helena Popper. Geboren in Wenen en gehuwd met Jakob Korn. In januari 1939 vluchtte ze met haar man en zoon Friedrich voor de Nazi’s. Het gezin kwam in Antwerpen terecht. In mei 1940 werden de 2 mannen gearresteerd. Helena reist verder door naar Roeselare waar ze weinig hulp krijgt. De trein biedt een uitweg, ze pleegt zelfmoord. Haar stoffelijke resten worden later naar het Nederlandse Anna ten Putte overgebracht.
Het Duitse ereplein, het Wilhelmfriedhof (nu bekend als onder de ceder) werd opgedoekt in 1956. Ook de obelisk, ingehuldigd op 1 augustus 1915, verdween met de noorderzon.
We verlaten de militairen en komen bij de ambulante handelaren van de Nieuwmarkt terecht. Zij verdienden flink hun brood en investeerden in het hiernamaals. Prachtige en goed onderhouden grafkapellen strijden om de eerste prijs. Soms werd er plagiaat gepleegd. Een zekere A. Plancke kopieerde een Parijse grafkapel voor de familie Plancke-Houthoofd. Hij kreeg een proces aan zijn broek.
Nu gaat het in sneltreinvaart, ik kan amper volgen. De familie Denys-Tailleu handelde in hout, leden van de familie Declercq-Debal waren aannemers. Zoonlief was verantwoordelijk voor het graven van het kanaal Brussel-Charleroi. De Brouckere was notaris-burgemeester, hij verfranste zijn naam tot de Brouckère, dat stond chiquer. Een oud graf, toebehorend aan de familie Coussement, versierd met de 7 smarten van Maria. Willem Denys, schrijver van de onsterfelijke Peegie.
Het perceel van de familie Rodenbach. Oef, een adempauze. De oudste concessie mag op naam van Pierre Rodenbach geschreven worden. Hij was schepen van de stad. Alexandre Rodenbach, de blinde Rodenbach, studeerde rechten in Leuven, schopte het tot burgemeester van Rumbeke en maakte deel uit van het Voorlopig Bewind. De beroemdste telg van de familie, blauwvoeter Albrecht, rust onder een ontwerp van Jules Lagae.
Amand Tant, eigenaar van een mechanische spinnerij, werd depressief na het overlijden van zijn echtgenote. Hij pleegde zelfmoord. De kerkelijke overheid verbood de begrafenis in gewijde grond. Maar de familie had geld en geld opent vele deuren. Zijn 2 zonen Louis en Henri hadden hun buik vol van de katholieke kerk. Louis werd vrijzinnig en Henri bekeerde zich tot het protestantisme.
We eindigden bij het romantisch graf van de familie Verhoestraete-Lagae. Neef Jules Lagae realiseerde dit beeld in Rome. Zijn dienstmeisje stond model.

Besluit: hoe komt het toch dat deze stemmige begraafplaats nog altijd niet beschermd is als monument.

Wat ontdekten de kleinen en ik nog meer?

Vanaf 1409 zwaaide de familie van Kleef de plak over de heerlijkheid Land van Wijnendale. Jan van Kleef, alias Jan bastaard van Ravenstein, want in 1446 geboren als buitenechtelijke zoon van Adolf V van Kleef, huwde Johanna van Lichtervelde. Hij stierf op 14 augustus 1504 en werd begraven in de St. Michielskerk. Zijn echtgenote vervoegde hem na haar overlijden op 20 december 1526. Beide gisanten werden als levend en rustend met open ogen afgebeeld. In de 19° eeuw restaureerde men de kerk. Het praalgraf stond in de weg. De toenmalige pastoor vond er niets beters op dan het gevaarte te verpatsen aan de graaf van Thiennes uit Rumbeke. Die wist ook niet wat er mee gedaan en schonk het aan het Gentse Museum voor stenen voorwerpen. Pas in 1964 ondernam Roeselare een poging om het monumentale ding terug te krijgen. Echt succesvol was dit verzoek niet. In 1998 begon ’t Gild der maten van Peegie zich er mee te moeien. Minister Luc Martens zette zijn schouders onder het initiatief. Die van Gent zijn gulle mensen, ze schonken het praalgraf terug aan de St. Michielskerk. Op 29 mei 1999 werd het ingehuldigd.
Kruis van Moen: efkes paniek want ik dacht dat Christus van zijn kruis aan het donderen was. Maar wat bleek: zo hoort het. De roze, levende kant komt los van het kruis. Het grijze, dode gedeelte blijft genageld. Dit kunstwerk van Hendrik Sulmont van Moen is gedateerd 1988.

Wat ontdekten Philippen en Mari-Therese nog meer?

u ons aller Philippe zich de fiere eigenaar noemt van een elektrische fiets is hij niet meer te stuiten. Aan 25 km per uur zoeft hij door het Vlaamse landschap op zoek naar de laatste rustplaats van iedereen die zich ooit op een tweewieler voortbewoog. En Marie-Thérèse mag mee. Zo ontdekten ze in Beveren-Roeselare het graf van Jempi en Giovanni Monseré. Op maandag 15 maart 1971 sloeg het noodlot toe. Wereldkampioen Jean-Pierre Monseré, 22 jaar jong, knalde tijdens een kermiskoers te Retie op een stilstaande wagen. Hulp kon niet meer baten. De begrafenis te Roeselare op zaterdag 20 maart werd massaal, door naar schatting 40.00 treurende wielerfanaten bijgewoond. We weten het allemaal: de geschiedenis herhaalt zich. Zoontje Giovanni kreeg voor zijn eerste communie een Flandria koersfietsje. Vijf jaar na zijn papa reed de zevenjarige jongen tegen een auto. Op hetzelfde merk fiets en eveneens getooid in een regenboogtruitje.
Tekst : An Hernalsteen
Foto’s: Philippe Theys, Edgard Maes, Dirk Joos