Nieuwsbrief Nr. 10 - maart 2003

Belgian connection op Père Lachaisewelke “Belgen” liggen er op de moeder van alle begraafplaatsen?


De Parijse begraafplaats Père Lachaise is door iedereen wel bekend. Wie kuierde er nog nooit rond op deze dodenakker? Maar wist u ook dat er een aantal Belgen begraven liggen op deze enorme necropool? Of dat er mensen begraven liggen die met ons land een, amoureuze, een dichterlijke of andere band hadden? We gaan hier eens dieper op in.
De Belgische inbreng.
 
In de eerste plaats is hier de laatste rustplaats voor componist André - Ernest - Modeste Grétry (1741 - 1813). In zijn jeugd zingt hij in een kerkkoor in zijn geboorteplaats Luik, maar hij houdt dit na een tijdje voor gezien. Tijdens een optreden van een Italiaans operagezelschap maakt hij voor het eerst kennis met de Italiaanse opera. Hij is hiervan diep onder de indruk en besluit in dit genre zijn heil te zoeken. Hij trekt naar Rome om er te studeren en blijft daar tot 1766 en vertrekt dan, via Geneve, naar Parijs doordat de schrijver Voltaire hem daartoe aanspoort. Hij schrijft daar de opera “Les mariages Samnites”, maar dit wordt een mislukking. Na het bestuderen van een van de werken van de componist Monsigny beseft Grétry dat de komische opera zijn bestemming is en hij stort zich vol enthousiasme op het componeren van werken in die stijl. In één jaar tijd levert hij drie stukken, waaronder “Silvain”, die hem roem brengen af. Tijdens zijn verblijf in Parijs boekt hij het ene succes na het andere en hij schrijft ongeveer 50 komische opera’s die zeer gewaardeerd werden door zijn tijdgenoten. “Richard Coeur de Lion” was zijn meesterwerk. Tijdens zijn erebegrafenis op 27 september 1813 houdt de componist Etienne Nicolas Méhul, die naast Grétry begraven ligt, een toespraak in naam van alle aanwezige musici. Het monument voor deze componist bevindt zich in divisie 11.
 
Georges Rodenbach (1855 - 1898), symbolistisch Belgisch dichter. Het, verdwenen, epitaaf vermeldde “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre. Dans la mélancolique éternité du livre”. Ofwel was het de bedoeling van de Vlaamse dichter, schrijver van “Bruges La Morte”, uit 1892, om Christus te vervoegen, ofwel wenste hij te genieten van de onsterfelijkheid die zijn werken hem verleenden. Het marmeren beeld “een wereldlijke verrijzenis” werd in 1902 verwezenlijkt door Charlotte Besnard. Beeldhouwer Albert Roze werd door dit werk geïnspireerd bij het maken van zijn graftombe voor Jules Verne in Amiens, in 1907. Het werk staat op divisie 15
Een merkwaardig grafmonument is dit voor Etienne Gaspard Robertson (1763 - 1837), op divisie 8. Deze natuurkundige, van Luikse afkomst, was in geheel Europa bekend voor zijn experimenten met zinsbetovering, vooral gebruikt in het theater. Robertson was eveneens bezeten van de luchtvaartkunde en hij vond een parachute uit. De beeldhouwer Hardouin heeft deze beide passies van Robertson overgebracht op het monument. Aan weerszijde van dit, met funeraire symbolen versierde monument, vindt men hoogreliëfs. De ene toont een scène van zinsbetovering, de andere het opstijgen van een luchtschip.
Zénobe - Théophile Gramme (1826 - 1901). Deze Belgische elektrotechnicus is in zijn jonge jaren schrijnwerker. In 1856 vestigt hij zich in Parijs, waar hij in een fabriek van elektrische apparatuur aan het werk gaat. In 1867 vraagt hij zijn eerste octrooi aan: hij weet bij wisselstroommachines een verbetering aan te brengen. In 1869 bedenkt hij een collector waardoor de bouw van gelijkstroommachines mogelijk wordt. In 1871 toont hij de eerste dynamo aan de Académie des Sciences. Op het eind van vorige eeuw werd de overledene graag afgebeeld in een familiale sfeer. Dikwijls gezeten en vergezeld van voorwerpen die het mogelijk maken de overledene te identificeren. In 1901 werd Gramme, door beeldhouwer Mathurin Moreau, voorgesteld in een Louis XVI zetel met de dynamo, waarvan hij de uitvinder was, in de hand. Dit alles op divisie 94.
 
Albert Grisar (26-12-1808 Antwerpen - 15-6-1869 Asnières), componist. Debuteerde op 25-jarige leeftijd met “Le marriage impossible”. Verder werken “Gilles ravisseur”, “Les Pocherons”, “Le carilloneur de Bruges”, “Les amours du diable” “La chatte merveilleuse”. Hem vinden we op divisie 71.
 
Zij hebben Belgische “roots”
 
Jacques - Louis David (1748 - 1825). Deze grootmeester van de Franse schilderkunst is zowel de grondlegger van het zogenaamde neoclassicisme als de leermeester van onder meer Antoine Jean Gros, Jean Auguste Dominique Ingres en Auguste Preault. Deze kunststroming grijpt terug naar de klassieke oudheid. Dit blijkt uit de titels van zijn werken “Het gevecht van Minerva met Mars” en “De opvoeding van Achilles”. Zijn werk als schilder kan David goed verenigen met zijn positie als vooraanstaand opinieleider tijdens de Franse Revolutie en het Napoleontische Keizerrijk. Door zijn volledige steun aan Robespierre wordt David, in 1793, meegesleurd in diens val en een jaar later wordt de schilder veroordeeld tot gevangenisstraf in de cellen van het “Palais du Luxembourg”. Uit deze periode stammen “Eed in de Kaatsbaan” en “De Dood van Marat”.  In 1795 ontmoet hij Napoleon die hem tien jaar later tot hofschilder benoemt. De val van Napoleon te Waterloo maakt dat hij dient te vluchten naar Brussel waar hij in ballingschap gaat. Enkel het hart van David ligt op Père Lachaise begraven. Zijn lichaam ligt nog steeds op de begraafplaats van Evere daar de Franse koning Charles X de overbrenging van het lichaam weigerde. Hij was de meest begaafde kunstenaar van zijn generatie. Het bronzen medaillon is van de hand van Normand. Divisie 56.
 
Cléo de Merode (1875 - 1966). Deze actrice en danseres had verscheidene tumultueuze liefdesrelaties. Ze was onder meer de maîtresse van Leopold II van België. Zij vond ook een nieuw soort kapsel uit en poseerde voor het werk “la Danseuse” van Jean – Alexandre - Joseph Falguières. Ze snoerde alle criticasters de mond door in het dagblad de Figaro te verklaren: geachte heer directeur, gelieve te noteren dat het werk van Falguières enkel mijn gelaatstrekken heeft en het spijt me dat iedereen denkt dat ik naakt poseerde”. Het beeld op divisie 90 is van de hand van beeldhouwer Périnat, uit 1909.
 
Op divisie 13 ligt Ignace Pleyel een uit Oostenrijk afkomstig componist. Hij vestigde zich, in 1795, in Parijs en stichtte er eerst een muziekuitgeverij, later een pianofabriek. In 1831 huwt hij met Marie Moke, dochter van een Duitse moeder en een naar Frankrijk uitgeweken Torhoutse professor in de linguïstiek. Deze begaafde pianiste brak een verloving met Hector Berlioz af om met Camille Pleyel te huwen. In 1835 zijn ze reeds uit de echt gescheiden. Marie Pleyel, die de familienaam van haar echtgenoot blijft behouden, vestigt zich, in 1842, in Brussel waar zij, in 1875, sterft. Het prachtige grafmonument voor Marie Pleyel bevindt zich op de begraafplaats van Laken.
 
Nog een Belgische kunstenaar.
 
Op divisie 11 ligt Fernand Arbelot. (1880 – 1942) We weten niets over de persoon van Arbelot enkel dat hij voor zijn schoonmoeder, zijn echtgenote en hemzelf een merkwaardig monument liet oprichten. Op dit graf treffen we een prachtige bronzen  mannengisant, Arbelot, met in zijn hand een vrouwenmasker, zijn echtgenote. Het is van de hand van de Belgische beeldhouwer Adolphe Wansart. Het epitaaf vermeld: “Ils furent émerveillés du beau voyage. Qui les mena jusqu’ au bout de la vie”.


Tekst en foto's : Jacques Buermans