Nieuwsbrief Nr. 93 - mei 2016

Westerbegraafplaats zoals steeds prima, Wondelgem leuk extraatje Westerbegraafplaats nog altijd een topper


Plan B was aan de orde. Niet omwille van de terreuraanslagen maar omwille van de onbeschikbaarheid van onze gids werd het bezoek aan de begraafplaats van Sint-Joost uitgesteld. Ons aller ondervoorzitster An voelde zich niet te beroerd om ons op “haar” Westerbegraafplaats te gidsen. Ze ging ervan uit dat iedereen “haren hof” wel kende maar van de 14 aanwezigen  waren de helft nog niet op de Westerbegraafplaats geweest.
An begon dus haar traditionele inleiding. Zij die nog nooit op de Westerbegraafplaats waren kenden het verhaal niet maar de anderen kwamen zeker om dit verhaal te horen, ze stak van wal met haar verhaal over haar goede vriend bisschop Bracq en de banvloek die hij ooit over de Westerbegraafplaats uitsprak. De toon was gezet. Eerste stopplaats dichter Destanberg. De man maakte ook grafschriften. Hij deed dit gratis voor hulpbehoevenden. De begoeden dienden er voor te betalen. Op een zeker moment was Petrus Rotthier overleden. De arme weduwe vroeg Destanberg een zo kort mogelijk grafschrift te verzorgen waar zijn naam en waar hij voor stond op stond. Destanberg repliceerde dat hij dat voor arme mensen gratis deed maar de weduwe zei “weet je wel hoeveel één letter kappen kost?” Waarop Destanberg  “Pier rot hier” maakte. Een nieuwe serre stond over het graf voor Jacques Henri Souvage in de eerste plaats om de houten engel te beschermen. An die steeds maar zegde dat ze in tijdsnood ging geraken stond toch nog even stil bij Hubert Dubois  volgens haar de beste steenkapper uit de omgeving. Toch tof dat An oog heeft voor deze “mindere goden”. 
Bekender is Edward Anseele , door An “Edje” genoemd. Zijn moeder wilde dat haar kinderen onderwijzer werden. Alleen bij Edward lukte dit niet, die werd drukker. Edward huwde met ene Maria De Coster maar hij hield er toch een “koeketiene” op na. De buitenlanders, lees: Antwerpenaren en Kempenaren, in het gezelschap wisten niet wat ze hoorden. Een “koeketiene” is een aanhoudster en komt van het Franse concubine. Ida Calvi was Italiaanse en dat was ook te bewonderen op haar prachtige grafmonument. Fritz Van den Berghe  was schilder. Op zijn graf een beeld geïnspireerd naar een werk van hem “De staalmensen”. Van Schoote  ging een kunstenaar zoeken in Genua en niet de eerste de beste: Luigi Orengo (deelnemers aan de Italiëreis ontdekten verschillende werken van zijn hand op Staglieno). An vertelde dat het monument besteld werd aan de hand van boeken met grafmonumenten. De familie was vrijzinnig maar op het model stonden Christussymbolen. Het verwijderen ervan zou het grafmonument beschadigen vandaar dat het monogram er nog steeds op staat alhoewel de tand des tijd ervoor zorgt dat het stilaan verdwijnt. 
Katoenhandelaar Ulric Wild kreeg een kapel van Dierkens met alles er op en eraan. Zelfs het schraapijzer om de schoenen proper te maken werd niet vergeten. Van het monument Buzzeo – Krieger ontdekte An dat de eigenaars een fortuin verdienden met verkoop van wafels en pannenkoeken. Laurent herschreef het burgerlijk wetboek en voerde het schoolsparen in. Sommige Zerkjes kenden dit nog. Het grootste monument kreeg Charles de Kerckhove de Denterghem, burgemeester en volksvertegenwoordiger. Hij zette zich in voor de weeskinderen van Gent en liet noteren dat het enkel “zijn” weeskinderen waren die hem bij zijn laatste tocht op de Westerbegraafplaats mochten vergezellen. Zo geschiedde: de notabelen dienden te wachten aan de ingang enkel de weesjes gingen mee de dodenakker op. 
Vandaar naar Virginie Loveling, de schrijfster, en haar zus Pauline. Deze laatste was de moeder van Cyriel Buysse. Cyriel “verdween” regelmatig om avontuurtjes te beleven. Wat verder zagen we dat An van alle markten thuis is want ze vertelde aan Emma, ons jongste lid, hoe mensen indertijd schrik hadden om levend begraven te worden. Een van de oplossingen was een buis  zodat ze, indien nodig, vanuit het graf konden roepen naar voorbijgangers?
We zagen een prachtig beeld van de hand van Olivier Piette . Om in zijn onderhoud te voorzien diende hij ook ornamenten te maken zoals An toonde op de laatste rustplaats van Florimond De Coutere . Heckers  kreeg een prachtig erotiserend beeld op zijn graf. Volgens An plagiaat met het grafmonument de Medici. We gingen nog langs het nieuwere gedeelte en stonden stil bij de laatste rustplaats voor Romain De Coninck , de man van de Minardschouwburg. Vandaar naar Vina Bovy , de Gentse nachtegaal en directrice van de Gentse opera. Op haar graf de eerste noten van “Ik ken een lied”. Anna De Weert – Cogen  was een leerling van Emile Claus. We zagen nog werk van Geo Verbanck.
Terug op het oude gedeelte Virginie De Hoon , echtgenote van Karel Ledeganck. Bij deze rustplaats mijmerde An over de mogelijkheid om dichter Karel Ledeganck, de echtgenoot van Virginie, van het Campo Santo naar de Westerbegraafplaats te laten overbrengen. Op verzoek van enkele Zerkjes stond An stil bij De Schepper – Niffle. Mijnheer De Schepper zat wegens ziekte in een rolstoel. Zijn echtgenote kijkt door het raam en ziet daar een “prachtig (?) vuurwerk”. Een obus komt op hun huis terecht en zij komt onder het puin terecht. Het grafmonument omvat brokstukken van hun huis. Het monument samengesteld uit wrakstukken van het huis wordt al jaren onderhouden door ons lid Johan Moeys. 
Politicus Hyppolythe Metdepenningen’s  monument wordt in de volksmond “de badkuip” genoemd om zijn vorm en grootte. Een bad nemen zal moeilijk zijn: het monument is zo lek als een zeef door kogelinslagen. We passeerden langs het monument met tempelportiek en obelisk voor de familie Vercauter – Hoste . Dankzij An en haar beroemde Tupperwarepot (zij verzorgt al jaren gratis rondleidingen op de Westerbegraafplaats tijdens de Gentse feesten en vraagt een bijdrage aan de deelnemers die zij gebruikt om monument te laten restaureren, bedankt An voor dit prachtig initiatief). We stapten nog voorbij een adoptiekind van An: Baert – Golardijn  om te eindigen bij het prachtige monument met Kronos, vadertje tijd, op het graf Van Outryve .
Zelfs voor mensen die deze begraafplaats goed kennen is het nog steeds een ervaring om met An te mogen rondlopen.
 

Wondelgem – Dries: klein maar fijn!

Na een prima maaltijd gingen nog zeven “die hards” onder leiding van An naar het kerkhof van Wondelgem – Dries. De prachtige kerk uit 1686 werd opgedragen aan Catharina van Alexandrië. Hier niet alleen oog voor “beroemde beentjes”, zoals An steeds zegt, maar ook voor merkwaardige grafmonumenten, zoals bleek bij het eerste monument voor Petrus Debbaut. Hij was de allereerste postbode van Wondelgem en staat ook zo op zijn grafmonument afgebeeld. Naast hem lag André De Muynck die, via de post, een bruid vond in Indonesië. Een “postorderbruid”, zo stelde An. Rond het kerkhof ligt een beeweg ter ere van de Heilige Markoen die aanbeden werd tegen het “koningszeer”, te weten halsknobbels en … syfilis. Ook de Heilige Catharina werd hier aanbeden.
Op het kerkhof ook veel graven met marbriet en de fameuze keuken- en badkamergraven  aan. 
Een eerste groot grafmonument maakte meteen de link tussen Gent en het Antwerpse. Hier ligt Elisabeth de Hemptinne gehuwd met graaf Ignace Moretus.  Zij woonden eerst op Sorghvliedt in Hoboken bij Antwerpen maar toen dit kasteel in 1923 verkocht werd, kochten zij het Hof ter Beke in Wilrijk. Elisabeth’s rouwdienst vond plaats in de Don Boscokerk in Hoboken maar ze werd hier begraven. Deze tak van de familie de Hemptinne week af van de andere familieleden die allen actief waren in de katoennijverheid; zij specialiseerden zich in … motorolie. Mijnheer Dury verfranste zijn naam in du Ry, dat klink beter. Michael Lummersheim (vluchtte vanuit Duitsland op een wit paard met het geld van zijn werkgever. Met dit geld richtte hij een inktfabriek op! Hyppoliet Rolin was eerst advocaat en werd later minister van openbare werken. Ook op andere fronten zat hij niet stil want hij had liefst 18 kinderen.
Een keurig gerestaureerd graf voor de ouders van schrijver en Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck. Hier ligt ook Oscar, broer van Maurice. Hij overleed op amper 21-jarige leeftijd aan een longontsteking nadat hij door het ijs gezakt was. We konden een pracht van een gietijzeren kruis met bovenstuk bewonderen. Een “lokaal” drama speelde zich af toen er bommen op de wijk vielen. Jean Baptist Cosyn kreeg een muur over zich en dat werd hem fataal. We eindigden onze tocht met een grafmonument voor drie, in 1942 in Rieme, gefusilleerde mensen .
Jacques Buermans.
 
Foto’s: Leen Otte, Edgard Maes, Philippe Theys, Jacques Buermans.

Père Lachaise: enkele lukrake verhalen!


In de vorige Nieuwsbrief stond dat onze vzw Grafzerkje een dagtrip naar Parijs met een door mij gegidst bezoek aan de begraafplaatsen Père Lachaise en Montmartre zou brengen in september of oktober. Zo iets moet natuurlijk goed voorbereid worden. Hoewel ik al 58 keer een rondleiding op Père Lachaise gidste, was het de bedoeling om op zaterdag 12 maart de trip eens voor te bereiden. Leen Otte, duivel doet al bij vzw Grafzerkje, en haar echtgenoot Marc gingen mee. Op maandag 7 maart kreeg Leen doodleuk te horen dat haar, in januari aangevraagd verlof, geweigerd was. Gevolg voor Leen en Marc: € 80, zegge en schrijve 3200 oude Belgische franken, kwijt en ondergetekende alleen naar Parijs. Ik kon toch moeilijk voor mezelf de rondleiding maken. De mensen zouden denken, niet geheel ten onrechte, dat ik gek geworden was wanneer ik luidop tegen mezelf het verhaal vertelde van Chopin, Piaf en andere Jim Morrison’s. Daarom de rondleiding gemaakt en hier en daar een “uitstapje” gemaakt om toch enkele bijzondere figuren en/of graven te bespreken, graven die denkelijk niet aan bod komen tijdens de reguliere rondleiding.
La mémoire necropolitaine. André Chabot (1941 - ?) is, samen met Anne Fuard zijn echtgenote, de stichter van deze vereniging. Deze duizendpoot geeft lezingen en bezit een archief van, je kunt het niet tellen, miljoenen foto’s van begraafplaatsen over heel de wereld. Een aantal van onze leden mochten hem ontmoeten tijdens een trip naar Parijs met de Terebinth. De man vertelt honderduit en, zeker belangrijk, humor is nooit ver weg. Zo heeft hij in zijn kelder een “virtuele begraafplaats” waar mini-graven te bewonderen zijn. Tijdens ons bezoek werden we enkele uren overdonderd door zijn verhalen. Vervelen deden we ons zeker niet. Op Père Lachaise werd, in september 2013, het monument “la mémoire necropolitaine” ingehuldigd: in een oude grafkapel staat een gigantisch fototoestel dat als het ware elke voorbijganger op de gevoelige plaat legt. Dit monument is André Chabot en waar hij voor staat ten voeten uit.
Karel Appel (1921 - 2006) was expressionistisch schilder en beeldhouwer. Hij is een van de grondleggers van de Cobra-beweging. Hier wil ik toch een anekdote kwijt. Appel overleed in mei 2006 en hij werd begraven op Père Lachaise. Eind mei van dat jaar trok ik naar Parijs en ons meer dan gewaardeerd lid Rindert Brouwer vroeg me of ik, ik was er toch, eens een afbeelding kon maken van het graf van Karel Appel. Aan de ingang gingen we, Rina vergezelde mij, eens informeren op welke divisie Karel Appel lag. Ik zei nog tegen Rina: “Indien men hem niet kent vraag je maar naar “Charles Pomme””. Dit bleek niet nodig want de juffrouw aan de ingang wist exact waar hij lag en zegde “Division 22. Vous ne manquerez pas: la tombe est toute fleurie”. Wij naar divisie 22. Om een lang verhaal kort te maken we zochten en vonden … uiteindelijk geen graf maar enkel de vermelding “Karel Appel” met één pover bloempotje met viooltjes. Dit konden we Rindert toch niet aandoen? Terug in Antwerpen kwam het slecht karakter in mij naar boven. Op Schoonselhof ligt Jos Appel, wisselagent, onder een modern monument. Ik liet Rina een foto maken van dit grafmonument en … plaatste er nog een echte appel op . Ik stuurde dit naar Rindert en kreeg als reactie :”Ik wist niet dat er zo snel al een graf op de laatste rustplaats stond maar ik stuur het door want het dient voor publicatie in een krantenartikel”. Ik kon niet snel genoeg reageren om Rindert te vertellen dat het een grap was. Zaterdag 12 maart 2016: er staat nu wel een grafmonument op de laatste rustplaats voor Karel Appel maar hij moet het nog steeds doen met één pover bloempotje met viooltjes.

Op het hoogste punt van de begraafplaats staat de kapel gebouwd in 1823 door Etienne Godde. Hier stond vroeger het huis van de Jezuïetenpaters. Ik had nog nooit een blik kunnen werpen binnen de kapel maar nu zag ik juist een pastoor die de kapel betrad. Ik vroeg beleefd om eens een kijkje te mogen nemen en dat kon. Niet dat de kapel spectaculair is maar dat zijn toch van die dingen waar je wat geluk moet hebben om die te kunnen bekijken. Het is nog zo dat er toch nog regelmatig diensten plaatsvinden in de kapel.

Vernimmen. Ik denk dat maar weinige leden van vzw Grafzerkje weten dat vele van onze Nederlandse leden hun lidgeld betalen via Piet Vernimmen. Piet door mij “onze bovenrivierse penningmeester” genoemd doet dit al jaren voortreffelijk. Dit is misschien het moment om Piet daarvoor eens hartelijk te danken. Dank dus! Maar ik denk dat de job zeer lucratief is want welke grafkapel kwam ik nu tegen op Père Lachaise? Juist: de kapel Vernimmen . We zullen toch eens moeten controleren of dit allemaal wel kosher is? (grapje uiteraard).
Jean Louis Sacchet is apotheker en weg van alles wat met Egypte te maken heeft. Hij is al jaren bezig met zijn dood. Hij wil namelijk gemummificeerd worden en heeft daar al de nodige voorbereiden voor getroffen. Hij bouwde voor zichzelf een piramide. Bijzonder is de binnenkant die versierd is met hiërogliefen door hemzelf geschilderd. 
Nog geen week geleden kreeg ik een vraag. Marie Peyrat, gehuwd Arconati-Visconti was de dochter van de voorzitter van de Franse senaat en werd door haar adellijk huwelijk plots schatrijk en eigenares van vele kastelen, in Italië en in België, waaronder Gaasbeek. Het huwelijk bleef kinderloos want ze verloor haar man op erg jonge leeftijd; ze schonk daarom in 1921 kasteel, domein en inboedel aan de Belgische staat; het is nu eigendom van het Vlaamse Gewest. Vraag: “Alphonse Peyrat, de vader van Marie Peyrat, zou op Père Lachaise begraven zijn. Wij vinden hem niet”. Al vlug had ik gevonden dat hij op divisie 95 zijn laatste rustplaats kreeg dus was het ideale gelegenheid om hem eens met een bezoekje te vereren.
Vorig jaar had ik last van een kromme middelvinger. Het deed pijn om die telkens terug in positie te krijgen. Ik dacht aan een triggerfinger want daar was ik enkele jaren daarvoor reeds aan geopereerd. Ik ging naar mijn huisarts die zei: “Dat is geen triggerfinger maar “Dupuytren”!”. Ik was al heel opgetogen want Dupuytren klinkt toch veel beter om aan vrienden te vertellen: “Ik heb Dupuytren” dan bijvoorbeeld: “Ik heb diarree”! Wat heeft dit in hemelsnaam te maken met Père Lachaise hoor ik jullie zeggen? Wel Baron Guillaume Dupuytren, de chirurg die in 1831 als eerste tot de bevinding kwam dat de kwaal, die voortaan zijn naam zou dragen, behandeld kon worden door een chirurgische ingreep ligt begraven op Père Lachaise. Ik wil ook nog kwijt dat de ingreep, nog geen kwartiertje werk, mij € 450 kostte, niet terugbetaalbaar door de ziekenkas maar ik denk dat de mij behandelende arts in de leer is gegaan bij zijn illustere voorganger want Guillaume zijn monumentje mag er zijn .
Ten slotte. Ik denk dat weinig leden van vzw Grafzerkje weten waar ons logo vandaan komt. Wel: Jacob Roblès (1758 - 1828) ligt te midden van de oude joodse afdeling van Père Lachaise onder het werk “de stilte” van de hand van Antoine Auguste Préault .
Dus voor de mensen die dit jaar meegaan: deze grafmonumenten gaan we normaliter niet bezoeken maar er blijft nog veel ander moois te bewonderen op de moeder, of is het “vader” (= Père Lachaise), van alle begraafplaatsen!

Jacques Buermans.

Foto’s: Jacques Buermans

35 jaar crematorium Antwerpen maar wat een feest!


35 jaar geleden werd de eerste steen gelegd van het Antwerpse crematorium. Tijd voor een feestje en wat voor een! 300 genodigden, waaronder zes leden van vzw Grafzerkje, werden verwelkomt op zaterdag 19 maart. Alle medewerkers van het crematorium en alle deelnemende artiesten waren herkenbaar aan … een zwarte veeg op hun neus! Simpel maar toch zeer herkenbaar voor de aanwezigen. In de aula werden we in zes groepen verdeeld en kregen we onder leiding van een begeleider een verrassende tocht door de diverse ruimtes van het crematorium. Gestart werd met een voorstelling “Mammie” over een ontmoeting van een man met zijn, overleden, moeder. De man in rolstoel werd gebracht door Ronald Van Rillaer, tevens de drijvende kracht achter heel deze organisatie, en Saartje Van Houtte, in het dagelijks leven ziekenhuisclown en musicalactrice. Waarom deze voorstelling in het Engels moest zijn is me een raadsel? Vandaar trokken we naar de technische ruimte van het crematorium, de ovens. Onderweg was er een ontmoeting met een imposante dame vergezeld van een levende uil, kregen we een performance van Herman Dufraing, illusionist . Als vrijwilligster voor zijn act koos hij ons lid Jenny  uit. Nadien was er een, voor wat mij betreft, kippenvelmoment wanneer, gehuld in rook, uit de technische ruime een prachtige operazangeres, Fedra Van De Veere, tevoorschijn kwam die het “Lacrimosa” van Mozart ten gehore bracht. 
Toen we weggingen zagen we een clown die tevergeefs trachtte contact te zoeken met onze groep maar hij werd gehinderd door het raam dat ons scheidde. Terug in het crematorium werd er nog literatuur  “voor en na de dood” werd gebracht door Kirsten Roosendael en Dirk Vermiert. Deze laatste bracht een “monoloog van een vader aan zijn zoon”. In een andere ruimte brachten Elke Buyle en Dieter Troubleyn elk enkele nummers. Van Dieter bleef me het pakkende “bring him home” uit de musical les Miserables bij. “Een leven zonder jou” was een theatervoorstelling  gebracht door Tinne Velkeneers en Wanda Joosten. 
Na dit gedeelte moesten we in de aula wachten tot alle groepen samen waren. Het koor  “La-Why” onder leiding van Steven Snijders hield ons in de funeraire sfeer. De dame met een uil was ook aanwezig. Een engeltje wees ons de weg naar de aula Chrysant voor de finale .
Tijdens die slotshow brachten alle deelnemers nog een nummer en plots werd op de raam geklopt. Neen het was niet Sinterklaas maar de clown die alweer tevergeefs trachtte binnen te geraken. Uiteindelijk lukte het hem toch. Na de welverdiende dankwoorden van de verantwoordelijke Carina Leys aan alle medewerkers en ook aan de begeleiders van Pontes kreeg organisator Ronald Van Rillaer het laatste woord. Hij ging dieper in op de allernieuwste trend: gepersonaliseerde urnen. Het werd lachen geblazen met onder meer urnen voor de spaarzame, voor de man met het moeilijke karakter om te eindigen met een gepersonaliseerde kist voor de genaamde Lesley Ann P. waar ruimschoots plaats was voor twee ver uitstekende borsten! Grappig! Terwijl alle artiesten van een welverdiend applaus genoten werd nog een tekst  geprojecteerd: “the clown is dead; the laughter is gone; the clown is dead; a life’s on the run”. Nadien werd aan iedereen nog een receptie aangeboden. Werkelijk een pracht van een evenement!

Jacques Buermans
 
Foto’s: Leen Otte, Maria Nuyts.

Dean road Oudste Joodse begraafplaats van Liverpool


Met een aantal vrienden naar Liverpool geweest en daar Deane Road Cemetery bezocht onder leiding van gids David Grantham. Spijtig genoeg starten we in de regen. Na de gerestaureerde inkompoort zagen we welk gigantisch werk “vrijwilligers” hier geleverd hadden: verschillende graven waren gerestaureerd. David wees ons tijdens zijn inleiding op enkele Joodse gebruiken: bij het overlijden van een man komen drie mannelijke vrijwilligers de man wassen en te omkleden met een doek. Bij vrouwen zijn dat vijf vrouwen. Dit heeft te maken met, soms, het gewicht van de overledene. De overleden wordt in een houten kist gelegd. De handvaten zijn uit touw.
Op de begraafplaats liggen 800 volwassenen en 900 kinderen. Kinderen worden dikwijls samen begraven. We zagen het graf voor ene Barnard. Bij Sigismund Lewis legde David uit dat hij arts was bij een scheepswerf maar dat hij ook, gratis, arme mensen hielp. Wat verder een kindergraf voor Gertrude . Het imposantste grafmonument is dit voor barones Miriam de Menasce, een Sefardische familie van Marokkaanse afkomst gevestigd in Egypte. Ze woonde in Parijs maar sprak de wens uit om op Deane Road Cemetery begraven te worden. Ze ligt onder een enorme overkoepelde structuur in graniet met pilaren in Egyptische stijl. David Lewis eigenaar van een bedrijf in mannen- en jongenskleding. Israël Barned  was bankier en James Braham (410) was goudkoopman en klokkenmaker. Zijn erfenis schonk hij aan de Joodse gemeente.
Dan ging het naar de synagoog. Peter , onze gids in de synagoog, vertelde dat in 1750 de eerste Joden in Liverpool arriveerden en dat, vanaf 1808, de welvarende Joden hier aankwamen velen uit Amsterdam. Voor de bouw van de synagoog kwamen er zeven ontwerpen binnen; zes waren van Joden. Die ontwerpen werden allen verworpen. En de gelukkigen waren twee Schotse broers, Audsley, met ervaring in het bouwen van … kerken. De synagoog was indrukwekkend. Peter vertelde dat de vrouwen boven dienden plaats te nemen maar om brandveiligheid mocht dit niet meer. Sinds kort zitten de vrouwen links en de mannen rechts. Hij toonde ons waar de Thorarollen , de eerste vijf boeken van het oude testament, bewaard werden. Hij vertelde dat er elke week een passage voorgelezen werd. Peter toonde ons ook een huwelijkscontract.
Opmerkelijk: een vrouw kan niet scheiden, een man wel. De Bimah , de lezersdesk, werd oorspronkelijk gemaakt van hout maar werd vervangen door één uit albast en marmer geschonken door David Lewis omdat die van oordeel was dat de oorspronkelijke ongepast was voor zo’n mooi gebouw.

Jacques Buermans

Fotos: Jos Donny en Jacques Buermans
 

Gentse pluimenhoed wordt ware vederbos


Het kruis op de Gentse Zuiderbegraafplaats bevond zich in een miserabele staat. Betonrot hamerde er op zodat de stukken en de brokken er van af vlogen. De armatuur kwam er bloot en naakt bij te liggen. Roest vrat het ijzer aan. Jezus kukelde bijna van zijn kruis.

Waarschijnlijk vervangt dit kruis een oudere calvarie. Iedereen kent het fenomeen. Een joekel van een Christus aan een even imposant kruis. Volgens mij verrees het huidig exemplaar ergens tijdens de Interbellumperiode. Het ontwerp van de Gekruisigde schrijft de volksoverlevering toe aan de schilder Albert Servaes. Nog later werd zelfs een gerecupereerde grafplaat in de sokkel ingemetst.

 

Na een grondige opknapbeurt staat alles als van nieuw te blinken.

Opnieuw een flinke pluim voor de betrokken Gentse stadsdiensten. En voor mijn twee mannekes, Valère en Luc, die alles in de smiezen houden en zo’n zorg dragen voor hunnen hof, een dikke knuffel.

Tekst : An Hernalsteen

Foto's : Sophie Derom en Valère Geers.

Een duo erfgoeddag op het Schoonselhof De vergeten soldaten


Steeds bereid bij te leren schreef ik me in voor de wandeling “onbekende soldaten op het Schoonselhof”, een initiatief van Atlas - integratie en inburgering Antwerpen. Bedoeling is de diversiteit op deze begraafplaats onder de aandacht te brengen.

 

Voor onze gids Ahmed is het een “maidentrip”.

Eerst serveert hij ons het ontstaan en de geschiedenis van deze begraafplaats. Met Napoleon in onze contreien kwam het verbod op begravingen in de kerk mét de verplichting begraafplaatsen buiten de stad aan te leggen. Voor Antwerpen waren dat als eersten het Kiel en Stuivenberg.Hij vertelt ook dat men vanwege de drassige bodem de grachten op het Schoonselhof uit noodzaak aanlegden. Zo werd het water afgevoerd naar  de Hollebeek. De uitgegraven aarde gebruikte men om perken te verhogen.

 

We wandelen richting “Commonwealth War Graves “ en komen langs de Franse obelisken waarvan er één aan de Sint Laurentiuskerk stond. De tweede kwam er als ode aan de Fransen die sneuvelden tijdens het beleg van Antwerpen. De eerste medaille werd trouwens uitgereikt aan een Frans soldaat door koning Leopold. Op het Britse soldatenperk bemerken we het Cross of Sacrifice en een kapel.

Verder naar perk 1 waar ooit Duitse soldaten begraven lagen. In een flits zie ik een eekhoorntje verdwijnen in een boom.

De Duitsers dus. De eerste militair, een Duits cavalerist, werd er begraven 28 augustus 1914. Ongeveer 1600 Duitse soldaten werden later ontgraven en herbegraven; de geïdentificeerden in Diksmuide, de anderen in Langemark. Verderop staat het monument Solidariteit als herinnering aan de 1500 slachtoffers van de V-bommen. Interessant is het verhaal bij Karel Resseler. Hij hield dagboeken bij tijdens de eerste oorlog en vervalste zelfs een pamflet. Zo werden er  10000 mussen gedood in plaats van 10000 Russen.

Ahmed wijst ons op een davidster tussen de Britse stèles en verschillende soorten kruis, anglicaans of christelijk. Geen symbool betekent "zonder geloof" of "vrijzinnige".

Ander detail bij de Britten, gedenkstenen die dichter bij elkaar staan, betekenen dat soldaten sneuvelden op dezelfde plek.
Volgt dan een hagelbui en het ontstaan van wereldoorlog I en het inzetten van kolonialen. 

Bomjo ligt als enige Congolees op het Schoonselhof. België zet geen Congolezen in uit vrees voor schade aan hun imago van superioriteit. Tevens zouden de Congolezen zich tegen hun kolonisator kunnen keren.

Groot Brittannië en Frankrijk zetten wel manschapen in uit hun kolonies, zij het ook met het gevoel van angst dat de ingezette soldaten de wapens later tegen hen zouden opnemen. Zij krijgen andere taken zoals bunkers bouwen, loopgraven maken en in de logistiek. Voor Frankrijk vochten Marokkanen en vooral Algerijnen mee. Zij deden dit om in ruil voor de hun beloofde onafhankelijkheid en om zich van een inkomen te verzekeren.

Onafhankelijkheid bleek een loze belofte. Het is ook een soort heilige oorlog. Afbeeldingen tonen namelijk Jezus  en engelen die soldaten naar de hemel brengen. “Jihad avant la lettre” noemt Ahmed het. Uit Duitse oorlogspropaganda blijkt ook de minachting  voor deze Afrikaanse “ soldaten”.

We lopen langs de gefusilleerde burgers om te belanden op het Franse perk.

Weetjes:

In Duitse kampen zaten het grootste aantal Russen in krijgsgevangenschap tijdens W.O.I. Zij gingen mee naar de Westhoek waar zij bunkers bouwden aan het front.

 

De Roemenen kenden dan weer het hoogste sterftecijfer in krijgsgevangenschap.

Zij overleden vooral in het militair hospitaal en Elisabeth ziekenhuis

 

Het lage moraal van de Portugezen verplichtten de Britten hen van het front weg te halen. Zij gaven zich te gemakkelijk over aan de Duitsers.

We eindigen bij de Italianen en nog een verwijzing naar Jacques Van Cotthem, slachtoffer van de bom op de stadswaag.

 

 

Nog een woordje over de Spaanse griep, zij dankt haar naam aan het feit dat de Spanjaarden de dodelijke impact van het virus openbaar maakten. Deze griep maakte enorm veel slachtoffers tijdens W.O.I
 

Een laatste boodschap van Ahmed; we moeten ons focussen op wat we gemeenschappelijk hebben en niet op onze verschillen.

 

 

Voor mij werd de lange rondleiding pas interessant toen het écht over de vreemde soldaten ging. Maar misschien ben ik gewoon verwend.
 

Mieke Versées

 

 

 

 

Een duo erfgoeddag op het Schoonselhof Rituelen en symboliek


Het joodse perk

Als begeleidster bijt ik de spits af.
Met Toon als gids wandelen we naar het Joodse perk.  Hier worden geen niet-orthodoxe Joden begraven.  Zij liggen met duizenden in Putte (Nederland).  Daar bestaat nog de eeuwigdurende concessie. Het mausoleum van Tolkowski springt in het oog.  De overige graven zijn sober daar Joden niet om uiterlijk vertoon geven.  Tolkowski was de uitvinder van de slijpwijze voor de brilliant.
Twee zegenende handen geven aan dat er een cohen begraven ligt of dat er een zegen over het graf is uitgesproken.
Cohen betekent priester, afstamming van Aaron. Hij was van de stam van Levi en eerste hogepriester omdat hij niet deelnam aan de aanbidding van het gouden kalf.  Even komt Mister Spock uit de film Star Trek in beeld.  De acteur was van Joodse afkomst en gebruikte het teken van de zegenende handen.  Zij vormen een Hebreeuwse letter.
Op joodse zerken treft men zelden bloemen aan.  Het is gebruikelijk een keitje achter te laten.  Joden waren een zwervend volk.  Onderweg begroef men de doden onder stenen.  Voorbijgangers droegen later ook hun steentje bij.  In het Hebreeuws staat ook geschreven : “Hier ligt begraven”. 
Verder is er nog de kan en waterkom dit  verwijst naar de rituele handwassing in de tempel.

Voor de jaartelling gebruikt men maandmaanden.  Om het huidigejaartal   kennen, trekt men 3760 af van het vermelde jaartal.
Een cohen ligt ook aan de buitenkant.  De dood is onrein.  Joden moeten binnen de 24 uur begraven worden.  De ziel moet kunnen vertrekken.
Het Middelheim ziekenhuis heeft een speciale kamer voor de overleden Joden ter beschikking.  Bij de vliegtuigmaatschappij ELAL is 1 plaats voorbehouden voor een kist.
We eindigen bij het graf van Samuel Tolkowski, een vleugelgraf, dat verwijst naar een liefdeslied.  Hij huwde met een operazangeres.

Symboliek

Voor het volgende gedeelte van de rondleiding wacht Jacques ons op bij het monument van Peter Benoit waar hij ons meer zal vertellen over symboliek op de graven.  Zij zeggen meer over de overledene dan je denkt. 
Hij gaat dus van start bij Benoit : Arthur Pierre is de beeldhouwer van dit mooie monument.  De engel staat voor inspiratie die hij de operazangeres toefluistert.  Onderaan vind je figuren uit werken van de componist waaronder Lucifer, een oratorium.
Monument Slachtoffers voor het algemeen stemrecht.
Omgekeerde toortsen = een uitgedoofd leven in de strijd = strijdbijl, voor recht en vrijheid = muts.
Vijf slachtoffers werden neergeschoten op 18 april 1893 te Borgerhout.
Adolf Dumont : aannemer van bouwwerken en vrijmetselaar = passer voor de winkelhaak.  De bijenkorf verwijst naar de loge van Marnix van St Aldegonde.De bijenkorf staat voor werklust.  Dit monument is ook de toekomstige rustplaats van Jacques.  Hopelijk duurt dat nog een tijdje.
Alfred Lynen : voorzitter van Antwerp Bicycle Club. Op het graf de olielamp en gevleugelde zandloper.  Linkse vleugel is van de duif staat voor dag en goed.  Rechtse vleugel is van de vleermuis = nacht en kwaad.  Betekenis : het leven vervliegt bij dag en nacht, bij goed en kwaad.
Pieter Dens : stadsbouwmeester.  Het schietlood, meetlat, passer en winkelhaak verwijzen naar zijn beroep.
Henri de Braekeleer : palet en penseel vertellen ons dat hij schilder was.  De papaver staat voor de slaap.  De palm geeft aan dat het om een belangrijk of beroemd person gaat.
Arthur Cornette : obelisk met passer en winkelhaak, verwijzing naar de vrijmetselarij.  Hij was onderwijzer, dichter en journalist.
Een imposante vrouwenfiguur met het Steen op haar hoofd staat symbool voor de stad Antwerpen.  Het is het graf van Jan Baptist Van Ryswyck, schrijver, dichter en volksredenaar.  Vader van Jan Van Ryswyck, burgemeester.  Jacques voegt er nog aan toe dat eeuwige rust hier relatief is.  Het monument verhuisde 3 maal, van Stuivenberg naar het Kiel, naar het Schoonselhof.
Hendrik Lenaerts : man van volksvoordrachten.  Boek en ganzenveer sieren het graf.
Arthur Cornette jr : hoofdconservator van het Museum voor Schone Kunsten. De verschillende kunstvormen vindt men terug op het monument.
Larock : kunstschilder.  Op het graf staat een pleureuse, een prachtige vrouwenfiguur.
Jozef van Lerius : de attributen penseel  en palet tonen dat hij schilderde.
Als sluitstuk, het herdenkingsmonument voor de slachtoffers van de ramp bij Corvilain.  Een ontploffing in de munitiefabriek maakte 53 doden.  Het monument werd opgetrokken uit brokstukken van de fabriek.  Op een bronzen plaat staat de ontploffing uitgebeeld.   Het is een cenotaaf dwz dat er niemand begraven ligt.
Jacques was in supervorm gezien het tempo waarmee hij ons van het ene naar het andere graf leidde.
Van Jacques kreeg ik de titel “strengste begeleidster”.  Misschien had hij wel gelijk.  De vorige groep staat nog op het moslimperk wanneer wij aankomen.

Moslims

Even later gaan we op ontdekking met Brahim.
De graven zijn sober, met enkel een hoofd- of voetsteen en open.  Open omdat de ziel herrijst.  Gesloten graven treft men aan bij niet-moslims of bij een niet-moslim gehuwd met een moslim.
Turkse graven hebben meer versieringen en foto’s.  De stele is vaak een minaret die verwijst naar de blauwe moskee.  De jongere marokkaanse  generatie gebruikt ook vaker foto’s.Dit is niet evident voor moslims van de eerste generatie.  Zij houden in dit verband vast aan de soenna, = leefregel, geen verplichting. Zij kiezen meestal voor repatriëring naar hun geboorteland.  Net zoals bij de Joden is de eeuwige rust niet verzekerd in België.  Een concessie verloopt na 50 jaar.  Indien er geen nazaten zijn, verlengt de moslimgemeenschap deze.  Iedereen krijgt een eigen graf.  Familie ligt niet bij of naast mekaar.  Om dit toch mogelijk temaken, koopt men soms aanpalende perken vooraf.  Zo zien we op het nieuwe moslimperk bordjes staat met “reeds verkocht”.
Brahim legt ons ook de rituele wassing uit na overlijden.  Mannen wassen mannen, vrouwen wassen vrouwen.  Deze regel geldt niet tussen echtgenoten. Het hele lichaam wordt van kop tot teen gewassen.  Geen enkele holte slaat men over, zelfs de neus maakt men proper.  Dit is zeer belangrijk.  Als iemand een deel vergeet te wassen, draagt hij de ziel van de overledene mee.  Nadien krijgt het lichaam een wit kleed aan.  Voor de man gebruikt men 3 meter stof, voor de vrouw 5 meter.  Uit de stof maakt men kousen, handschoenen, kap, hemd en broek.  Alles wordt  met de hand gescheurd en met linten bijeen gebonden.   In het overschot wikkelt men de overledene. 
De begrafenis is een mannenzaak omdat vrouwen te emotioneel reageren.  Tijdens het zakken van het lichaam citeert men verzen uit de Koran.  Het lichaam ligt met het hoofd naar Mekka, op de rechterzij.  Dit is de goede zijde.  Kinderen mogen overal begraven worden ook op het kinderperk.
De rouwperiode duurt 40 dagen.  De eerste 3 dagen zijn de belangrijkste.  Nadien sluit men af met een feest. Zoals wij beroep doen op een begrafenisondernemer, kunnen moslims beroep doen op een organisatie die alles op zich neemt.
Brahim besluit met de gedachte dat het voor een moslim belangrijk is een wilsbeschikking op te maken.  Dit vooral in de huidige tijd met gemengde huwelijken. “Wat wil de partner, de kinderen ?”
We bemerken nog een paar recente opgehoogde graven.  Dit doet men opdat mensen er niet zouden overlopen.

Na deze meer dan boeiende uiteenzetting wandelen we voor het sluitstuk naar het kasteel.  Daar wacht ons “fiesta de los muertos”.   Het zaaltje zit eivol en ik wurm me binnen.  Ik hoor Francisco nog net vertellen dat het feest een mengeling is  van christelijke en Azteekse cultuur.  Op een tafel staan doodshoofden in suiker en papier maché, drank, voedsel, houten skeletten en koekjes.  Aan het plafond hangen “papeles picados”.  Dit zijn gekleurde en uitgeknipte papieren.  Er volgt een voorstelling met woord, zang en gitaarmuziek.  Het zijn traditionele nummers voor de fiësta. Een mooie afsluiter van de dag met applaus voor iedereen die eraan meewerkte.
 
Mieke Versées


De Reis van Paneb deel II : De begrafenis


In deel I hebben we gezien hoe onze Egyptische vriend uit de 21e Dynastie, Paneb, gemummificeerd werd.  Na 70 dagen is de mummie klaar, en wordt Paneb’s uitgedroogde, opgevulde, gebalsemde en ingewikkelde mummie naar buiten gedragen.  Onder het roepen van rituele spreuken, als : “Gij herleeft !  Gij herleeft voor eeuwig !  Gij zijt jong !  Gij zijt voor eeuwig jong !” (maar dan in het Oud-Egyptisch uiteraard), wordt de mummie op een leeuwenvormig staatsiebed gelegd.  Zo wordt hij naar de kade van Thebe gebracht, waar hij de rest van de begrafenisstoet zal vervoegen.
 
De familie heeft ondertussen natuurlijk ook niet stilgezeten.  Onder leiding van een dodenpriester (de Sem-priester, steeds van de cultus van Ptah), is de begrafenisstoet en het begrafenisfeest georganiseerd.  Alle familieleden, ook die die verder weg wonen, zijn inmiddels verwittigd, en uitgenodigd om aan de begrafenisstoet deel te nemen.  Die stoet moet ook praktisch georganiseerd worden.  Paneb was bij leven een belangrijk man in de gemeenschap en dat moet zich in zijn begrafenis weerspiegelen.
De processie bestaat uit twee delen : een eerste stoet met bedienden die zowat de heel huisraad meetorsen, en de eigenlijke cortège met de familie en de sarcofaag.  Op die eerste groep komen we zo dadelijk terug, maar eerst het belangrijkere deel.  Vooraan in de cortège, die aan het huis van Paneb vertrekt, en als eerste doel de haven van Thebe heeft,  lopen een aantal professionele klaagvrouwen, wiens taak het is alle omwonenden en passanten duidelijk te maken dat hier de begrafenis van een groot man voorbijkomt.  Dankzij enkele opmerkzame tijdgenoten van Paneb, weten we nu nog dat die dames een serieus stukje konden overdrijven.  “Klagen”, in die tijd, beperkte zich niet tot wat gesnotter en het occasionele “Och God, och heer, ’t is toch nogal iets, hé meneer ?”, maar ging gepaard met een gegil, gekrijs en gejammer dat horen en zien deed vergaan.  De klaagvrouwen scheurden hun kleren aan stukken, wentelden zich in de modder (of in het stof, naargelang het seizoen), en gingen zelfs zo ver zich de borsten en het gezicht open te krabben.  Voorwaar geen populaire job…
Na de klaagvrouwen volgt de familie, herkenbaar aan hun blauwgrijze rouwkleding, maar ook aan het luchtje dat om hen hangt.  Als teken van rouw heeft de hele familie zich namelijk 70 dagen niet gewassen of geschoren.  Ze hebben verder ook 70 dagen dezelfde kleding gedragen, en alleen maar rauwe groenten en fruit gegeten.  De haard is gedoofd, en het dagelijkse leven is tot stilstand gekomen.  En dat voor een beschaving die er prat op gaat anders minstens 2 maal per dag te baden en 5 maal per dag propere kleren aan te trekken.
Als de familie voltallig is, verzamelt ze zich rond de kist die Paneb al jaren geleden heeft laten maken.  Voor sommigen is hun graf hun pronkstuk voor de eeuwigheid, voor Paneb is het zijn sarcofaag.  Die is gemaakt van cederhout, wat buitengewoon zeldzaam is in Egypte. Paneb heeft het zelf geïmporteerd uit Libanon, een zeer kostelijke aangelegenheid.  De kist is zowel van binnen, als van buiten, fijn beschilderd in zwart, rood, blauw en goud, en Paneb heeft de beste houtsnijder geëngageerd om het gezicht vorm te geven.  Buiten goudverf is er echter geen goud gebruikt, want goud is het “vlees van de goden”, en dat gebruik je niet dus niet lichtzinnig.
De sarcofaag staat voorlopig op een slede, getrokken door ossen.
 
De weg naar het graf, aan de overkant van de Nijl, op de westelijke oever, is lang, hard, stoffig, heet, en … bergop.  Een deel ervan gaat door de woestijn tussen Thebe en het Thebaans gebergte, want Paneb is de eer te beurt gevallen de toelating gekregen te hebben zijn graf te mogen graven in wat we nu “de Vallei van de Edelen” noemen.  Paneb is weliswaar niet van adel, en zijn graf ligt aan de uiterste rand van de vallei (wadi), maar toch wordt dit door iedereen als een grote eer gezien.
Gelukkig verloopt het transport vlekkeloos, want moest er iets mislopen, zou dat als een ongunstig voorteken beschouwd worden, zowel voor Paneb in het hiernamaals, als voor zijn nabestaanden hier op Aarde.
 
Het is een lange stoet die aan het graf aankomt, want buiten de klaagvrouwen, de familie en de sarcofaag, hebben onderweg ook vrienden, kennissen en buren zich aangesloten, evenals de priesters.
Zoals gezegd, wordt de stoet voorafgegaan door bedienden van Paneb.  Ze dragen blauwe lotusbloemen met zich mee.  Achter hen komen andere bedienden met grote dienbladen met voedsel.  Het mag de overledene in het hiernamaals namelijk aan niets ontbreken, vooral niet aan zijn lievelingskost.  Die lijn werd steeds meer doorgetrokken, zodat uiteindelijk zowat de hele huisraad van huize Paneb mee het graf in gaat.  Vandaar ook dat het graf de naam “Huis van/voor de Eeuwigheid” draagt.  Bij de Farao heet het zelfs zeer poëtisch : “Huis van een miljoen jaar”.  Het graf trekt soms zo erg op het eigen huis, dat er graven zijn die over keukens, slaapkamers en… toiletten (!) beschikken.
Een derde groep dienaars draagt alle grafgiften.  Nu hebben wij, 3.000 jaar later, een ietwat vertekend beeld van een Egyptisch graf.  Voor ons heeft het meer weg van een schatkamer dan van een graf.  Dat is natuurlijk een fout beeld, te wijten aan het feit dat de meeste graven die we kennen, koningsgraven zijn.  In de meer sobere graven als die van Paneb, vinden we als grafgiften vooral gebruiksvoorwerpen terug.  Die zijn van hout, of brons.  Misschien vinden we een paar zilveren voorwerpen, van een rijkere neef, maar goud zullen we niet vinden.  Goud heeft namelijk, eerst en vooral, geen monetaire waarde.  Geloof het of niet : tot de komst van de Ptolemaeën (Grieken) kende Egypte geen geld !  Een ramp voor de toenmalige Van Overtvelts en Hutsen, want het systeem bleek nog te werken ook…
Goud had slechts een religieuze functie : het was, zoals eerder al aangehaald, het “vlees van de goden”.  In koningsgraven werd wel goud aangetroffen, aangezien Farao “Netjer Netjeru” is : God onder de Goden.
Een speciale plaats in de begrafenisstoet is voorbehouden voor een groep die de canopenkist en de kisten met Ushebti’s draagt.  De canopenkist is een kist met vier vazen, waarin de ingewanden (longen, maag, lever en nieren) van de overledene bewaard worden.  In Paneb’s tijd worden deze vazen minder en minder gebruikt, maar onze vriend is een traditionalist op dat vlak, dus hheft hij ervoor gezorgd dat er zeker een canopenkist bij is.
Ushebti’s zijn kleine beeldjes, aanvankelijk gemaakt op het model van de overledene, die hem in het hiernamaals zullen bijstaan.  Tijdens de periode van Paneb, bloeit de kunst van de Ushebti’s, en deze representeren thans niet alleen de overledene, maar zijn volledige familie, bedienden, en een keur aan handwerkslieden, etc.  Het Egyptische hiernamaals is namelijk geen Luilekkerland : ook daar moet gewerkt worden.  Een welstellend man als Paneb kan het zich echter veroorloven een klein legertje aan Ushebti’s mee te nemen, die het werk voor hem zullen doen, zodat hij van zijn welverdiende rust kan genieten.
De stoet is nog niet ten einde : een volgende groep draagt een massa vaatwerk en linnengoed.  Een deel daarvan is voor het begrafenisfeest bedoeld, maar het grootste gedeelte zal mee het graf ingaan.  Een deel is zelfs speciaal gemaakt voor dit doel.
Hierna volgt een vreemd voorwerp, waarvan we tot op heden nog steeds niet weten wat de functie was : de Tekenu.  De Tekenu is een met stro gevulde, vormloze dierenhuid, met een al even vormloze kop.  Symboliseert de Tekenu een soort van zondebok ?  Is het een overblijfsel uit predynastische tijd,; toen nog mensenoffers gebracht werden ?  Voor beide mogelijkheden valt wat te zeggen, maar er zijn ook voor beiden argumenten tegen aan te voeren.
De Tekenu werd gevolgd door een beeld van de overledene.  Het is niet echt duidelijk wanneer dit beeld zijn meest rituele betekenis verloor.  In het Oude Rijk was dit beeld de thuis van de Ka, de ziel, als die Ka onze wereld vanuit het hiernamaals bezocht.  In het Nieuwe Rijk huist de Ka in de mummie zelf.  Het gebruik van het beeld als deel van de begrafenis werd echter wel behouden.
Zowel de Tekenu als het funeraire beeld worden op door ossen getrokken sleden vervoerd.  Ook dat is weer een teken van de praktische geest van de Oude Egyptenaar : waarom met honderden kilo’s vlees sleuren voor de “koffietafel”, als je dat vlees ook zelf kan laten lopen ?  De ossen zullen namelijk, na de ceremonie aan het graf, geofferd worden.  En opgegeten.  Het hout van de sleden is de brandstof voor de daaropvolgende barbecue.
Helemaal aan het einde van de stoet volgt Paneb’s sarcofaag, omringd door zijn familie en voorafgegaan door de klaagvrouwen.  De sarcofaag staat, onder een katafalk, middenin een bootvormig onderstel, dat aan ’s weerskanten wordt beschermd door de godinnen Nephtys en Isis, en dat de overtocht naar het hiernamaals symboliseert, want de begrafenisstoet, in zijn geheel, is symbolisch voor de reis die Paneb’s Ka (ziel), zelf aflegt naar het hiernamaals.
 
Aan de kade op de Oostelijke oever, of de rechteroever, aangekomen, moet nu de hele stoet ingescheept worden voor de overtocht naar het Dodenrijk – in praktijk : de linker- of Westoever (alle gelijkenissen met de Antwerpse Linkeroever zijn louter toevallig).  Die overzet is een prijzige aangelegenheid, want daarvoor zijn heel wat boten nodig.  De grootste, en mooiste, is voorbehouden voor Paneb’s sarcofaag en de Sem-priester.  Na de hele begrafenis, samen met de familie georganiseerd te hebben, is deze nu ook de ceremoniemeester van dienst.  Het dodenschip is behoorlijk groot, en het enige dat niet onder eigen kracht de oversteek maakt.  Het wordt door één of twee sleepboten getrokken.  Deze sleepboten hebben een hut in het midden van het dek, en het is daar dat de klaagvrouwen verzameld zijn – die nog steeds tekeer gaan als furiën.
Aan de kade op de Westoever aangekomen, ontmoet de stoet van rouwenden, de stoet van balsemers, die de mummie van Paneb dragen.  Hier word de mummie eindelijk in haar sarcofaag geplaatst – met de nodige ceremonie.  Waarna met evenveel ceremonieel de balsemers weggejaagd worden.  Door hun werk met lijken, en vooral omdat zij die lijken schonden (door erin te snijden), waren de balsemers de paria’s van de Egyptische maatschappij.  Er werd maar al te graag van hun diensten gebruik gemaakt, maar eens die diensten verstrekt, werd van hen verwacht dat ze zo snel mogelijk weer verdwenen.  Blijkbaar verdient iedere beschaving zijn irrationaliteit en ??
 
Paneb heeft ook aan zijn vrienden en kennissen van de Westoever gedacht.  Daar waar zijn “dodenvloot” aanlegt, heeft hij een bescheiden kermis/markt laten inrichten.  Op deze markt kan iedereen die, om welke reden ook, niet naar de oostelijke Nijlzijde gegaan is om de stoet te vervoegen, nog snel enige grafgiften kopen (en daarmee ongetwijfeld de financiële kater een beetje verlichten voor de familie…)
 
En de stoet trekt verder…
Eerst door de vruchtbare velden aan de Nijloever, maar alras moet die strook verlaten worden voor het overgangsgebied tussen de groene strook langs de Nijl en de woestijn.  Hier worden de ossen uitgespannen, want zelfs hun rauwe kracht volstaat niet om de zwaarbeladen sleden door het mulle zand te trekken.  Eens men de rand van de woestijn bereikt heeft, wordt overgegaan op mankracht om de sarcofaag en het beeld tot aan het graf te dragen.  Een dorstige karwei.  Geen wonder dat het de Egyptenaren waren die het bier uitvonden…
Gelukkig moet Paneb’s cortège niet helemaal tot aan het Thebaans gebergte.  Zijn graf ligt, zoals gezegd, aan de rand van de Vallei der Edelen, en voor één keer is het eens niet aan de verste kant.  De stoet moet dus “maar” een paar kilometer door het mulle zand ploeteren.  De Sem-priester loopt vooraan, plengoffers brengend en wierook brandend.  Uiteindelijk houdt de stoet halt aan het uitgegraven graf.  De balsemers hebben daar voordien een tent opgericht, waar de laatste rituelen zullen uitgevoerd worden.  Hier wordt de sarcofaag verzegeld, en rechtop tegen de grafstèle gezet.  Dit is een ongeveer manshoge steen, waarin in hiëroglyfen alle goede daden van Paneb vereeuwigd staan.  Het laatste deel van Paneb’s reis vangt aan met de Ceremonie van het Openen van de Mond.
 
Hoe die Ceremonie verloopt, en welke reis de Ka van Paneb onderneemt, leest U in deel III – vooropgesteld dat mijn schrijfsels onze funeraire vriend en pierenlandtoerist Jacques blijven behagen.
 

Foto 1 : de Westelijke Nijloever, met op de achtergrond het Thebaans gebergte, aan de voet waarvan de Vallei der Edelen ligt.

Foto 2 : Sarcofagen zoals ook Paneb voor zich zou hebben laten maken.  Erboven : replica’s van scènes uit het hiernamaals (Kunsthistorisches Museum Wien
Foto 3 : De Vallei der Edelen anno 2009.  In de loop der eeuwen werd de vallei dichtbebouwd.  Virtueel elk huis staat bovenop één of meerdere graven, en de illegale handel in grafgiften was een welkome aanvulling van het karige loon dat de meesten hier verdienden.  Sinds het begin van de 21e eeuw worden deze vestigingen echter allemaal afgebroken, en de mensen verhuisd naar verdergelegen moderne infrastructuren.
Foto 4 : De klaagvrouwen (Graf van Ramose – 19e Dynastie – Vallei der Edelen)
Foto 5 :  De groep bedienden die de huisraad dragen in de begrafenisstoet van Ramose. (Graf van Ramose – 19e Dynastie – Vallei der Edelen)
Foto 6 : twee dochters van de overledene brengen plengoffers, en offeren voedsel aan hun vader.  (Graf van Rekhmire – 18e Dynastie – Vallei der Edelen)

 
Foto 7 : Een deel van de begrafenisstoet.  In het graf van de 18e Dynastie ambtenaar Ramose is op de wanden van de voorkamer van het graf de hele begrafenisstoet als fries aangebracht