Nieuwsbrief Nr. 89 - september 2015

Deurle Drie dodenakkers, twee gemeenten en één fantastische gids, wat wil je nog meer. Bezoek aan het kerkhof en de begraafplaats van Sint-Martens-Latem en aan het kerkhof van Deurle. Onze voorzitter aan het woord


Op zaterdag 18 juli, 10.30 uur, waren 22 Zerkjes en een  niet-ingeschreven niet-lid aanwezig aan de ingang van het kerkhof van Sint-Martens-Latem. An wachtte een academisch kwartiertje, lees: de tijd om haar sigaretje te rollen, en ging dan van start. Eerst gingen we in de Sint-Martinuskerk want An wist dat Gustaaf Van de Woestyne een gift deed aan deze kerk. We zagen daar inderdaad het schilderij “de heilige Domenicus krijgt de Rozenkrans”. An wees ons op het feit dat de rechterhand verkeerd staat. Terug buiten trok de groep  naar het graf van George Minne . Hij woonde eerst in het Patershol in Gent en vestigde zich later hier. Met dichter Karel van de Woestyne was hij de gangmaker van de eerste Latemse school. Ge moet het maar kunnen maar An had weer een nieuwigheid gevonden om haar prentjes, zaantjes zoals zij dat noemt, te tonen aan de Zerkjes: ze duidde een “zaantjestoonder”  aan. Wouter kreeg deze ondankbare taak. Op het graf Raes – Ziane toonde An ons het beeld “de treurende” of “melancholie” van de hand van Leon Sarteel, die “op haren hof” begraven ligt. Het niet-lid  ging hier duchtig te keer met pen en papier. Eindigen deden we hier met AlbijnVan den Abeele. Hij schreef aanvankelijk traktaten voor de heemkundige kring en novellen. In 1870 begon hij te schilderen. Hij was autodidact en de peetvader van de eerste Latemse school. Hij was eerst gemeenteraadslid en werd later burgemeester om te eindigen als gemeentesecretaris.
Vandaar was het maar enkele honderden meters naar de begraafplaats van Sint-Martens-Latem. Edgar Gevaert werd gewond tijdens W. O. I, werd daarna pacifist en ijvert voor vrede. Hij huwt met Marie Minne. Hij verwierf ook bekendheid door het lanceren van LIMA, een natuurproduct voor vegetariërs. Normaal dat ik daar nog nooit van gehoord had. Dichter Firmin Van Hecke  werkte op het ministerie voor onderwijs. An vertelde volgende anekdote: Firmin lustte wel een wijntje, liefst meer dan één. Tijdens de middag deed hij steeds een tukje tussen 12 en 13 uur. Op het ministerie werkte een jonge bode Firmin, ook met de naam Firmin. Op een middag roept men de bode, Firmin. Van Hecke schrikt wakker en vraagt “Wie heeft mij nodig?”. De bode zegt: “Men heeft mij nodig: ik heet ook Firmin”. Van Hecke sommeert de bode om 13 uur op zijn kantoor. Het knaapje komt met knikkende knieën aan op het kantoor. Van Hecke zegt tegen de bode: “Vanaf nu heet jij Fons” en zo ging Firmin de bode verder als Fons door het leven. Frédéric Minne was een zoon van George. In een hoek van de begraafplaats ligt Karel Van Wijnendaele , echte naam Steyaert, journalist en de promotor van de Ronde van Vlaanderen. Van hem is ook de term flandriën, dat is een coureur zoals ze er bij geen meer maken. Nora Steyaert, omroepster geweest, is een kleindochter van hem zo wist An ons te vertellen.
 
Vandaar gingen de sportievelingen An en Dirk in het spoor van Karel Van Wijnendaele naar het kerkhof van Deurle. De rest volgde in volgauto's. Daar aangekomen wees An ons op twee monumenten voor de gesneuvelden één tegen de kerkmuur  en een ander vlakbij de kerk . Een kanjer van een grafmonument voor de familie de 't Serclaes de Wommersom. An wist hier te vertellen dat indertijd Deurle zo dun bevolkt was dat tussen twee graven twee meter was! Xaveer De Cock was schilder. De groep keek dan naar het graf voor Virginie Vernest . Zij ligt onder een soortement lijkwade met een tekst van Antoine de Saint-Exupéry. Raf Van Cauwenberghe  beeldhouwde expressionistisch maar An wees ons er op dat een deel van het beeldhouwwerk heel realistisch was. Piet Van Eeckhaut was advocaat.
 Gilles Pieters kreeg een werk van zijn hand op zijn laatste rustplaats. Doet heel erg denken aan het werk van Folon. Oscar Codron was schilder. 
Gaston Martens  moest zijn vader opvolgen als brouwer. Hij moest cafés bezoeken en zo ontdekte hij de couleur local. Als toneelschrijver werd hij wereldbekend met “het dorp der mirakelen” en “de Paradijsvogels”. 
Wat verder toonde An ons een eigenaardigheidje. De ingang van de grafkapel de Spoelbergh , van de Stella, stond op het kerkhof terwijl de eigenlijke kapel zich op het domein van de familie bevond. Wegens een uitbreiding van het kerkhof staat ze nu wel op het kerkhof. Hier kwamen de door An gevraagde zaklampen  van pas om een kijkje te kunnen nemen in de grafkapel. 
Henry Stoffels was piloot. Hij stortte neer in Brustem. An toonde hier dat het oorspronkelijke graf veel groter was. Schilder Leon De Smet schilderde eerst impressionistisch; later schakelde hij over op expressionisme, dit zonder groot succes evenwel. Jenny Montigny  kon als dame niet terecht in een academie en zij diende les te volgen bij een kunstenaar. Zij volgt les in het atelier van Emile Claus en, dixit An, “Jenny heeft een ferme boon voor hem”. De Pesseroey was de laatste burgemeester van Deurle. Het prachtige werk “pas de deux” siert zijn graf.  Jules De Belder , afkomstig van Lier,was dichter. Zijn echtgenote Line Lambert heeft ons ooit gegidst in Deurle. Gust De Smet ; van hem zegde Permeke: “Hij is nooit klein geweest”. Een werk van diezelfde Permeke op het graf. Eindigen deden we bij het eenvoudige graf voor Maddy Buysse. Hier was ons An in alle staten want Maddy wilde Cyriel Buysse laten overbrengen van haren hof, de Westerbegraafplaats, naar Deurle. Dit was zonder An gerekend. Zij zocht in de archieven en vond dat Cyriel Buysse naast zijn zuster Virginie Loveling begraven wenste te worden. De concessie verliep in 2000. En laat nu Maddy Buysse overlijden in … 2000. Eind goed, al goed voor An.
En ook eind goed voor deze fel gesmaakte rondleiding. Iedereen was het er nogmaals over eens: An is niet alleen een topmadame maar een top gids zoals er maar weinig bestaan. Ik denk dat weinigen beseffen welke voorbereiding er aan zulke rondleiding voorafgaat. Het documenteren van zo'n rondleiding is iets wat weken in beslag neemt. Dus heel wat wijsheid rijker togen we naar de “Ouwe hoeve” om daar te genieten van een fel gesmaakte maaltijd .
Jacques Buermans
 
Foto’s: Leen Otte, Philippe Theys en Jacques Buermans

Inventariseerders Een bedankingsmoment voor ‘inventariseerders’. Twee leden worden in de bloemetjes gezet. Jacques Buermans


Een lovenswaardig initiatief van de verantwoordelijken van de Antwerpse begraafplaatsen: men wilde tijdens een “bedankingsmoment” enkele van de onze leden van vzw Grafzerkje in de bloemetjes zetten voor hun jarenlange inzet inzake inventarisatie. Op de begraafplaats van Silsburg brachten ze een korf  van de Stadswinkel om Leo Spiessens en Ludo Dieltiens te danken voor het werk dat ze al sedert midden 2010 onbezoldigd doen. Leo heeft vooral heel veel werk verzet op de begraafplaats Schoonselhof en Ludo is nog altijd bezig met het digitaliseren van documenten van de drie Deurnese begraafplaatsen en Silsburg.
De verantwoordelijken van de begraafplaatsen en de beiden “gehuldigden” maakten ook nog tijd om een bezoek te brengen aan het graf van ons erelid Roland Verhees; waar recent een sobere grafsteen op geplaatst werd;
Dat het geen propere klus was en dat men dikwijls voor vieze verrassingen kwam te staan moet ik jullie niet vertellen maar ik laat Ludo Dieltiens liever zelf aan het woord: “Sommige archieven werden 'bewaard' in een verschrikkelijke staat . Toevallig ontdekte documenten, begraaftoelatingen, correspondentie  en dies meer op de zolder van het poortgebouw van de begraafplaats Silsburg.
Ik heb ze proper gemaakt, geherklasseerd en van ongedierte en schimmels ontdaan – ik heb er zelfs een tijd een hoestje aan overgehouden. Ze zijn nu 'gered' en worden nog gedigitaliseerd. De edele taak van een 'archivaris-vrijwilliger'”.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s Ludo Dieltiens.
 

De Panne We swingen De Panne van het dak. We moesten er even op wachten, maar hier is het dan: het verslag door An van de voorlaatste rondleiding.


Zestien moedigen trokken met alle mogelijke transportmiddelen naar de uithoek van het land, één superdappere haalde het zelfs op de plooifiets. Voorwaar een prestatie. Na het Italiaans orgasme van begin mei, viel op het eerste zicht, het monumentale werk ferm tegen maar de verhalen achter de graven maakten onze tocht de moeite waard. Gepassioneerde gids Johan Dhaenens vertelde met kennis van zaken en animo. Meer hebben Zerkjes niet nodig. En het bewijs was er, de kudde van zestien bleef samen, geen dolende schapen te bespeuren.
De Panne scheidde zich af van moedergemeente Adinkerke in 1911. Zelfstandig als ze nu waren, wensten de inwoners een eigen begraafplaats maar het provinciebestuur lag dwars: zo’n jong ding zonder eigen financiële middelen daar kwamen gegarandeerd kleerscheuren van. Ondertussen had De Panne al onderhandeld met de familie Calmeyn en een lapje grond uitgekozen maar het verlossende provinciale “ja” liet op zich wachten en noodgedwongen werden de doden nog altijd op het kerkhof van Adinkerke bijgezet.
En waar een wereldbrand met zijn ontelbare slachtoffers al niet goed voor is. Op 1 juli 1918 werd de begraafplaats ingezegend. Leontine Verfaille en Sylvie Moerman, twee dames-vluchtelingen  hadden zo lang niet gewacht, ze waren hier al op 25 maart 1918 ter aarde besteld.
Het startschot werd gegeven bij het monument voor de burgerslachtoffers WO II, sommigen onder hen kwamen om als bootvluchtelingen tijdens de Britse operatie Dynamo, anderen kwamen in de hel van de Duitse bombardementen terecht 
Zo viel een voltreffer op een eenvoudig vissershuisje, zestien doden vielen er te betreuren. Dat onze teerbeminden reislustige zielen zijn dat wisten we maar soms is het gezeul met afgestorvenen toch van het goede te veel. Oorspronkelijk werden al deze burgers rap rap in een massagraf begraven. Na de oorlog werden ze uit de grond gehaald en als een soort erehaag bij de ingang van de begraafplaats herbegraven. In 1955 was het opnieuw van dattum, nu verhuisden ze naar hun ietwat achteraf stek. Ik hoop dat ze nu voor eeuwig in vrede mogen rusten.
Pal naast dit perceel bevindt zich het Brits militair terrein. Ook hier liggen operatie Dynamo slachtoffers. Tussen de Britten zaaide men ook enkele Fransen, Tsjechen, Slovaken en 3 moslims uit de Franse kolonies.
Jacques Dumont (1879-1938), één van de zonen van Albert Dumont (van de Dumontwijkfamilie) bleef in De Panne wonen, ontpopte zich als filantroop en stichtte oa een school.
Ondertussen werd een Bruggeling ingewijd in het begrip “huwelijkse trouw” en het gebruik van de trouwring. Zijn verwarring was begrijpelijk want die van de kust hebben soms merkwaardige liefdessymbolen.
Isidoor Larrangé (1881-1976), een visser rust samen met zijn echtgenote Anna van Hove (1883-1976) onder een gietijzeren kruis.
Politieke gevangenen en weggevoerden WO II: één van hen, Julien Demolder stierf niet in een concentratiekamp. Julien was wielrenner en onder het mom van: “ik ben aan het trainen” smokkelde hij berichten van hot naar her. Deze dekmantel was niet waterdicht want hij werd betrapt door de Duitsers, hij vluchtte weg en werd neergekogeld. zee op 22 december 1944. Het leven van een visser verliep niet over rozen. De zee kon ongenadig zijn.
August Decrop kreeg een miniatuur IJzertoren op zijn graf.
Op het ereperk WO I rust de tweede burgemeester van De Panne, dokter Abel Dewulf, in een van de rest afwijkend graf. 
Oscar Vermeersch en Louis Legein, twee Interbellumarchitecten passeren de revue.
We zijn er rondgelopen zoals katten rond de hete brij, we hebben het benaderd vanuit alle mogelijke hoeken en kanten. Maar het moest er eens van komen. Het graf van Maurice Calmeyn, het meest monumentale geval van allemaal. Architect G de Hens en beeldhouwer Jules Bernaerts hebben hun best gedaan. Maurice Calmeyn (1863-1934) liberaal grootgrondbezitter van overwegend duinen, is met zijn schrale gronden niets. We zitten voor de periode dat de duinen volgebouwd worden en ons kustlandschap om zeep geholpen wordt.
Maurice beslist om al dat zand te bebossen (aha de Calmeynbossen) Liberaal zegt U, wat doen die hamer en sikkel dan op zijn graf? We leren dat er in dit geval geen sprake is van communistische sympathieën. De hamer (arbeider) en sikkel (boer) vechten samen voor hun vooruitgang en vrijheid. Een “verlichte” progressistische liberaal blijkbaar en waarschijnlijk een logebroeder als we de andere symbolen correct interpreteren.
Ik, met mijn slecht karakter, denk er het mijne van, namelijk dat arbeider en boer door hun gezamelijk zwoegen Maurice gewoon stukken rijker hebben gemaakt.
Julius Deman (1908-1994) een dichter-kunstschilder werkend onder het pseudoniem Karel Dekandelaere.
Twee Britse militairen te midden van de burgers, we voelen het aan ons water, daar zit een verhaal achter. John Cain, assistent-kok op HMS Huglie dat op 26 april 1919 met man en muis naar de kelder ging tijdens een storm. De golven gaven zijn lichaam vrij, hij kon geïdentificeerd worden, zijn kompaan had minder geluk, hij rust nu in een anoniem graf.
Nog een militair, een Belg deze keer: Michel Lamarche, geboren in Luik in 1894. Als motocyclist “mort pour la patrie” op 23 maart 1918 aan zijn eind gekomen. Zijn moeder wenste na haar dood bij haar zoon begraven te worden. Wat ook gebeurde maar ondertussen was haar zoon riebedebie richting militair ereperk.
Op 16 oktober 1918 viel een obus op villa Catherina waar Gustaaf Devré en zijn echtgenote Hortensia Debruyne verbleven. Hun dochtertje, enkele weken oud, stond in haar “voiture” onder de trap en overleefde de klap. Nog maar pas op de wereld en al wees. 
Frans de Wever en Marie Mergan zijn de schoonouders van Willem Vermandere.  Je mag éénmaal raden wie het beeld gekapt heeft. Op het graf van de grootouders van Anee Vanheste, de huidige burgemeester, staat dan weer een kunstwerk van Eddy Walrave. We staan blijkbaar in het burgemeesterskwartier: H.O. Gevaert gehuwd met een Ascrawat zong het ettelijke jaren uit als burgervader. Ook Raf Versteele en Willy Vanheste mochten de sjerp ombinden. Hilaire Lahaye schopte het iets verder. Hij werd liberaal senator.
Terug naar het gewone volk, alhoewel. De Huysseunes, een vissersfamilie dobberen allemaal samen in de familiekapel. Henri Gonsales, een visser, zweette WO I uit als krijgsgevangene. Zijn vrouw, Anna Smagge zat thuis met de 3 meisjes Josephine (2 jaar), Bertha (10 jaar) en Lena ( 6 jaar) toen een voltreffer op 2 mei 1917 hun woning verwoestte. De verhakkelde en verkoolde lichaampjes werden op een bed gelegd en gefotografeerd. De foto diende in de Verenigde Staten als propagandamiddel, niet tegen de gruwel en de barbaarsheid van de oorlog, wel om de onmenselijkheid van de Duitsers te demonstreren.
De familie Legrand wijdde zich aan het nobele beroep van stenen kappen. Ook Charles Trenteseaux oefende dit beroep uit.
Tijd voor een beetje wierookgeur: de zusters van de H. Gehoorzaamheid (een orde waar ik, gediplomeerd dwarsligger en stijfkop, nooit deel van zal uitmaken) en priester Seraphijn Dequidt (Oeren 1858-1911). Hij gaf les aan het St. Leocollege in Brugge. Hij richtte er ook het Davidsfonds op.
Op vraag van de grootste zoetekauw onder ons, ons aller Philippe, eindigden we bij de honingman van de Meli: Alberic Florizoone.
Knorrende magen en guur weer, de warme maaltijd liet zich smaken.
 
Wat de namiddagrondleiding betreft, ook aan zee zijn er parasiterende kapers op de kust. Ondergetekende heeft de gids beloofd om daar kort en bondig bijna niets over te schrijven, behalve dat het eens te meer goed was.
Toch nog enkele wetenswaardigheden: die Béthune was inderdaad in de verte verwant met Jantje Gotiek. Is Alphonse Vyncke mijn grootoom? Na eeuwen gewacht te hebben op een reactie van de gemeente Knesselare sta ik even ver. Ze kunnen mij niet vertellen of mijn grootvader en Alphonse broers waren. Ferme burgerlijke stand daar in Knesselare, ik zou daar niet graag een geboorte of een overlijden aangeven. Waarschijnlijker is dat de ambtenaar van dienst gewoonweg gezegd heeft: “Foert, het interesseert mij niet”
Wat de Gentse Marie Ceuterick betreft, die daar op 20 mei 1940 samen met andere “staatsgevaarlijken” te Abbeville vermoord werd, dat ben ik nog verder aan het uitpluizen


Tekst en een selectie uit de foto’s: An Hernalsteen

Genua Staglieno! Ja wadde!!! Deel twee van de Italiëreis van dit voorjaar door Jacques Buermans


Woensdag 6 mei was ons bezoek aan Staglieno in Genua gepland. Keurig op tijd aan de begraafplaats aangekomen. “De negen” (Agnes & Ria, Jef & Lucienne, Lin, Rina, Leo & Christine en ik logeerden in hetzelfde hotel) met de bus vanaf het station. Jenny & Jos stapten onderweg op. An & Dirk waren al ter plaatse. Het was nog enkele minuten wachten op Edgard & Marie Claire die met een vervangwagen moesten komen. Hun wagen kreeg defect tussen Milaan en Genua. Uiteindelijk waren ze daar met hun vervangwagen!  Marina Firpo was onze voortreffelijk gids, die nota bene een veel beter Frans sprak dan onze Milanese gids. Marina wist te vertellen dat de begraafplaats, uit 1851, 33 hectare groot was. Waar ik ooit vandaan haalde dat ze, de begraafplaats niet Marina, 160 hectare groot was is me een raadsel. 
Via het Pantheon gingen we naar de arcaden met prachtige beelden. Pietro Badaracco . De weduwe klopt op de deur in de hoop een reactie van haar overleden echtgenoot te ontvangen. Kijk ook eens naar de detailuitwerking van de sjaal. Podesta was reder. Francesco Casella . Het zoontje wordt geholpen door de weduwe om de beeltenis van zijn vader te kussen. Gnecco kreeg een “ten hemelopstijging” van de hand van beeldhouwer Rota. Een treurend echtpaar bij Giuseppe Bandaracco. Giacomo Venzano was handelaar en actief in de scheepvaart. Bewonder de symbolen van zijn beroep! Erasmo Piaggo was kapitein. Hier het beeld “de tijd” van de hand van Saccomanno. Carlo Celesia was weldoener en stichter van een hospitaal. Repetto kreeg een monument van Vittorio Lavezzari. Enrico Amerigo was weldoener die zich inzette voor blinden en wezen. Bewonder het meisje dat treurt om het heengaan van haar weldoener. Tomaso Pellegrini was weldoener voor armen en wezen. Een van de meesterwerken van beeldhouwer Carli. Maurizio Dufour was schilder en architect. De familie Braceli Spinola was een belangrijke familie uit Genua. Het beeld stelt de dood van de markies voor. Boven zien we “het geloof”, links “de eeuwigheid” en rechts “de hoop”. Eenzelfde thema, de dood, op het graf Raggio.
Dan kwamen aan, wat mij betreft, ‘de topper van deze begraafplaats’: het graf voor Franceso Oneto van de hand van Giulio Monteverde. De engel van het laatste oordeel staat klaar om de trompet te bespelen. Het lijkt alsof de ogen van de engel je overal volgen. Top!!! Lavarello kreeg een beeld van Brizzolana. Een tweede hoogtepunt kwam er met het beeld “Eros en Thanatos” op het graf Celle . Weer een kunstwerk van Giulio Monteverde.  Voor ons zagen we een gigantische grafkapel Razzi . Volgens Marina Firpo wordt het de Dom van Milaan genoemd. Dan gingen we bergop naar het “boschetto irregolare” , het onregelmatige bosje genoemd. Een monument van de hand van beeldhouwer Vittorio Lavezzari op het graf de Scatzi . De familie Carrena had belangen in het Suezkanaal. Dat blijkt uit de Egyptiserende elementen op het grafmonument. Een gigantische grafkapel Moro . Meirana week uit naar Paraguay en Brazilië. Een monument voor hem, zijn ouders en zijn echtgenote. Bij Michele Giuseppe Canale , schrijver, waanden we ons even in Zwitserland. Een modern beeld op de laatste rustplaats voor Moltini Sciutta . De famile Pescia  liet een enorme som geld na om de stad Genua te restaureren. Beeldhouwer Lorenzo Orengo. Giuseppe Mazzini wordt beschouwd als één van de stichters van het eengemaakte Italië. Hij leefde in ballingschap en stierf in Pisa omdat hij daar anoniem wilde verblijven. Grasso was beeldhouwer. Het beeld voor atleet Alfredo Gargiulio kon me maar weinig bekoren.
 
Via enkele steile trappen daalden we af tot bij het militaire  gedeelte. Is natuurlijk maar klein bier tegen wat wij op de Westhoek gewoon zijn. Opvallend was het graf voor een Bozeglav , een Joegoslaaf die sneuvelde in de Tweede Wereldoorlog. Nog meer afdalend kwamen we op het protestantse gedeelte van de begraafplaats. Prachtige beeldengroep van de hand van Lorenzo Orengo voor Benjamin Whitehead en zijn echtgenote Julia Bentley. Haar beeld werd tien jaar voor haar overlijden gemaakt. Mary Constance Lloyd White  (1859-1898) was de echtgenote van Oscar Wilde. Volgens Marina Firpo kwam de schrijver een jaar na haar overlijden naar Genua en schreef over deze stad lovende woorden. Wij kunnen dat alleen maar beamen. Met het graf voor fotograaf Alfredo Noack eindigde dit meer dan twee uur en half durende bezoek. We dankten Marina voor haar voortreffelijk Frans en haar accurate kennis en gingen met zijn allen een kleinigheidje eten.  
De hele namiddag nog wat rondgelopen met Lin en nog een aantal monumenten gefotografeerd die in de voormiddag niet aan bod kwamen of waar er nu de nodige tijd voor was om ze iets beter te fotograferen. Geniet mee.
 
Faustino da Costa kreeg een beeld van Saccomanno. Een topwerk is dit voor Caterina Campodonico (1801-1888) zij was nootjesverkoopster en spaarde heel haar leven voor dit monument van de hand van niemand minder dan Lorenzo Orengo. Het onderschrift is geschreven in dialect. Caterina was namelijk analfabeet. Rivara kreeg een beeld van de hand van Villa. Van dezelfde beeldhouwer is het beeld van de echtgenote die een laatste blik werpt op haar overleden echtgenoot: Raffaele Pienovi . Rossi kreeg een beeld van Giuseppe Benetti. Een vrouw leidt een weesmeisje naar het graf en tracht haar te troosten. Grillo kreeg een beeld van de hand van Scanzi. Een heel andere stijl, hier liberty-stijl genoemd, voor het graf Ammirato. Ratto kreeg een beeld van de hand van Lorenzo Orengo. Op het graf Lavarello zien we een uitbeelding van de smart. Iets verder een naamgenoot, Lavarello , met een uitbeelding “de pure ziel heeft geen schrik van de Dood” van beeldhouwer Demetrio Paernio. Wat te zeggen van het grafmonument Salvatore Queirolo waar een dame, het eeuwige leven voorstellend, de Dood nog dieper in de ondergang werkt. Prachtig beeld voor Salvator en Emma Rebora . De levensengel staat op het beeld Carpaneto . Op dezelfde rij een aantal monumenten: Castagnola , Piccollo , Bonini , Pastorini en een bronzen beeld voor het graf Gallino. Bij het verlaten van de galerij zagen we een onverlaat door de gangen sluipen. Toch kwam die ons bekend voor? We namen een kijkje in enkele galerijen van recentere datum. Na een hele dag verwend geweest te zijn is dit natuurlijk geen “top” maar toch staan er enkele pareltjes. “De Dood” op het graf Olivari . Een neoclassicistisch monument voor Coppa . Verder Salvetti en de Gregori. Beeldhouwer Brizzolari ligt onder een monument van zijn hand. In een tweede galerij Burlando . In een laatste galerij het monument Ribaudo kent Egyptiserende invloeden. “De drie gratiën” staan op de laatste rustplaats Caprile ). Het graf Montero doet denken aan de “hypnotiserende engel”. Het thema afscheid nemen vinden we op de grafmonumenten Jonassohn, Bonifacio en Cabona . Als finale gingen we nog eens langs het onregelmatige bosje
We zullen er heel vermoeid uitgezien hebben want het busje stopte om ons mee te nemen, aanbod waar we niet op ingingen.
 De kapel Volpe is van de hand van beeldhouwer Edoardo de Albertis. De naam Belimbau  kwamen we al tegen in de stad zelf. Hier is er een soort trompe oeil: je denkt dat de weg naar het grafmonument leidt maar vlak vóór het monument gaat de hoofdweg naar rechts. Weinig of geen info is te vinden over Carlo Peri en de familie de Ferrari maar ze liggen wel onder gigantische grafmonumenten. Chiarella kreeg beelden van Lorenzo Orengo op zijn laatste rustplaats. Puccio zijn kapel is van de hand van Coppedé. Wie Ambrozio Costa wel mag wezen kon ik niet achterhalen. David Chiossone was dichter en filantroop. Het beeld is van Lorenzo Orengo. Een monument voor Franse soldaten uit Wereldoorlog I. Michele Novaro was musicus en componist van het Italiaanse volkslied. Burlando kreeg een beeld van beeldhouwer Demetrio Paernio. Eindigen deden we bij het graf Sorrentino, een pracht van een beeld van de hand van Luigi Orengo.
We bliezen de aftocht en genoten nog van een deugddoend  drankje in de bar vlakbij de begraafplaats.


 



Jacques Buermans.
 
Foto’s: Jean Donny & Jacques Buermans.

Begraafplaatsen in de frontstreek – deel 5 Mia Verbanck bezorgde ons deel 5


LIJSSENTHOEK MILITARY CEMETERY

Ligging en typering
 
Lijssenthoek Military Cemetery is gelegen langs de Boescheepseweg 37, op de hoek met de Bethunestraat, in de wijk De Boonaard, op ongeveer 2 km ten ZW van de ring van Poperinge.
De omgeving is licht glooiend en landelijk.
 
Van 1915 tot 1920 was op het gehucht Lijssenthoek het grootste evacuatiehospitaal van de Ieperboog gevestigd.

De plaats lag tijdens de oorlog op een belangrijke verbindingslijn tussen de basis van de geallieerden en het front van de Ieperboog. Hier lag onder meer een hoeve van Remi Quaghebeur, door de Engelsen Remi Farm genoemd.
Door zijn dichte, maar toch nog veilige ligging van het front werden hier voorzieningen ingericht voor het verzorgen van gewonden.
 
De Franse 15ième Hopital d'Evacuation gebruikte de plaats het eerst als begraafplaats.
Vanaf juni 1915 richtten de Britten hier een veldhospitaal (Casualty Clearing Stations of C.C.S.) in; later in de oorlog werden dit er vier met een bezetting tot 4.000 bedden.
In het voorjaar van 1918 trok men de veldhospitalen een tijdje terug en werden ze vervangen door een Britse en Franse veldambulance, omdat men vreesde dat de ze tijdens het Duitse lenteoffensief te dicht bij het front zouden komen te liggen. Daarna keerden de veldhospitalen nog terug.
 
Tegen het einde van de oorlog was begraafplaats de grootste Britse begraafplaats in België geworden; door bijzettingen werd Tyne Cot Cemetery in Passendale later nog groter.
Na de oorlog werden 24 Britse veldgraven overgebracht uit de omgeving van Poperinge. In 1981 voegde men nog 17 graven toe afkomstig van het kerkhof van Sint-Denijs.
 
De begraafplaats is een spiegel van het oorlogsgeweld in de Ieperboog. Wie gewond raakte, werd afgevoerd naar het veldhospitaal. Zij die het niet haalden, werden ter plaatse begraven. De begraafplaats groeide organisch. Zo verwijzen de piekdagen op Lijssenthoek steeds naar een gebeurtenis aan het front, zij het met een, twee of drie dagen vertraging. Vandaag liggen er 10.785 slachtoffers begraven. 
Aanleg
 
De eerste plannen voor de aanleg van Lijssenthoek Military Cemetery dateren van 1918. De Imperial War Graves Commission (het huidige Commonwealth War Graves Commission) gaf de opdracht aan Sir Reginald Blomfield. De architect behoorde tot het team van specialisten dat zich toelegde op het uittekenen van herdenkingsmonumenten.
Zo ontwierp Blomfield onder meer ook de Menenpoort en het Cross of Sacrifice . Dat is een herdenkingskruis, meestal een vrijstaand wit kalkstenen Latijns kruis op een achthoekige basis. De grootte van het kruis varieert van 4 tot 9 meter en op de voorkant van het kruis is meestal een bronzen zwaard bevestigd.
Lijssenthoek Military Cemetery wordt beschouwd als zijn meesterwerk, de plaats waar hij zijn concept van 'formal architecture' kon uitvoeren. Strakke lijnen en lichtjes verhoogde terrassen bepalen de vormgeving van de begraafplaats. Bomfield werd bijgestaan door Arthur Hutton als uitvoerend architect.
 
Het Cross of Sacrifice staat in de oostelijke hoek.
De begraafplaats bevat 35 plots of perken en beslaat een oppervlakte van ongeveer 4 ha. De begraafplaats is ommuurd en heeft een poortgebouw met twee zijgebouwen. Kort voorbij de ingang staat de Stone of Remembrance, een gedenksteen op een platform van drie treden, ontworpen door de Britse architect Edwin Lutyens. Op de steen staat de inscriptie „Their name liveth for evermore”. Het is een citaat uit het Bijbelse Boek Ecclesiasticus of Spreuken (40:14). De zin werd aangebracht door de Britse auteur, dichter en Nobelprijslaureaat Rudyard Kipling wiens enige zoon in de oorlog was omgekomen.
 
In 2012 werd een nieuw bezoekerscentrum ingehuldigd. Door middel van beelden, teksten en media wordt de geschiedenis van de begraafplaats geschetst en voor elke dag van het jaar wordt het verhaal van minstens één slachtoffer verteld.
 
Wie ligt er begraven?
 
Volgens het huidige register liggen er in totaal 10.785 doden uit de Eerste Wereldoorlog, waarvan 9.901 doden van het Gemenebest waarvan er 24 niet konden geïdentificeerd worden:
·       7.389 doden uit het Verenigd Koninkrijk – waaronder ook 35 mannen van het Chinese Labour Corps gerekend worden, gestorven tussen februari en november 1919 ­–,
·       1.131 uit Australië,
·       1.058 uit Canada,
·       3 uit India,
·       291 uit Nieuw-Zeeland
·       29 uit Zuid-Afrika.
Daarnaast liggen er nog 658 Fransen, 223 Duitsers (waarvan 12 niet geïdentificeerd konden worden) en 3 Amerikanen begraven.
Er zijn 5 ‘special memorials’ opgericht voor mannen, waarvan aangenomen wordt dat ze begraven liggen onder een naamloos graf.
 
De jongste gesneuvelde is de Schot Donald McLeod Snaddon, 15 jaar (plot 2 D37) en de oudste is een Fransman, Louis Riva, 63 jaar (plot 33 E20).

Van de 10.750 slachtoffers is de familienaam, de sterfdatum en het regiment bekend. Het zeer hoge aantal bekende namen valt te verklaren door de specifieke aard van deze begraafplaats. Het is een hospitaalbegraafplaats. Hier rusten voornamelijk mensen die stierven in het evacuatiehospitaal. Hun naam stond al vermeld in het hospitaalregister en werd bij de grafregistratie overgenomen. De meeste doden kregen in het register ook nog de vermelding Died of wounds, gestorven door verwondingen of Died of disease, gestorven aan ziekte.
 
Meer over het Chinese Labour Corps
 
Het Chinese Labour Corps was een niet-gewapende afdeling van het Franse en Britse leger, die bestond uit arbeiders (burgers) uit de Republiek China die tijdens de Eerste Wereldoorlog ingezet werden voor het uitvoeren van logistieke taken ter ondersteuning van de eigen troepen.
China was sedert 1911 een republiek en wou door deelname aan de oorlog de Europese grootmachten ervan overtuigen dat hun land zich aan de internationale regels zou houden. Het wilde ook bewijzen dat het een moderne natie wou worden en een betrouwbare partner kon zijn.
Tot februari 1917 was China een neutraal land waardoor het geen gewapende troepen naar het oorlogsgebied mocht sturen. Omdat Japan in 1914 aan Duitsland de oorlog verklaard had, had het de Duitse kolonie Qingdao ingenomen. Door arbeiders naar Europa te sturen, hoopte China invloed te krijgen bij eventuele vredesonderhandelingen om zo hun bezette steden terug te eisen.
 
Omdat de oorlog aansleepte en de legers van Fransen en Britten en hun bondgenoten (de Entente) grote verliezen leden, geraakte de bevoorrading in de loop van 1916 in de problemen: er waren arbeiders tekort om de nodige grondstoffen en munitie aan te voeren. Ook de infrastructuurwerken aan en rond het front liepen vertraging op. Men wou daarvoor arbeiders ronselen uit de koloniën.
 
China had reeds in juni 1915 voorgesteld om arbeiders te leveren, maar de Britten hadden dat afgewezen. De Fransen stemden wel in en in augustus 1916 kwamen de eerste Chinese arbeiders uit Tianjin in Frankrijk aan. Hun aantal zou tegen het einde van de oorlog ongeveer 44.000 man bedragen.
Door de grote verliezen bij de Slag aan de Somme in de zomer van 1916 was er een nijpend tekort aan werkkrachten bij het Britse leger. De Britten rekruteerden dan ook Chinese arbeiders uit hun concessies Weihaiwei (Weihai) en Qingdao. In april 1917 kwam een eerste duizendtal in Europa aan, maar dat aantal zou in de komende drie jaar oplopen tot ongeveer 95.000. Alle arbeiders kwamen aan in Le Havre om dan per spoor naar het basiskamp in Noyelles-sur-Mer gebracht te worden. Daarna werden ze verdeeld over de verschillende gebieden waar hun diensten nodig waren.
 
De Chinese arbeiders ondertekenden een contract voor drie jaar bij de Britten en voor vijf jaar bij de Fransen. Omdat hun namen voor de westerlingen onuitspreekbaar waren, werd hen een identificatienummer toegekend en een badge met de letters CLC.
Voor een werkdag van 10 uur kregen ze een dagloon van 1 franc. Dat was vier maal hoger dan het dagloon voor gelijkwaardig werk in hun land. Een deel ervan werd naar hun familie gestuurd. Bovenop hun loon kregen ze nog voedsel, kledij, onderdak en medische verzorging.
 
De Britse arbeiders werden in compagnies van zo’n 300 à 500 man ingedeeld onder leiding van een officier, verder in pelotons onder leiding van onderofficieren of Chinese ploegbazen. Om een goede communicatie te verzekeren werd bij elke compagnie één of twee tolken ingedeeld. Ook een eigen kok was voorzien.
Door hun contract mochten ze niet als strijders ingezet worden, maar ze stonden wel onder militair gezag en ondergingen dan ook dezelfde discipline. Ze vielen onder de krijgswet wat dikwijls aanleiding gaf tot problemen. Zo zijn er tien Chinezen geëxecuteerd wegens moord of een andere zwaar misdrijf.
 
De Chinezen zetten zich in voor wegenaanleg, herstellen van loopgraven, constructie- en afbraakwerken, spoorwegwerken, laden en lossen van schepen en treinen, arbeid op het land, opruimen van slagvelden waaronder onontplofte granaten, aanvoer van munitie en ander oorlogsmateriaal. Een minderheid deed geschoolde arbeid in fabrieken of werkplaatsen (vooral de Chinezen in Franse dienst).
Na de oorlog werden ze ook nog ingezet bij het ontgraven van slachtoffers, het aanleggen van oorlogsbegraafplaatsen en het opruimen van de talrijke ruïnes. Door de aard van hun werk liepen ze soms grote risico’s omdat ze zich dikwijls dicht in de buurt van het front of in het bereik van de artillerie bevonden.
De Chinese arbeiders werden over het algemeen gewaardeerd voor het harde werk dat ze verrichtten en hun zin voor verantwoordelijkheid.
 
De arbeiders verbleven in kampen van zo’n 1.000 à 3.000 man, in tenten of hutten voor ongeveer 40 man. Ze mochten officieel geen contact hebben met de plaatselijke bevolking.
Ze hielden zich in hun vrije tijd (een halve dag per week plus de feestdagen) bezig met muziek spelen, zingen en het kweken van huisdieren of het verzorgen van moestuinen. Gokken en theedrinken waren hun favoriete bezigheden. Anderen hielden zich bezig met zogenaamde loopgravenkunst, zoals het graveren van granaathulzen met typische Chinese motieven, houtsnijwerk, toneelopvoeringen en schilderen.
Leden van de Young Men’s Christian Association (YMCA) organiseerden cursussen lezen en schrijven en brachten de basisregels bij over hygiëne, geschiedenis en nationaal bewustzijn. De overheid stond hen toe hun eigen feestdagen te vieren.
 
In augustus 1917 liet China haar neutraliteit en koos partij voor de Entente. Men bracht de arbeiders nu dichter bij het front om werkzaamheden uit te voeren en daardoor stonden ze vaker bloot aan artillerievuur en ander oorlogsgeweld.
In Reningelst, bijvoorbeeld, sloegen een aantal Duitse granaten in waarbij respectievelijk 13 en 4 arbeiders omkwamen.
Tijdens het Duitse Lenteoffensief in het voorjaar van 1918 vielen vele slachtoffers bij bombardementen op de kampen in Duinkerke en Calais.
Ook hun reis naar Europa was niet zonder gevaar: in februari 1917 werd het transportschip Athos in de Middellandse Zee getorpedeerd waarbij zo’n 500 Chinese arbeiders omkwamen.
 
Men schat dat tussen 1917 en 1920 zo’n 2.000 arbeiders door oorlogsgeweld en ziekten omkwamen. Vooral tijdens de epidemie van de Spaanse griep was de tol hoog. Op de Chinese begraafplaats van Nolette liggen 841 slachtoffers begraven. Anderen liggen verspreid over de vele begraafplaatsen in Frankrijk en België (een lijst vind je op https://nl.wikipedia.org/wiki/Chinese_Labour_Corps ).
 
Nog meer informatie over de Chinese arbeiders op http://www.chinasquare.be/dossiers/chinezen-in-poperinge-en-omstreken-in-%E2%80%A6-1917/

 
Tekst en foto’s: Mia Verbanck

Medellin Oom Kato (Michaël Devisscher) ging naar Medellin en zag dat het goed was…


Medellín, Colombia. Eén van de grootste steden van het land en voor sommigen wellicht vooral bekend vanwege de negatieve aspecten van de meer recente geschiedenis, de drugshandel en escalatie van de strijd daar tegen in de jaren tachtig en negentig, eerder dan voor haar koffie. De voorbije twintig jaar worden er in de stad echter volop initiatieven genomen om deze periode achter zich te laten en de meer aantrekkelijke kanten te tonen. Hoewel het historisch centrum op zich niet mooi te noemen is, bevat het toch afzonderlijk mooie gebouwen, een centraal plein met museum waarop beelden en schilderijen van de bekendste kunstenaar, Fernando Botero (1932°). En tot slot niet ver van het centrum de historische begraafplaats San Pedro. In sommige grootsteden kan je best even informeren hoe veilig het is erheen te gaan, maar mits een beetje voorzichtigheid is dat hier geen probleem (hetzelfde voor de al eens eerder vermelde begraafplaats Guayaquil in Zuid-Ecuador). De begraafplaats is goed ommuurd en voldoende afgesloten en ook hier lopen er binnen veiligheidsagenten rond.
San Pedro werd in 1842 gesticht in wat toen nog Candelaria heette (nog steeds de naam voor de historische binnenkern van Medellín) . Dit op privé-initiatief van de elite van de stad. Ook nu volgens een  vaak voorkomend plan met een centrale laan en in het midden een grote cirkel waarbinnen de meest prestigieuze graven en daarrond één of meerdere muren die mogelijkheid bieden tot  meer bescheiden bijzettingen. Op het einde van de laan werd in 1849 een kapel ingewijd, die een halve eeuw later werd vervangen en dertig jaar later opnieuw. Deze huidige kapel dateert uit 1927 en ontkrachtten meteen woorden ‘Waar is des vaadren fierheid gebleven?’ toen we vol voldoening (maar zonder eigen verdienste)  vernamen dat een belg, Augustin Govaerts (1858-1939), de architect was. Behalve enkele gebouwen in het brusselse heeft hij na de Eerste Wereldoorlog nog meer prestigieuze gebouwen ontworpen in Colombia. Naast deze kapel is er nog het Cultuurpaleis, zeer prominent aanwezig in het centrum van Medellín.
Ook op San Pedro vind je de lokale grootheden terug, waaronder diverse zakenlui (koffie en andere nijverheden), culturele figuren en politici als Carlos Restrepo (1867-1937) die president van Colombia was van 1910 tot 1914 alsook Pedro Nel Ospina Vásquez (1858-1927), president van  1922 tot 1926. Andere personen die hier hun laatste rusplaats vinden en ook nationale bekendheid genieten zijn de romantische schrijver Jorge Isaacs (1837-1895), Fidel Cano Gutiérrez (1854-1919), stichter van El Espectador, nog steeds één van de belangrijkste kranten van het land, en de zanger en akteur Carlos Gardel (1883/87-1934) wiens beroemdheid zich uistrekte over gans Zuid-Amerika tot in Europa. Ook na zijn tragische dood bij een vliegtuigongeval vond deze laatste geen rust, want na de bijzetting te Medellín mocht hij opnieuw op tournée om twee jaar later een nieuwe en (voorlopig?) laatste rustplaats te vinden in Buenos Aires. Pedro Nel Gómez (1899-1984), wellicht Colombia’s beroemdste schilder van muurschilderingen, ligt er nog wél steeds en zijn werk drukt nog steeds haar stempel op de stad. In 1999 werd de volledige begraafplaats tot begraafplaats-museum uitgeroepen en kreeg een beschermde status. Zeker de moeite voor wie toevallig in Medellín moet zijn!
Wat hier vaak niet kan, kan op plaatsen waar we dit niet verwachten soms wél, innovatief, betrouwbaar én veilig openbaar vervoer. Doorheen Medellín lopen enkele belangrijke bovengrondse lijnen (Metro) en met één ervan raak je tot aan de uiterste randen van de zeer uitgestrekte stad, tot in de gemeente Itagüi. Op korte wandelafstand van de halte ligt de grote begraafplaats Jardines de Montesacro
Vergelijk de historische centrale begraafplaats San Pedro met onze oude dodenakkers in Berchem of Deurne en deze van Itagüi met die van Schoonselhof die als algemene begraafplaats voor de grootstad is bedoeld. Op dan twee troeven na die men hier tot lokaal verdriet ontbeert, geen Jacques Buermans noch mooie grafmonumenten. Wel een heel groot grasveld met hoofdzakelijk in de grond liggende kleine grafstenen, een mooi vergezicht op Medellín en vooral op de meest centrale plaats, naast een grote kapel, een klein perk van de familie Escobar. Steeds voorzien van bloemen roept de bekendste telg uit de familie nog steeds tegenstrijdige gevoelens op.
Pablo Escobar Gaviria (1949-1993) was de bekendste van de ‘drugsbaronnen’ die na een inloopstage als kleine crimineel in de jaren zeventig snel de criminele treden beklom tot hij hoofd werd van het ‘cartel’ van Medellín. 
Dit werd wereldijd de belangrijkste exporteur voor met name cocaïne en werd met de vingers in de neus (onder het motto ‘don’t get high on your own supply’) schatrijk door een mix van kwalitatieve produkten, overtuigende marketing en een trouw, hoofdzakelijk westers clienteel. Vermits hetgeen bezijden de wettelijkheid verloopt wel eens met geweld gepaard gaat bleef dit economisch én persoonlijk succesverhaal niet duren en zowel Pablo Escobar àls zijn onderneming kwamen in een spiraal van geweld tot een einde. Opmerkelijk is dat het lot van deze ene persoon volledig verweven werd met dit van het ganse land en hij er rechtstreeks verantwoordelijk voor was dat naarmate de conflicten met het concurrende cartel van de meer zuidelijk gelegen stad Cali én de overheid toenamen ook Medellín tot moordhoofdstad van de wereld werd gedurende meerdere opeenvolgende jaren. Pablo Escobar is synoniem met de dood van concurrende drugshandelaars, kritische journalisten (waaronder van de eerder vermelde krant El Espectador), honderden politie-agenten (op wiens hoofd een prijs werd gezet) tot het opblazen van een lijnvliegtuig en een aanval op het Colombiaanse hooggerechtshof in de hoofdstad. Anderzijds sprak zijn gigantische rijkdom tot de verbeelding en gaf hij niet enkel aan zichzelf en zijn directe omgeving, maar bouwde een volledige wijk voor de vele arme bewoners van de stad (die officieus nog steeds Barrio Pablo Escobar genoemd wordt). Voor wie meer wil weten vind je veel informatie online, zijn er enkele documentaires, een aantal films en de meest succesvolle Colombiaanse televisiereeks ooit (100+ episodes) over zijn leven.
Pablo Escobar trekt steeds bezoekers, al is dit een thema waar de locale toeristische dienst (nog?) geen aandacht aan wil besteden. Veel minder bekend bij het ‘brede publiek’, maar de dame zonder wie Miami Vice misschien niet mogelijk zou zijn geweest, is Griselda Blanco (1943-2012). Zij was de vertegenwoordigster van het Medellín cartel gebaseerd in Florida en zorgde voor een eigen kleine geweldsexplosie in het kielzog van haar activiteiten waarbij ze zowel vijanden àls vrienden tegen zich in het harnas joeg. Na een jarenlange gevanenisstraf in de VS werd ze het land uitgezet in 2004. Een zo anoniem mogelijk bestaan in haar oorspronkelijke geboortestad gaf haar nog enige jaren respijt tot ze zelf in 2012 werd omgebracht op een wijze waartoe ze zelf zo vaak opdracht had gegeven, doodgeschoten vanop een voorbijrijdende motor. ‘Poetic justice.’ Je moet iets meer zoeken om de neerliggende grafsteen op een twintigtal meter van het Escobar perk te vinden.
Diegenen die tot slot, volledig in lijn met ons favoriete thema, interesse hebben in de stap vóór deze laatste rustplaats, kunnen terugkeren naar het centrum van Medellín. In één van de betere wijken, Laureles, vind je het huis terug waar Pablo Escobar zijn laatste vluchtplaats had en waar hij, toen hij via een aanpalend dak probeerde te vluchten, werd doodgeschoten.


Tekst + foto’s: Michaël Devisscher

Mummies Een Egyptische begrafenis – Daniël Coninx


Als er ooit een volk geweest is dat tijd en werk in overvloed spendeerde aan zijn afgestorvenen, dan waren het de Oude Egyptenaren wel. Omdat zoveel van wat overgebleven is, te vinden is in graven en dodentempels, werd daardoor van oudsher de indruk gewekt dat de Oude Egyptenaren bijna uitsluitend met hun dood, hun begrafenis, en hun leven na de dood bezig waren. Niets is natuurlijk minder waar, maar het heeft ons wel een heel duidelijk beeld gegeven van hoe zo’n begrafenis nu eigenlijk in zijn werk ging.
 
Het grote verschil met onze gewoontes is natuurlijk het mummificeren. Tot op de dag van vandaag weten we daar eigenlijk nog steeds het fijne niet van. We weten in grote lijnen- en soms in detail – hoe het proces verliep, maar een echte handleiding hebben we niet. De oorzaak ligt erin dat mummificeerders, in tegenstelling tot de ambachtslieden die de graven uithakten en versierden, absoluut geen graag geziene gasten waren. Ze werden van nagenoeg alle sociale gelegenheden uitgesloten en niemand had men hen contact - tenzij voor een begrafenis. Hoe men tot het mummificeren gekomen is, blijft een raadsel, al kunnen we wel tot op zekere hoogte een “educated guess” wagen. Eeuwen lang had de voorouder van de Oude Egyptenaar zijn doden begraven in het woestijnzand. Daarin droogt het lichaam vrij snel uit en wordt een natuurlijke mummie gecreëerd. De oudste van dit soort mummies is Ginger, tegenwoordig een bewoner van het British Museum. De oudste kunstmatige mummie dateert uit de periode van de 4e Dynastie (ca 2680 – 2565VC). Het bewaren van een goed geconserveerd lichaam is noodzakelijk voor het voortbestaan in het Egyptische hiernamaals. 
 
Onze reis, samen met een Oude Egyptenaar, naar het hiernamaals, begint ergens tijdens de 21e Dynastie (ca 1077 – 950VC), de periode waarin de kunst van de mummificatie op haar hoogtepunt stond. We noemen de dierbare afgestorvene Paneb (Heer). Paneb is, na een naar Egyptische normen, lang en vruchtbaar leven ingeslapen. Voor zijn familie breekt een periode van rouw aan die tussen de 40 en de 72 dagen zal duren. Zijn mannelijke familieleden zullen zich gedurende deze periode niet scheren, en niemand van zijn familie en van zijn huishouden zal zich wassen. Tot aan de begrafenis zal iedereen slechts het minimum eten en drinken, en men zal het hoofd bedekken met stof en zand. Gelukkig is Paneb geen Farao, want dan geldt dit voor het hele land. Bovendien zouden dan ook de tempels gesloten worden, en worden er geen offers gebracht.  2 dagen lang geen vlees, geen wijn, geen bier, geen verse groenten, geen baden, geen parfums… en geen sex !
Terwijl de familie door dit overlijdensritueel gaat, wordt het lichaam van Paneb opgehaald door de begrafenisondernemer (toen al). Die brengt het lichaam naar de nederzetting van de mummificeerders. Hij zorgt ook voor het definitief in orde brengen van het graf (in deze periode een rotsgraf), en bereidt de begrafenisstoet voor. In een voorlopige kist wordt Paneb naar de Westoever van de Nijl gebracht. De Oostoever is voor de levenden, de Westoever (waar de zon ondergaat) behoort toe aan de doden. Het transport gaat per schip. De kist wordt onder een baldakijn geplaatst en klaagvrouwen nemen plaats in de boeg. Paneb was een welstellend man en hij kan zich een begrafenis met alle toeters en bellen permitteren, dus wordt hij tevens vergezeld van een voorleespriester, een balsemer, twee stuurlieden en twee dienaren. Twee houten sleepboten trekken het dodenschip naar de Westelijke oever. Daar aangekomen, brengen drie mannen de kist, op een houten draagbaar met leeuwenkop en -poten, naar de reinigingstent, die staat opgesteld aan het einde van de kade. In de tent ondergaat het lichaam van Paneb een eerste rituele wassing met natronwater. Na het ritueel wordt Paneb weer aangekleed in zijn mooiste kleren, met al zijn tekenen van waardigheid, tot zijn sandalen toe. Zijn lichaam wordt weer op de leeuwenbaar geplaatst en in processie naar de mummificatiewerkplaats gedragen. Met het afleveren van het lichaam aan de kade heeft de begrafenisondernemer dit deel van zijn werk gedaan. Zijn taak wordt overgenomen door de Sem-priester, herkenbaar aan de panterhuid die hij draagt. Ook de overige begeleiders van Paneb nemen hier voorlopig afscheid.
 
De mummificatie zelf gebeurt in Per Nefer (Het Schone Huis).  Een ietwat bedrieglijke naam, want gezien de werkzaamheden en het klimaat, moet het daar gestonken hebben van jewelste…
Op een houten balsemtafel van zo’n 2m bij 1,5m ligt het lichaam van Paneb.  Paneb was welstellend, maar niet zo rijk dat hij zich een eigen, albasten, mummificatietafel kon veroorloven. De tafel is redelijk laag, dus we kunnen ervan uitgaan dat de balsemers hun werk zittend deden. Paneb heeft voordien laten weten dat hij voor de duurste methode gaat, die ook degene is die het meeste werk vergt. Zijn motivering is echter, dat op die manier de mummificatie het minste schade toebrengt aan de mummie, wat voor elke Oude Egyptenaar van groot belang is.
Eerst worden, via de neus, de hersenen verwijderd. Dan wordt de binnenkant van het hoofd gespoeld met natronwater. De holte wordt nadien opgevuld met in hars gedrenkte pakkingen.  De buitenkant van het hoofd wordt ingewreven met een dunne laag verwarmde hars om ontbinding tegen te gaan.
Met een mes van obsidiaan wordt een kleine incisie gemaakt in de onderbuik. Via deze incisie worden maag, lever, en darmen verwijderd. Deze worden gepekeld, gedroogd en verpakt, en in canopen opgeslagen. Deze vazen zullen Paneb vergezellen in zijn graf. De buikholte wordt nu uitgewassen met palmwijn en aromaten. Via een tweede incisie in het middenrif worden de longen verwijderd en op dezelfde manier behandeld als de overige ingewanden. Slechts het hart en de nieren blijven op hun plaats.
Nadat alle ingewanden zorgvuldig verwijderd zijn, de lichaamsholten gereinigd en gedroogd zijn, worden deze opgevuld met zuiver natron. Ook aan de buitenkant wordt Paneb nu volledig bedekt met natron, zodat de dehydratatie zowel van binnenuit, als van buitenaf gebeurd. Paneb ligt met de voeten iets lager dan met het hoofd, zodat het lichaamsvocht weg kan lopen.  Zo blijft hij ongestoord een zestal weken liggen.
Zes weken later wordt Paneb bevrijd vanonder zijn natronberg. Alle vocht is nu uit het lichaam verdwenen, en ook alle lichaamsvet. De mummie, want dat is Paneb nu, wordt nogmaals zorgvuldig gewassen om alle natronsporen te verwijderen. Dan begint het versieren en optooien van de mummie. De lichaamsholtes worden opgevuld om een natuurlijk effect te krijgen. Daarvoor worden, tijdens de 21e Dynastie, doorgaans de gedroogde ingewanden gebruikt, maar Paneb is nog van de oude stempel: bij hem wordt in hars gedoopt linnen gebruikt. De ogen, die door de dehydratatie compleet vergaan zijn, worden vervangen door linnen balletjes, waarop een iris geschilderd is. Kunstogen komen pas veel later in zwang.  Ramses IV kreeg zelfs twee uien als ogen mee!
Met kostbare vette zalven wordt de huid van de mummie weer soepel gemaakt, want : “Het lichaam moet even soepel zijn als het op Aarde was.” (Sarcofaagteksten). De incisie in de onderbuik wordt dichtgenaaid, en versierd. Paneb heeft gekozen voor een bronzen plaatje met de afbeelding van de Udjat, het oog van Horus. Zijn gezicht is ondertussen zo goed mogelijk hersteld: zijn neusgaten bol gemaakt met linnen proppen, de wangen en de mond opgevuld met linnen of klei. Voor zijn wangen en ogen komt er zelfs make-up aan te pas: rouge en kohl.
Tot slot wordt Paneb versierd met speciaal voor de gelegenheid gemaakte sieraden.  Aangezien hij een zeer devoot man is, en goud ‘het vlees van de goden’ is, heeft Paneb beslist alleen bronzen sieraden te dragen, met hier en daar een zilveren amulet of armband. Daarmee toont hij tegelijk zijn devotie en zijn rijkdom, want zilver was in Egypte duurder dan goud.
Voor de mummificeerders komt thans het zwaarste karwei: het inwikkelen van Paneb in honderden meters linnen zwachtels. Paneb heeft, tijdens zijn leven, de hand weten te leggen op voldoende tempellinnen. Dit linnen, afkomstig van de kleding die de godenbeelden droegen, is magisch zeer sterk geladen, en het paradepaardje van Panebs mummificatie. Het inwikkelen gaat gepaard met tal van rituelen en gebeden, uitgevoerd en gesproken door speciale priesters. Die gaven tevens aan waar alle amuletten tussen de windsels moesten komen. Elke vinger wordt afzonderlijk ingewikkeld. Als positie heeft Paneb besloten de gangbare vorm te kiezen: een gestrekt lichaam, met de armen gestrekt naast het lichaam.  Even heeft hij gedacht aan een positie met de armen gekruist voor de borst, maar aangezien Farao ook zo begraven wordt, wil hij niet van hoogmoed beschuldigd worden. Tussen elke laag linnen wordt rijkelijk met verwarmde hars gestreken. Daardoor blijven de windsels op hun plaats, en worden de verschillende lagen ook aan elkaar gekleefd. Dan worden de buitenste lagen zwachtels aangebracht, die het lichaam in zijn geheel omhullen. Al deze windsels worden in veelvouden van zeven aangebracht, een magisch getal. Paneb ligt in zeven lijkwaden, is ingewikkeld in een veelvoud van zeven windsels, waartussen een veelvoud van zeven amuletten steken. Na het aanbrengen van de laatste en buitenste wade, werd deze achteraan dichtgenaaid en rood geschilderd. Over deze wade wordt voor Paneb een gebronzeerd houten dodenmasker aangebracht. Paneb is klaar voor zijn laatste reis. De mummie wordt op de leeuwenbaar geplaatst, en de priesters roepen de rituele formules : “Gij herleeft! Gij herleeft voor eeuwig! Gij zijt jong! Gij zijt voor eeuwig jong!”
Ginger is de oudste bekende natuurlijke mummie. Door hem te begraven in het hete woestijnzand is hij in de loop van enige jaren compleet uitgedroogd. Ginger is ongeveer 6.000 jaar oud en verblijft sinds het begin van de 20e eeuw in het British Museum in Londen.
Op deze foto is duidelijk te zien dat ook bij Ramses II, net zoals bij ons voorbeeld Paneb, elke vinger afzonderlijk ingewikkeld is. Deze techniek is kenmerkend voor mummies van het einde van de 18e Dynastie tot ca. de 22e Dynastie.
Eén van de best bewaarde mummies dateert uit de 20e Dynastie en is de mummie van de tweede Farao van deze Dynastie : Seti I, de vader van Ramses II.
 
De laatste ‘grote’ Farao van het Oude Egypte, maar geen familie van Ramses II. Hier is duidelijk te zien dat het rechteroog van Ramses III, (voor u aan de linkerkant) vervangen werd door een bolletje linnen.
Ramses III raakte vooral bekend doordat hij model stond voor de mummies in zowat alle klassieke mummie-films. Een dubieuze eer…

Een Ptolemaïsch dodenmasker, gemaakt uit samengeperst papyrus, gehard met hars en dan beschilderd. Het dodenmasker van ons voorbeeld Paneb uit de 21e Dynastie zou eenvoudiger geweest zijn, maar wel uit betere materialen gemaakt zijn. In het geval van Paneb: hout en brons. Ook het gezicht zou er heel wat Egyptischer uitgezien hebben.De Ptolemeeën veroorzaakten een ernstige vergrieksing van de funeraire kunst in Egypte.

 

Daniël Coninx.

 
P. S.: En als het mijn funeraire vriend en pierenlandtoerist Jacques behaagt, dan leest U volgende keer alles over Paneb’s laatste reis naar zijn eigen graftombe.

Heraldische rouwgebruiken bij de begrafenis van Maria Gabriela de Lalaing Stefan Crick


Sedert jaren onderzoeken wij  de memorieborden, obiits en ertoe behorend de rouwgebruiken bij de adel. Dit zowel in Vlaanderen al daarbuiten. Dankzij goede contacten in het buitenland, het Verenigd Konikrijk, Nederland, Duitsland, Zweden en de Baltische staten, trachten  wij een overzicht  te krijgen van dit funerair heraldisch gebruik ervan.
Recentelijk ontvingen wij een aanwijzing waarbij het bestaan van een artikel dat gepubliceerd werd naar aanleiding van het overlijden van de oude Rijngravin Maria Gabriela de Lalaing;

Zij werd geboren in Maastricht op 14 december 1643 uit het echtpaar Albert François de Lalaing (1610-1643) en Isabelle Madeleine de Ligne (1623-1678). Charles Florentin de Salm (1638-1676) was haar adellijke gemaal.
Wanneer Maria Gabriela haar testament op 8 juli 1708 dicteerde, was zij sedert meer dan een jaar ziek. Dit kan opgemaakt worden aan de hand van de apothekersrekening van Janssens van Mechelen, gedateerd op 1 juni 1707. Medische behandeling kreeg zij van dr. Verhoyck in  Mechelen, die haar minstens 23 bezoeken bracht.  Vanaf november 1707 verbleef zij in Antwerpen, waar zij bij dr. Vrijlinckx in behandeling was. Na haar overlijden in 1709 presenteerde hij een rekening van 358 gulden voor 3 consultaties, 65 bezoeken van de heelmeester, mr. Jan Gobbel.
Na meermaals heelkundige ingrepen ondergaan te hebben, overlijdt de gravin na de sacramenten te hebben ontvangen te Antwerpen op vrijdag 8 februari 1709 om 8.30 ‘s avonds.

 
Dat voor haar uitvaart en al wat hetgeen er verbonden met was, enorme bedragen gemoeid waren, blijkt uit de diverse grote uitgaveposten. Blijkbaar werd er geen moeite noch geld gespaard om haar met een solemnele begrafenis te vereren.
 
Haar testamentuitvoerder J.- B. Verhaegen liet de zegels leggen op het sterfhuis. Twee dagen later werd een koffertje geopend waarin de testamenten van 2 december 1700 en 15 juni 1705 opgeborgen lagen
 
Haar stoffelijk overschot werd neergelegd in een loden kist van 372 pond, waaraan Andreas Melijn 12 pond soldeersel verbruikte en waarvoor hij 80 gulden rekende.
David Melis leverde de houten kist voor 25 gulden.
Voor het sterfhuis werden bij Gerard Feyens 8 flambeeuwen besteld en Antus van den Bosch diende meer dan 20 ellen zwart fluweel te leveren om over de doodskist te hangen
De adellijke dame wil uitdrukkelijk begraven worden in Hoogstraten. Het uitvaartrecht van haar Antwerpse parochiekerk, Sint-Jacob diende afgekocht: voor pastoor Chanon, 26 gulden; de kerkmeester, Balthazer van Haften, 1 gulden. en 12 stuivers voor de kerkbaljuw.
Het heraldisch uiterlijk vertoon was een belangrijk onderdeel van de totaal factuur:  de weduwe Noël werd opgedragen twee grote borden met omlijsting te schilderen, waarop het wapen van de overleden Rijngravin werd afgebeeld. Zoals toen gebruikelijk werd er één rouwbord geplaatst boven de inrijpoort van het sterfhuis, op een groot rouwlaken dat met 5000 vergulde nagels, geleverd door Jaak Slaets.  Dit obiit bleef er geruime tijd hangen zoals gebruikelijk. Het tweede grote rouwbord werd  na haar uitvaart in de Hoogstratense Sint- Catharinakerk gehangen. Ook de vier met goud belegde blazoenen ven een el hoog, de  honderdeneen( 101! ) wapenborden met dragers waren wellicht voor de kerk voorzien. De weduwe Noël factureerde:  552 gulden…


 
Op de toegangsdeur tot de bidkapel in de Sint-Catharinakerk, bevindt zich een lijkkistplaat in messing van Gabriela de Lalaing  vervaardigd door  Peter Dievel. 

Lijkkistplaat in messing van Maria Gabriela de Lalaing. Op voorzijde staat het wapen de Lalaing; op de keerzijde staat volgende tekst: 
"Cejourd’huy 30 d’avril 1709 furent jcy dans l”Eglise Collegiale de Hoochstraten enterrées
par le trespas de feueHaute Excellente et puissante Dame Madam Marie Gabriele de lalaing Cometesse de Hoochstraten et de Rennebourg Baronne de Leuze Pecq Eine  et Hurne Douariere Rhingrave Comtesse de Salm est decedée le 8 fevrier 1709 les presentes armes de Feu Haute Excellent et puissant Seigneur Messire Francois Paul de Lalaing Comte d Hoochstraten chef de nom et armes sons frere unique qui mourut en l’an 1691 et de leur Oncle Messier Pierre Jacques Procope de Lalaing Comt de Rennebourg decedé l’an 1698 derniers hoirs Masles en ligne droite et legitime de la tres Illustre det antcienne Maison de Lalaing"
 
PRIEZ DIEU POUR LEURS AMES
 
Het is een ovaalvormige plaat  van 53 x 41 cm. Op de recto werd het familiewapen van de familie de Lalaing gegraveerd.
Op de verso de gegraveerde tekst, in het Frans. Niet alleen een herinnering aan gravin Maria Gabriela de Laling (1709) zélf, maar tevens aan haar broer  een herinnering aan de gravin Marie Gabriëlla de Lalaing (1709), graaf François Paul de Lalaing (+1691) en haar oom graaf Pierre Jacques Procope de Lalaing (+1698). Deze herdenkingsplaat is afkomstig uit de grafkelder van de Lalaing. In 1885 hing deze plaat nog aan de lijkkist en in 1954 lag deze er bovenop. Deze plaat symboliseert de laatste afstammeling van deze adellijke familie.
In diezelfde bidgrafkapel bevinden zich nog enkele merkwaardige lijkkistplaten.
In een tafelvitrine treffen wij vier ruitvormige (27cm x 27 cm) tinnen wapenschilden aan. Deze worden toegeschreven aan vorstin Dorothea van Salm, die overleed in 1751. Andere heraldische lijkkistplaten, ruitvormig 31 cm x 31 cm, behoren aan de  vorst Niklaas Leopold van Salm-Salm (+1770). Hierop wordt het opschrift “Obiit den Febrv 1770” vermeld.


Twee lijkkistplaten. Deze rechts van de lijkkist van vorst Niklaas Leopold van Salm)-Salm, +1770 en deze van vorstin Dorothea van Salm-Salm, +1751). (Foto’s © Stedlijke Museum Hoogstraten)


Een koperen ruitvormige (31 cm x 25 cm) lijkkistplaat, zonder heraldische voorstelling, maar met een Latijns opschrift, wordt toegeschreven aan de vorst Maximiliaan Frederik van Salm-Salm, die in 1773 overleed.
Van prinses Anna Christina Oswaldina van Salm-Salm, die overleed in 1775, treffen wij een koperen, rechthoekige (19,50 cm x 23 cm) funeraire plaat aan, met een Frans opschrift, maar zonder wapen.
Zoals gezegd zijn al deze herdenkingsrelicten zijn afkomstig van de vergane lijkkisten uit de grafkelder van de familie Salm-Salm.
Het gebruik om de lijkkist te versieren met gearmorieerde platen in metaal is bij ons weten nergens gedocumenteerd, maar het zou ons niet verbazen dat dit wel meer gebeurde. Alle informatie daaromtrent is dus meer dan welkom.
Wat de rouwborden betreft, treffen we in de literatuur diverse obiits van de leden van de familie de Lalaing en Salm-Salm aan. Echter als deze rouwborden zijn verdwenen.

Afb. 4  Het grafmonument van Nikklaas van Salm-Salm, eerste hertog van Hoogstraten (+1770) en zijn twee echtgenotes in de Sint-Catharinakerk te Hoogstraten, omstreeks vorige eeuwwisselling en nog in volle glorie met banieren en obiits. De dag van vandaag is enkel het ‘vaste gedeelte’ nog te bezichtigen.


Slechts één rouwbord hangt in de Hoogstratense parochiekerk.
Deze prachtige kerk met vele kunstschatten en funerair erfgoed is zeker een bezoek waard.
 


Stefan Crick
Jacques baron le Roy Genootschap vzw
September 2015
 


De oorspronkelijke tekst werd bewerkt een verscheen reeds in 2013 in Heraldicum Disputationes  nr. 3 – 2013.
Bronnen :
Elisabeth van Culemburg, losse studiën bij de 400ste Verjaring van haar overlijden, I, Drukkerij Paul Braeckmans, 1856.
J. Lauwerys, De Hertogen van Hoogstraten, L. Braeckmans, Brecht, 1934.
De Graven van Hoogstraten I (1518-1702) Drukkerij Haseldonckx, Hoogstraten, 1965.
Hoogstraten Oudheidkundige Kring, jaarboek n° 34, 1966.
Roeland De Ceulaer, Inventaris van het Kunstpatrimonium van de Provincie Antwerpen. De Sint-Catharinakerk te Hoogstraten, deel2, Snoeck-Ducaju & Zoon nv., Gent, 1988.

Try out OMD Berchem Leen geeft een impressie


Enkele maanden geleden vertelde onze voorzitter dat hij gevraagd was om voor de erfgoeddag een rondleiding te verzorgen die maximum een uur mocht duren en die hij die dag twee keer zou doen. Niets meer over vernomen tot hij afkwam met een vraag om es iets te proberen. Hij had die rondleiding klaar en we zouden ze eens aflopen om te zien of ze goed in elkaar zat en hoe lang ze duurde. Zoals al gezegd, het is altijd interessant om te vernemen wat hij van dat soort zaken maakt. Een eerste keer zonder foto’s en een tweede keer met. We zaten iets over de tijdslimiet, maar er valt blijkbaar wel één en ander te zien op de begraafplaats van Berchem.
Volgende stap was een try out met een groepje uitgelezen vrijwilligers die bereid zijn om mee te gaan en openlijk, liefst opbouwende commentaar te geven. Afspraak om twee uur aan de hoofdingang. Wij met een 15-tal mensen op stap. Na een inleiding, bij een eerste graf, dat van Paul Segers (advocaat en parlementair) kwam een eerste opmerking van iemand die dacht dat de commentaar van Jacques niet helemaal klopte. Aangezien alles niet dubbel, maar driedubbel gecheckt is, was verwarring mogelijk, maar de uitleg klopte. De sfeer was gezet: een kritisch publiek in een gezellige en ludieke sfeer op stap. 
We kwamen oa bij het graf van Ludo Coeck, voetballer. Dan een ommetje langs Marten Van der Loo en het graf Bilmeyer . We zagen de mooie grafkapel van Carlier , waar Max Winders bijgezet is, een indrukwekkende laatste rustplaats van een tak van de familie Nottebohm, het verhaal van Ludovicus Fredericus de Mérode. Frans Claes, een eenvoudig graf, maar een interessant verhaal. 
Bescheiden is niet de juiste term voor het graf van Léandre Latinie , ‘millionaire’, maar ook niet voor de grafkapel voor de familie Coetermans met prachtige beelden van de bewoner van één van mijn peterschappen, Arthur Pierre.  Hier en daar was het even zoeken en kijken om de juiste graven te vinden, maar uiteindelijk eindigden we aan de achteruitgang waar Jacques zijn groep trakteerde op een drankje. 
De rondleiding was iets te lang en met een groep ‘verlies’ je wat tijd als de foto’s moeten rondgaan, maar – en nu val ik terug in herhaling, een aanrader. Dus als je op de erfgoeddag in de buurt van de begraafplaats van Berchem zou zijn, maak dan een uurtje vrij voor deze rondleiding.

Tekst: Leen Otte
Foto’s: Maria Nuyts en Leen Otte