Nieuwsbrief Nr. 88 - juli 2015

Italiëtrip deel 1: Milaan. Onze voorzitter getuigt met veel foto’s De “Monumentale” van Milaan is werkelijk “monumentaal”!


De trip naar Italië was toch wel het grootste project op gebied van “buitenlandse reizen” dat onze vzw Grafzerkje realiseerde. We gingen wel eens met enkele mensen naar Londen, ik gidste al eens op de drie belangrijkste Parijse begraafplaatsen en we deden een aantal driedaagse trips naar Amsterdam, Den Haag en Utrecht/Arnhem maar daar was de taal geen hinderpaal en daarbij kregen we ook dikwijls de hulp van enkele van onze Nederlandse leden. Via een Italiaanse kennis kon ik een beroep doen op een Franstalige gids om de Monumentale in Milaan en Staglieno in Genua te bezoeken. Voor de rest gebruikten we hetzelfde stramien als altijd: ieder regelt de eigen praktische zaken, maar we houden wel contact. Gevolg: negen Zerkjes (Agnes & Ria, Jef & Lucienne, Lin, Rina, Leo & Christine en mezelf), verder “de negen” genoemd, reisden samen met het vliegtuig vanuit Antwerpen en logeerden in dezelfde hotels. Best gezellig. Nog zes andere leden: Marie Claire & Edgard, Jenny & Jos en An & Dirk kwamen anders naar Italië.
 
Zaterdag 2 mei was ons bezoek aan de Monumentale gepland. We vertrokken met de metro vanuit ons hotel onder een stralende zon. Leo had op een plan een nieuwe metrolijn ontdekt. Metro 5 opgestapt en heel lang gereden. Eigenaardig want de halte “Monumentale” was de eerste halte op de lijn en die lag vlakbij. Wat bleek: een aantal haltes waren nog in aanbouw. Terug en toch nog keurig op tijd om de zes anderen te kunnen ontmoeten. Carla de Bernardi was onze gids en ze verwelkomde ons voor deze rondleiding in de Franse taal. Bijna twee uur en dertig minuten loodste ze ons langs de toppers van deze begraafplaats. Blijkbaar niet geheel onterecht staat er in de brochures enkel vermeldt wie het beeldhouwwerk maakte; er staat niet bij wat de “eigenaar” van het monument uitspookte.
Gestart werd bij twee corbillards uit 1927, de huiskat was ook op het appel. Carla vertelde de geschiedenis van deze begraafplaats. In 1837 ontstond het plan voor een grote begraafplaats. Pas na de onafhankelijkheid van Oostenrijk. Milaan was onder Oostenrijkse heerschappij de hoofdstad van het Lombardische-Venetiaanse rijk geworden. In 1860 kon het plan verwezenlijkt worden. In 1863 werd het ontwerp van architect Carlo Maciachini aangenomen. 
Op weg naar het Famedio, het Pantheon, zag ik de laatste rustplaats voor Antonio Maspes, een Italiaans baanwielrenner die ik in mijn heel jonge jaren nog aan het werk zag. We beklommen de 30 treden naar het Pantheon of de “tempel van de roem”. Het werd gebouwd tussen 1875 en 1887. In het midden de sarcofaag voor Alessandro Manzoni, schrijver. Ook een buste van Guiseppe Verdi , componist, die hier niet begraven ligt. Terug buiten Isabella Casati. Zij overleed in 1889 op 24 jarige leeftijd in het kraambed. Het beeld “Vrouw op doodsbed” is van beeldhouwer Enrico Butti. Achteraan figuren die doen denken aan Hieronymus Bosch. Het beeld “de tijd”, vadertje Kronos, op het graf Rancati  was verplaatst om een bijzetting te kunnen verwezenlijken. Gaetano Besenzanica  was aannemer. Het beeld “arbeid” van beeldhouwer Enrico Butti, ook in restauratie, vertolkt de zware arbeid die geleverd wordt terwijl de natuur helpt bij het werk van de mens. Indrukwekkend. Een mooi kindergraf voor Pozzi .
Arturo Toscanini (1867-1957) was dirigent. Het monument werd opgericht voor zijn zoon Giorgio die overleed in 1904, vier jaar oud. Hier liggen ook Cia Fornaroli (1888-1954), zijn schoondochter en professioneel danser en Vladimir Horowitz (1904-1989), zijn schoonzoon en beroemd pianist. De beeldhouwer was Leonardo Bistolfi. Giacomo Puccini, componist, heeft hier even gelegen voor hij naar Torre del Lago werd overgebracht. Een modern graf, een wereldbol, voor Goglio. Michele Sindona  was vrijmetselaar en actief in de Bank van het Vaticaan. Vesely , zo wist Carla de Bernardi te vertellen, was de uitvinder van de yoghurt. Het crematorium kwam er dankzij Albert Keller. Hij was een Romeins zijdefabrikant, een aanhanger van crematie en vestigde zich in 1820 in Milaan. Hij overleed in 1874 zonder zijn droom, zich te laten cremeren, waar te kunnen maken maar liet genoeg geld na om een crematorium te bouwen. Die bouw werd beëindigd in 1876 en Keller was de eerste om hier gecremeerd te worden.
Fedeli Sala heeft vrijmetselaarsymbolen op zijn graf. Albert Ascari  (1888-1925) en zijn zoon Antonio Ascari (1918-1955) waren autocoureurs. Zij verloren beiden het leven in een ongeval. Antonio bij de Grand Prix van Monthéry in Frankrijk en Alberto bij een testrit in Monza. Alberto was wereldkampioen Formule I in 1952 en 1953. Körner  kreeg het beeld “liefde in smart” van beeldhouwer Adolfo Wildt op zijn laatste rustplaats. Antonio Bernocchi  was senator en stichter van een van de grootste en modernste katoenspinnerijen. In de onmiddellijke omgeving de graven voor zijn broers Michele Bernocchi en Andrea Bernocchi. Dina Galli  was toneelspeelster. Gaetano Molteni kreeg het beeld “de tijd” van beeldhouwer Alfonso Mazzucchelli op zijn graf. Angelo Motta , eigenaar van een zoetwarenfabriek kreeg een monument van beeldhouwer Giacomo Manzu, ook bekend in Middelheim. De beelden stellen de geseling, de heilige Ambrosius, de heilige Karel, de moeder van de Smarten, het oordeel van Salomon en David voor. 
. Op het graf Castellotti een mooie samenwerking tussen architect Renzo Zavanella en beeldhouwer Lucio Fontana. Giovan Battista Pirelli, fabrikant van autobanden. Bij de mannen bekend van de mooie artikels in de Pirellikalenders. Het graf voor Davide Campari (1867-1936) zoon van de stichter van Campari in 1861, is dé topper van deze begraafplaats. Het beeld “het laatste avondmaal” is van de hand van Giannino Castiglioni. Onze gids Carla de Bernardi kon het verhaal dat ik altijd voor waar had aanzien namelijk dat Campari zich liet zich voorstellen te midden van zijn Raad van Beheer met op de plaats van de apostel Judas Iskarioth zijn grote concurrent Martini niet bevestigen. Wat ze wel wist te vertellen is dat Judas de enige apostel is die zijn handen niet op de tafel heeft omdat hij de beurs met de dertig zilverlingen in zijn hand heeft. Achter de hoek troffen we een tweede “laatste avondmaal” aan op het graf Tirelli. Eén van de grootste grafmonumenten is voor Ferdinando Bocconi , stichter van een herenkledingszaak de voorloper van “La Rinascente”. Hij was eveneens stichter van de Milanese Handelsuniversiteit die hij noemt naar zijn broer Luigi Bocconi (+1892) gesneuveld tijdens de Ethiopische oorlog in Adua. Eindigen deed Carla de Bernardi in de galerij met de prachtige marmergroep “de afscheidskus” van beeldhouwer Emilio Quadrelli op het graf voor Volonté Vezzoli . Architect Giuseppe Sommaruga  kreeg een prachtig art-nouveaumonument. Hiermee eindigde een felgesmaakte rondleiding door Carla de Bernardi. Na afloop konden we nog wat boeken aanschaffen waarbij een deel van de opbrengst naar de “vrienden van de Monumentale” ging. Carla de Bernardi reserveerde voor onze groep in Grani & Carne, op de hoek van de via Farini en de via G. Ferrari. 
Zeer goed gegeten en we gaven het kaartje dat we hadden meegekregen van Carla. Daardoor kreeg haar vereniging een percent van de door ons betaalde som. Na afloop verlieten An & Dirk en MC & Edgard ons en besloten Jef, Jenny & Jos en mezelf de begraafplaats verder te gaan verkennen. De anderen gingen Milaan verkennen met een trammetje dat alle bezienswaardigheden aandeed. Pech: de tram bleek al twee jaar afgeschaft te zijn. 
Ik vatte mijn namiddagverkenning van de Monumentale aan met een bezoek aan de Joodse afdeling van de begraafplaats. Giuseppe Levi , weldoener, kreeg een monument in Carraramarmer. Giuseppe Treves  en zijn broer Emilio Treves waren uitgevers. Beeldhouwer Ettore Ximenes beeldde taferelen uit leven van de broers uit omringd door vrienden, intellectuelen en schilders. Een groot monument voor Beniamino Vitali . Op het graf Beniamino Foa  biedt de dochter van de overledene bloemen aan haar vader aan, terwijl Davide Foa  een putti heeft die de naam van de overledene tekent. Federico Jarach  was industrieel, actief in de mechanica. Goldfinger  kreeg een groot monument terwijl Nino Colombo  het met een moderner graf moet doen. Alba De Daninos  en haar broer Arnaldo kregen een voorstelling van de vereniging van de zielen van broer en zuster na de dood. 
Vandaar ging ik nog eens langs de galerijen. Bernardi  kreeg het werk “industrie” op zijn laatste rustplaats. Vernetti  ligt onder een monument dat hier “Liberty-stijl” genoemd wordt. Guilio Sarti  was spoorwegingenieur. Giovanni Maccia was stichter van een huis voor arme moeders en baby’s. Op het graf voor Pietro Volpi werden de burgerlijke deugden van de overledene uitgebeeld. Vandaar naar het niet-katholieke gedeelte. Alberto Keller  was protestant, afkomstig uit Zurich en zijdefabrikant. Eberhard was een Zwitsers protestant, uurwerkmaker. Het werk “enigma”, met het hoofd van een sfinx siert zijn graf
Op de terrassen enkele mooie beelden. Bij Gustavo Modiano zag ik het beeld van vader die gestorven is en gevolgd wordt door de figuur van de moeder. Een realistisch beeld op het graf Omodeo . Francesco Lucca  was muziekuitgever die zich specialiseerde in Wagnermuziek. Vier engeltjes: studie, compositie, muziek en dankbaarheid van de hand van beeldhouwer Giovanni Strazza. Umberto Fabé  was piloot. Hij kwam om op 23 jarige leeftijd. Inscriptie “hij zinkt niet weg, maar vliegt, hij valt niet, maar verheft zich”. Giacomo Toresani  was eigenaar van een machinefabriek voor deegwaren. Gandini) schonk heel zijn bezit aan het ziekenhuis. De vogel die het dak onderbreekt wordt als symbool van de opstanding gezien. Ricardo Galli was schilder, illustrator en dichter.
 
Jacques Buermans

Voor wie maar niet genoeg krijgt van de “Monumentale”

Zes moedigen (Agnes, Ria, Rina, Jef & Lucienne en mezelf) stapten zondagmorgen op de tram, terug naar de Monumentale. Daar ging iedereen zijn eigen weg. Ik zag nog een aantal juweeltjes waar ik gisteren niet aan toekwam. Scheikundige Carlo Erba bezit het grootste monument van de begraafplaats (7 meter op 7). Architecten waren Angelo Savoldi en Giovanni Battista Borsani. Ook niet van de kleinsten: de laatste rustplaats voor architect Enrico Brambilla). Een heel andere stijl voor Gaetano Perelli . Zaira Briviokreeg een beeld van Alfredo Sassi. Bonell kreeg een groep “vreugde en smart” of “afscheidskus” van de hand van beeldhouwer Michele Vedani terwijl Dall’ Ovo  een “drieluik” kreeg met in het midden “meditatie over het raadsel van de dood”, links “stil verdriet” en rechts “het lijden” van beeldhouwer Luigi Secchi. Industrieel Pasquale Crespi laat dit monument oprichten voor zijn echtgenote Paolini Sioli.
Ulisse Merini  liet zijn vermogen na aan een verpleegstersschool en een hospitaal. Giorgio Enrico Falck  was een industrieel die zich gespecialiseerd had in ijzer en staal. Een obelisk van liefst 19 meter hoog met op de voorzijde “de Piëta met de engel van de verkondiging”. “Collega” Federico Izar, industrieel in ijzerwaren, stierf op 39 jarige leeftijd. Ook twee van zijn kinderen stierven vroeg. Romolo Squadrelli was architect en hij ontwierp zelf zijn laatste rustplaats. Brambilla  was een familie met een minister en een kunstverzamelaar in de rangen. Architect was niemand minder dan Carlo Maciachini, beeldhouwer was Pietro Magni. Achille Pinardi was aannemer. 
Mario Palanti  was architect en hij ontwierp ook zelf zijn laatste rustplaats. In 1943 was dit een schuilplaats voor luchtafweer. Vanaf 1973 werd dit het mausoleum voor vooraanstaande burgers. Onder de namen Hermann Einstein, vader van Albert Einstein. Ercole Rossi was rechter. Het monument stond oorspronkelijk op het graf van Giulio Rossi (1824-1884), fotograaf. Het is het beeld “ de tijd” van de hand van beeldhouwer Antonio Bezzola. Archeoloog Franco Dompè di Mondarco . Binnenin een sarcofaag uit 300 na Christus. Aan de buitenzijde de muze Urania met zittende man en een muze met citerspeelster. Gaetano Casati was dokter. Hij liet zijn vermogen na aan het blindeninstituut. Op het monument vier vrouwen “geloof”, “hoop”, “naastenliefde” en “dankbaarheid”. Vogel  kreeg een piramide op zijn laatste rustplaats. Leopoldo Pierd’Houy , edelman, liet dit graf oprichten voor zijn echtgenote Felicita Merini. De bronzen engel en de reliëfs stammen van een vorig graf. Foggi overleed tijdens het bergbeklimmen.
Ik ben geen fan van het grafmonument voor Paolo Chinelli) maar dit is een kwestie van smaak. Giovanni Battista Croci was aannemer en gespecialiseerd in staalbeton. Het beeld van een, in de armen van een hulpverlenende vrouw, vallende levenloze vrouw (de vrouw van de ondernemer werd door een gek vergiftigd) is van architect Alfonso Volpi en beeldhouwer Alfonso Mazzuchelli. Lorenzo Sigurta , luitenant en doctor in de rechtswetenschappen en de filosofie kwam op 24 jarige leeftijd in 1917 om het leven bij de slag van Monte Grappa. Hier een beeld van de stervende op de Italiaanse vlag die door “Gloria” gekust wordt. Een graf uit 1989 voor Mattioli . Giuseppe Broglia  was ingenieur en weldoener. Het beeld stelt “Christus en de mensheid” voor. 
Het graf Bandellibehoorde eerder toe aan de familie Garovaglio. Een jugendstilmonument, hier “liberty-stijl” genoemd op de laatste rustplaats Orrigi). Biraghi  was een tragische familiegeschiedenis: in 1907 verloren ze hun enige dochter, acht jaar oud en in 1909 stierf ook de jonge moeder. Een art decomonument in Egyptische stijl voor Guglieglmo Imperiali . De architect was Aldo Scala. Carlo Maciachini was dan weer de architect voor het monument Calegari . Op het graf Del Duca  zien we “De parabel van de verloren zoon bij het afscheid van de moeder en bij de terugkeer bij de vader” van beeldhouwer Francesco Messina. Dezelfde beeldhouwer maakte ook voor een ander lid van de Del Ducafamilie een monument op de begraafplaats Père Lachaise. Giuseppe Cella was industrieel. De bekende beeldhouwer Giacomo Manzu vervaardigde een reliëf met een ark en een tweede met de kruisiging. De bouw van het graf duurde erg lang door de oorlog en door onenigheid over de beide reliëfs. Op het graf Borghi het beeld “de tijd” van de hand van Enrico Butti. Een pracht van een piramide met vooraan twee marmeren beelden van de hand van Giulio Monteverde, die we nog veelvuldig zullen tegenkomen op Staglieno in Genua, op het graf Bruni . Een marinier houd de wacht bij het graf voor Carlo Mirabello . Hiermee zat, voor wat mij betreft, het bezoek aan de Monumentale van Milaan er op.
In de volgende Nieuwsbrief, verschijnt eind september, komt een verslag aan Staglieno, Genua.
 
Jacques Buermans.

Milaan : Guiseppe Verdi Een kleine Vlaamse ontmoet een grote Italiaanse meneer


Wanneer een mens drie dagen lang uit volle boezem (sic) “Va, pensiero” het slavenkoor uit Nabucco loopt te kwelen, dan komen daar gegarandeerd brokken van. Voor deze mens kan maar één drastische remedie verlichting bieden: een bezoek aan het graf van de maestro zelf.
Noch vader-herbergier Carlo, noch moeder-zijdespinster Luisa Ottini, kortom niemand in Le Roncole kon op die fameuze tiende oktober 1813 vermoeden dat één van Italië’s meest geliefde componisten zijn blijde intrede op aarde deed. De boreling leek meer in de wieg gelegd om in Busseto, bij de jezuïeten een priesteropleiding te volgen. Op tienjarige leeftijd tokkelde de kleine Giuseppe al lustig op het orgel van Le Roncole en in 1824 werd hij effectief naar Busseto gestuurd waar zijn muzikaal talent blijkbaar ontdekt wordt. Achttien lentes jong vinden we hem terug in het conservatorium van Milaan, de rest van dit verhaal staat in de annalen van de muziekgeschiedenis geboekstaafd.
In 1836 huwde onze componist Margherita Barezzi, dochter van zijn weldoener en beschermheer. De kinderwens was er maar de kleine Verdi’s stierven één na één en in 1840 maaide de man met de zeis ook zijn Margherita neer.
Wanneer Nabucco in première gaat, vertolkt de sopraan Giuseppina Strepponi ( 8 september 1815-14 november 1897) de rol van Abigail. Zij werd zijn muze. Pas na 12 jaar ongehuwd samenwonen, gaf ze hem officieel haar jawoord.
Eind januari 1901 werd Verdi getroffen door een beroerte, de maestro lag op sterven. Uit respect en om de man niet te storen bedekte men de straten nabij het sterfhuis met stro. Op 27 januari 1901 sterft hij.
Verdi wenste een sobere, stille begrafenis zonder muziek, toespraken of enige andere poespas, liefst kort na de dageraad of juist voor zonsondergang. Een nooit geziene massa begeleidde hem op zijn voorlaatste reis, richting Cimitero Monumentale. Men hoort een muis lopen.
Na één maand brengt men hem over naar zijn definitieve rustplaats, het “Casa di riposo per musici” waar de crypte en het mausoleum versierd werden met mozaïeken van Lodovico Poghliaghi. Ook Giuseppina Strepponi werd hier bijgezet. Bij de herbegrafenis is het eerbetoon opnieuw massaal maar deze keer is het niet stil. Uit tienduizenden kelen klinkt het Slavenkoor. Had ik toen geleefd en was ik toen in Milaan geweest, ik stond tussen het volk: “Va, pensiero”.
An Hernalsteen
 

Cimetière des fous


Cadillac

 
Cadillac is een gemeente in het Franse departement Gironde, zo’n 40 km ten zuidoosten van Bordeaux. Bij een kleine wijnboer in de buurt van Cadillac proberen we jaarlijks een weekje te verblijven, het zijn vrienden geworden. De man sprak mij dit jaar over hun ‘Cimetière des fous.’
 
Het is een zeer desolate begraafplaats, grenzend aan de lokale psychiatrische instelling en aan de gewone begraafplaats. Vrijwel alle graven van de ‘Cimetière des fous’ dragen een zeer eenvoudig en verroest ijzeren kruis. Ik telde ongeveer 950 graven waarvan er een 150-tal geen naam meer dragen. Begroeiing is hier schaars, het zijn vooral de keien die opvallen. Op slechts enkele graven staat een bloemetje, meestal in plastic.   
Aan de muur hangt de ‘Stèle à la mémoire des anciens combattants 1914-18, mutilés du cerveau.’  Op dit perk liggen 98 doorgaans anonieme soldaten uit WOI begraven, mensen die door de oorlog mentaal zijn geraakt en hier een laatste rustplaats kregen. Eén van hen is een vrouw. 

Grimbergen

In Grimbergen, de gemeente waar ik woon, is ook een psychiatrische instelling. Het bezoek aan de begraafplaats in Cadillac had mij echt wel getroffen. Ik vroeg mij dan ook af hoe de begraafplaats van het Psychiatrisch Ziekenhuis Sint-Alexius in Grimbergen er zou uitzien.
 
Achter het centrum, met een heerlijk uitzicht over de velden en weilanden, vond ik de laatste rustplaats van de Broeders Alexianen. De Broeders Alexianen of Cellebroeders hun aandacht ging vanaf het begin van de 17de eeuw uit naar de zorg voor psychiatrische patiënten. In 1909 bouwden zij op de Kraaienberg in Grimbergen dit psychiatrisch ziekenhuis. In 1998 werd het overgedragen aan de Broeders van Liefde.
 
Rond een gedenksteen liggen twintig goed onderhouden graven 
Het eerste graf dateert van 1921 (Eerwaarde Broeder Alexius Van Der Auwera,) het laatste van 2001 (Eerwaarde Broeder Jozef Brockmans.) Een van de twintig lijkt geen geestelijke te zijn. Graven van patiënten zijn er niet. Deze eenvoudige begraafplaats is een oase van rust, een met een sierlijk ijzeren hekwerk afgesloten plaats die op een eenvoudige manier broeders eert die hier hun leven lang patiënten hebben verzorgd. Het verschil met Cadillac kan niet groter zijn.
 
De foto’s werden in mei 2015 genomen.
 
Tekst en foto’s: Frans Van Humbeek  

Naar Wiesbaden met de Terebinth Jacques en Lin op stap met Terebinth


Vanuit Eindhoven vertrok op woensdag 20 Mei een 37-tallig gezelschap van de Terebinth richting Wiesbaden voor een tweedaagse trip zoals steeds keurig georganiseerd door Rindert Brouwer en Jeannette Goudsmit. In het gezelschap een tiental leden van vzw Grafzerkje, buiten Lin en mezelf allemaal Nederlandse leden. Na dik vijf uur rijden stonden we aan de voet van de Neroberg. Met een waterballasttreintje, een systeem dat niet aangedreven wordt door elektriciteit maar door water, naar boven. 
Aan het monopteros , een rond gebouw met koepelvormig dak, hadden we een prachtig zicht  op de stad Wiesbaden beneden ons. Vandaar naar de Russisch-Orthodoxe kerk : een juweeltje. Adolf Wilhelm von Nassau-Weilburg, hertog van Nassau en groothertog van Luxemburg, huwde in 1844 in Sint Petersburg met grootvorstin Elisabeth Michailowna Romanov. Ze kregen een dochter die bij haar geboorte, op 27 januari 1845, overleed. Elisabeth stierf een dag later, amper 18 jaar oud. Adolf besteedde het geld van de bruidsschat voor de bouw van een grafkerk. Architect was Philipp Hoffmann. De kerk werd ingewijd in 1855 en kort daarop werden de stoffelijke resten van de grootvorstin en haar kind hier bijgezet in een sarcofaag van Carraramarmer vervaardigd door beeldhouwer Emil Hopfgarten. August Hopfgarten ontwierp de fresco’s en de koepel . Toen president Poetin en ex-president Gorbatschov in 2007 Wiesbaden bezochten werden de gouden koepels opnieuw verguld voor liefst € 663 000.
Vlakbij de kleine Russisch-Orthodoxe begraafplaats. De begraafplaats werd ingewijd in 1856. Ze voorzag in de behoefte omdat overbrengen van Russische gelovigen naar Rusland een kostbare zaak was. In het midden een prachtige grafkapel  een ontwerp van Philipp Hoffmann.  August Grimm was leraar Latijn en Grieks in Sint Petersburg. Het monument is in Carraramarmer. Graaf Karl von der Osten  was militair en gouverneur in Charkow. Magnus von Grotenhelm  vocht onder andere met het Russisch leger tegen Napoleon. Beeldhouwer was Jakob Meuldermanns. Van dezelfde beeldhouwer vinden we een zwevende engel op het graf voor Nataljia Kamm . Het krioelt hier van de Orthodoxe kruisen waaronder zelfs een houten exemplaar . Een levensgrote Moeder Gods op het graf Warwara Petrowna . Ze was drie maal gehuwd en werd driemaal weduwe. Konstantin Dieterichs  was militair. Ook hier was de beeldhouwer Jakob Meuldermanns. Een kruis op een rotsachtige bergop, verwijzend naar het kruis van Golgotha, op het graf voor Maria Petrowna . Een sarcofaag met Russisch-Orthodox kruis voor Elisaweta Golizyna. Vorst Pjotr Repnin  werd één dag na de inwijding van de begraafplaats hier begraven. Baron von der Osten (1795-1878) liet dit grafmonument, ook van Jakob Meuldermanns, vervaardigen in 1871. Nog tijdens zijn leven dus. Alexej von Jawiensky  was een gerenommeerd expressionistisch schilder. Nikolai Karnejew stierf op 31-jarige leeftijd. Zijn ouders lieten het monument oprichten. Een pleurante op de laatste rustplaats voor Woldemar von Haehne . Georgij en Olga Jurjewskaya waren twee kinderen van tsaar Alexander II uit diens morganatisch huwelijk, dit is een huwelijk beneden zijn stand. Metropoliet Seraphim was geestelijke. Tot slot zagen we de laatste rustplaats voor Archibald McLean  was een Schot die in dienst trad van Rusland.

-

Vandaar trokken we naar de ‘oude begraafplaats’. In 1934 werd besloten om de begraafplaats om te vormen tot een park, aanvankelijk zonder het bestaande karakter te verstoren. In 1972 kwam er een drastischer aanpak: het werd een vrijetijdspark met speeltuin. In 2010 werden een barbecueruimte, voetbalveldje en klimmuur toegevoegd. Het gevolg laat zich raden. Geen enkel monument is nog intact en overal graffiti. Een begraafplaats onwaardig! Van het gedenkteken voor de gesneuvelden uit de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 zijn de bronzen adelaar en een aantal naamplaten verdwenen. Burgemeester Wilhelm Lanz overleed bij een dodelijke trap van een paard toen hij een vrouw wilde helpen die onder een rijtuig terecht was gekomen. Hier is het smeedijzeren hek verdwenen. Hetzelfde gebeurde bij het graf van zijdefabrikant Simons . Een monument uit zwart graniet voor het schrijversechtpaar Adolphe Stahr en Fanny Lewald. Deze laatste wordt gezien als de voorloopster van de moderne roman. Militaire symboliek op het graf voor Georg Baring die tegen de Fransen vocht in de slag bij Waterloo. Hier sneuvelde het portret. Hier ligt de architect van de eerder bezochte Russisch-orthodoxe kerk op de Neroberg: Philipp Hoffmann. Carl Scheffel ligt onder een pleurante in Jugendstilstijl. Chemicus Carl Fresenius kreeg een nieuw borstbeeld. Het grootste monument is het mausoleum voor Pauline von Württemberg haar zoon Nikolaus Wilhelm en diens echtgenote Natalya Poesjkin, een dochter van de beroemde Russische dichter Alexander Poesjkin. Zij wenste te midden van de burgers van Wiesbaden begraven te worden in plaats van in het familiegraf. Hiermee kwam een einde aan de eerste dag die eindigde op een begraafplaats de naam onwaardig.     
De voormiddag van dag twee werd besteed aan het Nordfriedhof. De begraafplaats bestaat sinds 1877. Hoewel, iedereen weet dit stilaan wel, ik geen liefhebber van ‘groen’ ben kon ik het hier wel smaken. In de eerste plaats omdat de begraafplaats perfect onderhouden was en ook omdat hier een aantal bomen en struiken stonden die kleur gaven aan de begraafplaats: rododendrons, gouden regen en dies meer. Wat hier ook blijkbaar een succesverhaal is: “grabmalpatenschaft”, wat wij bruikleen noemen. De bruiklener is verantwoordelijk voor onderhoud en restauratie. Hij is ook verplicht om de originele namen te behouden. Soms wordt de originele tekstplaat omgedraaid zodat je soms op oude grafmonumenten recente data ziet. De wandeling startte al bij twee zulke adoptiegraven. Wilhelm Leroy  was de originele bewoner. Een bronzen reliëf kan gezien worden als symbool van het geloof. Een pleurante uit Carraramarmer staat op het graf Peipers , nu Ingrid Hohendahl-Plonze. Emilie Schlaffhorst haar laatste rustplaats kreeg de titel “Des Vaters Trost”. Een monument in Jugendstil voor Johann Faber. De scheepsattributen symboliseren het levenseinde en de hoop op een beter leven. Twee beeldhouwers kregen grafmonumenten in een zeer uiteenlopende stijl. Carl Jung kreeg een sarcofaag in renaissancestijl uitgevoerd door zijn medewerker Max Müller. ‘Collega’ beeldhouwer Franz Grünthaler en zijn echtgenote liggen onder een stèle van zwart graniet met een bronzen medaillon vervaardigd door hun zoon Nikolaus. Franz Abt was componist en kreeg een eregraf van de stad Wiesbaden zoals ook Ferdinand Möhring  componist, dirigent en organist. Een engel met roos en palmtak voor Lauritz Frederichsen .
Werk van beeldhouwer Jakob Meuldermanns kwamen we al tegen op de Russisch-Orthodoxe begraafplaats. Op zijn graf een beeld gemaakt door hemzelf voor zijn echtgenote Pauline. Op het graf voor Dora Jwanowsky  zit een bronzen fluitspeler. Heinrich von Herzogenbergwas componist met veel werk in de stijl van Bach en Brahms. John Eric Banck  was een Nederlands jurist en dichter. Tussen 1858 en 1893 was hij eigenaar van Schiermonnikoog. De familie Haeffner was dan weer eigenaar van het Grand Hotel Rose in Wiesbaden. Het columbarium dateert uit 1902. In de vensters staan nog enkele urnen uit de beginperiode. Vlakbij kon ik nog even een blik werpen op de Joodse begraafplaats . Marie John ligt onder een poortvormige architectuur met twee vrouwelijke figuren als tegenpolen: links verdriet, rechts vertrouwen in het eeuwige leven. Uit de rododendrons komt een vrouwenfiguur uit brons tevoorschijn. Het is bestemd als grafmonument voor August Spiess .Edgar Auer von Herrenkirchen was van adel en liet in een burchtachtige architectuur een ridderfiguur neerzetten. Een zeshoekige kapel voor Theodosia Jurenka.
Een cenotaaf ter ere van Friedrich König bestaat uit een enorme wand met in een nis een sarcofaag met in hoogreliëf mannelijke figuren als wachters. Zijn lichaam werd in 1947 overgebracht naar Heidelberg. Op de sarcofaag zelf een stoet van naakte mensen naar het onvermijdelijke einde. Fritz Jonas  sneuvelde in Wereldoorlog I. Op het monument de namen van hen die hier samen met hem zijn begraven. Een bijzonder monument: een halfronde bank met ervoor een ronde bloembak kreeg koopman Clifford Callwood . Een mannelijke figuur, een zittende pelgrim, op de laatste rustplaats voor Franz Uthmann. Beeldhouwer Fritz Jung kreeg een bezinnende vrouwenfiguur op het graf. Eugen Suhr  werd slechts 20 jaar oud. Vandaar de figuren van een man en een vrouw die verschrikt omhoogkijkt met afgebroken tak als symbool van het vroeg afgebroken leven. Otto Kreizner  ligt in een neogotische kapel met een prachtig portaal. Neoclassicistisch is dan weer het monument voor jurist Heinrich Heintzmann .
Een opvallend monument in rode zandsteen voor Felix en Elise Braidt . Een adoptiegraf was oorspronkelijk bestemd voor arts Louis Hassel  en wordt nu ingenomen door apotheker Kurt Stetttner. Het blijft dan toch in dezelfde beroepsfamilie. Harry Goedecker overleed amper vijftien jaar oud. De deur op een kier nodigt de overledene uit om het rijk van de levenden te verlaten en toe te treden tot het dodenrijk. De figuur links is de genius van de dood en rechts zien we de jonggestorven Harry. Een obelisk met de doodsengel staat op het graf voor industrieel Sigmund Schukert , stichter van een elektriciteitsbedrijf. Een pleurante op de laatste rustplaats voor John Goldenberg . Op het eind van mijn wandeling kon ik nog twee adoptiegraven bewonderen. Het graf dat nu toebehoort aan de familie Gerlach , maar eerder toebehoorde aan Albertine Emmerich. Een prachtcombinatie van zwarte graniet met witte marmer. In 2000 nam Maria Röser-Wenderoth de concessie van Fritz Baum  over. Een mooie pleurante in Carraramarmer is een goede keuze zou ik zeggen. Een mooi contrast: de rode achtergrond met vooraan naast een afbeelding van militair Erich Stenger  een reliëf met het verhaal van Phaëton, de zoon van de zonnegod Helios, die ondanks de waarschuwing van zijn vader de zonnewagen besteeg en neerstortte. Het mooiste behield ik voor het laatst: het grafmonument voor Eduard Bartling , bouwondernemer en politicus. Bartling liet dit monument al tijdens zijn leven maken door beeldhouwer Ernst Herter. De beeldengroep vooraan is een afscheidsscène: De Dood heft zijn uurglas ten teken dat de tijd gekomen is met een man die verbaasd naar de zandloper kijkt en een vrouw die hem probeert vast te houden. Dit was dan, voor wat mij betreft, de afscheidsscène voor het prachtige Nordfriedhof.
Op onze terugweg deden we, na een lange omweg (Nederlanders zeggen dan “we wilden jullie het landschap eens tonen”, Oppenheim aan. Na een hele klim bereikten we de Katharinenkirche met in de Michaelskapelle het Beinhaus , het knekelhuis. Van achter een traliewerk konden we schedels en dijbeenderen bewonderen. Waarom die tralies er zijn is mij een raadsel. Misschien is het om te vermijden dat, bij het Laatste Oordeel, al die botjes hun weg zouden vinden naar de talrijke eetgelegenheden in de buurt?
Conclusie: we zaten heel lang in de bus maar ik onthoud toch enkele pareltjes van begraafplaatsen die we konden bezoeken dankzij de, alweer, prima organisatie van Rindert Brouwer en Jeannette Goudsmit. 
 
Jacques Buermans
 
Met dank aan Rindert Brouwer en Jeannette Goudsmit omdat ik ruimschoots gebruik maakte van hun reisgids “Kein Leben ohne Tod”.     
 
Foto’s: Christine Sanberg en Jacques Buermans.                             
 

Rondleiding De Panne An schrijft...


.
Wij zijn solidair met Dirk en wachten - op het verslag van An; een verslag dat door omstandigheden een beetje vertraging heeft. Maar niet getreurd: het verschijnt in de volgende Nieuwsbrief!

Leen

Week van de Begraafplaatsen


Izegem : Tom Colpaert getuigt

Onder de deskundige leiding van gids Koenraad Vandommele werden de bezoekers op de oude begraafplaats gelegen langs de Roeselaarsestraat / Nederweg ingeleid in de wereld van de overleden Izegemse industriëlen.
De wandeling duurde 2 uren en kon de deelnemers van begin tot eind boeien. 

Het stadsbestuur wil langs deze weg Koenraad bedanken!

Tom Colpaert.

Sint Amandsberg - Campo Santo : Anne-Flor Van Menen was daar met An

Week van de begraafplaatsen in Gent, dan kun je niet om een bepaald monument heen: An Hernalsteen. Maar dat is eerder een plus dan een min. En ook al is dezelfde rondleiding met haar toch altijd anders (volgens de vragen van de bezoekers of haar eigen ontdekkingen in een of ander archief), er staat elk jaar wel weer iets nieuws op het programma. Deze keer o.a. (hoe kan het ook anders) een WO I-wandeling. Post gevat aan het Campo Santo van Sint-Amandsberg dat, zo heeft ze weer omstandig beargumenteerd, eigenlijk helemaal niet die naam waardig is. Een écht Campo Santo-ontwerp was er voor die andere Gentse uithoek: Mariakerke, hoewel het ook daar nooit volledig uitgevoerd werd. De begraafplaats van Sint-Amandsberg dankt haar naam simpelweg aan een dergelijke benoeming tijdens een grafrede voor Jan Frans Willems (ja ja, de échte). De media pikte het later op en welja, de kracht van de media is geen nieuwigheid. Stilaan werd de begraafplaats tot Campo Santo omgedoopt en vandaag kennen we haar nog steeds onder die benaming…
Omdat het té toepasselijk is om er niet bij stil te staan, trekken we eerst naar een gedenkplaat op een muur vlakbij de ingangspoort van de begraafplaats. Exact 100 jaar geleden, tijdens de nacht van 6 op 7 juni 1915, werd daar de zeppelin LZ37 uit de lucht gehaald door de Brit Warneford. De Duitse doden rusten op een andere begraafplaats, de Wester. Voer voor een andere wandeling, die eveneens kan gevolgd worden. Een van de burgerslachtoffers bij ons, Odile Maes van slechts 9 lentes oud, zal het eindpunt zijn van deze wandeling, waarmee de cirkel rond is.
Tijdens deze cirkel natuurlijk veel meer smeuïge, tragische en boeiende verhalen op de graslanden van deze mooie, groene necropool. Het ereperk is er bijzonder klein en wat armtierig, maar we staan er toch uitgebreid bij stil. Evenveel oorlogsslachtoffers, of –helden zo je wil, vinden we echter in familiekelders en afzonderlijke graven. Iets om waakzaam over te zijn, zo bezweert ons An, want hun concessies worden niet zonder meer bewaard, zoals dat wel het geval is voor graven op een ereperk. Maar ze verdienen toch dezelfde behandeling? Dus alle hens aan dek om deze graven eruit te halen en te laten beschermen, eerlijk is eerlijk. 
Tijdens de wandeling wordt pijnlijk duidelijk hoe moeilijk het is om een correcte administratie bij te houden van zo’n omvangrijke ramp als een wereldoorlog. Op graven vallen soms foute data of foute sterfplaatsen te lezen. Super-An wil ze natuurlijk allemaal uitpluizen en nagaan. Geen fouten in haar informatie!  Wat ook opvalt is hoeveel knapen een ‘kogel in de borst’ of ‘in het hart’ kregen. We maakten ons de bedenking: akkoord, de familie vertellen dat ze aan flarden geschoten waren of uren hebben liggen uitbranden ten gevolge van fosfor, is niet sympathiek en misschien zelfs niet raadzaam. Maar dat er zoveel gracieus en snel overleden zijn aan een kogel in het hart? Tja, … oorlog is natuurlijk ook een verbloemingsindustrie zeker…?
De meeste oorlogsgraven die we bezoeken zijn uiteraard graven van personen die elders ontgraven zijn en werden overgebracht. Dit op vraag van de familie en op kosten van de staat, want dat is natuurlijk wel een kostelijke zaak die zeker niet elke familie zou kunnen bekostigen. Maar blijkbaar was er toch diep begrip voor het leed van getroffen families en bereidwilligheid om de dode terug ‘thuis’ te brengen. Een pleister op de wonde.
Soms werd zo’n dode zelfs al eens ‘geadopteerd’ door een welstellende familie, wat inhoudt dat hij een plekje kreeg in hun familiekelder ook al hoorde hij daar niet. Of betaalde iets verdere familie het graf, zoals het geval was bij een Amerikaanse Vlaming ‘John Bekaert’. Hij moet ooit zijn geluk gaan beproeven zijn aan de overkant van de plas, en keerde terug om ‘poor little Belgium’ bij te staan in moeilijke tijden. Verder dan Frankrijk is hij echter nooit gekomen. Familie van hem (oom/tante) schonk hem een grafplaats op Campo Santo, hoewel hij genaturaliseerd was tot Amerikaan en je dus zou verwachten dat hij naar daar zou overgebracht worden. Had hij er geen familie? Of zaten ze nog allemaal hier, mogelijk met de bedoeling hem te volgen als hij voldoende gespaard en vergaard had? Graven en mysteries, ze gaan hand in hand… 
We ontmoeten ook nog een graf van een vermiste, die intussen letterlijk en figuurlijk boven water gekomen is. Soldaten werden doorgaans begraven in de buurt van waar ze sneuvelden. Maar als daarna de Ijzervlakte, een deel van het strijdtoneel, onder water werd gezet, verdwenen er dus ook enkele van die rustplaatsen…  Maar blijkbaar dus niet voor eeuwig, dat illustreert een graf van zo’n pechvogel, zijn familie bracht hem weer thuis. 
Kortom, zoals we verwacht hadden, was dit een wandeling vol interessante histories die makkelijk nog een paar uren langer had kunnen duren. De trieste verhalen dwongen vaak tot reflectie maar er is naar Hernalsteense traditie ook ruimte voor een zwart grapje af en toe.
Vermisten werden gevonden, opschriften gecorrigeerd, lijken begraven en herbegraven (en nog eens herbegraven), en tussendoor piepen we ook eens bij graven die de nieuwsgierigheid van velen prikkelden: Jan Hoet en Wilfried Martens. Voor elk wat wils dus.
 
Anne-Flor Van Meenen

Nieuwe rondleiding over architecten, bouwmeesters en steenkappers die terug te vinden zijn op Schoonselhof. Jacques probeert uit


Enkele weken tevoren vroeg onze voorzitter of ik tijd kon maken om mee te gaan om een nieuwe rondleiding uit te proberen. Om een lang verhaal kort te maken: hij had een groep geïnteresseerden die een rondleiding wilden over architecten. Aangezien die rondleiding nog niet bestond, moest ze gemaakt worden en dit was een eerste probeersel. Uiteindelijk werd het twee keer een halve rondleiding die, omdat hij toch niet alles nog eens kon vertellen wat ik al wist, nog eens over gedaan werd met Maria – ook lid van VZW Grafzerkje en een dagelijkse Schoonselhof bezoeker.
Nadien werd deze rondleiding al flink ingekort omdat ze veel te lang duurde als hij de hele uitleg moest doen. Vond ik spijtig want er was blijkbaar nog veel interessants te weten te komen op ons Schoonselhof.
Voor de officiële try-out spraken we af aan de hoofdingang met een dozijn uitgenodigde vrijwilligers. Daar kreeg ik al te horen van Jacques dat hij de rondleiding nog een keer flink ingekort had; we zouden starten bij Arthur Pierre. Ik begon mij al zorgen te maken over het feit of we wel nog iets zouden vernemen.
Mijn bezorgdheid was voor niets nodig. Bij Arthur Pierre gaf onze voorzitter een leerrijke uitleg over de man zijn werken en waar die allemaal te vinden zijn. Daarnaast werd een uitleg gegeven over peterschap. Dit kan volgens mij niet genoeg gepromoot worden. Het graf Lux werd toegeschreven aan Arthur Pierre waar Jacques vertelde dat Arthur Pierre zeker een bijdrage had aan het vervaardigen van het grafmonumenten maar dat het ontwerp ervan uit een catalogus kwam.
Volgende haltes: Jules Pecher (beeldhouwer en schilder), Jan Van Asperen (architect) en Hermanus Pierre-Pellens die onder een werk ligt van zijn broer Arthur Pierre.  Hier kwam een uitleg over peterschap met optie bruikleen. Ook een blijvend te promoten item.
We vervolgden onze weg langs Peter Benoit en bij het opgaan van perk Z1 stelde ik enkele nieuwe bronsdiefstallen vast – een plaag waar we op Schoonselhof sinds enkele weken mee te maken hebben. De uitleg en bijkomende illustratie hiervan kregen we bij het graf Osterrieth.
De eigenlijke rondleiding werd verder gezet en nog ingekort. Jacques raakte zelfs de illustratieve draad kwijt als de een deel van de documentatie door elkaar raakte. Ik was de Chinese vrijwilliger die alles terug op volgorde mocht steken, wat alleen al door de hoeveelheid foto’s, niet eenvoudig was en bijgevolg niet lukte. Op het kunstenaarsperk kregen we informatie bij het graf voor beeldhouwer Jozef Peters 
Onze voorzitter wist alles te vertellen over de symboliek.Wat verder het zelfportret voor Lode Eyckermans 
De naakte dame op de laatste rustplaats voor Leopold Van Esbroeck kan Jacques maar weinig bekoren. Op elke rondleiding hoor ik hem daar commentaar op geven over het feit dat dit mag meegenomen worden, maar dat niemand het wil meenemen
Op het eind van de wandeling gingen we nog naar de laatste rustplaats van een aantal bekende bouwmeesters zoals Walter Van Kuyck, Emiel Van Averbeke en Pierre Bruno Bourla. Toegegeven, het was met een beetje chaos en wat geklungel hier en daar, maar we hebben een zeer aangename, rijkelijk geïllustreerde en vooral leerrijke namiddag doorgebracht. Een echte aanrader voor iedereen. 
Verslagje: Leen Otte
Foto’s Jean Donny

Diefstallen plaag op Schoonselhof VZW Grafzerkje richt een bewakingsteam op


En de dieven … zij pikten voort. En de politie … die schreef een PV’ke:

Het was even schrikken die zaterdag. We schrijven zaterdag 18 april en ik had een rondleiding. Aan het monument voor Evert Larock gekomen wilde ik, zoals ik gewoonlijk deed, even steunen op het naastgelegen grafmonument De Vleeshouwer  om zo mijn uitleg over het monument Larock te doen. Ik schrok mij een hoedje: mijn steun en toeverlaat: de bronzen omrastering was gewoon afgezaagd en het instrument van de dader, een zaagje lag nog op de plek. 
Ik stak het weg in zakje dat ik ooit eens van de stad Antwerpen kreeg. Met de nodige notities en het bewijs, het zakje met het zaagje, trok ik de volgende maandag naar de politie van Wilrijk. Omdat ik een voorbeeldig burger ben en dus niet alle vijf voet met politie in aanmerking kom wist ik niet dat het politiekantoor sinds bijna een jaar elders in Wilrijk gevestigd was. Terug de wagen in en naar de nieuwe locatie gereden. In het politiekantoor werd ik direct als een verdachte behandeld. Ik moest mijn identiteitskaart afgeven en men vroeg “Voer wat ist?”. Het woord “diefstal” kenden ze maar “Schoonselhof” is een blanco vlek in het politiegeheugen. Bij de dienstdoende officier nog eens uitgelegd wat een begraafplaats, een grafmonument en een bronzen omrastering is. Tot slot haalde ik het ultieme bewijs, het zaagje boven. Sorry, het was de bedoeling dat ik het zaagje toonde maar … er zat een gat ik het Antwerps zakje en het zaagje was niet meer. Gewapend met een PV ging ik naar de begraafplaats waar ik dit meldde. Enkele dagen later was er een tweede omrastering verdwenen, vlak over het eerste monument, het graf Ceulemans.
Weer naar de politie gewapend met de vorige PV zodat ze die enkel dienden over te schrijven en enkel de naam en de datum te wijzigen. Mis poes: men begon volledig van vooraf aan.
 
Na mijn terugkomst van een trip met de leden naar Italië zag ik tijdens mijn eerstvolgende rondleiding dat er van meerdere monumenten omrasteringen verdwenen waren. De maandag daarop schoten Leen en ik in actie. We deden enkele van de historische perken aan en kwamen tot de slotsom dat er niet minder 15 grafmonumenten beschadigd waren. Onder meer de bronzen omrastering van het grafmonument voor de familie Osterrieth was verdwenen. 
Tijd om het afdelingshoofd van de begraafplaatsen in te lichten. Deze ondernam de nodige stappen, twee commissarissen werden gebriefd en er werd gemaild “Wat dat oplevert is niet duidelijk”. Volgens mij is het zo klaar als een klontje: NIETS! Op 6 juni was het totaal al opgelopen tot 29 diefstallen door ons vastgesteld en steeds keurig gemeld aan de administratie. Onder die monumenten de laatste rustplaats voor Max Elskamp , letterkundige en stichter van het Museum voor Volkskunde. De dieven waren nog eens langsgeweest bij Osterrieth en namen het anderhalve meter hoge kruis mee. Voor het eerst waren ze ook buiten de historische perken gegaan want de bronzen omrastering en dito vaas van Gallo Galli , consul-generaal van Italië werd ook meegenomen. 
Tijd voor een tweede schrijven naar de verantwoordelijken. Na het overleg werd aan de pers meegedeeld dat men de bronzen ornamenten met een spray ging spuiten zo dat men ten allen tijde kon achterhalen of ze van Schoonselhof afkomstig waren. Dit kan een heel lovenswaardig initiatief zijn maar ik heb geen boodschap aan het feit dat men kan achterhalen waar de gestolen dingen, als ze al ooit opduiken, vandaan kwamen. Men moet verdorie verhinderen dat ze gepikt worden. En dat is geen taak van de mensen van de begraafplaatsen dat is de taak van politie. Een “PV’ke opmaken” kan zelfs het kleinste kind en dat is dan misschien nog een belediging aan het adres van dit kleinste kind. Ze moeten eens uit hun luie zetel komen en actie ondernemen. O ja, er werd gezegd dat ze verhoogd toezicht gingen doen. Hopelijk doen ze dat niet op dezelfde wijze dan enkele jaren geleden toen ze met hun combi over de begraafplaats reden … met de sirene op! Op 15 juni zaten we aan 36 diefstallen op Schoonselhof. Leen en ik hadden intussen onze ronde gedaan en een 200 monumenten gefotografeerd zo dat we weten wat er eventueel gestolen werd.  
En de dag dat onze lijst bijna gefinaliseerd was kwam het bericht dat de dieven hun werkterrein hadden verplaatst naar de begraafplaats van Berchem. Na een eerste inspectieronde stond de teller al op 13. Onder de  slachtoffers: het grafmonument voor Ferdinand Coosemans , liberaal burgemeester van Berchem en provincieraadslid .Ik ben eens benieuwd wat de politie van Berchem gaat doen. Drie keer raden: “een PV’ke opmaken!
Donderdag 18 juni had ik een onderhoud met het afdelingshoofd van de begraafplaatsen. Die meent het echt goed maar wordt in het geheel niet gesteund door zijn hogere bazen, laat staan door de betrokken schepen. Zij betonen niet het minste interesse. Het is natuurlijk veel leuker om achter de Reuzen aan te zeulen dan belangstelling te betonen voor diefstallen die verschillende families treffen. Het afdelingshoofd vertelde me dat de politie verhoogd toezicht ging houden. Dat klopt: ze komen met de combi naar de begraafplaats om de PV’s op te maken en rijden dan weer naar buiten. Dàt is verhoogd toezicht. Ook hier blinken de oversten van die mensen uit in een gebrek aan interesse. Er werd door het afdelingshoofd beslist om verhoogd toezicht te doen op de begraafplaats met vrijwilligers tussen 16 en 18 uur. Een lovenswaardig initiatief ware het niet dat dit de taak niet is van de mensen van de begraafplaatsen of van vrijwilligers van vzw Grafzerkje. Dit zijn politietaken. Ons aller Leen nam het merendeel van die waakdiensten op zich en ik was er ook zo goed als elke keer bij. Bedoeling was om wagens te weren na 16 uur. Dan dien je mensen aan te spreken die in de vooravond even het hondje uitlaten of mensen die na de werkuren nog vlug een bezoek willen brengen aan een geliefde. En het meest absurde in heel het verhaal is dat verschillende poorten na 16 uur open blijven staan. Indien er een dienst is in het crematorium na 16 uur gaat die poort niet dicht voor 18 uur. Een andere poort dient opnieuw geprogrammeerd te worden want ze sluit nu om 20 uur. Ik noem dit dweilen met kraan open.
 
Op vrijdag 19 juni mocht ik opdraven voor een journalist van Gazet van Antwerpen. Heel geïnteresseerd werd er geluisterd en genoteerd met een twee bladzijden groot artikel tot gevolg. Prachtig ware het niet dat de journalist in het hem toegemeten bestek niet de tijd nam om een aantal dingen die ik aanhaalde te vermelden. Geen lovende woorden aan het adres van de mensen op het veld, de grafdelvers, hoveniers en administratieve mensen die met die diefstallen begaan zijn en hoe ook leden van vzw Grafzerkje, lees: Leen, zich daarvoor inzetten en meer dan een (graf)steentje bijdragen met ook zeker lof voor de bekommernissen van de verantwoordelijken van de begraafplaatsen. Zoals gezegd geen plaats voor het gebrek aan interesse van de Schepen voor Begraafplaatsen of leden van zijn kabinet. Idem voor de politie. Ook anderen kunnen een oogje in het zeil houden maar verzuimen dat: buurttoezichters. Die komen zich verwarmen in het kasteel, drinken de koffie van de begraafplaatsmensen op en verdwijnen dan, niet nadat ze enkele wandelaars een Gasboete gegeven hebben omdat de hond niet aan de leiband liep of omdat de eigenaar van de hond geen kakzakje bijheeft. Dat noem ik nu eens “heldendaden”. Sorry ik krijg daar diarree van. Hopelijk niet op de begraafplaats want ik heb geen kakzakje bij de hand. Zondag kwam het item op het VTM-nieuws. Veel aandacht voor de gestolen ornamenten maar de schepen werd ter plekke gebeld door de journalist maar reageerde heel kort “er is verhoogd politietoezicht!” Waar? Wanneer? Nog niets van gezien. Maandag besteedde Radio2 – Antwerpen de nodige aandacht. Hier kon ik, naast het aankaarten van de problemen, ook voor het eerst de verdiende lof toezwaaien over de inzet van de mensen op het veld: de grafdelvers, de hoveniers tot en met de administratiemensen en het afdelingshoofd en van enkele leden van vzw Grafzerkje die meer dan een oogje in het zeil houden.
 
Ten slotte is er nog de nonchalance van nabestaanden. De familie Brys  stelde vast dat de bronzen omrastering afgezaagd was, stapte naar de administratie om dit te melden en wanneer dan de bediende zei dat ze best aangifte van de diefstal deden bij de politie was de reactie “We doen dat niet, het haalt toch niets uit!”. Wel dat is een foute reactie. Zijdelings van dit feit stelde ik al in oktober 2014 vast dat de bronzen deur van het mausoleum Pecher door onze andere “vrienden”, de vandalen, ingestampt was. Ik meldde dit op 24 oktober 2014 aan de administratie en die ging de familie contacteren. Acht maanden later was er nog niets ondernomen door deze familie. In het kader van de brons- en koperdiefstallen werd de deur preventief verwijderd en in het Neerhof, het magazijn, geplaatst. De deur staat nu letterlijk open voor vandalen en andere druggebruikers om misbruik te maken van de dingen (houten kruis uit W. O. I.; gipsen borstbeeld; prachtige grafplaten) die er nu voor het grabbelen staan. Een aantal ander bronzen ornamenten werden preventief verwijderd en in het Neerhof geplaatst om te vermijden dat de dieven er mee aan de haal gaan. Het is niet de eerste keer dat er ingebroken wordt in dat Neerhof. Ik houd mijn hart vast wanneer de dieven ontdekken dat er daar veel waardevols te rapen valt. Een schat aan brons in één klap beschikbaar!
Misschien is het inzetten van drones, je hoort tegenwoordig niets anders, een optie. Intussen blijven de vrijwilligers van de begraafplaats en de vrijwilligers van vzw Grafzerkje, tussen 16 en 18 uur, de begraafplaats bewaken.
 
Op dinsdag 23 juni hadden we succes: we betrapten een bronsdief, legden spijkers op het wegdek, de bandiet kreeg een lekke band en we konden nog beslag leggen op dozen met brons! Maar daar wij de kwaadsten niet zijn hielpen Steve, de vrijwilliger van de begraafplaats, en ons lid Marc om de band te herstellen. Voor degenen die het, nog, niet doorhadden: dit is een grap!!! In werkelijkheid was de dame lek gereden en hielpen Marc en Steve haar om het euvel te herstellen. De vriendelijke dame was heel tevreden over de geleverde diensten. 
Op vrijdag 26 juni werd, door de mensen van de begraafplaats, de politie verwittigd dat er zich een verdacht voertuig op de begraafplaats bevond. Ruim 40 minuten later kreeg de verantwoordelijke van de begraafplaats een telefoontje van de politie … ze stonden voor de poort en konden niet binnen? Wij reden dan maar tot aan de automatische poort om ze binnen te laten. De Wilrijkse politie bezit blijkbaar wel een sleutel om binnen te geraken maar deze patrouille kwam … van de Noorderlaan, aan de andere kant van de stad,  en bezat geen sleutel?
 
Op maandag 29 juni, na overleg met de verantwoordelijken van de begraafplaats werd besloten de waakdienst af te bouwen en voor wat vzw Grafzerkje betreft te beperken tot de weekends!
 
Jacques Buermans 

R. I. P. 200 jaar begrafeniscultuur in Vlaanderen. Een van dé betere tentoonstellingen! Jacques vertelt


Wegens “organisatorische” redenen kon het door ons bestuurslid Tamara Ingels aan de tentoonstelling “R. I. P¨. aspecten van 200 jaar begrafeniscultuur in Vlaanderen” niet doorgaan Toch bezochten enkele leden van vzw Grafzerkje deze tentoonstelling in Gent.
 
In een aantal “grafkapellen” werd begraven en dodencultuur van de voorbije 200 jaar getoond. Gestart werd met de secularisering van de stedelijke begraafplaatsen in de tweede helft van de 19de eeuw. De begraafplaatsen werden onttrokken aan het gezag van de kerk en het geloof. We zagen er een heuse rouwkamer naast rouwgewaden. Ook al de attributen die een priester nodig heeft om de laatste sacramenten toe te dienen. 
In een tweede “kapel” werd dieper ingegaan op de “kerkhovenoorlog die in Gent woedde. Leden van vzw Grafzerkje die ooit ons bestuurslid An Hernalsteen aan het werk zagen op “haar” Westerbegraafplaats en haar daar bezig hoorden over haar goede vriend bisschop Bracq weten waarover dat ging. Veel aandacht ook voor advocaat en vrijmetselaar Hippolyte Metdepenningen. Ook aandacht voor de Antwerpse burgemeester Jan Van Rijswijck en diens uitvaart. Wat verder werd dieper ingegaan over de houding van de kerk ten overstaan van crematie. Ik zag een heel informatieve film met Joodse gebruiken bij een overlijden. Ook over de gebruiken in de Islamitische gemeenschap werd een filmpje vertoond.
 
In een grotere ruimte zagen we rouwkleding  door de eeuwen heen en een corbillard die knap gerestaureerd was. 
Ook aandacht voor de angst om levend begraven te worden met onder meer het schilderij “de overhaaste begrafenis”  van de hand van Antoine Wiertz. Enkel moderne dingen, niet direct my cup of tea, en ook aandacht voor moderne mogelijkheden tot begraven: natuurbegraafplaatsen en het anoniem begraven van biologisch afbreekbare urnen. In een apart zaaltje werd een film vertoond. De tentoonstelling afgesloten met een aantal karikaturen): humor in het funeraire moet kunnen. 
Een meer dan geslaagde tentoonstelling waar ons bestuurslid Tamara Ingels zeker een grote inbreng heeft aan toegevoegd.
 
Bij de tentoonstelling hoort ook een boek: “R. I. P. aspecten van 200 jaar begrafeniscultuur in Vlaanderen”. ISBN 978 90 382 2487 9.
 
Jacques Buermans.

Begraafplaats Orthen in Den Bosch, een impressie Rene Mertens


Een prachtig park en een begraafplaats met mooie dingen.
Ook enkele merkwaardige opschriften
En dan het kitcherig gedeelte. Onvoorstelbaar!
De mensen huren deze grond. Grafzerken worden dagelijks gereinigd door nabestaanden.  Om de drie maanden komt een firma kijken of er geen verzakkingen zijn en dan worden deze hersteld.
 
René Mertens.
 

Begraafplaatsen in de frontstreek (deel 4) : Mia Verbanck beschrijft Het Duitse kerkhof van Vladslo


In ‘t Praetbos buiten Vladslo,
van God en mens verlaten,
ligt de jonge Peter Kollwitz,
in een massagraf van soldaten
en ik ken geen vrediger wereld,
van roerlozer bomen,
geen schoner kathedrale,
om te bidden en om te dromen.
 
Zo begint een lied van Willem Vermandere over het Deutscher Soldatenfriedhof Vladslo.
(https://www.youtube.com/watch?v=eovFI_TtCgc)
 
de begraafplaats
 
De Duitse begraafplaats van Vladslo ligt aan de Houtlandstraat te midden van een eikenbos en op een drietal kilometer ten noorden van het centrum van Vladslo, nabij de grens met Koekelare.
Wie onder de toegangspoort doorgaat, betreedt een groen gazon bezaaid met vele kleine grafstenen. Daartussen staan enkele basalten kruisjes. Hier rusten 25.638 Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog. Het terrein is 1,2 hectare groot.
 
De eerste Duitsers werden al in het Praatbos begraven in oktober 1914, tijdens de Slag om de IJzer. Het leger installeerde er ook een verbandpost waar heel wat gewonden overleden, waardoor de begraafplaats groeide en tegen het eind van de oorlog meer dan 3.000 doden telde.
 
Tot in 1956 lagen er op het kerkhof 3.233 Duitse soldaten begraven. Het was een indrukwekkend kerkhof vol eikenhouten kruisjes. In de jaren 1955 tot 1957 werden de Duitse kerkhoven, waarmee West-Vlaanderen bezaaid was, sterk in aantal verminderd. In de jaren 1956-1958 werden de meer dan 100 kleine Duitse militaire begraafplaatsen die verspreid lagen over Vlaanderen, teruggebracht tot vier: de stoffelijke resten werden overgebracht naar de verzamelbegraafplaatsen van Hooglede (8.247 doden), Langemark (44.294 genseuvelden), Menen (47.864 soldaten) en Vladslo. Vanuit 61 Belgische plaatsen zijn bijna 22.000 graven naar Vladslo overgebracht.
 
Om ruimte te winnen, werden alle vroegere kruisen verwijderd en aanvankelijk vervangen door 12.819 kleine houten blokjes bedekt met een bronzen plaatje, kruisjes die nauwelijks boven de grond uitkwamen. 
Ook kwamen er hier en daar paarsgewijze naamloze basalten kruisen. Alleen één oorspronkelijk kruisje bleef enige tijd behouden, dat waaronder Peter Kollwitz rustte. In 1959, zoals zijn moeder Käthe Kollwitz het zelf zou gewild hebben, werd dat laatste houten kruisje van het kerkhof weggehaald. Het bevindt zich in het In Flanders Fields Museum van Ieper. In 1971 en 1972 werden de houten blokjes op hun beurt vervangen door huidige arduinen platen waarin telkens ongeveer 20 namen gegrift staan. Enkele van de basalten kruisen werden behouden. 
De begraafplaats heeft een rechthoekig grondplan, aan de vier zijden omgeven door een hoge dichte beukenhaag. Tegen de hagen staan enkele rechtopstaande oudere graf- en gedenkstenen en stenen zitbanken.
Wanneer je de begraafplaats betreedt, zie je links meer dan honderd slachtoffers die allemaal op dezelfde dag zijn gesneuveld tijdens de Slag bij Halen.
 
treurende ouderpaar
 
Op de begraafplaats staan de granieten beelden van het Treurende Ouderpaar, gemaakt door de Berlijnse kunstenares Käthe Kollwitz in herinnering aan hun tweede zoon, de 18-jarige Peter Kollwitz. Hij had vrijwillig dienst genomen als musketier en was op 23 oktober 1914 in het naburige Esen gesneuveld toen zijn eenheid de Belgische verdediging bij Diksmuide aanviel. Het graf van Peter ligt vlak voor het treurende ouderpaar. Na de dood van Peter zei Käthe Kollwitz tegen een vriend: “Er is een wond in onze levens die nooit zal genezen. En dat hoeft ook niet.”
 
Reeds een week na zijn dood rijpte bij moeder Käthe het plan om een gedenksteen te ontwerpen voor haar zoon. In de loop van de jaren maakte ze verschillende ontwerpen. Die leidden achttien jaar later, in 1932, uiteindelijk tot de beelden van ‘Die Eltern’ of ‘Het treurende ouderpaar’. In het monument heeft Käthe Kollwitz een gebeiteld portret gemaakt van zichzelf en haar man Karl. De beelden werden in hardsteen uitgevoerd naar het ontwerp van Käthe Kollwitz-Schmidt: de vaderfiguur door August Rhades (°1886), hout- en steenbeeldhouwer, leerling van Erwin Kurz; de moederfiguur door Fritz Diederich (°1869), beeldhouwer aan de Berlijnse academie van 1891 tot 1898.
 
Links een man (vader) bewegingsloos rechtop zittend met de armen over elkaar tegen het lichaam gedrukt, de jas strak rond het lichaam getrokken. Het gelaat heeft een sterk gesloten uitdrukking, met diepliggende ogen, de mondhoeken naar beneden getrokken. De vrouw (moeder) rechts van hem, gehuld in een lang kleed, haar sjaal strak aangetrokken, de armen eveneens tegen het lichaam gedrukt, zit helemaal voorovergebogen met neergeslagen ogen. 
De stenen ouders knielen met hun gezicht naar de begraafplaats. “Ze zijn gericht naar de grafsteen van hun zoon, maar tegelijk ook naar alle andere slachtoffers van de oorlog. Op die manier worden deze beelden niet alleen door wat ze uitdrukken, maar ook door hun opstelling verheven tot een algemeen symbool van diepe droefheid en een aanklacht tegen de wreedheid van de oorlog.” (M. Jacobs, Zij, die vielen als helden”, Brugge, 1996, 2 delen - Uitgave Provincie West-Vlaanderen)
 
Käthe en haar man, Karl Kollwitz, brachten de beelden zelf naar België. Ze schreef het volgende over hun laatste bezoek aan het graf van Peter Kollwitz en de beelden: “We liepen van de beelden naar het graf van Peter en alles voelde levend en compleet. Ik stond voor de vrouw, keek naar haar – mijn eigen gezicht – en ik huilde en streelde haar wangen. Karl stond vlak achter me – ik was me er niet eens van bewust. Ik hoorde hem fluisteren, ‘Ja, ja’. Wat waren we toen hecht!”
 
De beelden van het treurende ouderpaar waren op 24 juli 1932 geplaatst op de voormalige begraafplaats aan het Roggeveld in Esen, in aanwezigheid van de kunstenares. Ze werden in 1957 eveneens overgebracht naar Vladslo. De begraafplaats werd heringericht door de Duitse architect Robert Tischler en wordt onderhouden door de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge. De beelden behoren nog steeds aan de familie Kollwitz toe.
 
Begin 1996 stelde een kleinzoon van Käthe Kollwitz voor om het Treurende Ouderpaar te vervangen door een replica en de originelen naar Berlijn halen. De Vlaamse overheid wees dit af en in 1997 werd de begraafplaats beschermd als monument.
 
De Volksbund Deutsche Kriegsgräbefürsorge e.V. liet in 2014 een replica maken van de beeldengroep om die vervolgens op 20 september van dat jaar  op te stellen op de begraafplaats in Rshew op 200 km van Moskou; daar liggen Duitse en Russische soldaten uit de Tweede Wereldoorlog begraven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor Käthe Kollwitz haar kleinzoon, de zoon van Hans. Ook zijn naam was Peter naar zijn gesneuvelde oom.
 
Die replica’s zijn net, zoals het origineel, vervaardigd uit Belgisch Graniet. ‘Renier natuursteen NV’ uit Aarschot stond in voor de productie. Met speciale fotografische technieken en aangepaste software werd een digitale 3D-tekening gemaakt van de modellen. Vervolgens freesde een speciale machine het beeld uit het ruwe blok. Na de machinale bewerking gingen gekwalificeerde beeldhouwers aan de slag om de beeld af te werken en karakter te geven. Alle details zoals ogen, handen, vingers werden uiterst fijn uitgewerkt. De beeldhouwers baseerden zich hiervoor op enorm veel detailfoto’s van vele onderdelen.
De replica’s zijn 10 procent groter gemaakt dan het origineel en wegen elk om en bij de 1100 kg.
 
kathe kollwitz-schmidt
 
Käthe Schmidt werd op 8 juli 1867 geboren in Koningsbergen (voormalige hoofdstad van Oost-Pruisen). Ze huwde met de arts Karl Kollwitz en verhuisde naar Berlijn. Hun zoon Hans zag het levenslicht op 14 mei 1892 en Peter werd geboren op 6 februari 1896.
Haar man Karl stierf op 19 juli 1940. In 1944 verhuisde zij van Berlijn naar Moritzburg bij Dresden waar zij op 22 april 1945 overleed, enkele dagen voor het einde van de Tweede Wereldoorlog.
 
Ze werd vooral bekend om haar sociale bewogenheid en als uitbeeldster van de mistoestanden als gevolg van oorlogen en sociaal onrecht. Ze was één van de belangrijkste expressionistische kunstenaars van Duitsland. Niet alleen het “Treurend Ouderpaar”, maar ook tekeningen en houtsneden onderstrepen het waanzinnige van de oorlog. 
Toen Hitler in 1933 “Reichskanzler” werd, was zij gedwongen de Academie en haar leerstoel te verlaten. Haar werken werden niet meer tentoongesteld. Haar stelling “Die eigentlichen Verlierer der Kriege sind immer die Eltern, die Frauen, die Mütter” (“De eigenlijke verliezers van de oorlog zijn altijd de ouders, de vrouwen, de moeders”) was daar niet vreemd aan.
 
Een bezoek aan de begraafplaats van Vladslo laat indrukken na. In het nabijgelegen Koekelaere is een museum aan Käthe Kollwitz gewijd.
 
Tekst en foto’s: Mia Verbanck
 
Als documentatie staat er een Engelstalig filmpje over leven en werk van Käthe Kollwitz op https://www.youtube.com/watch?v=Ou08HU3LM60