Nieuwsbrief Nr 85 - januari 2015

Funeraire kunst in de Sint-Baafskathedraal van Gent zaterdag 22 november 2014


Gids An Hernalsteen verwelkomde een twintigtal zerkjes voor een funeraire rondleiding in de Sint-Baafskathedraal van Gent. Met een schurende stem - ze werd geplaagd door sinusitis - vertelde ze dat fotograferen binnen niet mag tenzij niemand het ziet, dat ze geen uitleg over obiits zou geven (om Stefan Crick te duivelen) en af en toe op haar spiekbriefje zou moeten kijken, vandaar haar brilletje. U heeft het al begrepen, Anneke was in grote vorm.
Omdat er om 11 uur een viering doorging bezochten we op een drafje de romaanse crypte. Dit is een overblijfsel van een romaanse kerk uit de XIIe eeuw. Bij de restauratie en het archeologisch onderzoek van de crypte in 1959 werd de fundering ontdekt. De omtrek van de oorspronkelijke crypte wordt aangeduid met zwarte tegels, het gotische koor is dus groter.
Een aantal grafstenen, die zich tegen de muur bevonden, zijn overgebracht naar de Sint-Baafsabdij in Gent (Museum voor stenen voorwerpen).
Een goede vriend van An, Monseigneur Leo De Kesel, ligt hier begraven. Hij was hulpbisschop van Gent. Hij was potdoof maar toen An eens vol vuur uitleg gaf in de kathedraal aan een groep Duitse toeristen, kwam hij vanuit het koor toegesneld en vroeg haar niet zo luid te spreken! Over het verdwenen paneel van het Lam Gods zou hij ook meer geweten hebben. Hij voerde zeven jaar onderhandelingen om de stoffelijke overschotten van de bisschoppen Hendrik Frans Bracq, Antoon Stillemans, Emiel Jan Seghers en Honoré Jozef Coppieters over te brengen van de Bisschoppelijke Galerij op de Begraafplaats van Mariakerke naar de crypte van de Sint-Baafskathedraal. In 1959 gebeurde dit, de vloer lag open.
Na zijn overlijden (hij werd bijna 98 jaar) werd hij bijgezet in de crypte van de Sint-Baafskathedraal op de plek die hij zelf had gekozen in een ondiepe kelder zonder aarde, dit beperkt de lijkgeur.
De grafplaat van Joachim Deruuck. Het altaar draagt de triptiek van de familie De Ruuck. In het midden wordt de Heilige Familie afgebeeld, op de linkervleugel Joachim de Ruuck, als schenker voorgesteld, met zijn vier zonen. Rechts zijn vermoedelijk zijn drie echtgenotes en dochter weergegeven. De drie zonen die overleden zijn werden aangeduid met een kruisje.
We gingen naar de ingang. De barokke marmeren epitafen van kanunnik Pierin  (+l668) en deken Van de Woestyne (+l669) vertonen een stijlbreuk door de (neogotische) restauratie tussen 1890 en 1903. Alleen de tekst werd behouden, de symboliek moest weg. Hier vinden we ook enkele memorietafels. Als een belangrijk persoon geen kinderen had, richtte de familie een stichting op om voor het zielenheil van de overledene te bidden. Het Lam Gods is een memorietafel.
Achteraan links het neogotische praalgraf van monseigneur Henri Lambrecht  (1892), van de hand van kunstenaar Rooms. Naast de centrale Calvarie zijn we de bisschop links zieken bezoeken en rechts omringd door … kindjes. De gids gaf geen verdere commentaar.
In de kapel van Sint-Niklaas bevindt zich het praalgraf van Viglius Aytta (+ 1577). Hij studeerde in Leuven en aan andere universiteiten, was bevriend met Erasmus en het geslacht Fugger (bankiers). Hij specialiseerde in kerkelijk recht, was raadsman van keizer Karel, de laatste gemijterde proost van de Sint-Baafsabdij en medeproost van Lucas Munich, de eerste proost van de Sint-Baafskathedraal.
Tijdens de Beeldenstorm waren de graftomben zeer geliefd door plunderaars. Volgens Cornelis Breydel, de secretaris van Munich, zouden twee bedienden door een list (ze voerden de grafschenders dronken) (daer zy hemlieden vol en zat van wyn endebier ghedroncken hebben, zonder dat zy huerlieder opset aende voorn. sepulture volbrocht hebben) het graf van Aytta van plundering hebben gered.
Het volgende weetje neem ik over - met bronvermelding zoals het hoort - van een verslag dat onze voorzitter schreef in januari 2005: Er rezen twijfels over het schenden, tijdens de Beeldenstorm, van het graf van Aytta omdat zijn koorkap ontbrak, waarschijnlijk werd hij zonder begraven omdat zijn schoonbroer die later nog gebruikte.
Aytta was gehuwd maar had geen kinderen. Na de dood van zijn vrouw werd hij op minder dan één jaar priester.
We volgden de kooromgang. Tegenover de Sint-Gilliskapel is het praalgraf opgesteld van Mgr. J.-B. de Smet (1745). De rustig mijmerende bisschop ligt uitgestrekt op een sarcofaag. In de barok werd de dode levend afgebeeld.
In de Sint-Ivokapel rusten onder een bescheiden nisgraf de eerste twee bisschoppen van Gent: Cornelius Jansenius en Willem Lindanus (+1595). Zij liggen broederlijk naast mekaar, “ze zijn niet gescheiden in de dood, in het leven hadden ze mekaar lief”. Ook hier volgde even stilte.
De Sint-Petrus en Sint-Pauluskapel wordt ook de Rubenskapel genoemd omdat hier het schilderij van het vroegere hoofdaltaar prijkt. Tegenover dit pronkstuk is de triptiek opgesteld van Otto Venius, de leermeester van Rubens, met De opwekking van Lazarus (1608). Op het bewaarde zijluik is Mgr. Pieter Damant (+ 1609) voorgesteld, hij rust naast dit altaar in een renaissancewandgraf. De overledene ligt op de zijde, steunend op de elleboog, het hoofd rustend op de hand.
We gingen het koor binnen. Vier vorstelijke praalgraven van Gentse bisschoppen flankeren het hoofdaltaar: links die van Antoon Triest en Eugeen d’Allamont, rechts die van Carolus Maes en Carolus van den Bosch. Het monument van monseigneur Triest (1651-1654) is van de hand van Hieronymus Duquesnoy de Jonge. Naast het beeldhouwen had Duquesnoy ook belangstelling voor jongetjes die hij als levend model gebruikte voor zijn putti. 1654 werd Hiëronymus vervolgd voor sodomie omwille van het seksueel misbruik van twee jongens van 8 en 11 jaar oud. De kunstenaar werd veroordeeld tot wurging aan de staak, gevolgd door verbranding op de Korenmarkt van Gent. Het vonnis werd voltrokken op 28 september 1654. Gelukkig was het praalgraf bijna af…
Sommige latere bisschoppen namen het niet zo nauw met het celibaat, maar uitten dit op een acceptabeler manier. Ze onderhielden een “koeketiene”. Zo verbleef prins Ferdinand de Lobkowitz (+ 1795), monseigneur Lobkowitz, over het algemeen op zijn buitenverblijf Kasteel Rozelaar in Lochristi, waar hij samen met "syne Favoriete" (mevrouw van der Saeren) woonde, iets wat uiteraard schandaal verwekte.
We hielden nog even halt aan het portret van kardinaal Gustaaf Joos (+ 2004), oom van Dirk Joos, “de kleinen” (=partner) van An Hernalsteen. Deze priester studeerde samen met de latere paus Karel Woityla, waarmee hij bevriend bleef. Hij zetelde in kerkelijke rechtbanken, was kanunnik van het Sint-Baafskapittel en werd in 2003 door paus Johannes-Paulus II tot kardinaal benoemd. Hij stamt uit een zeer katholieke familie, waar een goede fles wijn (ook dat is katholiek) sterk werd op prijs gesteld.
Al die episcopale toestanden verhitten het hoofd van onze gids, ze raakte de pedalen kwijt en viel ons lid Nini Matthijs aan. An toch, als bestuurslid zou je moeten weten dat vzw Grafzerkje een goede verzekering heeft, maar fysische agressie niet door onze polis wordt gedekt.
Toch onze dank en waardering voor de boeiende uitleg.
An sprak de hele tijd over haar goede vriend monseigneur Leo De Kesel. Maar de verslaggever heeft ook een band met deze man en kan het bewijzen, want er bestaat een foto van. Dus volgende prijsvraag: wat staat er op de foto? Je kan mailen naar [email protected]
De prijs: je mag het verslag maken van de volgende rondleiding!
Bronnen:
- www.sintbaafskathedraal.be
- Sint-Baafskathedraal
  www.tento.be/OKV.../sint-baafskathedraal-van-gent-een-kunstkamer

 
Tekst: Martin demedts

Foto’s: Edgard Maes en Jacques Buermans

Roland Verhees is niet meer


Zaterdag 22 november bereikte ons het droevige bericht dat Roland Verhees overleden was. Enkele dagen voordien werd hij getroffen door een beroerte. Roland was gedurende jaren een gewaardeerd lid van onze vzw Grafzerkje.

De grootvader van Roland richtte een steenhouwersbedrijf op in 1907. Na zijn vader kwam Roland in de zaak. Zijn specialisatie was de ambachtelijke kant van het beroep. We laten hem even zelf aan het woord: “Het ambachtelijke deel van het steenhouwen geeft zoveel meer voldoening: het kappen van letters en motieven … Je werk is nooit af; het kan altijd nog worden verbeterd.” Als steenhouwer eindigt je opleiding eigenlijk nooit. Behendigheid, bekwaamheid en doorzicht leer je pas met de jaren”. In 1980 werd hij voorzitter van de vereniging voor hardsteenbewerkers. Wegens acute blindheid diende hij zijn bedrijf stop te zetten.
Ik kende Roland Verhees vaag van tijdens mijn Epitaafperiode. In 2007 leerde ik Roland beter kennen toen de stad Antwerpen besloot om een adviescommissie op te richten die ging adviseren wanneer er grafmonumenten in peterschap of in bruikleen genomen werden. Naast een aantal mensen van de stad werden twee ‘externen’ aangesproken: een ervaringsdeskundige en een persoon met technische vakkennis. Voor de eerste functie werd ondergetekende aangezocht, voor de tweede Roland Verhees. Van toen af gingen we regelmatig op stap samen met de deskundigen van de stad Antwerpen om op diverse Antwerpse begraafplaatsen advies te gaan verstrekken. Al van bij de aanvang werd ik getroffen door de vakkennis van Roland. Ondanks zijn handicap verblufte hij me meermaals met onder meer zijn kennis van de ligging van grafmonumenten op begraafplaatsen waar ik met moeite mijn weg vond. Zijn professionele ervaring, hij was toch meer dan vijftig jaar een gewaardeerd vakman, sloeg meermaals mensen met verstomming. Daarnaast had hij een geheugen waar vele jaloers op zouden zijn. Ik herinner me nog toen we eens op Silsburg rondliepen. Bij een graf van drie zusters kon Roland perfect hun voornamen, geboorte- en overlijdensjaren opnoemen. Ik moet ook bekennen dat adviseren een arbeidsintensieve en een dorstige job is. Vaak dienden we na afloop van het officiële gedeelte nog een nabespreking te houden die dikwijls langer duurde dan het adviseren zelf. Maar bij pot en pint leerden we heel veel door de onmetelijke kennis van Roland. De laatste tijd diende er minder en minder geadviseerd te worden maar niet getreurd: we richtten dan maar zelf een ‘commissie (?)’” op waar Rita, Stannie, ikzelf en onze voorzitter Roland urenlang konden discussiëren over begraafplaats- en andere problemen en waarop we na afloop fier konden terugblikken met de woorden “Dat hebben we weer goed voor mekaar gebracht”.
Roland Verhees kon ook zijn gehoor boeien met zijn verhalen. Zo herinner ik me een rondleiding die hij voor onze vzw Grafzerkje gaf op ‘zijn’ Rochuskerkhof. Zijn betoog werd gekruid met talrijke anekdotes. De aanwezigen, meer dan 60 personen, voornamelijk dames - en dat lag zeker aan de charmes van de gids - maar ook de pastoor en de schooldirecteur waren aanwezig, genoten van de verhalen van Roland: een meester-steenkapper maar ook een meester-verteller! (Kijk maar eens in Nieuwsbrief 56b)
Ik durf hier in naam van Rita, Stannie en mezelf te spreken. Onze bijeenkomsten zullen niet meer zijn wat ze waren. Er zal altijd een lege stoel blijven voor onze ‘voorzitter’! Dat beloof ik plechtig. Maar ik ben er ook van overtuigd dat de mensen van de stad Antwerpen die van ver of van nabij met Roland Verhees te maken hadden, zullen constateren dat het nooit meer zal zijn zoals vroeger.
 
Roland, mijne beste vriend, we zaten elkaar regelmatig in de haren, maar dat was onze vriendschap. Personen die daar toevallig getuige van waren zullen wel eens gedacht hebben dat die twee kemphanen elkaar rauw lusten, maar niets was minder waar. We respecteerden en waardeerden elkaar.
 
Roland: kijk van boven op je wolk maar eens neer. Je mag trots zijn op al je vakmanschap dat op onze begraafplaatsen te bewonderen valt. En kijk van tijd tot tijd ook eens naar mij om te zien of ik niet al te veel uit mijn rol val! Ik vond het een hele eer om jou te mogen kennen. Het ga je goed, mijn vriend. Ik mis je nu al!

Roland is niet meer en Buermans gaat al in de fout

Zaterdag 29 november: de begrafenis van Roland. Gigantisch veel volk, ook een aantal leden van vzw Grafzerkje, op de uitvaart. Ik had gevraagd om een toespraak te mogen houden voor mijn goede vriend Roland.  Dochter Christine had afspraken gemaakt met de pastoor. Tijdens de uitvaart las Christine een mooi verhaal voor over haar vader. Ik dacht dat het nadien aan mijn beurt zou zijn. Niets was minder waar. Ik maar wachten en na een uur en een kwartier was de plechtigheid voorbij. Geen toespraak van ondergetekende en ik moest onmiddellijk de kerk verlaten om een sanitaire stop te maken. Toen ik terugkwam zegde een van onze leden “ze hebben uw naam afgeroepen en ge waart er niet”. Eerst dacht ik nog dat mijn naam afgeroepen werd toen ik aan mijn sanitaire stop bezig was maar dat niet omdat toen ik weg ging de plechtigheid voorbij was maar blijkbaar had de pastoor tijdens de dienst iets gezegd van “Jacques gaat nu spreken”. Ik noch al de mensen die in mijn omgeving zaten hadden er iets van gehoord. Ik ben me uiteraard na de dienst gaan verontschuldigen bij de dochters van Roland. Nadien moest ik toch denken dat Roland vanop zijn wolk eens hartelijk gelachen zou hebben en gezegd hebben, zoals hij alleen maar kon, “Burmans, ik ben er nog maar net niet meer en ge laat alles al in het honderd lopen”.
 
Jacques Buermans.

Afscheid van Roland Verhees (Deurne 6/7/1931 – Deurne 22/11/2014)

Deurne-Zuid nam met een zeer druk bijgewoonde viering op zaterdag 29 november 2014 in de grote Sint-Rochuskerk afscheid van een bekende verschijning: Roland Verhees (83), steenhouwer in opvolging van zijn vader en grootvader, actief op verschillende begraafplaatsen in de buurt: Sint-Rochus, Sint-Fredegandus, Ruggeveld en Silsburg.
Pastoor Fons Houtmeyers eerde de overledene ook als gekende en gewaardeerde parochiaan. Op de zaterdagvieringen had Roland zijn vaste plaats. Te allen tijde kon de parochie beroep doen op Verhees die eenieder met raad en daad bijstond en voor alles en nog wat een oplossing toverde, steunend op zijn jarenlange technische beroepservaring en kennis o.a. bij de moeilijke verhuis van de doopvont en behandeling van de kerkvloer. Alle mensen in de buurt kende de wat oudere man, vaak op stap met zijn rugzakje en blindenstok. Rolands zicht was niet meer zo perfect maar hij herkende iedereen onmiddellijk aan zijn stem. Hij hield van een gezellige babbel of een pintje in een van de buurttavernes en iedere keer viel daarbij zijn paardengeheugen en vertelkunst op. Hij was als het ware een encyclopedische bron voor medewerkers van de begraafplaatsen en genealogen. Meer dan eens vergezelde onze goede vriend ons bij opzoekwerk op de begraafplaatsen. Bij het begin van de viering kwam één van zijn twee dochters dankbaar vertellen over de mooie jeugd die hij haar zus en haar bezorgde: Roland was er altijd voor zijn gezin, thuis en op reis naar zee en in Oostenrijk. Met Nia Hendrickx vierde hij nog niet lang terug hun 60-jarig huwelijksjubileum. De bezorgdheid was wederzijds want ook al dat pa Roland zich met zijn visuele beperktheid heel goed uit de slag kon trekken, waren ze steeds opgelucht bij zijn veilige thuiskomst. Roland zal zeer gemist worden want op de begraafplaatsen wist hij over iedereen en alle families waarvoor hij een grafsteen had opgebouwd heel wat te vertellen; dat bewees hij meer dan eens op rondleidingen. Treffend was, naast de begeleiding van het kerkkoor de keuze van de muziek tijdens de offergang: My Way. Inderdaad, Roland deed alles op zijn manier als een warme man, een uitverkoren informant en adviseur die we hard gaan missen.
Na de dienst werd zijn lichaam te rusten gelegd op de begraafplaats Silsburg in een familiegrond, door hem gekozen, pal naast het graf van zijn schoonfamilie.
Bedolven onder bloemen rust hij nu voorgoed op park X 2, westzijde, graf 19.
 
Rust zacht, beste vriend Roland, wij vergeten je niet.
Ludo Dieltiens 1/12/2014
 
Foto’s: Ludo Dieltiens en Jacques Buermans.

Vzw Grafzerkje bezoekt Milaan en Genua


In 2015 leggen we de lat nog iets hoger. Na eerdere driedaagse trips naar Amsterdam, Den Haag, Parijs en Utrecht/Arnhem gaan we de Italiaanse toer op.
 
Op zaterdag 2 mei 2015, 10 uur gegidst, in de Franse taal, bezoek aan het Cimitero Monumentale di Milano. Duur: 2 uur. Prijs: € 10 à € 15 per persoon, afhankelijk van het aantal deelnemers. Samenkomst om 9.45 uur aan de hoofdingang Piazzale Cimitero Monumentale, 20154 Milaan. Hoe te bereiken: Tram : n° 2 - 4 - 12 - 14 – 33, Bus: n° 37 – 94, Metro: M2 - M5: station Garibaldi, Trein: station Garibaldi
 
Info: Cimitero Monumentale di Milano is een waar openluchtmuseum dat bezoekers vaak overweldigt door het grote aantal monumentale mausolea en sculpturen. Een van de blikvangers is de graftombe van Campari , versierd met een beeldengroep die Jezus en zijn apostelen toont gezeten aan een tafel tijdens het Laatste Avondmaal. Vele belangrijke kunstenaars creëerden werken voor het Cimitero Monumentale, waaronder Medardo Rosso, Leonardo Bistolfi, Ernesto Bazzaro, Odoardo Tabacchi, Adolfo Wildt en de Argentijnse kunstenaar Lucio Fontana. Zij die nog meer tijd op de Monumentale uittrekken kunnen misschien de graven van textielmagnaat Bernocchi ; een bronzen beeld van twee ossen op het graf Besenzanica ; het graf Motta van de hand van beeldhouwer Giacomo Manzù; de laatste rustplaats voor dirigent Arturo Toscanini en het graf Rancati  ontdekken. Ook een buste voor Guiseppi Verdi , die hier niet begraven werd, kreeg een prominente plaats.
Op woensdag 6 mei 2015, 10 uur gegidst, in de Franse taal, bezoek aan het Staglieno Genova. Duur: 2 uur. Prijs: € 130 te delen door het aantal deelnemers. Samenkomst om 9.45 uur aan de hoofdingang Piazzale Resasco, 16100 Genua.
 
Info: Staglieno. We bezoeken de bekendste grafmonumenten met standbeelden van burgerlui in statige klederdracht, magnifieke engelen, uilen, zandlopers en vrijmetselaarssymbolen. We komen langs de "Nootjesverkoopster", de "Engel van Oneto", de "Drie gratiën" en de “Dood en het meisje” . Zij die nog meer tijd op Staglieno uittrekken kunnen misschien de graven Ammerato, Bonanati, Campodonico  of Pienovi ontdekken.

Funerair klavertje vier in Praag


Een vijftal dagen in Praag verbleven. Natuurlijk de  nodige tijd genomen om niet-funeraire dingen te bekijken en ik verzeker jullie: er zijn prachtige dingen te zien zeker als je liefhebber bent van jugendstil. Maar ik beperk me hier tot vier funeraire “musts”.
 
In Josefov, de Joodse wijk, bevindt zich de oude Joodse begraafplaats. Dikwijls wordt de naam uitgebeeld als een hert voor de familie Hirsch. We zagen onder andere het graf voor rabbi Löw, met een leeuwtje op zijn graf. Schelomo Luntschitz (1619), predikant  en opvolger van Löw. Een van de mooiste graven is dat voor Hendl Baschewi (1628) , vrouw van bankier Jakob Baschewi de eerste Jood die vanwege zijn verdiensten door keizer Ferdinand II in de adelstand verheven werd met de toevoeging “von Treuenburg”. Hij viel in ongenade toen hij zich inliet met een opstand tegen het Habsburgse huis. Hier een wapenschild vastgehouden door twee leeuwen. Twee graven voor de artsenfamilie Beer ben Leb Teller, zal een “onderteller” en een “boventeller” zijn zeker? Op het graf een verwijzing naar het beroep en de naam: artseninstrumenten en een beer.
Vlakbij elkaar liggen de Olsanskebegraafplaats en de nieuwe Joodse begraafplaats. In Olsankske startten we op het oudste gedeelte. Overal plakkaten met informatie van de prominenten die op een welbepaald deel liggen, spijtig genoeg enkel in het Tsjechisch. Het merendeel blijkt zijn beste tijd gehad te hebben; ze vallen om wanneer je er nog maar naar kijkt en op het nieuwere gedeelte zijn ze helemaal onvindbaar. Langs een rij oude grafkapellen. Josef Manes was schilder. Antonin Fric was professor in de zoölogie. De buste is van beeldhouwer Bohumil Kafka. Wat verder Julius Gregr, politicus. Naast elkaar Ludek Marold, schilder en graficus. Het bronzen grafreliëf is van beeldhouwer Vilem Amort en een jugendstilmonument voor Anna Grohmann werd gemaakt door beeldhouwer Josef Mauder. Karel Maydl was professor en chirurg. Een ontwerp van Jan Kotera met bronzen kransen van Bohumil Kafka. Een groot graf voor de familie Hrdlicka opgericht door Aloïs Hrdlicka voor zoon Jan die slechts 21 jaar oud werd. Het monument van Frantisek Rous stelt een vader voor die de moeder troost terwijl een engel de zoon naar de hemelpoort leidt. Zdenek Simek   was berentemmer. Aan de leeftijd te zien waarop hij overleed was een beer hem ooit te slim af. Jan Palach zijn graf krijgt nog veel bezoek. Wat over het algemeen opviel is dat men veel meer dan bij ons op begraafplaatsbezoek gaat rond kerstmis en vele graven versierd worden, soms zelfs met hele kerstbomen. Vandaar ook de vele stalletjes buiten de begraafplaats.
Van daar naar de nieuwe Joodse begraafplaats. Schilder Max Horb kreeg een grafmonument uit die periode. Beeldhouwer Jan Stursa maakte een beeld van een treurwilg waarin een pauw zit met omlaaghangende staart. Blikvanger hier is schrijver Frans Kafka. Zijn graf is een zeshoekig kristal. Tegen de verste muur een aantal grote monumenten. De familie Petschek is hier vertegenwoordigd met een monument voor Julius en een voor Isidoor. Waldes en Bondy hun monumenten moet ook niet onderdoen voor die monumenten. Een gigantische, erg verwaarloosde, grafkapel voor de familie Kubinsky (1892). Architect was Alfons Wertmüller. Ten slotte nog een jugendstilmonument voor Robitschek.
De begraafplaats Vysehrad wordt, niet ten onrechte, de erebegraafplaats van Praag genoemd. Binnengegaan vlakbij de kerk van de Heilige Petrus en Paulus . Jan Dvorak, misschien wel familie van Antonin ligt in de arcade naast Skardova. Vlakbij Antonin Dvorak, componist, in een monument van Ladislas Saloun. Svatopluk Cech, dichter en schrijver. Beeld van Jakub Obrosky onder een linde verwijzend naar “In de schaduw van de lindeboom”, van Cech. Jan Purkyné was wetenschapper en Jan Neruda was een van de belangrijkste schrijvers van zijn tijd. Het monument “slavin” is de ereplaats voor alle verdienstelijke Tsjechen waaronder Julius Zeyer, dichter; Alfons Mucha, schilder en Bohumil Kafka, beeldhouwer. Bedrich Smetana , componist van onder ander “Ma Vlast, “mijn vaderland”. Hier kreeg ik de indruk dat er vroeger een ander grafmonument op stond en het blijkt nog te kloppen ook volgens mijn documentatie van 1999.
Jacques Buermans
 
Foto’s: Ria Vaes en Jacques Buermans
 

Begraafplaatsen in de frontstreek (deel 2)


In 14-18 zijn een half miljoen soldaten van diverse nationaliteiten gesneuveld. Vorige keer las u iets meer over het Britse Tyne Cot Cemetery in Passendale en het Deutscher Soldatenfriedhof in Langemark. In West-Vlaanderen vinden we ook negen aparte Belgische militaire begraafplaatsen: ze zijn gelegen in Hoogstade-Alveringem, Oeren-Alveringem, Adinkerke-De Panne, De Panne, Keiem-Diksmuide, Houthulst, Ramskapelle-Nieuwpoort, Steenkerke-Veurne en Westvleteren (de begraafplaats van Steenbrugge die deel uitmaakt van de stedelijke begraafplaats in Assebroek niet meegerekend).
Daarvan heb ik er zes bezocht waarover ik u verderop – in willekeurige volgorde – iets meer vertel.
 
Op elke begraafplaats vinden we dicht bij de ingang een houten schuilgebouwtje, met daarin het registerkastje (met bezoekersboek) en de plattegrond. Overal wappert centraal de Belgische vlag. Telkens zag ik ontelbare graven van jonge mensen die het leven lieten in die gruwelijke oorlog waarvan de zin me ontgaat. Ik werd ook elke keer getroffen door de mooi aangelegde dodentuinen en de goed onderhouden aanplanting, het werk van het Ministerie van Defensie. Oorden van stilte die tot nadenken en ingetogenheid stemmen …
 
De begraafplaatsen en de graven
 
Voor we de begraafplaatsen zelf aandoen, vertel ik u iets meer over het ontstaan van de begraafplaatsen en over de graven. Wie meer wil weten, kan de toegevoegde links raadplegen.
 
Tijdens de oorlog zelf werden Belgische gesneuvelden door hun kameraden begraven, ergens ten velde, waar ze gevallen waren. Zo mogelijk werden ze op bestaande gemeentelijke kerkhoven begraven of op inderhaast nieuw aangelegde begraafplaatsen. Tegelijk ontstonden achter het front gemengde militair-burgerlijke kerkhoven nabij de medische verzorgingsposten en veldhospitalen die opgericht waren, zoals in Westvleteren, Hoogstade, Oeren, Steenkerke, Adinkerke en De Panne.
 
De graven en begraafplaatsen lagen in bezet gebied en ontsnapten aan het gezag van de Belgische regering. Het niet-bezette deel van België viel totaal onder militair gezag. De Belgische regering en administratie verbleven in Le Havre, in Frankrijk. Dat verklaart wellicht voor een deel dat België pas in februari 1918 schikkingen nam om administratieve formaliteiten omtrent doden en vermisten af te wikkelen, graven te registreren en militaire begraafplaatsen in te richten en te beheren.
 
De bestaande kerkhoven boden twee jaar na de wapenstilstand een hallucinante aanblik. Tijdens de oorlog waren van alle mogelijke materialen gemaakte kruisen geplant, waaronder de heldenhuldezerkjes naar een ontwerp van, door de schilder en tekenaar Joe English. Ze hebben naar Iers voorbeeld de vorm van een Keltisch Kruis. Bovenaan zien we het opschrift AVV-VVK. Daaronder is de mythische blauwvoet afgebeeld, een verwijzing naar Albrecht Rodenbach. Van het oorspronkelijk aantal zijn er nog circa 75 bewaard op diverse militaire begraafplaatsen. (600)
 
Graven waren door de kameraden van de gevallenen afgebakend en versierd met bloemen en planten en allerlei gevonden voorwerpen. Na de wapenstilstand werden hier en daar individuele grafzerken gebouwd door vermogende nabestaanden. Andere graven waren overgelaten aan de zorgen van de gemeenten die wel andere bekommernissen hadden dan de graven netjes te houden. Wanneer men met de herinrichting van bestaande kerkhoven en de aanleg van begraafplaatsen begon, waren ondertussen al een aantal gesneuvelden door hun nabestaanden – op eigen initiatief en dikwijls ongeweten – terug naar huis gehaald en op de eigen gemeentelijke begraafplaats ter aarde besteld.
Uiteindelijk zouden maar de helft van de 38.000 Belgische gesneuvelden een laatste rustplaats vinden op een Belgische militaire begraafplaats, de overgrote meerderheid in een graf met een standaard Belgische grafsteen die vanaf 1924 in voege kwam, naar een ontwerp van de Brusselse architect Fernand Simons.
Meer info over de zerken op http://nl.wikipedia.org/wiki/Heldenhuldezerk
en op http://nl.wikipedia.org/wiki/Belgische_militaire_begraafplaats.
 

De Panne


Achter de gemeentelijke begraafplaats van De Panne vinden we de grootste Belgische militaire begraafplaats in de frontstreek. Ze werd aangelegd op grond van de familie Calmeyn en is zo’n 270 are groot. Als ontwerpers van de begraafplaats worden zowel Alexandre Andringa, generaal en krijgsgouwheer van de provincie West-Vlaanderen, genoemd als de Brusselse architect Eugène Dhuicqu. Hulptroepen van de genie en soldaten van gevechtseenheden die op rust waren in De Panne, hielpen bij de aanleg van de begraafplaats die op 1 juli 1918 ingewijd werd door de Ieperse deken, monseigneur De Brouwer. De eerste begrafenissen hadden er al plaats op 25 maart 1918.
 
Het terrein heeft een rechthoekige plattegrond. De rechthoekige perken zijn geometrisch aangelegd rond een centrale vlaggenmast: er zijn vier grote kwartieren perken, onderscheiden door een betonnen midden- en dwarspad. Deze kwartieren zijn op hun beurt nog eens onderverdeeld in vier perken, aangeduid met een letter. De perken bestaan uit grasperken met meestal dubbele rijen grafstenen, die rug aan rug opgesteld staan, met spiraeastruiken ertussen geplant.
 
Vandaag zijn er op de militaire begraafplaats van De Panne 3.739 grafstenen terug te vinden, waarvan 136 herdenkingsstenen (m.a.w. die soldaten liggen er niet begraven). In het totaal liggen er dus 3.366 Belgische gesneuvelden, waarvan er 811 niet geïdentificeerd konden worden. Er liggen ook 36 Fransen, waarvan men er 3 niet kon identificeren. Zowat de helft van de gevallenen sneuvelde tijdens het eindoffensief in 1918.
Op de begraafplaats liggen ook 342 Belgische doden uit WO II, waarvan er 42 niet geïdentificeerd konden worden.

Houthulst

De begraafplaats werd in 1924-1925 aangelegd bij het Vrijbos. De begraafplaats heeft een stervormige plattegrond en is 5,24 ha groot. De paden zijn aangelegd in rode kiezelsteen. De rest van de begraafplaats wordt ingenomen door grasperken met de graven. Het geheel wordt getooid met bloemperken en bomen.
 
De begraafplaats telt 1.907 graven waarvan 1.823 Belgische; 1230 van hen zijn geïdentificeerd. De meeste soldaten sneuvelden tijdens het eindoffensief van 28 september 1918, waarbij het bos van Houthulst op de Duitsers heroverd werd. Helemaal achteraan liggen er ook 81 Italianen begraven, waarvan er 74 geïdentificeerd werden. Ze waren Duitse krijgsgevangenen en werden tijdens het eindoffensief als levend schild gebruikt.

Oeren

Rond het rond het 16de-eeuwse, laatgotische kerkje van de Alveringemse deelgemeente Oeren ontstond al tijdens de oorlog een militaire begraafplaats. We zien er in totaal 509 grafstenen voor 508 doden. Het graf van onderluitenant Getteman is leeg: hij werd in 1956 ontgraven op verzoek van zijn echtgenote en herbegraven op het kerkhof van Maffle. Zes doden konden niet meer geïdentificeerd worden.
 
Ooit stonden hier heel wat heldenhuldezerkjes. In februari 1918 werden zo’n 38 graven besmeurd. Vandaag vind je in Oeren nog 5 heldenhuldezerkjes terug.

West-Vleteren

Het rechthoekig terrein meet circa 123 op 54 meter. In het midden zien we een breed middenpad in rood grint. Links daarvan staat centraal een calvariekruis onder een treurwilg.
 
Franse soldaten startten met de aanleg van deze begraafplaats in de herfst van 1914. Pas vanaf juni 1916 kregen gesneuvelde Belgische soldaten hier ook een laatste rustplek. Na de oorlog breidde deze begraafplaats uit met graven van Belgische soldaten. De Franse soldaten werden ontgraven en naar hun woonplaats overgebracht.
 
Er staan op de begraafplaats 14 heldenhuldezerkjes en 1 Britse grafsteen. Er is ook één privaat grafteken. De rest van de graven zijn officiële Belgische grafstenen. Er liggen 1.208 doden, waarvan er 2 herdacht worden; 33 onder hen konden niet meer geïdentificeerd worden.

Adinkerke-De Panne

De plattegrond heeft de vorm van een rechthoek, die naar achteren toe verbreedt. Het terrein is vlak en 101 are groot.
 
Op de begraafplaats liggen 1.651 Belgen, 1 Fransman (onder een Belgische officiële grafsteen, weliswaar met de Franse driekleur) en 67 Britten (waarvan 59 afkomstig van het Verenigd Koninkrijk en 8 van Brits West-Indië). Zestig Britten stierven in 1917 (van mei tot november 1917 behoorde Adinkerke tot de Britse sector). Zes Belgen liggen onder een heldenhuldezerkje begraven; vijf van hen hebben een particuliere grafsteen. Er liggen ook drie Belgen die niet geïdentificeerd konden worden.
 
Vanaf eind september 1914 startte men de uitbreiding van het bestaande kerkhof.
Hier lag ooit enige tijd Emile Verhaeren begraven die op 27 november 1916 om het leven kwam bij een treinongeval in het station van Rouen. Later werd zijn lichaam overgebracht naar Wulveringem en elf jaar later, op 9 oktober 1927, naar een praalgraf aan de Schelde-oever in zijn geboortedorp.
(515->518)
Meer info op https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woi/relict/487
en http://www.emileverhaeren.be/gravenEV.html

Ramskapelle

De begraafplaats ligt aan de fietsroute 'Frontzate' op de voormalige spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide, op circa 3 km ten westen van de IJzer. De begraafplaats ontstond na de oorlog. Veldgraven uit het onder water gezette gebied en graven vanop gemeentelijke begraafplaatsen uit de buurt werden er samengevoegd.
 
De begraafplaats heeft een driehoekige plattegrond. Het terrein loopt op vanaf de weg en bestaat uit verschillende niveaus die verbonden zijn door kleine, bakstenen trapjes van 3 treden. De begraafplaats beslaat een oppervlakte van 84 are. De grafstenen zijn aangelegd in een halve cirkel.
 
Er staan 625 stenen, waaronder 600 doden begraven liggen en waarop er 34 herdacht worden. Van de 634 doden konden er 402 niet meer geïdentificeerd worden (dat is 63,4%!).
Eén dode, Louis Notaert, ligt hier wel begraven, maar heeft geen grafteken. In 1952 kwam zijn lichaam aan de oppervlakte tijdens ploegwerken in het nabijgelegen Stuivekenskerke. Hij sneuvelde tijdens de Slag aan de IJzer tussen 22 en 31 oktober 1914. Zijn lichaam rust onder een houten kruis in het gras rechts van de ingang, maar hij heeft tot op vandaag nog geen grafsteen.
Meer info op https://inventaris.onroerenderfgoed.be/woi/relict/457
 
Uiteraard zijn er ook Belgische begraafplaatsen elders in het land. En liggen er in de Westhoek nog meer Fransen, Britten en Duitsers begraven. Dat is voor volgende afleveringen.
 
Tekst en foto’s: Mia Verbanck

Smaakwandelingen


Vorig jaar, na het geslaagde project, waar we na de smaakwandeling, de proeverijen in het Kasteel van Schoonselhof mochten brengen, zouden we dit jaar voor de week van de smaak, enkele smaakwandelingen organiseren. Het zouden er een zestal worden – benieuwd of er volk zou komen. Inschrijven liep vrij vlot, waardoor er al snel een extra uitgave gepland werd.
In een weekend dat we twee rondleidingen hadden, regende het pijpenstelen en het zag er niet naar uit dat het snel zou stoppen. Tot dan was het een leuke, maar hele karwei om alle proeverijen op het juiste moment op de juiste plaats te krijgen. Die morgen belde Jacques met het voorstel om de proeverijen voor een deel te concentreren in één van de zogenaamde wachthuisjes. Het was een schot in de roos! We stonden min of meer droog en het werd vanaf dan een rustpunt; een soort pauze in het midden van de rondleiding.
Het was zoals gezegd, niet altijd zonneschijn, en ook niet altijd regen. In het begin was het een beetje zoeken om het organisatorisch rond te krijgen. Hoe meer rondleidingen we deden, hoe vlotter het ging en hoe meer we op elkaar ingespeeld raakten. Maar de leukste verassing was er toch bij de laatste rondleiding. Die was op 7 december, de dag na … Juist. Jacques was niet in zijn gewone doen en al snel kwam de verklaring samen met twee Pieten aangewandeld….
Het was leuk en wat mij betreft, zeker voor herhaling vatbaar!

Leen Otte

Nationale begrafenis Koningin Fabiola


Op vrijdag 12 december werd te Brussel de nationale begrafenis gehouden voor Koningin Fabiola.
De oud-vorstin was overleden op 5 december in het kasteel van Stuyvenberg op 86-jarige leeftijd.
De regering werd belast met de organisatie en hield rekening met de wensen van de familie. Men moest echter teruggrijpen naar het draaiboek van de begrafenis van Koningin Elisabeth in 1965.
In tegenstelling tot haar illustere voorgangster kreeg de Koningin-Weduwe geen staatsbegrafenis maar wel de ondergeschikte ‘nationale begrafenis’. Men kon dit zeer goed merken aan het feit dat de kist niet op een affuit werd geplaatst, een minimale militaire eer kreeg, de diverse buitenlandse gasten niet te voet achter de kist gingen en de afwezigheid van de hoogwaardigheidsbekleders naast de kist.
Gewone burgers en genodigden werden verwacht vanaf 08.30 in de Sint-Goedele en Sint Michielskathedraal. Het protocol had het echter niet erg in de hand want het was een chaotisch gebeuren. Zo kwamen ambassadeurs en ministers aangereden die erop stonden dat een medewerker hun auto voor hen opende en dat zij met een paraplu begeleid werden tot in de kerk. Anderen stapten gewoon uit en gingen hun gang. Meerdere malen werd er gevreesd dat er door het natte wegdek nog ongevallen zouden gebeuren. Maar net op tijd kwam alles in een goede orde al werd de protocollaire rangorde van de gasten niet gerespecteerd.
De weinige toeschouwers aan de kerk waren getuigen van een mediacircus dat wellicht op een grotere opkomst had gerekend. Het weer en waarschijnlijk de dag speelden hier wel mee. Het was trouwens een gewone, stormachtige werkdag.
De koninklijke escorte te paard droeg de lansen vooruit, waren voorzien van een zwart rouwbandje en  begeleiden de lijkwagen met daarachter de koninklijke familie.
Terwijl de kist uit de lijkwagen op een draagberrie werd gezet verzamelde de Koninklijke familie zich om de kist te begroeten.
Na het Ten Velde werd op een eenvoudige manier  de kist overgedragen aan de militairen die haar de kerk binnendroegen.
De kerkdienst binnen was volgens de wens van de overledene in het teken van hoop en liefde met muziek en teksten door haar zelf gekozen.
Bij het verlaten van de kerk was de militaire escorte te paard vervangen door een gemotoriseerde eenheid. De laatste tocht naar de crypte kon aanvangen onder een applaus van een iets grotere menigte toeschouwers.
De overige buitenlandse gasten bleven binnen wachten tot de lijkstoet vertrokken was op één uitzondering na, namelijk de Groothertog van Luxemburg en zijn familie. Zij sloten nu wel aan bij de rouwstoet. Opvallend was dat Prinses Lea zich vanop de trappen niet meer kon bedwingen om haar knalrode gsm te nemen. Waarschijnlijk verwittigde ze het paleis al om te zeggen dat de koffie moest klaarstaan.
Het scenario verliep achteraf iets beter en liep vertraging op. De 80-jarige keizerin Michiko van Japan schreed de trappen af met een waardigheid ‘om U’ tegen te zeggen. Ze beantwoorde zelfs de toejuichingen van de omstaanders. De Nederlandse Prinses Beatrix haastte zich de wagen in terwijl de Scandinavische vorsten Koning Harald van Noorwegen en zijn zuster prinses Ragnild, Koning Carl-Gustav van Zweden met echtgenote Sylvia en Koningin Margaretha van Denemarken nog even tijd maakten om diverse personaliteiten te begroeten. Prins Moulay van Marokko en de prinsen van Koeweit en Qatar deden de Oosterse sfeer van hun kledij eer aan en begroeten heel spontaan de toeschouwers. De Thaise Prinses Sirindhorn liet iedereen wachten maar met haar eenvoud en glimlach werd alles goed gemaakt. Opvallend was ook de aanwezigheid van enkele oud-monarchen zoals Koning Foaud II van Egypte, Grootvorst Georg van Rusland, aartshertog Karl van Oostenrijk, Koning Michael van Roemenië, de hertog en hertogin van Angoulème en ook al een gsmverslaafde maar nog even mooie Keizerin Farah Diba. Koning Juan-Carlos en Sofia gingen net zoals de hoogbejaarde groothertog Jean langs een zijportaal weg.
Koningin Fabiola werd bijgezet na een korte plechtigheid te Laken in de Koninklijke Crypte.
Ze ligt nu na 21 jaar op de kist van Koning Boudewijn.
De crypte zal door deze bijzetting niet meer toegankelijk zijn tot 14 februari 2015, de sterfdag van Koning Albert I.

Tekst en foto’s: Geert Janssens

Een Europese architecten- en kunstenaarsfamilie N.a.v. de tijdelijke expositie over 5 generaties Cluysenaer, in het Charliermuseum van Sint-Joost-ten-Node


Telgen uit Oostenrijk, Duitsland en Nederland
De telgen van de familie Cluysenaar of Cluysenaer stammen af van een Hollandse en een Duits-Oostenrijkse architectenfamilie. De familienaam Clausner werd al vermeld in dokumenten,  in het kadaster van Flirsch  en i.v.m. met de Dom van Keulen. De exodus startte in de 18de eeuw,  met de uitwijking van de broers Paul (geboren in Flirsch, op een onbekende datum in 1699 en overleden in 1754, in het Nederlandse Mechelen) en Franz Klausener (geboren in 1709 in Flirsch en overleden in 1770, in het Duitse Burtscheid). Zij waren de zonen van Basileus Klausener (geboren op 12 juni 1667 in Flirsch en er overleden in 1741). Flirsch ligt in het Oostenrijkse Tirol. Franz werd later de stamvader van een succesrijke architecten- en ondernemersfamilie in Burtscheid (Aken). Bij hem heeft de eerste naamsverandering plaats: Klausener. Deze familietak bleef ca. 200 jaar in de regio actief. Paul is de stamvader geworden van de bekende architekten- en kunstenaarsdynastie Cluysenaer, actief in het Nederlandse Limburg en België.
Paul werd vanaf 1729 als bouwondernemer en –inspecteur van de kerken van Eijs en Wittem en het kasteel Schloss Neuburg in het Nederlandse Limburg vermeld. In dokumenten is hij ook als wethouder bij het Hoog Gerechtshof en als architect uit Wittem beschreven. Tussen 1750 en 1751 waren Paul en de jongere broer Franz actief als meester-metselaars en – timmerlui bij de bouw van de nieuwe Johannes de Doperkerk van Burtscheid. Deze kerk was door de bekende architekt Johann Josep Couven ontworpen. De broers waren  verantwoordelijk voor de koepelbouw. Later werden ze ook betrokken bij de bouw van de Waalse of Lutherse kerk in Vaals. Franz huwde in Burtscheid met Helena Kugl en kreeg 5 kinderen, waaronder de architect Franciscus Adolphus Klausener (of Franz Adolf, geboren in 1739 en overleden in 1789).
Franciscus Adolphus Klausener kreeg 10 kinderen en was op zijn beurt de vader van architect Franciscus Wilhelmus Klausener (of Franz Wilhelm, geboren in 1765 en overleden in 1798) en van de bekende bouwondernemer Gaspard (of Caspar) Friedrich Klausener (geboren in 1818 en overleden in 1880).
Franciscus Wilhelmus Klausener werd de vader van de architect Peter Klausener senior.  
Gaspard Friedrich Klausener had verschillende zonen. Alfons Klausener en Eugen Klausener werden of burgermeester van Burtscheid en staatspoliticus,  of een belangrijke textielindustrieel. Eugen liet in Aachen de Villa Klausener  bouwen; deze villa is de huidige Commerzbank. Hun afstammelingen bleven verder actief in de poltitiek en in de textielindustrie.
Bij de latere generaties waren er ook architecten, zoals Peter Klausener senior en Aloys Klausener, die de neoromaanse Sint-Gertrudiskerk in Wijlre, bij Gulpen-Wittem bouwde.
De jongere broer van Franz, Paul of Paulus Klausener, huwde in 1730 met Maria Priem (Driemen) uit Wittem. In deze familietak gebeurden er verschillende naamsveranderingen. De familienaam Klausener werd achtereenvolgens Clousener, Kluisenaar en tenslotte Cluysenaar of Cluysenaer. 
Paul Klausener kreeg 10 kinderen, waaronder Johannes-Petrus (geboren op 6 juni 1742 in Mechelen-Wittem en overleden op 28 juni 1822 in Gosselies). Johannes Petrus huwde  Johanna Diesener en werd actief als architekt. Hij was de vader van Johannes Klausener. De familienaam verandert in Kluizenaar.
Johannes Klausener of Kluysenaar (geboren op 20  augustus 1796 en overleden op 30 september 1834) werd in de economisch bloeiende periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden als verdienstelijk ingenieur en bouwkundige bij de waterstaat met zijn vrouw Gerinda Geritsen en zijn zesjarige zoon Jean-Pierre naar ons land gestuurd. Kampen bevindt zich in de provincie Overijssel. Johannes werkte in Antwerpen, Vleurgat (Brussel) en Gosselies en was vanaf 1817 verantwoordelijk voor het realiseren van bruggen en wegen.  Zijn familienaam werd omgevormd tot Cluysenaar. Door de Belgische Omwenteling van 1830 verloor hij echter snel zijn goede baan. Hij zou het nadien moeilijk hebben, om te overleven en leidde een houthandel, in Elsene.
Jean-Pierre Cluysenaar, stamvader van kunstenaars en van een architecten   
Jean-Pierre Cluysenaar  (geboren op 28 maart 1811, in Kampen en overleden op 16 februari  1880, in Sint-Gillis, of Brussel)  werkte vanaf zijn 16 jaar al bij een steenhouwer. Hij volgde echter tegelijkertijd ook tekenlessen en een cursus architectuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel, bij Alexander Werry en Pierre Tasson. Vervolgens vond hij werk, in het Ministerie van Openbare Werken, bij Tilman François Suys (1771-1834). Vader T.F. Suys was de hofarchitect van koning Willem I en verantwoordelijk voor de verdere afwerking van het Academiënpaleis (het vroegere Paleis van de Prins van Oranje te Brussel), de rechtervleugel van het Arenbergpaleis en Suys' eigen woning aan de Schaarbeekse Poort. Suys had snel het bijzondere teken- en graveertalent van de jonge Cluysenaar opgemerkt en hem daarom tot vaste medewerker benoemd. Door Suys kreeg Cluysenaar een bijzondere interesse voor de Italiaanse renaissance en de Romeinse architectuur. Na 1835 ging Cluysenaar zijn eigen weg. Hij ontwierp ook gebouwen in andere neostijlen en het eclecticisme en ontwikkelde een eigen stijl, met aandacht voor de eigen traditie, de typische streekmaterialen ven de polychrome vermenging van verschillende bouwmaterialen. Cluysenaar gebruikte ook als één der eerste bouwmeesters metaal en glas in onze Belgische architectuur en kreeg omwille van sociale en maatschappelijke interesses een bijzondere aandacht voor het samengaan van wonen en werken. Hij werd als piepjonge architect van amper 26 jaar door de bouw van de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen (op amper 13 maanden tijd voltooid) de bekendste architect van Brussel. Zijn hele leven lang heeft hij gestreden voor een hervorming van het versnipperd en dilettantisch onderwijs en de waardering van het architectenberoep en van de architectuur. Hij vocht voor een vakkundige en lange begeleiding van minstens 7 jaar, door de meest ervaren architecten. 'ledereen kan in principe het beroep van architect uitoefenen zonder examen of zonder speciale vergunning. Ook al de meestermetselaars, timmerlieden, enz... profiteren van deze vrijheid om zich als architect door te laten gaan. Deze mensen hebben, voor het overgrote deel, slechts een zeer gering onderricht gehad, hoogstens enkele elementaire noties van architectuur, dikwijls zeer oppervlakkig onderwezen in onze openbare tekenscholen...', schreef Cluysenaar in 1859.
Jean-Pierre Cluysenaar bleef ca. 50 jaar actief. Hij werd, in tegenstelling tot zijn vader, een rijk man. Hij bouwde allerlei soorten gebouwen. Zowel openbare, zoals theaters, speelzalen, casino’s, kursalen en stations, waarvan de 17 spoorwegstations en wachthuisjes van de spoorweglijn Dender-Waas de meest bekende zijn. Deze gebouwen moesten zowel efficiënt, geïntegreerd en gevarieerd zijn. Verder realiseerde hij een hele reeks plattelands- en stadsvilla’s, waaronder zijn eigen (verbouwde en beschermde) woning aan de Kunstlaan 10/11, in de buurt van het Charliermuseum, en het hotel de Meeûs aan het Frère-Orbanplantsoen, dat nu de zetel van de Raad van State is. Cluysenaar bouwde ook vele kastelen, zoals het kasteel Rey in Drogenbos, de villa Servais in Halle en het kasteel met bijgebouwen, voor Baron de Viron, dat het huidige gemeentehuis van Dilbeek is. Ook hotels in Luik en Brussel, zoals het hotel Cluysenaar of het huidige hotel Astoria,  aan de Koningsstraat, dat nu al jaren wacht op een renovatie. Tenslotte ook muziekgebouwen, zoals het Koninklijk Muziekconservatorium en de ijzeren muziekkiosk in het Koninklijk Park. En prachtige galerijen en markten. De Magdalenamarkt bij de Bortiergalerij bleef gelukkig bewaard, maar de 2 overdekte markten aan de Congreskolom in de ‘Bas-Fonds’, met prachtig panorama, zijn spijtig genoeg verdwenen. Stadsverfraaiing lag hem zeer nauw aan het hart. Het werd zijn belangrijkste programmapunt. Zijn constructies in de stad werden net zoals de gebouwen en de station op het platteland organisch met de omgeving verbonden. Ook bij zijn ontwerpen van landhuizen, villa's, kastelen, boerderijen, kerken, boerderijen en veeteeltbedrijven streefde hij ernaar om door de kleur, de aard en de bodemgebondenheid van de gebruikte materialen (blauwe en witte steen, rode baksteen) aan deze gebouwen een uitwendig effect te geven, dat zowel origineel als aangenaam oogt. Cluysenaars opdrachtgevers in het jonge land België waren vooral ook fortuinrijke en liberale bourgeois en bankiers, waaronder John Cockerill en bankier De Mot. Cluysenaars werk was sterk (hoofd)stedelijk georiënteerd. Maar ook in het buitenland kreeg hij vele opdrachten. In Aachen en Burtscheid, waar 1 familietak actief was, bouwde hij tussen 1844 en 1851 een casino, een concertgebouw en een uitbreiding van de Elisenbrunnen. Later verrezen een theater en een Kurhaus, in Bad Homburg,  bij Frankfurt en een Handelsbeurs en –galerij in Berlijn. De meeste gebouwen werden echter  door de  2 wereldoorlogen verwoest.  Gelukkig zijn er nog enkele stadswoningen of hotels in Aachen bewaard, aan de Franzstraße 48 (hotel  Nellessen),  de Friedrich Wilhelm Platz 6 ( Hotel Nuellens) en Templergraben 79. Cluysenaar kreeg ook de opdracht voor het groot theater van Amsterdam en het Kursaal van Scheveningen.
In 1841 werd Cluysenaar genaturaliseerd en Belg. Hij was lid van onze  Academie voor Archeologie en van de Academie voor Schone Kunsten in Amsterdam. Hij was officier in de Leopoldsorde en erelid van de Royal Institute of British Architecs en vicevoorzitter van de Koninklijk Commissie voor Monumenten van België. Hij verwierf vele medailles en titels. Jean-Pierre Cluysenaar huwde twee maal. Een eerste maal in 1830, met Elisabeth Puttaert, en een tweede maal met haar schoonzus, met Adelaide Puttaert. Zo werd hij op zijn beurt de stamvader van een belangrijke familie van kunstenaars.
Jean-Pierre Cluysenaar was de vader van Gustave en van Jean André Alfred Cluysenaar.  Zijn dochter Adèle Clotilde  (geboren op 31 augustus 1834 en overleden op 15 augustus 1901), huwde de architect Gustave Saintenoy (1832-1892), architect van het Rekenhof. Adèle werd in 1862 de moeder van architect Paul Saintenoy (1862–1952), de bouwer van Old England. Zo werd Jean-Pierre Cluysenaar ook grootvader van een bekend architect.    
Een dynastie van schilders en beeldhouwers
 Zijn 2de zoon, Jean André Alfred Cluysenaar (geboren op 24 september 1837 in Brussel en overleden op 23 november 1902, in Sint-Gilis) studeerde eerst beeldhouwkunst  bij  J. B. Jacquet. Nadien volgde hij lessen schilderkunst aan de Academie van Brussel, bij Jean François Navez. Hij volgde de raad van zijn vaders vriend, de schilder Louis Gallait, en trok naar Parijs, waar hij studeerde aan de Ecole des Beaux Arts en in het atelier van Léon Cogniet. Nadien reisde hij drie jaar rond doorheen Italië en Duitsland. Hij was de eerste schilder uit de familie. Hij hielp eerst zijn vader, o.a. in Bad Homburg. Alfred was zowel schilder, tekenaar, pastellist en aquarellist. Hij maakte werken met mythologische, religieuze en literaire thema’s, in de stijl van Ingres en Delaroche en was eerst beïnvloed door de renaissance. Hij schilderde ook dieren, portretten (van vrienden- kunstenaars, de koninklijke familie, aristocraten en politici), landschappen en romantische en oriëntaliserende historieschilderijen. In 1859 stelde minister Charles Rogier een speciaal krediet ter beschikking aan de steden, voor de decoratie van hun openbare gebouwen. Door toedoen van professor en schepen Gustave Callier werd het krediet in Gent gebruikt voor het aanbrengen van monumentale muurschilderingen, in de trapzaal van de Aula, gebouwd door Louis Roelandt. Alfred werkte er samen met  Lodewijk Jan De Taeye en Victor Lagyet en voltooide de opdracht, in 1881. Hij werkte ook in de Zoo van Antwerpen en het trappenhuis van het gemeentehuis van Sint-Gillis (1890), samen met Jacques de Lalaing.
Alfred Cluysenaar was in zijn tijd even beroemd als Emile Wauters, Lievin de Winne en Eduard Agneessens. Hij huwde in 1873 met Marie-Thérèse Cornélis en werd vader van drie kinderen. Hij werkte na zijn terugkeer uit Italië in een van de ateliers, die zijn vader Jean-Pierre Cluysenaar in de Bronstraat in Sint-Gillis had gebouwd. Het complex werd spijtig genoeg afgebroken. Na zijn vaders dood ging Alfred in de buurt van het atelier wonen. De gemeente Sint-Gillis gaf in 1907, na de dood van Alfred, een straat zijn naam.
Alfred werd in 1866 aangesteld als professor aan het Hoger Instituut van Schone Kunsten van Antwerpen (of het huidige NHISKA).  Later werd hij de directeur van Tekenakadémie van Sint-Gillis en lid van de Koninklijke Akademie van België. Jacques de Lalaing en Jean Delvin  waren zijn bekendste leerlingen. Er is werk van hem aanwezig in het Koninklijk Paleis, in het Parlement, in de musea van Antwerpen, Brussel, Charleroi en Luik.
Net zoals zijn vader was hij ridder in de Leopoldsorde. Hij behoorde tot vele  Brusselse verenigingen, zoals de Société des Beaux-Arts en de Cercle artistique et littéraire.  In 1902, n.a.v. zijn overlijden schreef de New York Times dat hij de bekendste schilder van België was.
Alfred is de vader van André Cluysenaar en schilderde een prachtig portret van zijn zes- of zevenjarige zoontje, leunend tegen de rug van een zetel, en met enkele schildersvoorwerpen, en gaf het de titel ‚Vocation‘ of roeping.
Het familiegraf,  waarin meerdere telgen begraven werden, bevindt zich op het kerkhof van de Dieweg te Ukkel.
André Edmond Alfred Cluysenaar  (geboren op 3/5/1872 in Sint-Gillis en er overleden op 7/4/1939) werd door zijn vader Alfred opgeleid. Hij schilderde eerst en maakte vanaf 1897 beedlhouwwerken, die hij op de sectie van Schone Kunsten toonde, n.a.v. de wereldtentoonstelling van 1897. Nadien verdiende hij vanaf 1902 opnieuw zijn brood met portretten. Hij werd een leerling van het vrije atelier van Jean Portaels en had er als medeleerlingen Jacques de Lalaing en Fernand Scribe.
Hij huwde een Schotse, Alice Frances Gordon, die een afstammelinge van de Engelse dichter Lord Byron was. Hij verbleef tijdens de eerste wereldoorlog in Engeland. Daar werd hij beroemd, als portretschilder van prominente personen, leden van de 'Royal Family, politici en "oorlogshelden '. Daarbij schakelde hij over naar een daar commercieel meer gangbare academische stijl, beïnvloed door de Belgische schilder Alfred Stevens. Hij schilderde aanvankelijk romantische en later luministische landschappen, maar ook bloemen, naakten en portretten. Tal van portretten, zoals deze van Arthur Balfour, Herbert Henry Asquith en Robert Chalmers zijn te zien in de Londense National Gallery. Een portret van koning Albert aan de Ijzer bevindt zich in de Londonse ambassade.
Hij was bevriend met Alfred Bastien en Alfred Baertsoen en lid van het kunstenaarscollectief. Uccle Centre d’Art, sinds de stichting in 1902.
André Cluysenaar overleed in 1939, amper 66 jaar oud, na maanden geleden te hebben aan hartproblemen.
John Edmond Cluysenaar (of John Jean Edmond Cluysenaar, geboren op 26 september 1899 in Ukkel en overleden op 31 juli 1986 in  Noville-sur-Mehaigne/Namur), was de zoon van André Cluysenaar en de laatste mannelijke telg. Hij was een eigenzinnige persoonlijkheid met een opvallende Engelse touch, door o.a.; zijn zin voor humor en zijn blijvende zoektocht naar het absolute. Hij was zowel beeldhouwer als schilder en een autodidakt. Zijn vader werkte hem tegen. John ging daarom weg van huis en verbleef vanaf zijn 16 jaar in London, zonder middelen, waar hij  geld verdiende door allerlei beroepen uit te oefenen. Vervolgens deed hij 2 jaar legerdienst, tijdens wereldoorlog 1, tussen 1917 en 1919.  Na de oorlog legde hij zich verder toe op de beeldhouwkunst. Hij verwierf in 1924 en 1925 belangrijke prijzen, zoals de prijs van Rome en de Godecharleprijs. Daardoor kon hij ook gaan reizen. Zijn eerste tentoonstellingen werden in Engeland georganiseerd.  Zijn busten bewijzen de invloed van Carpeaux en van impressionisten, zoals Rodin en Rik Wouters. Bekende werken zijn het portret van zijn vader en van de schilder Eugène Laermans. Later maakte hij tal van standbeelden, zoals o.a. het beeld van de prins de Ligne in het Egmontpark, en beelden langs de hoofdlaan op de Heizel, op de wereldexpo van 1935.
John week in 1938 naar London uit. Hij stopte na de dood van zijn vader met beeldhouwen en begon te schilderen. Eerst figuratief, en vanaf de jaren ’50 abstract, met aandacht voor felle kleuren, zoals rood, purper en zwart. Het thema bleef 40 jaar lang het gezicht of het masker en was een voortdurende zoektocht vol uitdagingen. Hij was beïnvloed door het expressionisme, Jackson Pollock,  primitieve kunst en art brut drukte daardoor zijn fantasie maar ook zijn angsten uit. John exposeerde samen in Engeland met Ben Nicholson.
Bij zijn terugkeer in 1955, vestigde hij zich eerst in Brussel, en na zijn derde huwelijk, met Jacqueline Emilie Collier, in 1968, in het Naamse Noville-sur-Mehaigne. Daar heeft het echtpaar in 1987 de Stichting John Cluysenaar opgericht met 2 doelen: het oeuvre van John Cluysenaar bewaren en jonge, actuele artiesten ondersteunen. Na Johns dood werd de Stichting opgedoekt.  De weduwe schonk nadien, in 2011, omwille van de aanwezigheid van werken van de familie Cluysenaar en de realisatie van interessante tentoonstellingen, een belangrijk legaat schilderijen aan het Charliermuseum. 
Werken van John Cluysenaar bevinden zich zowel in de Koninklijke Musea van Brussel en Antwerpen, als in de musea van Schone Kunsten van Doornik, La Louvière, Luik, Mons, Elsene en het Muzee van Oostende. 
Anne, laatste, vrouwelijke afstammelinge en een bekende Engelse dichteres
John Cluysenaar kreeg uit zijn tweede huwelijk met de kunstenares Sybil Fitzgerald Hewat een dochter,  Anne Cluysenaar.  Anne werd geboren in 1936 en studeerde af aan het Trinity College in Dublin, in 1957. Anne Cluysenaar bleef in Engeland wonen en nam de Ierse nationaliteit aan, in 1961. Ze was 20 jaar lang gehuwd met de Engelsman Walt Jackson, werd  professor linguïstiek en een bekende dichteres en publiceerde méér dan 15 jaar in het tijdschrift  Scintilla. Ze gebruikte uitstluitend haar meisjesnaam. Door haar plotse dood, op 1 november 2014, in Wales, tijdens de opbouw van de Cluysenaartentoonstelling in het Charliermuseum, eindigt met haar een grote artiestenfamilie.    
Een gedicht van haar hand over Brussel sluit dan ook mijn artikel af
Bruxelles. Footings of sand.
In his fingers, a shark’s tooth.
While he crouches on broken rock,
time surges over. Like seas.
Vibrations. A taste of blood.
Lost world, sunk in cross-bedding.
His own box of bones, the skull
he looks out from, at once flung open
to forces stretching beyond.
Now his work windows my walls.
Making heads of a changing world.
Making world of the human head.
Edges of canvas no more
than where lines reach in, reach out.

Anne Cluysenaar


Opmerking: Bij het schrijven van het artikel midden december 2014 was het de auteur nog onduidelijk of de tentoonstelling in het Charliermuseum met enkele maanden zou verlengd worden. Alle concrete info kan vernomen worden via de website van het gemeentelijke museum in Sint-Joost-ten-Node, www.charliermuseum.be
Het museum bevindt zich aan de Kunstlaan 16 te Brussel.
Tel. : 02 220 26 91. en fax : 02 220 28 19. E-mail : [email protected]

Machteld de Schrijver, kunsthistorika.