Nieuwsbrief Nr. 9 - januari 2003

Westerbegraafplaats en Campo Santo verslag van het Grafzerkjesbezoek aan de Westerbegraafplaats en het Campo Santo te Gent


Weer een meer dan geslaagde begraafplaatsendag. In de eerste plaats dankzij de inzet van Grafzerk Rudy D’Hooghe die, naast reclame op zijn Westerbegraafplaats, ook de lokale pers trachtte wakker te maken voor het Grafzerkjesinitiatief.
 
In de voormiddag waren er 8 personen om het nieuw gedeelte van de Westerbegraafplaats te gaan verkennen onder leiding van An Hernalsteen. Naast 6 habitués mocht ik Magda Deldaele, de dame die ons in Roeselare gaat rondleiden en een meer dan geïnteresseerde Gentse dame verwelkomen. Voor iedereen was het een verkenning langs een aantal graven waar zij, tijdens voorgaande rondleidingen op het Geuzenkerkhof, de kans niet toe kregen. Rudy gaf toelichtingen bij “zijn” urnentuin en bij de kinderbegraafplaats.
 
Na de middag konden we 15 belangstellenden verwelkomen voor een bezoek op het oude gedeelte van de Westerbegraafplaats. 12 onder hen maakten voor het eerst kennis met de Grafzerkjes en kregen de nodige documentatie. Het is op deze wijze dat onze groep kan uitgroeien. Eens te meer gaf An het beste van haarzelf om de mensen te boeien. Het is dankzij mensen zoals haar dat een bezoek aan een dodenakker meer is dan het afratelen van data en het opsommen van “bekenden”. Als er iemand is die begaan is met “haar” begraafplaats is het wel An Hernalsteen. Het is voor mij steeds met plezier en bewondering dat ik haar grenzeloos enthousiasme aanhoor. Ik zou niet in de schoenen willen staan van iemand die zij betrapt op het wegnemen van een of ander funerair memorabilia op het Geuzenkerkhof. Ik denk dat die persoon zich veel beter kan gaan aangeven bij de lokale politie en zorgt dat hij ver uit het zicht van An blijft. Zij heeft natuurlijk het voordeel dat zij gesteund wordt door iemand als Rudy D’Hooghe. Moest er ooit een Hernalsteenfanclub komen wordt ik erelid, of groupie. An waar wacht je nog op.
Rudy verwelkomde de mensen op het Campo Santo. Hier waren 11 “nieuwelingen” en 7 Grafzerkjes. De rondleiding werd verzorgd door Sabine De Groote. Naar de reacties achteraf te horen deed zij dat meer dan voortreffelijk. Zij bleek ook welgezind te zijn. Volgens Grafzerkjeskwatongen omdat ik niet aanwezig was. Gent mag fier zijn op zijn “funeraire dames”. Spijtig genoeg was de rondleiding nogal vlug afgelopen zodat ik de nieuwelingen niet kon vergasten op de o zo belangrijke de Grafzerkjesinformatie.

Oscar Wilde door Rudy Witse een nieuw gedicht van Grafzerkje Willem Houbrechts


Grafzerkje Willem Houbrechts heeft veel pijlen op zijn boog. Als Rudy Witse zette hij ooit eens een L.P. vol met 12 gedichten over… Père Lachaise. Ik wil de Grafzerkjes deze literaire ontboezemingen niet onthouden. Daarom hierna zijn gedicht “Oscar Wilde”. Mensen die nog in het bezit zijn van een platendraaier en die interesse hebben voor de gedichten voorgedragen door Willem Houbrechts en Peggy Delandtsheer en van aangepaste muziek voorzien door altsaxofonist Mike Zinzen, kunnen een exemplaar bekomen aan € 7,5. Te bevragen bij Willem Houbrechts, Generaal Lemanstraat 34, 2600 Berchem, telefoon 03/230 49 26, E-mail: [email protected]. Liefst eerst Willem bellen, de voorraad is beperkt.

Oscar Wilde:
 
een wipneus. en een kersenmond.
zoals henri het zag, van onderen. ha!
 
het woord hakt. in het gezicht
en elders, die wonden heelde je
met zwakke pols.
het snijdende. het bijtende, het gore.
kunnen we sneeuw of verse zon nooit laten zijn
zoals ze zijn? of liefde? zonder woorden?
 
tijd maakte je stuk. zonde.
zonde, en definities, zoals daar zijn:
lord en boereknecht, dandy en ambtenaar.
geen wise-crack krijgt dat dood.
kruip naar je kuil dus, jij, klaag in een taal
die je niet spreekt. jij die van taal moest leven.
 
van je graf vliegt geen geweten op,
maar wie van ons mag dat betreuren?

Alexandre Dumas bijgezet in Pantheon schrijver van “De drie musketiers” bijgezet in Parijse Pantheon


Zaterdag 30 november was het zover: Alexandre Dumas werd, met een grootse ceremonie, bijgezet in het Parijse Pantheon. Voor het zover was woedde er een felle strijd in zijn geboortestad Villers-Cotterêts. Zij vonden de plannen maar niets, getuigend van Parijse arrogantie en gaven president Chirac, die het decreet ondertekende, alle schuld. Met een wet uit 1887, waarin staat dat elke Fransman het recht heeft zijn laatste rustplaats te kiezen, vocht men de beslissing aan. Dumas stierf in Dieppe maar uitte vlak voor zijn overlijden de wens “zijn toekomst door te brengen in de plaats waar hij zijn verleden achterliet”. Er ging een petitie rond om Alexandre met rust te laten. Villers-Cotterêts bezweek onder de Parijse druk toen men hen een bronzen beeld beloofde, gelijk aan het beeld van Dumas dat in 1942 vernield werd door de Nazi’s. De “vrienden van Alexandre Dumas” verenigden zich om de overbrenging toch teniet te doen onder de slogan” Eén voor allen, allen voor één”. Van dit alles geen woord in de Vlaamse kranten. De lezer zal zeggen: uiteraard, dit is een Franse aangelegenheid. Toch niet zo lokaal dat de Britse Daily Telegraph in juli een volledige pagina aan dit voorval wijdde.
 
De dag voor de overbrenging naar het Pantheon werd, op de Franse televisie, reeds uitgebreid de nodige aandacht besteed aan het feit dat Dumas overgebracht werd van de begraafplaats van Villers-Cotterêts naar het kasteel in Pont Marly, door Alexandre aangekocht en ingericht en een verwijzing naar het slot van de graaf van Monte Christo. Het koste Dumas indertijd een fortuin en hij diende het, na twee jaar, reeds te verkopen om uit de schulden te komen. Veertien jaar geleden brachten de “vrienden van Alexandre Dumas” daar een museum, gewijd aan de vader van “De drie musketiers” in onder. Daar werden toespraken gehouden en werd een wake gehouden ter ere van de grote schrijver.
 
Terug naar 30 november. Ik hoop dat vele Grafzerkjes de televisie-uitzending op de Franse televisie zagen. In één woord prachtig. Ik genoot van de combinatie funerair en theater. De uitzending werd doorspekt met verhalen over de grote Franse schrijver. Mijnheer Dumas werd, met de nodige honneurs, ontvangen in de senaat. Daarna ging hij, geflankeerd door vier musketiers te paard en de kist gedragen door vier andere musketiers door de Jardins du Luxembourg, richting Pantheon. Onderweg bewezen ontelbare acteurs hem de nodige eer. Op een rijdend podium werden fragmenten van zeven stukken van Alexandre Dumas vertolkt. Aangekomen op het plein voor het Pantheon werd de taak van de musketiers, symbool voor het koninkrijk, overgenomen door een, lichtchocoladekleurige, Marianne, op een wit paard, de Franse republiek voorstellend. Hier was alweer de nodige symboliek aanwezig want Dumas was een gekleurd iemand en de zoon van een uitgeweken slaaf en in ongenade geraakte officier in het leger van Napoleon Bonaparte. Na enkele mooie woorden van enkele academici nam president Chirac het woord. Daarna kreeg Alexandre zijn verdiende rustplaats in het Pantheon. Hij is de zeventigste persoonlijkheid die in deze heilige crypte rust en de zesde schrijver na Voltaire, Rousseau, Victor Hugo, Emile Zola en André Malraux.
 
Ook in België werd Dumas geëerd, juist tweehonderd jaar na zijn geboorte. In Waterloo werd een van de belangrijkste straten naar de auteur genoemd. Alexandre Dumas verbleef twee jaar lang in deze gemeente.

Wie won de trofee van beste gids of mooiste begraafplaats? Girlpower voor wat de beste gids betreft. Nieuwe award in de maak?


Niet minder dan 14 Grafzerkjes kenden punten toe. Voor wat de trofee voor de beste gids betrof werd het podium door niets dan dames bevolkt. Op de derde plaats eindigde Cecilia Vandervelde met 16 punten. Eervol tweede werd onze gids in Aalst, Lutgarde De Ridder, met 30 punten en de gouden plak ging naar “de schrik van de Westerbegraafplaats”: An Hernalsteen met niet minder dan 38 punten. Het “sterke” geslacht kwam hier niet verder dan een vierde stek. Onze Noorderbuur Guus Rüsing viel juist naast het podium met 14 punten.
 
Wat de meest gesmaakte begraafplaats betrof is een soortgelijke tendens waar te nemen in zoverre dat Maastricht juist naast de ereplaatsen greep met 15 punten. Op de derde stek, met 18 punten, Brussel Evere. Tweede werd in deze categorie de begraafplaats aan de Dieweg te Ukkel met 21 punten. Onze vriend Rudy D’Hooghe moet zo stilletjesaan een nieuwe trofeeënkast aanschaffen want de Grafzerkjesaward gaat naar de Gentse Westerbegraafplaats met 39 punten.
 
Voor 2003 stap ik af van het toekennen van een award. In de eerste plaats omdat alle gidsen hun uiterste best doen om het de Grafzerkjes naar hun zin te maken. Maar er zijn nog andere redenen. Het is namelijk onmogelijk om een eerlijke verdeling te doen tussen een rondleiding waar meer dan 30 personen aan deelnemen en een tocht met acht deelnemers. Verder zeg ik ook steeds dat we niet om de twee maand een “topbegraafplaats” kunnen aanbieden. Maar in de eindafrekening voor de awards hebben die mindere goden geen schijn van kans alhoewel het voor de mensen die daar rondleiden misschien veel moeilijker is om gedurende enkele uren de Grafzerkjes zoet te houden.
 
Voor 2003 plan ik, op vraag van enkele Grafzerkjes, een nieuwe award: die van het beste café in de omgeving van een begraafplaats. Er dient dringend werk gemaakt te worden van een verbetering van drankgelegenheden die zich nabij kerkhoven bevinden. In afwachting daarvan heb ik mijn top drie van “slechtste” drankgelegenheden nabij een begraafplaats opgemaakt.
 
Op drie het café met de leuke naam “Het is hier beter dan verder” nabij de Brugse dodenakker. Toen we daar zaten te wachten om een rondleiding op de begraafplaats te maken sloot de cafébazin, die zich daarvoor had beziggehouden met het kaartspel, haar zaak: “om wat te rusten”. Op twee de herberg nabij de begraafplaats Robermont te Luik. De “petite restauration” bleek uit crocque monsieur te bestaan. De enorme bestelling van twaalf crocques duurde een hele tijd omdat de eigenaar over slechts één toestel beschikte dat slechts twee crocques per keer kon fabriceren. Mijn soep bestond uit aangelengd water met een, vervaldatum reeds lang voorbij, toastje.
 
Op één met stipnotering taverne “Macaco”, what’s in a name, nabij het Campo Santo te Gent. Volgens mij was de lokale crèche daar gevestigd. Het krioelde er van de kinderen. Uit de televisie klonken “Tik Tak” en andere kabouter Ploptoestanden. De dienster, of wat daar voor moest doorgaan, bezat wel over twee handen maar ze gebruiken daar had ze nog geen kaas van gegeten. Na eindelijk een drankje gekregen te hebben vroegen we een tweede consumptie. Na herhaaldelijk aandringen werd onze bede niet beantwoord zodat wij node, en dorstig, deze zaak verlaten hebben. 

Op bezoek in Nederland naar de regio-uitvaartbeurs in Den Bosch


Half november toog ik naar Den Bosch op uitnodiging van Terebinther Wim Vlaanderen. Ik bezocht de regio-uitvaartbeurs, dit is een lokale funeraire beurs. Eigenaardig is dat er, in tegenstelling tot de grote vierjaarlijkse beurs in Utrecht, slechts één exposant per onderwerp is. Ik werd rondgeleid door Wim en kon hier en daar mijn bewondering niet onder stoelen en banken steken. De Steenklip maakt monumenten uit graniet en glas. Firma Van den Ban toonde hoe begraafplaatsen heden ten dage ingericht worden. Verder funeraire ceremonie- en andere kledij voor dames en heren. Blikvanger was een bus waar, naast de kist, plaats is voor 16 personen die samen met de begrafenisondernemer de laatste tocht van de overledene meemaken. De tocht eindigde bij de stand van het Nederlands Uitvaartmuseum waar Wim Vlaanderen een van de bezielers van is. Recent vond de vereniging een passende locatie op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam. Bij een gratis drankje en gebak werden we nog vergast op een Surinaamse aflegvereniging. Deze mensen zingen tijdens begrafenissen die door hen zeker niet als een droevige gebeurtenis worden beleefd. Ik had daar eveneens een onderhoud met Ruud van den Eshof, de man die voor de Terebinth de funeraire reizen verzorgt. Ruud vertelde mij dat hij erg opgetogen is met de belangstelling vanuit Vlaanderen voor deze uitstappen. 

Coördinatieproblemen op Schoonselhof er is toch nog wat werk aan de winkel op Schoonselhof


Over de relatie tussen mijzelf en de mensen van de administratie had ik de laatste tijd niet te klagen. Volgend voorval wijst er echter op dat er toch nog werk aan de winkel is. Het kan natuurlijk zijn dat het artikel (zie elders in Grafzerkje) van Annemie Havermans een averechts effect heeft gehad. Maar uit het verhaal blijkt dat sommigen het wel goed voorhebben met oude monumenten en dat anderen nog steeds “volgens het boekje” willen werken.

Op vrijdag 22 november ontvang ik een mail van Willy Van Bergen, werkleider op de begraafplaats Schoonselhof. Hij zegt dat zijn mensen op maandag 25 november beginnen met het afbreken van verwaarloosde concessies op perk R. Hij verzoekt mij om eens te komen kijken omdat hij bij enkele graven toch nog de nodige bedenkingen heeft. Maandag 25 november sta ik om acht uur bij Willy. Samen trekken we naar het bewuste perk. Het graf Callewaert-Triffaux  is een mooi maar sterk verwaarloosd monument. Willy vraagt mij of ik de nodige kosten wil maken om dit monument van de ondergang te redden. Op mijn ontkennend antwoord besluit hij om het monument te laten afbreken. Uiteraard heeft Willy gelijk daar de nabestaanden niet reageerden, het monument uit gewapend beton vervaardigd is en steeds meer in vervallen toestand geraakt en de kosten voor herstelling hoog zullen oplopen. Ik kan, sommigen hebben daar een ander idee over, uiteraard niet het gehele Schoonselhof behouden, klein pensioentje ziet u. Willy toont mij een ander monument: Weynans-Mampuy en zegt Willy “als je de boordsteen recht plaatst en de grote bloembak rechtzet is de verwaarlozing tenietgedaan en kan het monument behouden blijven”. Ik zeg hem dat ik deze week nog iemand zal zoeken en hem een antwoord zal geven. Over het monument Blindenberg zegt Willy “ik zal mijn mannen de bomen laten kappen en dan is deze verwaarlozing tenietgedaan”.

Enkele uren later heb ik een onderhoud met René Beniest, administratief medewerker, en zeg hem wat deze morgen besloten is. Zijn conclusie: het zal moeilijk zijn omdat voor al deze concessies reeds door het College beslist werd dat ze afgebroken mogen worden.

Laat mij eindigen met een positief geluid. René stelde voor om in de toekomst bij het nakijken van de lijst, wat vroeger gebeurde door mij waarna ik hem contacteerde bij de twijfelgevallen, ook Willy Van Bergen te betrekken. Zo dienen de monumenten, waarvoor ik mij wil inzetten, niet op de lijst te komen die naar het College van Burgemeester en Schepenen gezonden wordt.

Schoonselhof wordt te snel opgekuist artikel uit de Wijkgazet van 20 november waarin kunsthistorica Annemie Havermans de “opkuis” aanklaagt


Gelezen in De Wijkgazet Hoboken - Kiel – Valaar van 20 november: “Schoonselhof wordt te snel opgekuist”. Kunsthistorica Annemie Havermans klaagt de “opkuis” van de begraafplaats Schoonselhof aan, zie volgende bladzijden. Zij maakt zich zorgen over de opruiming en zeker omdat er op het kabinet van schepen Pairon gezegd wordt dat er eerst opgeruimd dient te worden vooraleer er een beheersplan kan komen. Verder stelt zij dat er geen duidelijke bepaling is van het begrip “verwaarloosd”, waardoor een schuinliggende boordsteen of wat gras tussen de stenen gezien wordt als verwaarloosd. Zij vraagt een adempauze om de waarde van monumenten grondiger te kunnen onderzoeken. Annemie droomt van een systeem zoals in Gent waar mensen een graf kunnen adopteren.
Reactie: Prachtig artikel waarin Annemie dieper ingaat op de problemen die, allen die begaan zijn met het Schoonselhof, reeds lang weten. Waarover ik steeds het meest bevreesd voor ben: namelijk dat de mensen die zulke monumenten afbreken of de mensen van de administratie met de vinger gewezen worden in krantenartikels wordt hier zeer keurig vermeden. Mevrouw Havermans weet ook dat die mensen een job uitoefenen zich dienen te houden aan voorschriften door de schepen opgelegd maar dikwijls gaan de kranten in de fout en zoeken goedkope sensatie. En dit is, gelukkig, hier niet geschiedt. Desalniettemin schoot het artikel bij de mensen van de administratie in het verkeerde keelgat. Bij een bezoek aan hun diensten op 25 november kreeg ik de volle lading. Mij werd verweten “dat ik het hele Schoonselhof wil behouden”. 

Monumenten om te koesteren voorwoord van Kristien Hemmerechts voor het boek van Annemie Havermans


De eerste keer dat ik over Schoonselhof hoorde praten zou mijn man er in het ereperk worden begraven. In die wezenloze dagen tussen zijn dood en de begrafenis, zochten wij er dikwijls troost. Gerard Walschap lag er al, en ook Paul Van Ostaijen en Willem Elsschot, pal tegenover elkaar. Het was balsem voor onze ziel dat hij in zo'n goed gezelschap zou terechtkomen. Nergens, zo beseften wij op die zonovergoten meidagen, zou hij beter kunnen liggen. Iemand noemde Schoonselhof het geheugen van de stad. Voortaan zou ook zijn naam erin staan gegrift.
 
Zeg nooit kerkhof tegen Schoonselhof. Zeg: begraafplaats. Met het accent op plaats. Dat is het eerste wat opvalt als je er komt: de ruimte, het groen, de rust. In heel Antwerpen is er geen betere plek om te wandelen. Iedereen heeft er zijn hoekje: de joden, de islamieten,  de oorlogsveteranen, de kinderen, de kunstenaars en politici. In de 'gemengde' perken rusten vrijzinnigen, katholieken, socialisten en vrijmetselaars vredig naast elkaar. Er is plaats voor iedereen. In een kerkhof is het altijd drummen. Het hofje stamt uit een tijd met minder mensen. Kleinere mensen ook. Het volste kerkhof is waarschijnlijk het oude joodse in Praag, waar de doden met een schoenlepel lijken ingepropt. De graven dateren van lang voor de holocaust maar toen al kregen de joden nauwelijks plaats om te leven, laat staan om te sterven. De eerste christenen losten het plaatsgebrek in hun catacomben op door gestapeld te begraven. Met de weinige grond die hun was toegewezen, moest worden gewoekerd. Dit plaatsbesparende systeem hadden ze niet zelf bedacht maar van de Romeinen overgenomen. Christenen verbrandden hun doden liever niet, omdat bij ontstentenis van een lichaam de opstanding problematisch wordt. Wilden ze iemand van hun gemeenschap dubbel straffen, dan hingen ze hem niet alleen op maar sneden ook zijn lichaam aan stukken, zodat het niet zou kunnen verrijzen. Nochtans wijzen christenen crematie niet radicaal af, als in de dienst het geloof in de verrijzenis van de doden maar nadrukkelijk wordt beleden. Bij hen ligt immers de nadruk op as: tot as zult gij vergaan; de joden zeggen: tot stof. En dus mag een joodse mens niet worden gecremeerd, ook al omdat volgens hun leer de ziel de tijd moet krijgen om in alle rust het lichaam te verlaten. Wie begraven zegt, zegt plaats, zegt hygiëne. Het leven van de beroemde schrijfsterzusjes Brontë zou mede zo kort zijn geweest omdat ze naast een kerkhof woonden: het water dat ze dronken was door de lijken besmet. Mensen die bij een kerkhof wonen, zeggen soms lachend: wij moeten nooit meer verhuizen.
 
Het was Napoleon die het principe introduceerde dat elke burger op een individueel graf recht heeft, en hoewel Schoonselhof pas jaren na zijn dood als begraafplaats werd ingericht, ademt het een zekere militaire discipline. De grachten, kaarsrechte wegen en hagen die als wallen de gelijkvormige perken omringen, zouden niet in een fort misstaan. Indien Napoleon ooit een begraafplaats had ontworpen, zou hij ongetwijfeld Schoonselhof hebben aangelegd. Alleen in de verre uithoeken van deze vierentachtig hectaren is er plaats voor slordigheid. Daar stuit je af en toe op een rommelig perkje met een handvol verloren graven, of op een braakliggend perceeltje waar voorlopig alleen mollen in de grond vertoeven. In één perkje lijkt een overschotje echtgenoten samen gelegd. Echtelijke restjes. Zo en zo, en zijn épouse. Of zijn echtgenote. Welke landstaal ook in de grafsteen is gegrift, altijd komt eerst de man. Hij leidt in de dood zoals hij leidde in het leven.
 
Misschien ademt Schoonselhof in de eerste plaats grandeur. Hier kan eeuwig worden bestaan; hier wordt de vergankelijkheid van het leven betreurd in monumenten die zelf de eeuwen willen trotseren. De funeraire taal spreekt over tijdelijkheid én eeuwigheid. De afgebroken zuil, de gesluierde urne, de gevleugelde zandloper, de omgekeerde toorts, de handen die uit elkaar glijden vertellen allen hetzelfde verhaal: de mens is een sterfelijk wezen; geliefden worden door de dood van elkaar gescheiden. Er moet worden losgelaten. Maar de taxus, klimop en eikenkrans suggereren een andere mogelijkheid: zij symboliseren eeuwigheid, precies zoals de ouroboros, de slang die zichzelf in de staart bijt en op die manier de kringloop van de natuur uitbeeldt die geen einde kent. Of beter: elk einde is tegelijk een begin. En dan zijn er de vele symbolen die de dood eenvoudigweg negeren. Nergens wordt zo vredig gerust, geslapen en gesluimerd als op Schoonselhof. Kijk naar de kussens op de graven, en de papaver die de slaap der gelukzaligen verwekt. Nog anderen symbolen verwoorden de belofte van een hiernamaals: het schip waarmee de overtocht naar dat verre land van eeuwig leven wordt aangevat, de deur die de wereld van de doden en die van de levenden scheidt. Voor de overledene staat hij op een kier; voor zijn treurende geliefde blijft hij hermetisch gesloten.
 
De monumenten zelf bestaan in een eeuwigdurend nu. Althans, dat was aanvankelijk de bedoeling. Napoleon had niet alleen beslist dat ieder mens in zijn eigen graf mocht rusten, maar dat graf zou hem of haar ook nooit meer kunnen worden ontnomen. Het werd bij aankoop de onvervreemdbare eigendom van de overledene. Het principe werd bekrachtigd met een ronkende nieuwe term: de eeuwigdurende concessie. Grootheidswaanzin was Napoleon niet vreemd. Hij speelde graag voor God en schonk zijn burgers een eeuwig postuum monumentenbestaan. Zijn mildheid kende geen grenzen, en werd vaak door de mildheid van zijn dankbare burgers jegens zichzelf of hun dierbare overledenen geëvenaard. Kosten noch moeite werden gespaard. De mens was vergaan maar zijn graf zou eeuwig bestaan. Het loonde om in pracht en praal van steen of brons te investeren.
 
Het is dan ook begrijpelijk én onbegrijpelijk dat dit grootse gebaar met een handtekening onder een wet ongedaan is gemaakt - de wet van 20 juli 1971. Sindsdien is eeuwigheid herleid tot maximaal vijftig jaar - tenzij je het geluk hebt in een ereperk terecht te komen. Of in een koninklijke sarcofaag. België is een dichtbevolkt land en op den duur viel te vrezen dat het hele land zou zijn verknipt in percelen met eeuwige concessie. Iedere Belg zijn huis, zijn weekendhuisje én zijn graf, daarvoor is er geen plaats. Ongetwijfeld betreft het een preventieve maatregel ingegeven door het gezonde, nuchtere en pragmatische verstand én door overwegingen van rationele aard. Men moet daar niet sentimenteel over doen. Of bijgelovig. Wij zijn toch niet zoals bijvoorbeeld de inwoners van Madagaskar over wie wordt gezegd dat zij meer geld aan woningen voor de doden dan voor de levenden spenderen, en die zelfs koppig weigeren om grond aan buitenlanders te verkopen omdat al het land aan de voorouders toebehoort. Zo komt men niet vooruit! Zo blijft men in het verleden trappelen als in een moeras. Op Madagaskar worden de beenderen van de overledenen gekoesterd alsof het ging om een stukje goud. Regelmatig worden ze uit het familiegraf gehaald en in een nieuwe lijkwade gewikkeld. Er wordt mee gedanst en gefeest, er wordt mee gegeten. Ooit op een dag moeten al die beenderen terug naar Indonesië, het land dat de inwoners van Madagaskar jaren geleden hebben verlaten om zich op het Afrikaanse eiland te vestigen.
 
Nee, daar zijn wij, westerlingen, anders in. Soms overdrijven we van de weeromstuit in de andere richting. In februari 2002 was het in Oudekapelle even schrikken toen een wegberm met 'kerkhofaarde' werd opgehoopt, wat wil zeggen: aarde waaruit menselijke resten én restanten van lijkkisten priemden. Nog harder schrikken was het diezelfde maand in Noble, Georgia, waar de eigenaars van een kapotte crematoriumoven meer dan honderd lijken in een bos hadden gedumpt. Er was immers geen geld voor een nieuwe oven. Of misschien was er wel geld, maar had niemand zin om het daar aan uit te geven.
 
Oudekapelle, en zeker Noble liggen ver van Schoonselhof, maar toch komt het als een schok om hier de grote graafmachines aan het werk te zien. Van op een afstand lijken ze op hongerige voorhistorische monsters die gulzige happen uit de aarde nemen. Aarde waarvan je weet dat het niet louter aarde is. Maar de wet is onverbiddelijk: verwaarloosde graven moeten worden ontruimd. Wie op Schoonselhof langs de graven kuiert, merkt algauw de strenge bordjes op: 'Akte van verwaarlozing. De burgemeester stelt vast dat overeenkomstig artikel 11 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging volgende concessie gelegen op de begraafplaats Schoonselhof zich in staat van verwaarlozing bevindt. Concessie: Bosch-Bonhomme, Perk: 08, Lijn: West, Nummer: 01, Concessienummer: DB/5268. Indien deze concessie niet in zijn oorspronkelijke staat wordt hersteld voor 1 december 2002 zal de gemeenteraad verzocht worden een einde te maken aan de concessietermijn. Antwerpen 15 november 2001. Voor de burgemeester, de afgevaardigde schepen, Erwin Pairon.'
 
En dus is het niet helemaal verwonderlijk dat meer en meer doden Schoonselhof de rug toekeren. De meeste Islamieten hebben dat altijd al gedaan omdat zij het liefst in hun land van herkomst worden begraven, terwijl de joden zo dicht mogelijk bij de plaats van overlijden willen liggen. Belgische joden komen meestal in Putte terecht, net over de grens met Nederland, waar ze tot in eeuwigheid van dagen ongehinderd door graafmachines kunnen rusten. Maar ook de meeste Belgen kiezen het zekere boven het onzekere. In Antwerpen wordt meer dan vijfenzestig percent van alle lijken gecremeerd. Zelfs mijn diepgelovige vader piekert niet meer over de opstanding der doden. Ik vermoed dat mensen hun nageslacht niet tot last willen zijn. Dat ze denken: opgeruimd staat netjes. En dat ze hun arme knoken het lot van die van Noble of Oudekapelle willen besparen. Goddank kan na de crematie de as worden verstrooid of mee naar huis genomen, want het columbarium van Schoonselhof bestaat uit een uitzonderlijk onaantrekkelijke waaier van grijze muren.
 
Helaas keren ook meer en meer levenden Schoonselhof de rug toe. Schoonselhof scoort erg goed als toeristische attractie. Mensen laten er zich graag rondgidsen. Het is prettig om door deze stenen annalen van de stad te worden geloodst, om stil te staan bij de graven van de 'groten' en bij de monumenten voor de 'kleine man', de arbeiders die vochten voor algemeen stemrecht, de vrouwen en kinderen die omkwamen toen de munitiefabriek ontplofte, de jonge student 'gevallen voor Vlaanderen op Guldensporenslag 1920'. Hier liggen weerstanders en oud-strijders, maar ook jongens uit het Britse Gemenebest. Hier liggen ontelbare - veelal ongeschreven - verhalen, soms heroïsch, soms schrijnend, soms een krampachtige combinatie van beide. Maar zij die de graven zouden moeten onderhouden, vinden niet altijd de weg. En zo gaat kostbaar funerair erfgoed reddeloos verloren.
 
De bordjes met 'Akte van Verwaarlozing' lijken soms met een zekere willekeur uitgedeeld. In het joodse hoekje is het onbegrijpelijk waarom de familie Kannengiesser (perk J, lijn B, nummer 27, concessienummer DB/3673) een rode kaart heeft gekregen. De aangekondigde teloorgang van het mooie afgeknotte zuiltje op het graf van Drillich-Strauch (perk J, lijn A, nummer 23, concessienummer DB /3675) is nu al een betreurenswaardige zaak. Misschien zouden trouwere of plichtsbewustere levenden graven kunnen adopteren, een beetje zoals de zoo het peterschap van bepaalde dieren aan dierenvrienden toekent. In dat geval zou ik me misschien bereid verklaren om het hele kinderperk te adopteren. Er is iets uiterst bevreemdends aan de hand met het kinderperk van Schoonselhof. Iets onbegrijpelijks zelfs, en van een onzegbare treurigheid. Het is één van die afgelegen perken waar chaos en wanorde heersen. Wat meteen opvalt is de virtuele afwezigheid van grafstenen. Weinig ouders of voogden hebben het nodig of wenselijk geacht om daarvoor te zorgen. De meeste 'graven' worden alleen door opgehoopte aarde en een houten kruis gemarkeerd. Er slingert wat kapot speelgoed rond. In een aantal gevallen heeft het dode kind zelfs geen naam gekregen. Dan lees je op het kruis 'kindje' gevolgd door een achternaam en twee data. Geen desolatere plek op aarde dan dit verwaarloosde perk. Het ene graf dat de uitzondering op de regel vormt is met kettingen afgezet alsof de ouders de dolende zielen van de andere kinderen op afstand proberen te houden. Willen ouders dit zinloze, vroege sterven zo snel mogelijk vergeten? Hebben ze niet de moed om een grafsteen uit te kiezen? Om opnieuw de  begrafenisondernemer onder ogen te komen? Of vinden ze het weggegooid geld? En wie zal deze kinderen uit dit vagevuur, dit voorgeborchte redden?
 
De eerder vermelde schepen lijkt hier zijn laatste geduld te hebben verloren. Op de inmiddels vertrouwde manier kondigt hij aan dat overeenkomstig artikel 26 van de wet van 20 juli 1971 'de begravingen in de gewone lijn tot en met het jaar 1986 ' zullen worden ontruimd. (…) De graftekens die niet teruggenomen worden door de belanghebbenden voor 1 februari 2002 zullen van ambtswege worden verwijderd. De nabestaanden worden NIET verwittigd van de geplande ontruimingen.' Wet is wet, zegt men, maar je moet van staal zijn om hem hier toe te passen. Tenzij je de aanblik van deze graven die geen graven zijn niet langer kunt verdragen.
 
Ik heb twee keer een kind moeten begraven, en twee keer heb ik voor hem geen graf gewild. Mijn zoontjes zijn allebei gecremeerd, en hun as is verstrooid. Ook daarvoor moet een mens van staal zijn, maar het leek toen de enige mogelijkheid: een meedogenloos gebaar voor een meedogenloze situatie. Ook wilde ik vermijden dat iemand tegen zijn zin en louter uit plicht er een plant zou neerzetten omdat het nu eenmaal Allerheiligen was. Vandaag overvalt me meer dan eens de spijt dat ik geen plek kan bezoeken waar zij rusten. Ik denk dat ik daar graag af en toe met hun zus zou staan, al was het maar een enkele keer per jaar. Ik denk dat ook zij daaruit troost zou putten.
 
Ook mijn man had ik liever laten cremeren, maar hij had herhaaldelijk uitdrukkelijk de wens uitgesproken dat hij in de aarde wilde liggen. Lange tijd werd ik gekweld door de gedachte aan wat daar met hem gebeurde. Vandaag heb ik een vrij helder beeld van wat er van hem overblijft. Ik denk niet dat daaruit kan worden opgestaan. Nochtans ben ik blij dat zijn graf bestaat. Ik heb het niet nodig om aan hem te denken, maar het helpt. Daar zijn, wat onkruid uittrekken, de glazen plaat schoonmaken brengen mij tot rust. Heel even ben ik dicht bij hem. Zijn graf rijt een wond open, én heelt.
 
We hebben het met geen van de traditionele funeraire symbolen versierd die zo kenmerkend voor de oudere graven zijn. Onder de glasplaat liggen schelpen in alle kleuren en vormen, want hij hield van de zee en heeft er dikwijls over geschreven. De afgebroken zuil, de treurende vrouwen, de gevleugelde zandloper, de handen die uit elkaar glijden, de taxus en eikenkrans horen thuis in een andere, bombastischere tijd. Een opzichtige tijd die met verdriet en geld wenste uit te pakken, en wilde pronken met iets wat al lang was vergaan. Een tijd van grote gevoelens, nadrukkelijke gebaren en rijkelijke ornamenten. Die tijd ligt ver genoeg van ons af om hem te koesteren en te bewonderen, of op zijn minst te bewaren. Om te weten: we mogen hem niet door onstilbare graafmachines laten vermorzelen of vermalen.  

Kristien Hemmerechts

Hele rij monumenten gered monument voor moederke Eyer gered


Terwijl schepen Pairon verder gaat met de afbraak van de begraafplaats Schoonselhof valt er toch nog goed nieuws te rapen. Eens te meer blijkt ook dat coördinatie dikwijls ver zoek is.
 
Het monument voor moederke Eyer, geboren te Oorderen 15-2-1819 en overleden te Lillo op 9-10-1924, met haar 105 jaar en zeven maanden denkelijk de oudst begravene op het Schoonselhof stond op een lijst van verwaarloosde grafmonumenten. Ik nam mij voor om te trachten dit monument te redden en ging te raden bij de heemkundige kring van Lillo. Vele monumenten kwamen van de, in 1960, afgebroken begraafplaats van Lillo. De verantwoordelijke vond het een mooi monument maar bleek niet in de mogelijkheid om aan de verwaarlozing een eind te stellen. Ik wilde er dan zelf iets aan doen maar verzocht de administratie van de begraafplaats om uit te zoeken of er nabestaanden waren. Ik wilde vermijden dat ik, na kosten gedaan te hebben, geconfronteerd werd met een erfgenaam die zegde: dank u Buermans maar dit is mijn monument. Eind november informeerde ik eens hoe ver het stond. Volgens de mensen van de administratie was de kous af: zij hadden een antwoord bekomen van de bevolking waarin stond dat de heer Eyer naar Kapellen was verhuisd in 1983. Toen ik hen vroeg waarom zij niet verder geïnformeerd hadden in Kapellen moesten zij het antwoord schuldig blijven. Enigszins geïrriteerd nam ik de telefoon, belde de bevolking van Kapellen en kreeg onmiddellijk het huidige adres van de heer Eyer. Die was zo verwonderd dat het monument nog bestond dat hij een half uur later ter plaatse was en besloot het monument in orde te brengen.
Meer nog zijn echtgenote vond het best interessant om de gehele lijn in orde te brengen om te vermijden dat de twee monumenten naast moederke Eyer zouden verdwijnen.
 
De heer Eyer deed het nodige en de gehele lijn is nu gered. Hij was eveneens bereid om de concessie over te nemen. Tegelijkertijd toog ik op zoek naar nabestaanden van de twee andere monumenten, twee pastoors. Mijn beproefd recept als niets meer helpt, een zoekertje in Gazet van Antwerpen, hielp eens te meer en een heer Mateusen, familie van pastoor Mateusen, kwam eveneens ter plaatse kijken, zag dat het goed was en gaat ook dit monument een opknapbeurt geven. Nadat de nodige nabestaanden opgespoord werden viel de frank van de mensen van de administratie: de concessie was nog niet verlopen. Tot 2009 zijn de monumenten nog veilig maar ik kan u nu reeds met een gerust gemoed vertellen dat, na die tijd, dankzij de inzet van hun nabestaanden zij nogmaals voor 50 jaar uit de klauwen van afbraakzuchtige schepenen gered zijn.

Westerbegraafplaats Grafzerkje Mathilde Goelen maakte een gedicht over haar bezoek aan de Gentse Westerbegraafplaats


Dat niet alleen Willem Houbrechts over dichterskwaliteiten beschikt moet blijken uit het volgende. Grafzerkje Mathilde Goelen kroop in haar pen en zette haar wedervaren op de Gentse Westerbegraafplaats op papier. Zij stuurde haar gedicht, na lang aarzelen, naar mij op. Zij stelt dat zij geen echte dichter is maar ik wil u het toch niet onthouden. Daarbij komt ook dat ik meer dan tevreden ben wanneer een van de Grafzerkjes mij iets toestuurt om te publiceren. Het Grafzerkje moet zeker niet volstaan met mijn “zieleroerselen”.
 
Westerbegraafplaats:
 
Langs een mooie oprijlaan
onder een gigantisch hoge poort
bereikt men een prachtige begraafplaats
en heerst hier de stilte van de dood.
 
Grafkapellen en praalgraven
een mooie brok cultuur
een gids met boeiende verhalen
gedreven als zij is, vol vuur.
 
Langs het columbarium
en het nieuwe urnenveld
perceeltjes afgezet met buxus
urnen er bovengronds opgezet.
 
Paddestoelen als urnen in het rond
het leek wel op een heksenkring
ze stonden tussen bloem en bomenstronk
te wachten… op de asse van een kind.
 
Mathilda

Adolf Dumont beschut tegen de winterkoude Zeg nu nog dat ik mijn monument niet koester


Zeg nu nog dat ik mijn monument niet koester. Om mijn vriend Adolf Dumont een winterse verkoudheid te besparen vond ik het noodzakelijk hem warm in te duffelen. En omdat het toch kerst was, ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat ik geïnspireerd werd door het monument voor Victor Driessens op de Antwerpse Graanmarkt – die kreeg een kerstmanoutfit aangemeten door tussenkomst van de nabijgelegen herberg De Duifkens, zocht ik een warme muts en oorverwarmers. Nadat ik hem van zijn winters pakje voorzag merkte ik dat Adolf, die bij leven ook niet verlegen zat om een grap uit te halen, een tevreden man was.
 
 
Mag ik de heer Marcel Celis, die de concessie Van de Wouwer-Gossen overnam, beleefd doch dringend verzoeken zijn “blote madam” van een dekentje te voorzien? Het arme wicht bevriest dat het geen zicht is. Anders wacht Marcel een gepeperde doktersrekening.

Funeraire voordracht in Tongeren Epitaafvoorzitter Marcel Celis gaf een geslaagde voordracht


Brussel laat Vlaanderen niet los. Zoveel is zeker. Op uitnodiging van de stad Tongeren gaf Epitaafvoorzitter Marcel Celis een voordracht over de funeraire geschiedenis en symboliek. Drie Grafzerkjes en 12 Tongerenaren trotseerden de bijtende decemberkoude om in de, recent prachtig gerestaureerde, Sint Ursulakapel in het begijnhof een uiteenzetting bij te wonen. Het was een mooi locatie maar men het nagelaten om een geluidsinstallatie te voorzien zodat veel van het betoog van Epitaafvoorzitter verloren ging.
 
Zijn voordracht mocht er wel zijn. Eerst schetste hij de geschiedenis van het begraven door de eeuwen heen. Van crematie met bijzetting in tumuli over het begraven in kerken en kerkhoven binnen de stadskern kwam Marcel bij het verbod, ingesteld onder impuls van de Oostenrijker Jozef II, om nog verder te begraven in kerken en in kerkhoven binnen de stad. Na de Franse revolutie en tijdens het bewind van Napoleon kwam alles in een stroomversnelling.
Nadien overliep de heer Celis in chronologische volgorde de belangrijkste binnen- en buitenlandse begraafplaatsen. Dit alles werd rijkelijk geïllustreerd met het nodige beeldmateriaal. Hij prees terecht Brugge als trendzetter in de inventarisering en het behoud van grafmonumenten en graftekens.
 
Een derde luik ging over de symbolen die op grafmonumenten aangetroffen worden. Ten slotte werden nog beelden getoond van binnen- en buitenlandse begraafplaatsen. Ter afsluiting werd nog kort nagepraat over deze interessante avond.