Nieuwsbrief Nr. 82 - juli 2014

Zerkjes waren weer in vorm in Diest er werd weer wat afgelachen tijdens deze tocht.


Bijeenkomst aan de Halve Maan in Diest was gezegd. Stilaan kwamen een aantal Zerkjes afgezakt naar de verzamelplaats. Om 10 uur ging de cafetaria open waar we, zo dachten we toch, ontvangen werden met koffie. Geïnformeerd maar niemand wist daar van iets. Enkele leden trokken op onderzoek uit in de nabijheid en … kwamen terug gezeten in een golfkarretje. Decadent, ja watte. Probleem: nog geen Martien Mondelaers te zien. An belde dan maar en hij stond ons op te wachten op de parking van de Halve Maan. Van daar naar het begijnhof waar de 24 Zerkjes inderdaad verwelkomd werden met koffie en thee. Ondergetekende kreeg, dankzij de immense goedheid van ons An, zijn thee hoewel hij daarvoor heel onderdanig op de knieën moest. Martien deed een korte inleiding en vertelde dat rond 1880 de grafzerken uit de begijnhofkerk verwijderd werden. Enkele zerken staan nu nog tegen de buitenmuur. Onze gids vertelde ook nog dat onder de kerk de begijnen liggen in een sarcofaag … in beton. Wanneer er ooit opgravingen gebeuren wordt dat schrikken. Martien zegde dat we moesten oppassen van oude grafzerken, omdat ze niet allemaal afkomstig zijn van de plek waar ze nu liggen, maar Edgard N. zegde dat de gids mij daarmee bedoelde. Enkele dames uit het gezelschap gingen nog verder en begonnen te zingen van “zeg kwezelke wilde gij dansen”.
Aan het Sint-Janskerkhof werd begraven tot 1921. Hier lagen ook veel soldaten die sneuvelden in Wereldoorlog I. Slechts enkele graven werden overgebracht naar de nieuwe begraafplaats. Hier bevonden zich nog enkele zerken voor Keustermans en voor Bosmans, afkomstig uit Schaffen. De overgebleven kerkmuren waren bedekt met klimop. Martien pleitte voor het behoud van klimop maar hij werd onmiddellijk teruggefloten door An Hernalsteen van de antiklimopliga.
Vandaar naar de begraafplaats. Vooraan deken Herman Fierens die een brug sloeg tussen het katholiek en het socialistisch volk. Daarnaast beeldhouwer Warre Macken, vader van Mark Macken die zijn laatste rustplaats heeft op Schoonselhof. Bowinski was een Russisch soldaat geboren in Polen (Polen bestond toen niet) die overleed aan de Spaanse griep. Bij Theresia Vogels wees Martien Mondelaers ons op een eigenaardig gebruik namelijk het plaatsen van een herdenkingsbord op de eerste naamdag na haar overlijden, hier 15 oktober. Alenus was notaris en burgemeester; Juchtmans was steenkapper. De attributen van zijn beroep sieren het graf. Wat verder stonden we bij het eerste rondpunt van België. Een rotonde waar er weinig verkeer was. Enkel de corbillard reed hier. Bij Paul Winand ontdekte arendsoog An toch wel een beeld van Norga zekers? Vervoort kwam op voor de armen. Wat verder twee soldaten gestorven tijdens de Eerste Wereldoorlog. De enigen die naar hier overgebracht werden. Neyskens heeft heel veel mensen geholpen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat er vroeger veel belang gehecht werd aan de verdiensten van iemand voor een of ander project konden we lezen op het graf Joseph Vanhoudt . Hij was secretaris van de eerste jaarbeurs. Wat verder een perk voor militairen . Eugeen Vounckx was socialistisch pionier.
Ons Anneke toonde zich hier weer van haar beste kant door het bloemstuk even weg te nemen zodat een ander zerkje een mooie foto kon maken. Annick Van Uytsel werd in 2007 vermoord door Ronald Janssen. De families Allen, Duysters en Cerckel waren allen brouwers. Deze laatste liet het park inrichten vlakbij the Lodge waar we gingen eten. Leo repliceerde: een park, een park wij hebben een voetbalploeg Cerckel. Moet natuurlijk Cercle zijn.
Vandaar togen we onder leiding van Martien Mondelaers naar the Lodge. We passeerden nog een beeld voor de gesneuvelden. De vrouw draagt het zwaard omlaag ten teken van de vrede en heeft in haar andere hand de aarde. Aan de overzijde een park geschonken aan de stad Diest door dokter Verstappen. Eindigen deden we in het voornoemde park Cerckel, aangelegd eind van de 19de eeuw, waar eertijds de begraafplaats en de kerk van de minderbroeders stond. We dankten Martien Mondelaers voor zijn deskundige uitleg en deden ons in the Lodge te goed aan een maaltijd waarbij er nog duchtig en gezellig nagekaart werd. Hier werd overwogen om van vzw Grafzerkje, funeraire vereniging, een vzw Grafzerkje, culinaire vereniging, te maken.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s: Leen Otte, Edgard Maes, René Mertens en Philippe Theys.

Wereldoorlog I op Schoonselhof: Van ‘le Diable Liègois’ naar ‘den Antwerpschen duvel’ Voor het eerst een rondleiding rond Wereldoorlog I. Leen Otte maakte een verslag.


Het was een van de eerste versies van de jongste rondleiding die samengesteld is door drie leden van VZW Grafzerkje. Onze voorzitter leidde ons rond Schoonselhof in het thema W.O.I. We waren met een tiental deelnemers. We gingen van start met een fikse wandeling richting Ferdinand Verschaeve op Z1. Die bleek niet alleen een buitengewoon piloot te zijn; hij was ook lesgever om andere piloten op te leiden en kreeg de bijnaam ‘le Diable Liègois’. Hij was goed bevriend met Jan Olieslager en vestigde een wereldrecord van duur en hoogte. Hij verongelukte bij Sint Job in ’t Goor in 1914 en werd begraven op de Kielbegraafplaats. De bronzen plaket op zijn grafmonument is ontworpen door Emiel Jespers.
Lizzie Marsily ijverde vele jaren voor het welzijn van de tuberculoselijders in de Nationale Bond voor Tuberculosebestrijding. In 1913 werd het Sanatorium der provincie Antwerpen gesticht met als voorzitter-stichter Albert Kreglinger, die we verder nog tegenkomen in de Duitse gemeenschap. Tijdens wereldoorlog I werden de werken voor het sanatorium stil gelegd, maar verder afgewerkt na de oorlog. In 1920 werden de gebouwen officieel ingehuldigd door Koningin Elisabeth. Het sanatorium werd naar Lizzie Marsily genoemd.
De Duitse kolonie om en rond de eerste wereldoorlog. Deze gemeenschap kreeg het lastig tijdens de wereldoorlog. Er woonden een 8000 mensen met Duitse nationaliteit in de stad Antwerpen in 1910 en zij waren vooral actief in de commerciële en financiële sector. Hen werd verweten dat ze zich te weinig integreerden en dat ze de werkgelegenheid van Antwerpse jongeren zouden inpikken. Er werd ook in eigen kring getrouwd waardoor een heel netwerk van verwante families ontstaan; hun grafmonumenten staan zij aan zij in een indrukwekkende rij op perk Z1. Tijdens de oorlog wordt hen gedwongen om een keuze te maken tussen België of Duitsland. Vele Duitsers gingen op de vlucht naar het neutrale Nederland of trokken verder naar Duitsland. Anderen verklaarden zich publiekelijk tot Belg en veranderden soms zelfs hun naam om als Belg te uiten. Na de oorlog werden vele Duitse inwoners gedwongen om België te verlaten door het intrekken van hun verblijfsvergunning.
Jan De Vos werd als Franstalige die gebrekkig Nederlands sprak, in 1909 benoemd tot burgemeester van Antwerpen door Koning Leopold II en hij bleef in die functie tot 1921. Als Antwerpen in oktober 1914 dreigt in handen te vallen van de Duitse vijand, richten hij, Louis Strauss (schepen van Arbeid en Openbare werken) en Louis Franck (gemeenteraadslid) een Intercommunale Commissie van Raadpleging op om de belangen van Antwerpen en de omringende gemeenten te behartigen. Louis Franck wordt voorzitter omdat hij vlot vier talen spreekt en Louis Strauss kan zich daar moeilijk bij neerleggen. Als in oktober 1914 Antwerpen aangevallen wordt door de Duitsers, moeten het stadsbestuur samen met de Intercommunale Commissie beslissen wat er moet gebeuren. Na een forse discussie wordt er beslist om te gaan onderhandelen met de Duitsers in Kontich. Hij ondertekent de overgave van de stad en De Vos doet de volgende vier jaar alles om het leed voor zijn inwoners te beperken.
Edmond Van der Stucken was onderluitenant en hij bezweek aan griep in het krijgshospitaal van Calais. Zijn broer Felix overleed in Ramskapelle als korporaal. Hun neef Frank componeerde een muziekstuk als eerbetoon.
Jules Tyck nam vlieglessen na zijn wielercarrière. Hij ontmoette Jan Olieslagers en zij werden vrienden voor het leven. Jules Tyck vestigde een wereldhoogterecord tijdens de vliegweek Brussel-Stockel. Hij vloog ook als eerste boven Calcutta en Granada. In 1911 won hij de ‘Ronde van België’ in vijf etappes. Bij de aanvang van de oorlog meldde hij en zijn vriend Jan Olieslagers zich bij het leger als vlieger. Hij overleed in 1924.
Jurien Cuperus nam dienst in het Canadian Army Service Corps. Zij ondersteunden het hele Canadese Korps. Door hun verdiensten kregen ze in 1919 de toevoeging ‘Royal’. Hij overleed in Saint Boniface en werd, tegen de Canadese politiek die normaal niemand liet repatriëren, hier bijgezet. De War Graves Commission, die er recent achter kwam dat hij hier ligt, belooft om het graf ten allen tijde te bewaren.
Het familiegraf Ciselet omvat naast de ouders, die nog in leven waren toen hun vier zonen omkwamen als vliegenier in en rond WO I.  Charles Ciselet was stichter van de Antwerp Aviation Club in 1927.
Perk E is een perk voorbehouden voor mensen die in bevolen dienst omkwamen. Hier vinden we oa ook Jules Van Cotthem die om het leven kwam tijdens een zeppelinaanval op de Stadswaag die zwaar beschadigd werd door deze aanval. De secretaris van de Amerikaanse ambassade in Brussel verbleef net in Antwerpen en Koningin Elisabeth vroeg hem om de plek te bezoeken. Totaal onder de invloed van wat hij zag, vermeldde hij in zijn dagboek dat de lichamen in stukken gereten tegen muur en plafond plakten en dat het te gruwelijk was om verder dan die ene kamer te bekijken. De eigenlijke doelwitten van deze korte nachtelijke raid waren de Minervafabrieken, het Sint Elisabethgasthuis, de Nationale Bank, de Falconkazerne en het Koninklijk Paleis op de Meir.
Dan naar de Militaire begraafplaats waar gewezen werd op een perk dat speciaal ingericht werd voor het begraven van Duitse soldaten, nog vóór Schoonselhof in gebruik werd genomen als begraafplaats (1/9/1921). Antonius Bomjo was één van de 32 zwarte soldaten met Belgische nationaliteit, die soldaat was als oorlogsvrijwilliger. Zijn regiment, Grenadiers, had stevige banden met de Belgische hoofdstad en de Koninklijke familie; zij hadden het voorrecht om het Koninklijk Paleis te bewaken en waren – wel zonder officiële titel te dragen, persoonlijk lijfwacht van de Koning.
Het triestige verhaal van Grenville Carson Hopkins. Hij sneuvelde als Canadees van het 196 ste Canadian Battalion, bij het Princess Patricia’s Canadian Light Infantry Regiment, op 14 november 1917 bij Passendale. Zijn lichaam werd voorlopig begraven bij de ruïnes van de kerk van Passendale. Het graf werd gemarkeerd met een rechtopstaand geweer met een bajonet op de loop gestoken. In 1920 kreeg zijn lichaam een plaats op Tyne Cot Cementery onder een individuele grafsteen. In januari 1921 wou de familie zijn stoffelijke resten laten overbrengen naar Canada, maar dit werd geweigerd. In de nacht van 17 op 18 mei 1921 werd het lichaam illegaal ontgraven en overgebracht naar een mortuarium in Antwerpen met de bedoeling het te verschepen, maar de volgende ochtend werd het ‘diefstal’ ontdekt; het lichaam werd opgespoord en herbegraven op Schoonselhof. Hij ligt nu ver van zijn Patricia lotgenoten, zijn familie en het slagveld waar hij viel.
Er is ook een speciale plek voor gefusilleerde burgers die elk een eigen verhaal hebben. Een aantal van hen werd in Gent gefusilleerd en plechtig overgebracht naar Schoonselhof in 1919.
De Franse gesneuvelden kregen een plek bij een monument van architect Max Winders.
Verder nog: Herman Rifflart die voor het Amerikaanse leger vocht, maar had blijkbaar nog geen officiële Amerikaanse nationaliteit als hij sneuvelde. 42 Italianen die sneuvelden tussen 1915 en 1918 liggen rond een monument. Tijdens de tweede wereldoorlog werden op dit monument fascistische symbolen aangebracht, die na WOII verwijderd werden. Zeven Portugese krijgsgevangenen, één Roemeense en 13 Russische krijgsgevangenen kregen ook elk een plek.
Jules Olieslagers was mecanicien voor zijn broer Jan Olieslagers. Deze laatste was op vele markten thuis. Hij ging aan de slag in een fietsenfabriek waar hij al snel verantwoordelijk werd voor de productie van racefietsen en werd zelf wielerkampioen. In 1900 ging hij aan de slag bij Minerva (autofabriek). Hij werd ook kampioen motorracen en hij was de eerste die sneller dan 100 km per uur haalde. Hij verhuisde naar Frankrijk, nam deel aan een aantal  die werden ingericht door de firma Bollekens en werd ‘Den Antwerpschen Duvel’ genoemd. Bij het uitbreken van WO I boden hij en zijn broers Jules, Hubert, Max en Albert zich vrijwillig aan met hun vliegtuigen. Jan kreeg als eerste onderofficier het Ridderkruis in de Orde van Leopold II. Hij was betrokken bij verschillende luchtgevechten. Na de oorlog wijdde hij zich vooral aan de automobielindustrie. Hij was ook betrokken bij de aanleg van de luchthaven van Deurne en daar werd voor hem ook een standbeeld opgericht. Op zijn graf: ‘Y’: ijzerkruis voor hen die betrokken waren bij gevechten aan de IJzer, ‘O’: oorlogskruis; ‘V’ overwinningsmedaille voor wie dienst deed tussen 1/8 1914 en 11/11/1918. Ook een afbeelding van de Orde van Leopold II, naast het oorlogskruis en de squadron-badge met diste van het 2° Wing.
De boom der vijf helden werd geplant aan de Groenenhoek te Berchem, op de plek waar vijf artilleurs begraven werden na de inslag van een Duitse obus en welke ter plaatse begraven werden. De lichamen werden later overgebracht naar de begraafplaats van Berchem.
Om te eindigen: twee zuilen voor Franse soldaten en die oorspronkelijk op het Sint Laurentiuskerkhof stonden. De ene werd opgericht om de gevallen Franse soldaten te herdenken die vielen tijdens het beleg van de Antwerpse Citadel eind 1832. De andere herdenkt de gekwetsten van de veldslag ban Belfort, nabij de Vogezen in 1870-1871 die naar Antwerpse hospitalen werden overgebracht. Het bevat een hommage van de hand van Victor Hugo.
Het groepje begaf zich naar de hoofdingang waar afscheid genomen werd. Het was een andere invalshoek om een bezoek te brengen aan Schoonselhof en al zeker een aanrader voor diegenen die geïnteresseerd zijn in WO I. Voorlopig blijkt het enkel aan te vragen voor groepen, maar indien er vraag komt, later misschien ook voor individuen. Als het zover moest komen, zien ze mij zeker nog een keertje terug.
 
Leen Otte

Met vzw Grafzerkje naar Père Lachaise op 10 mei 2014 verslag van Leen Otte.


Aangezien ik nog nooit in Parijs geweest was en als funerair geïnteresseerde, Père Lachaise nog niet bezocht had, was ik al lang ingeschreven om deel te nemen. Het feit dat er gegidst zou worden door onze voorzitter kon de kwaliteit van de uitstap alleen maar nog verbeteren.
Om 5.55 vertrok de bus, toegegeven niet volledig vol, maar met een aanzienlijke groep met bestemming Parijs. Voor een verder verslag over het verloop van de dag, verwijs ik naar eerdere verslagen over een dergelijke uitstap. De stops, de reisleider, de rondleiding op Père Lachaise: alles staat al beschreven in eerdere verslagen.
De rondleiding in de voormiddag was gereserveerd voor het grootste deel van de groep mensen, aangevuld met 1 blindengeleidehond. Deze heeft naar verluid de taak om haar baasje rond te leiden op Père Lachaise voortreffelijk volbracht.
Wij zouden in de namiddag de rondleiding volgen en hadden de voormiddag dus vrij. Keuze te over om ergens een bezoek te brengen, maar we kozen Montmartre uit. Na het persoonlijk verplaatsingsadvies van Jacques en een snelle eerste blik op Père Lachaise, trokken we de metro in om ticketjes te kopen. Op Montmartre was het op de koppen lopen – niets voor ons, dus. Het ging al snel door de smalle straatjes richting begraafplaats. Daar vielen we van de ene verbazing in de andere. Aan een plannetje was niet te raken, dus probeerden we de plek van enkele interessante bewoners te memoriseren, maar er was zoveel te zien dat we al snel gewoon aan het wandelen, kijken en genieten waren. Als dat al zo mooi was, wat zou Père Lachaise dan nog brengen? Maar hier ook dezelfde vaststelling als op andere ‘nieuwe’ plaatsen: wat doe je zonder gids?
Goed op tijd terug de metro in en naar Père Lachaise. Nog even tijd over om al een eerste indruk op te doen van de begraafplaats en daar was de voorzitter, klaar voor zijn tweede rondleiding van de dag. Na de inleiding waren we weg voor de rondleiding tussen de wirwar van graven of resten ervan. Er zaten zeker pareltjes tussen, maar ik vond dat die vaak veel van hun glorie verloren door gebrek aan plaats en het feit dat je ze soms moeilijk kon vinden. Een uitzondering op die feiten waren Fernand Arbelot, Georges Rodenbach, Fréderic Chopin  en Jacob Roblès; zeer mooie en/of originele graven, meestal op een plek die de naam waardig. Groot was echt niet groot genoeg voor de laatste rustplaats van Adolphe Thiers. Veel bescheidener bij Gilbert Becaud, Edith Piaf en Jim Morrison. Bij het graf van deze laatste ‘hoort’ een boom die beschermd wordt tegen fans door een rieten mat die op haar beurt beschreven wordt met boodschappen voor Morrison en tevens worden er kauwgom in alle kleuren op achter gelaten. Zo wordt het wel een kleurrijk hoekje. Een recente nieuwkomer met een sober maar mooi graf is Georges Moustaki. Anekdote: na twee derden van onze rondgang, kwamen we een plaatselijke gids met groep tegen die aan Jacques vertelde dat er twee dagen eerder een gids vermoord was op Père Lachaise. Na een check op internet, bleek het verhaal te kloppen. Een man die een Euro probeerde bij te verdienen door mensen wegwijs te maken op Père Lachaise, is op gewelddadige manier om het leven gebracht op een stek die gekend staat als plek waar homo’s aan hun trekken proberen komen. Zelfs een gids op een begraafplaats blijkt niet meer veilig te zijn.
Zoals gewoonlijk heeft Jacques zeker zijn werk gemaakt van de rondleiding; we zagen alle hoeken en kanten van de begraafplaats en kregen zeer veel informatie mee. Het is altijd leuk om hem bezig te zien.
Na de rondleiding, nog iets gaan drinken en dan richting parking van de bus. Daar kregen we de verrassing van de dag, in die zin dat er een technisch probleem was met de bus – die vertikte het om te starten en stond een heel eind van de reguliere parking zodat we gewoon moesten wachten. Daar stonden we dan. In de kou. Men moest iemand oproepen om de bus te komen herstellen en niemand wist hoe lang het zou duren. Na een uur wachten kwam de verlossende boodschap dat de bus op komst was. Met een lichte vertraging konden we de terugweg aanvatten, enkele klanten onderweg afzetten en kort na 1:00 ’s nachts stonden we terug in Antwerpen.
Père Lachaise: het is mooi. Montmartre is nog mooier, maar laat mij maar gerust op ‘mijn’ Schoonselhof; ik ben daar perfect gelukkig.


Tekst: Leen Otte
Foto’s: Ria Vaes en Leen Otte

Jos “De Locker” bezocht tentoonstelling Géricault An Hernalsteen loodste ons deskundig door deze tentoonstelling.


Een aantal van onze leden had het plan opgevat om, op aanraden van ons aller An, de tentoonstelling over Géricault en zijn “Vlot van de Medusa” in het Gentse Museum voor Schone Kunsten te gaan bezoeken. We dachten dat we tijd hadden tot eind juni maar het bleek dat de tentoonstelling zijn deuren sloot op 25 mei. Dus moesten we vlug een geschikte datum vinden maar we hadden geluk: vrijdag 23 mei kon ons An een “beperkt” groepje rondleiden. Dit is een tentoonstelling waar je, indien je niet over een gids en dan zeker niet over een bevlogen gids als An beschikt, op een half uur rond bent en uiteindelijk nog niet alles snapt.
 
Het “beperkt” gezelschap, negen personen was het maximum, verzamelde en wachtte op An. Jenny en Jos gingen eerst nog naar de vestiaire om hun jassen daar in een locker te deponeren. We moesten nog even wachten op een laatkomer, Gert, en we togen dan op weg. In plaats van bij de gigantische reproductie te beginnen ging ons An omgekeerd te werk. Laatkomer Gert vroeg zich af waarom er niet bij het schilderij begonnen werd. Hij had dat beter niet gedaan want An zette hem direct op zijn plaats “ge komt al een stuk te laat en gaat u dan nog eens bemoeien met mijn rondleiding”! De toon was gezet en, gelukkig voor mij, An had iemand anders gevonden om haar energie op kwijt te raken. An begon doelbewust bij een aantal schilderijen die details gaven en een aantal dingen weerlegden. Zoals dat Géricault geen paarden kon schilderen. Ook dat Géricault geen voeten kon schilderen. An wist het allemaal te counteren met enkele voorbeelden. Ook had ze een aantal keren vragen bij de wijze hoe Theodore een lichaam schilderde. An gaat, dat weten we, niet over één nacht ijs en had thuis in haar badkamer - voor de spiegels - enkele van die poses aangenomen waaruit ze concludeerde dat het niet kon. Ik had een vlieg willen zijn!
 
Theodore Géricault was van rijke komaf. Zijn moeder overleed toen hij zeer jong was en toen hij 18 was erfde hij een enorme som geld. Hij kon zich privéleraren permitteren maar ging toch naar de Academie om deel te nemen aan de Prijs van Rome zodat hij met die beurs naar Italië kon trekken. Dit mislukte twee keer maar met het geërfde geld ging hij maar op eigen kracht naar Italië.
Het vlot van de Medusa gaat over een schip dat in 1816 te pletter sloeg voor de kust van Senegal. Zonder het expliciet te tonen kloeg Géricault de onbekwaamheid van de kapitein aan en ook de gebrekkige reddingsoperatie. (te weinig reddingssloepen, de kapitein en de bemanning in de sloepen en wanneer ze dachten dat de schipbreukelingen de sloepen gingen enteren sneden ze de touwen door en verdwenen). 150 schipbreukelingen zwalkten gedurende 27 dagen rond vooraleer ze gevonden werden. An wist te vertellen dat er zich één vrouw in het gezelschap bevond. Stel je voor dat je op zo’n vlot zit met An Hernalsteen als enige vrouw? Géricault bestudeerde lijken en zieken, interviewde de overlevenden en liet het vlot nabouwen om zo natuurgetrouw het vlot te schilderen. An wees ons op de opbouw: twee driehoeken, namelijk die met het zeil, en anderzijds de hoopvol zwaaiende man rechts. Doelbewust een zwarte medemens omdat Géricault tegen de slavernij was. In de verte een puntje: het schip dat de redding zou betekenen voor een vijftien tal mensen, uiteindelijk was het  nog een vijftal dat overleefde. Delacroix, tijdgenoot en vriend van Theodore, staat ook op het schilderij afgebeeld (met het gezicht naar beneden maar herkenbaar aan de krullende haardos).
Na zijn terugkeer uit Engeland werd hij geïnspireerd tot het schilderen van een reeks portretten van waanzinnigen, met elk een eigen stoornis. Géricault viel enkele keren van zijn paard en was, ook geestelijk, sterk verzwakt door chronische TBC. An vertelde het verhaal dat hij toch nog altijd een perfectionist was en spiegels liet plaatsen om zijn eigen rugoperatie te kunnen volgen. Of het waar is valt sterk te betwijfelen. Theodore Géricault overleed op amper 33-jarige leeftijd en werd begraven op Père Lachaise.Na een kleine twee uur zat deze interessante rondleiding er op. Zoals ik al aangaf heeft zulk een gegidste rondleiding een enorme meerwaarde want zonder de deskundigheid van An ben je vlug rond en ontsnappen er een heleboel interessante weetjes.
Dan werd het toch tijd om het culinaire aspect aan te snijden. Vlug de jassen gaan halen. Paniek want Jos was het nummer van zijn locker vergeten. Dan volgde een speeltje van “ra ra in welke locker zitten de jassen” wat spijtig genoeg niet tot een positief resultaat leidde. De bewaking van museum werd er bij gehaald en Jos kon opgelucht ademen toen de jassen tevoorschijn kwamen. Toch nog op tijd om de culinaire mens te versterken na An hartelijk bedankt te hebben voor haar kundigheid.
 
Jacques Buermans.

Wilrica peter graf Frans Van Immerseel prachtig initiatief van Wilrijkse Heemkundige Kring.


Wilrica peter graf Frans Van Immerseel:

Wilrica is verheugd te kunnen melden dat wij het peterschap hebben opgenomen van het graf van Frans Van Immerseel. Op deze manier wordt het graf van de eerste stoetenbouwer van de Geitestoet beschermd. Het graf wordt nu verder onderhouden en mag niet geruimd worden.
 
Frans Van Immerseel werd in 1909 in Borsbeek geboren en was beeldend kunstenaar, kunstglazenier en stoetenbouwer. In 1965 was hij stoetenbouwer van de eerste Wilrijkse Geitestoet. Van Immerseel overleed in 1978 in Wilrijk en ligt begraven op begraafplaats Steytelinck op perk T, lijn V, graf 15.
 

Kerkhof Gentbrugge is twee vazen armer An Hernalsteen over “smeerlappen en de hel”.


KERKHOF GENTBRUGGE IS 2 SIERVAZEN ARMER


De tevredenheid over een succesvolle week van de begraafplaatsen kan onverwachts een flinke deuk krijgen. Een krachtig uitgesproken "smeerlappen" ontsnapt zonder dat een mens er zich bewust van is.
Waar zijn ze nu deze 2 mooie siervazen die ooit een meerwaarde gaven aan het graf Blommaert? Schouwgarnituur? Terrasdecoratie? Bekijk ze, onthou ze en hou de ogen open. En wat de smeerlappen betreft, dat ze eeuwig mogen branden in de hel.
 
An Hernalsteen

En nog zo jong… ons lid Cis Kennes schreef een artikel over gesneuvelden in Blankenberge.


Het zijn maar vijf kleine witte ‘headstones’  - zoals er in het Vlaamse land tienduizenden zijn -  op het kleinste Ereperk van de Begraafplaats van Blankenberge, maar ze verbergen een dramatisch verhaal dat nog maar eens het zinloze van de oorlog illustreert…
1.Situatie.
Brugge en Oostende worden door de Duitsers in WOI als strategisch belangrijke havens beschouwd. Al in het voorjaar van 1915 beginnen ze de haven van Brugge om te bouwen tot een oorlogshaven: op 10 km van de kust, met Zeebrugge verbonden door een breed kanaal, lijkt hen dat een  ideale uitvalsbasis voor torpedoboten en onderzeeërs. De bestaande dokken krijgen nieuwe kaaimuren, er komen 8 gigantische drijvende dokken, loodsen, werkplaatsen en schuilkelders: niet minder dan 14.000 man, waaronder 4000 opgeëiste Bruggelingen zouden de ‘Kaiserliche Werft’ uitbouwen. (1)
Later, tussen ’17 en ’18, zouden nog eens acht reusachtige bunkers in gewapend beton opgetrokken worden ,die  elke luchtaanval konden weerstaan:  ‘de acht zaligheden’ .
Vanaf maart 1915 worden duikboten, geassembleerd op de Cockerill-werf in Hoboken, overgebracht naar Brugge, waar ze voorzien worden van torpedo’s. Zes maand later hebben 16 van die onderzeeërs al 140 geallieerde schepen doen zinken, en in 1917 gaat dit aan een tempo van 400 schepen per maand. Passagiersschepen en vrachtschepen worden daarbij niet ontzien, in die mate dat de voedselvoorziening van Engeland in het gedrang komt. De tijd van ‘Brittania rules the waves’ lijkt ver weg ! Sinds de slag bij Jutland had de Navy daar maar weinig tegen gedaan. De ‘Dover Patrol’ – een onderdeel dat als taak had heeft kanaal vrij te houden – krijgt veel kritiek. Admiraal Bacon heeft  wel onder water mijnenvelden laten aanleggen tegen de Duitse U-boten, maar die varen daar overdag gewoon overheen. Hij  wordt dan ook als hoofd van de Dover Patrol vervangen door Admiraal Roger Keyes , een persoonlijke vriend van Winston Churchill.
2. Het plan van Admiraal Keyes
Britse piloten die opstijgen vanuit Duinkerke droppen ‘tons of bombes’(2) op de haven van Brugge en vliegen dan door naar Zeebrugge om er onderzeeërs te bestoken, maar slagen daar maar gedeeltelijk in. Admiraal Keyes besluit op basis van eerdere plannen de duikbotenplaag te stoppen. Onder bescherming van een rookgordijn zouden voor wat betreft Zeebrugge drie onderdelen worden uitgevoerd:
Een bestorming van de strekdam (‘mole’) om het Duitse afweergeschut uit te schakelen. Dit onderdeel zou uitgevoerd worden door de (omgebouwde) Vindictive uitgerust met enterbruggen voor honderden soldaten, bijgestaan door de Iris en de Daffodil, twee omgebouwde overzetboten. Dit was slechts een afleidingsmanoeuvre voor het voornaamste onderdeel:
Drie zgn ‘blokschepen’ zouden – volgestouwd met beton en zwaar afval – zichzelf tot zinken brengen in de kanaalingang om het uitvaren van duikboten onmogelijk te maken. Dit is de taak van de Thetis, de Intrepid en de Iphigenia. In tegenstelling tot de Vindictive krijgen deze drie slechts een minimum aan bemanning mee, welke na afloop zou opgevangen worden door kleine motorboten.
Een onderzeeboot, de ‘C 3’, moet met springstof het houten viaduct tussen Pier en vasteland doen ontploffen om de Duitsers op de ‘mole’ te isoleren en de elektriciteit voor hun zoeklichten uit te schakelen. (603)
Dit plan kan maar slagen onder de volgende voorwaarden:
Er mag geen maanlicht zijn, om zo lang mogelijk onzichtbaar te blijven.
De wind moet landinwaarts waaien; anders heeft  het rookgordijn (op basis van sacharine) geen zin.
De zee moet kalm zijn, omwille van de kleine motorboten.
Het moet springtij zijn om vanaf het dek van de Vindictive op gelijk niveau te komen met de strekdam .
3. De uitvoering.
- Op 11 april 1918 Is aan de vier voorwaarden voldaan, en staan 1700 man paraat. Helaas keert de wind en Keyes blaast het plan af: met enorme gevolgen, want één schip had de instructies niet doorgekregen, waardoor het in Duitse handen viel, te samen met het geheime plan van de operatie.
- Enkele dagen later moet een tweede poging worden uitgesteld wegens storm.
- Nu de Duitsers dubbel op hun hoede zijn, moet er snel gehandeld worden: alhoewel het op 22 april volle maan is,  lijkt het een ideale dag: 23 april is de feestdag van Sint Joris, patroon van Engeland en notoir drakendoder: dit zou voor extra motivatie zorgen. De ernst van de situatie dringt pas door wanneer aan de manschappen gevraagd wordt zand te strooien op het dek om het bloed op te vangen. En bloed vloeit er: doordat de wind rond middernacht alweer draait, worden de logge schepen een al te gemakkelijk doelwit voor het Duitse marinekorps dat er grondig in maait. Toch slaagt de Vindictive er in om zich naast de havenmuur te leggen. Helaas zijn op dat moment al 10 van de 12 landingsbruggen vernield. Bovendien dreigt hij door de stroming af te drijven en moet hij door de Daffodil de hele operatie lang op zijn plaats geduwd worden, waarmee dit schip verder nutteloos wordt. Ook het derde aanvalsschip, de Iris, wordt door de stroming haast weggedreven, maar Luitenant Commandant Bradford kan met een ultieme sprong toch nog een ankertouw aan de kade vastmaken. Hij wordt in de rug geschoten en bekoopt het met zijn leven, maar zal postuum nog het Victoria Cross krijgen (3). Hij was niet de enige held: voor geen enkele operatie in de Britse geschiedenis zijn er meer eretekens uitgereikt dan voor deze raid, die nauwelijks een uur duurde.  Waarschijnlijk zijn Lt Comm. Bradford en zijn collega Hallihan die hem nog wil redden geplet tussen de havenmuur en hun schip. Bradford spoelt later aan in Blankenberge. Tijdens de aftocht – toen de soldaten zich al veilig waanden – wordt de Iris nog geraakt door een voltreffer, waardoor nog 75 mariniers sneuvelden.
We mogen er van uitgaan dat ook de andere mariniers die in Blankenberge begraven zijn, aangespoeld zijn nadat ze – gewond of gedood – in het water terecht kwamen.
En verder ?
Van al de bevelhebbers bleef maar één officier over: Lt Comm. Adams.
Door een inschattingsfout van de Duitsers, slaagt de onderzeeboot ‘C3’ die het houten staketsel moest rammen, volkomen in zijn opdracht.
De Thetis wordt zwaar beschoten, maar geraakt niet tot bij de sluizen omdat hij verstrikt raakte in de stalen anti-duikbootnetten.
De Intrepid en de Iphigenia raken min of meer op hun bestemming, maar ‘vergeten’ de sluizen te rammen, omdat  dat het werk was van de Thetis.
De bemanning van die drie schepen kan grotendeels ontkomen zoals voorzien, in kleine motorbootjes.
4.Resultaat ?
- Militair-strategisch gezien was de ‘Operatie ZO’ maar half geslaagd: bij hoog water konden de Duitse duikboten nog tussen de blokschepen doorvaren.
- Aan Duitse kant telde men 10 doden en 16 gewonden, terwijl aan de Engelse kant 161 doden vielen en 600 gewonden, waarvan er nog 28 later stierven. Plus 16 vermisten. Tien mannen misten de terugkeer en werden achtergelaten op de ‘mole’, waarna ze uiteraard krijgsgevangen werden gemaakt.
- De raid op Oostende, het tweede luik van de ‘Operatie ZO’ werd een fiasco: de Duitsers hadden hun voorzorgen genomen en gewoon de boeien verplaatst. Hierdoor  liepen heel wat schepen vast op de zandbanken, waarna de opvarenden werden gevangen genomen. De Vindictive werd gekelderd.
- Het groot belang van deze raid was vooral psychologisch: de overlevenden hadden het fatalisme doorbroken en werden als helden verwelkomd en gelauwerd.
- Geleerd door dit verhaal,saboteerde het Belgische verzet bij het begin van WOII zelf preventief de haven,zodat de installaties aanvankelijk niet te gebruiken waren door de Duitsers. Ze werd in ’44 toch vermoest en werd pas in ’51 terug toegankelijk voor zeeschepen.
5. Wat rest er nog , behalve de headstones op ereperk 1 in Blankenberge?
In Engeland staat 23 april als een mijlpaal geboekstaafd. Regelmatig zijn er herdenkingen.
Op 16 juni 2012 werd er een vernieuwde ‘Saint George’s Day-wandeling’ ingehuldigd in Zeebrugge.
In Zeebrugge is er een Roger Keyesplein met een monument, opgericht met authentieke stenen uit de havendam of ‘mole’.
Op de begraafplaats van Zeebrugge naast de kerk liggen Engelsen en Duitsers broederlijk naast elkaar begraven.
Oostende kreeg een Vindictivelaan en de boeg van het schip kreeg een perkje bij de kanaalsluis.
Ook de bemanning van de Engelse onderzeeër ‘C3’die de verbinding met het vasteland had opgeblazen, kreeg een eigen monument, n.o.v. Pierre de Soete.
SIEGFRIED DEBAEKE: Brugge in de Grote Oorlog. Brugge, De Klaproos, 2011, 143 p., p.44-45
Times,18 okt. 1917
The London Gazette,  14 maart 1919, n° 31236, geciteerd in : KENNES CIS: De Begraafplaatsen van Blankenberge,  2009, p.32
Bibliografie :
°  GEERT CLERBOUT : Publiek Geheim  Van Halewyck,2011, p. 29-49.
°  BARRIE PITT : Zeebrugge : St. Greorge’s Day 1918, London, Cassell, 1958, XV, 237 p.
° Zeebrugge raid.png
° D.LAKE : Zeebrugge and Ostend raids 1918, Pen and Sword, Barnsley, 2002
° XXX: Marinekorps Flandern, 1914-1917.
° JOHAN RYHEUL : Marinekorps Flandern 1914-1918. Uitg. Emiel Decock, Aartrijke, 1966, p. 47 , 48 en 235.
XXX : Cnoc is ier. (Tijdschrift) 45, jg. 2008, p.41.
 
Cis Kennes.

“De Somme zien … en Dafalgan nodig” of hoe een gids een overaanbod aan informatie kan geven.


Een driedaagse trip naar de Somme kreeg als titel mee “de Somme zien … en sterven”. Maar in dit geval was de boventitel meer op zijn plaats. Ondertitel had ook kunnen zijn “hoe een gids/aflezer zorgt dat iedereen een digestie aan een driedaagse overhoudt”.
 
Reden: de gids, ene Annick – verder Kwebbel genoemd, voelde zich geroepen om ons te overladen met informatie die ze steevast aflas van haar papiertje. Het mens had dan nog niet eens de moeite gedaan om haar informatiebronnen tot één verhaal te bundelen zodat het meermaals geschiedde dat we drie/vier maal hetzelfde te horen kregen. Natuurlijk zijn de leden van vzw Grafzerkje, er waren er vijf die aan de trip deelnamen (Leen & Marc, Lin, Rina en mezelf) verwend met topgidsen zoals An Hernalsteen, Stefan Van Camp en zeker als het over de Eerste Wereldoorlog gaat: Dominiek Dendooven.
 
Na een uitgebreide uiteenzetting over WO I en een nog uitgebreidere uiteenzetting over de slag bij de Somme was Pozières onze eerste halte. Van daar hadden we zicht op het landschap waar in juli 1916 bloedige gevechten werden geleverd en een keurig, door de War Graves Commission, herdenkingsplaats. Aan de overzijde een monument voor de eerste tanks die hun intrede deden in 1916. De Mark I  was de meest bekende. Op het monument vier miniatuurtanks. Het uitgebreide verslag werd keurig afgelezen. Hieruit bleek ook de steeds belangrijker rol die de tanks gingen spelen op het slagveld. Thiepval : het grootste Britse oorlogsmonument ter wereld. Een herdenking voor de meer dan 72000 vermiste Britse soldaten. Achteraan een begraafplaatsmet links de Fransen en rechts de Britten . Sommige onder ons vonden de Menenpoort mooier, anderen verkozen dit hier. Wat ook opviel: enkele scholen met jonge kinderen die aan de lippen van de, ook nog jonge, gidsen hingen, die luisterden en interessante vragen stelden. Bij ons is eerder een zootje ongeïnteresseerde kinderen dat een verplicht nummertje afwerkt. Constant worden de namen op het monument herkapt .
Na het eten naar Contalmaison met een klein, lelijk volgens Kwebbel en dan moest iedereen dat maar lelijk vinden, monumentj voor een Schotse voetbalploeg “hearts of Tynecastle” die, in groep, naar het front trok. Zeven onder hen sneuvelden en slechts één zou later nog tegen een voetbal kunnen shotten. Vandaar naar de Britse oorlogsbegraafplaats waar ook één Duitser ligt die we spijtig genoeg niet vonden. Wel vonden we sergeant Castleton de enige hier die het Victoria Cross kreeg voor zijn moedig optreden tijdens evacuatie van gewonde soldaten onder hevig vijandelijk vuur. In Ovillers-la-Boiselle bevindt zich “La Grande Mine”, een krater van 10 meter diameter en 30 meter diep. Het gevolg van twee ontploffingen op 1 juli 1916. Deze Britse actie was het begin van de slag om de Somme. 25000 kilogram ammonal werden tot ontploffing gebracht onder de Duitse linie. In Albert bewonderden we de prachtige basiliek Notre-Dame de Brebières gebouwd door Edmond Duthoit tussen 1885 en 1895. In 1915 trof een obus de koepel waardoor de madonna loskwam. Er ontstond een legende “als de maagd valt, zal de oorlog voorbij zijn”. Het beeld viel naar beneden op 16 april 1918, de oorlog eindigde in november.
Dag twee: voormiddag stonden enkele mogelijke bezoeken aan Amiens op het programma. Een drietal zerkjes verkozen om Kwebbel niet te vergezellen maar om de begraafplaats La Madeleine te bezoeken. Commandant Jean François Vogel  kwam om tijdens het beleg van de citadel in 1870. Rina vroeg zich af wat het perk met alle nummertjes betekende. Na wat speurwerk bleek dat de nummers overeenkwamen met de namen op een daarnaast gelegen gedenksteen. F. Gand  ligt onder een werk van Albert Roze. Grimaux  ligt onder een gigantisch grafmonument. Blikvanger van de begraafplaats: Jules Verne lijkt als het ware uit zijn graf te komen. Heel de familie Duthoit, architecten en heropbouwers van de basiliek in Albert ligt hier. Lecocq  ligt in een grafkapel om u tegen te zeggen. Monument voor pompiers . Politicus Jean Barni ligt naast de familie Petit. Klein kun je hun monument niet noemen.
Na nog enkele prachtige dreven gezien te hebben zat ons bezoek aan La Madeleine er op. Een kort bezoek gebracht aan de kathedraal  met het wereldberoemde beeld van de putti.. Deze afbeelding werd tijdens WO I naar heel de wereld verstuurd door de soldaten.
Ik heb nog nooit zo lang gereden naar de Chinees. Liefst 1 uur en 10 minuten naar de Chinese begraafplaats. De rit werd ingevuld door een betoog over Chinezen en wanneer we dan in Nolette aankwamen dachten we dat het gepraat voorbij was. Mis poes, er volgde nog een ellenlange, grotendeels dezelfde uitleg. We zagen een Chinese inscriptie op de toegangspoort . Hier liggen 7842 chinezen actief in het Chinese Labour Corps. Zij moesten de slagvelden opruimen en velen lieten daarbij het leven. De slechte levensomstandigheden maakten dat vele overleden aan de Spaanse griep. De laatste hier overleed op 23 maart 1920.
Dag drie: In de voormiddag naar de Duitse begraafplaats van Neuville Saint Vaast . We kregen er een verhaal over de Volksbund die de graven onderhoud en liefst vier keer zegde Kwebbel dat het stenen kruisen waren. Het waren er gietijzeren maar wanneer iemand haar er op wees gleed dit als water van een eend. In het midden van de immense dodenakker een monument  met de tekst “ich hatt einen kameraden, einen bessern findst du nicht”.
Het hoogtepunt was Vimy. In de bus een hele uitleg en ter plaatse moesten we ons laten begeleiden door Canadese studenten die hier vrijwilligerswerk kwamen doen. Die jonge studenten deden meer dan hun best en hun Frans was wel heel leuk om te aanhoren. Een eerste studentje gaf een, korte – lang geleden dat we nog een korte uitleg gekregen hadden, inleiding en met een tweede daalden we de tunnel  in. Het had al een hele tijd geregend en het was er tamelijk glad. Nadien nog even in de loopgaven  gewandeld en dan bijna een uur moeten wachten want onze gids moest toch aanvullen want, dixit haar “die studentjes bakten er maar niets van”. Niet voor ons dus die het met haar al lang gehad hadden. Komt ze in de bus en dan had ze nog commentaar over een collega-gids die, alweer volgens haar “er niks van bakte”. Maar die gids liep wel rond zonder alles af te lezen van een papiertje.
Dan in de bus voor een zeer kort ritje naar het prachtige monument. Intussen was het gestopt met regenen maar in plaats van naar het monument te gaan moesten we nog een hele uitleg aanhoren. Toen een iemand het waagde om wat te praten tegen haar buur werd die streng terecht gewezen: zoiets hoort toch niet! Wanneer het dan terug begonnen was met regenen konden we het monument aanschouwen.
Teruggekomen gebeurde er een wonder. De tweede begeleider, Jurgen, die ons heel de reis kort maar krachtig had geïnformeerd, zegde “en nu is de oorlog gedaan!”. En wonder boven wonder Kwebbel hebben we niet meer gehoord. Er moet toch iemand het aangedurfd hebben om te zeggen zoals ooit een politicus zegde “trop is te veel!”. Dat hadden we deze laatste dagen wel ontdekt.
 
Jacques Buermans

Alternatief voor de Rode Duivels Leen zocht Jacques tussen 200 man…


Enkele dagen geleden zat er ’s morgens vroeg een dringend bericht van onze voorzitter in mijn mailbox. Of ik enkele uren later aan de cafetaria kon zijn, want hij had een voorstel dat, als het mij beviel, “vandaag nog moest uitgewerkt worden!”. Laat dat nu één van de redenen zijn waarom ik hem zo graag heb: never a dull moment met hem. Natuurlijk was ik nieuwsgierig om te weten wat hij nu weer bedacht had en wou ik zeker mijn steentje bijdragen om het te realiseren.
Stipt op tijd, als altijd, begon hij met een uiteenzetting over… het weer! Ja, het was een prachtige dag, maar wat was dat idee? Ik kreeg een blaadje onder de neus geschoven met als titel: “Alternatief voor Rode Duivelsmatchen!”. Ik las verder en het bleek een voorstel te zijn om op de tijdstippen dat de Belgen speelden, een rondleiding te geven op Schoonselhof. Gratis dan nog wel!
De enige opmerking die ik kon maken was: “Waarom heb je dat deze morgen niet doorgemaild, dan had het al op ‘Uit in Vlaanderen’ gestaan?” Hij vreesde ervoor dat ik hem compleet gek zou verklaren en wou het eerst even voorleggen. Ik had wel enkele bedenkingen over het uur en de (week)dag, maar ik zou wel gek zijn om hem gek te verklaren; ik vond het gewoon een schitterend idee!
“Zou er iemand op af komen?” was zijn grootste zorg. We konden alleen maar zorgen voor zoveel mogelijk reclame! Een half uur later stond het op ‘Uit in Vlaanderen’ en dan was het afwachten wie het zou oppikken. Het begon met een paniektelefoon van de voorzitter of we een voetbal hadden, want dat er eentje van GVA kwam en die zou foto’s nemen. Een groot artikel in de Gazet van Antwerpen was het resultaat. Het Nieuwsblad, het Laatste Nieuws en Radio 2 volgden. Als kers op de taart verscheen hij op ATV in het nieuws en in het nieuws van Radio 1.
Natuurlijk wisten we toen nog niet of er iemand zou komen…
De avond zelf kwam ik aan de hoofdingang van Schoonselhof – drie kwartier voordat we zouden vertrekken – en toen zaten er al mensen te wachten; “Ja, we zijn hier voor de rondleiding! En wij ook.” Ze kwamen en ze bleven komen. Op een gegeven moment was de ingang gewoon versperd omdat er te veel volk bij kwam en werd de hele groep enkele meters verplaatst .
Onze voorzitter glunderde van pure trots. Zes uur stipt en wij weg. Toen was de massa al niet te tellen; het waren er zeker al meer dan bij het vorige record en dat was 84 mensen. Ik had het fototoestel in bruikleen gekregen en ook zijn gsm, voor als de pers zou bellen! Hij was nog maar aan de inleiding begonnen toen GVA al belde, “Of er een beetje volk was?”. Zo kon je het wel stellen, ja. Bij een eerste poging om te tellen, kwam ik aan 145, maar zelfs toen bleven ze nog aansluiten. Bij een tweede poging kwam ik aan 190, en dan waren er al terug vertrokken – omdat er te veel volk was en ze de graven amper konden zien. Hier en daar werden enkele stopplaatsen overgeslagen, die met minder volk wel aan bod zouden komen; maar al bij al waren ze zeer geïnteresseerd en was het deelnemen aan deze rondleiding een onvergetelijke ervaring!
Op naar de volgende en hopelijk breken we het record deze keer niet….

 
Tekst: Leen Otte
Foto’s: Leen Otte en Paul Stoffels
 

Mariakerke, An Hernalsteen oog in oog met bisschop Bracq WBP en ons aller An in prima vorm.


Ons aller An Hernalsteen  mocht 23 deelnemers verwelkomen. Gestart werd in de kerk waar An ons wees op een beeld uit 1825. De genius  ) van de architectuur betreurt de overledenen en zoekt troost in het geloof. Een ommetje rond de kerk gemaakt. Een eerste monument was dit voor Alfred Claeys Bouuaert, senator en “actief” in het voormalige Belgisch Congo. Een mooi voorbeeld van een neogotisch grafmonument. De familie Herry  leverde enkele katholieke politici. Bouwmeester was August van Assche. Aan de manier waarop de wapenschilden gebeeldhouwd werd kon men de heraldische kleur identificeren. Op het grafmonument voor Kervyn  troffen we twee doodshoofden aan en de omgekeerde toorts. We zagen een zeldzaam beeld: een gekroonde dood ” bij Van de Vyvere, fabrikant van schoenen en textielhandelaar. Iets verder het graf voor de tweede burgemeester van Gent: De Naeyer. Volgens de Fransen was hij niet streng genoeg en werd hij afgezet. Van den Hecke.. Edmond Bracq was senator. Een heel bescheiden man want hij liet voor zichzelf een kasteel bouwen dat hoger zou zijn dan de kerk. Spijtig waren zijn geldmiddelen ontoereikend.
Voor we de begraafplaats betraden vertelde An over de “kerkhofoorlog”. Bisschop Bracq verbiedt begraven in ongewijde grond en spreekt van op de kansel een banvloek uit over de Westerbegraafplaats. De katholieken moeten op zoek naar een plaats om hun doden te begraven. De eerste plannen leiden naar Ledeberg maar de grond is daar veel te vochtig omdat die zich vlak bij de Schelde bevindt. Hier in Mariakerke wordt grond aangekocht en de begraafplaats wordt op 14 oktober 1873 ingewijd. An kon niet nalaten om te vertellen dat Mariakerke het enige Campo Santo van Gent was en niet die “sukkels” van Sint-Amandsberg want, dixit An: “dit is maar een ordinair kerkhof!”
Petrus Pauwels  werkte zich op als beeldhouwer. Henry de Tracy was schilder. Hij plakte “Bernard” achter zijn voornaam omdat de beter klonk. Mathias Zen, neogotisch beeldhouwer. Iets verder Frans Coppejans , kunstschilder, en gekend als een der redders van het Lam Gods tijdens de eerste wereldoorlog. Op een platte wagen werden de panelen uit Sint-Baafs verwijderd en weggestoken in een woning in Patershol. Toen de Duitsers vlakbij die woning kwamen werden de panelen op dezelfde wijze overgebracht naar de kerk van de Augustijnen. Alex Beaumont Van Damme kreeg een graf met een serre er rond. Pausenberger was beeldhouwer en grafmaker. August Nobels was pastoor van Sint-Jan-Baptist en beeldhouwer. Ilias d’Huddegem  was kanunnik van Sint-Baafs. Gustaaf Van Hoorebeke specialiseerde zich in het opmaken van stambomen voor adellijke families.
Dan betraden we de knap gerestaureerde gaanderij. Catharina van Zingerling  was het jongste kind van een familie waarvan vader vrijmetselaar was. Die man overleed toen ze nog jong was en zij trok naar de karmelietessen, heel haar fortuin meenemend. Grafmonument voor de familie Van der Eecken. Blommaert  was een van de steunpilaren van de Vlaamse beweging. Op de tekst op de grafplaat is het opschrift bij zijn naam het enige die in het Nederlands vermeld staat. Hye – de Crom  waren wijnhandelaren. Gerard Cooreman was minister. In 1914 verliet hij het parlement en werd directeur van de Société Générale. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog volgde hij de regering hoewel hij op dat moment geen parlementslid was. Tegen het einde van de oorlog deed koning Albert andermaal een beroep op Cooreman om de leiding van het kabinet op zich te nemen. Op 1 juni 1918 aanvaardde hij. Op 13 november 1918 bood Cooreman het ontslag van zijn regering aan en in de daaropvolgende dagen kwam in Loppem de regering tot stand. Sommigen verweten Cooreman dat hij zijn ontslag te vlug zou hebben gegeven en zo koning Albert vrij spel zou hebben gelaten om zijn wil door te drijven. De familie Hye – Huys ging op bedevaart naar Spanje. Onderweg kwamen ze in een storm terecht. Ze baden tot Theresa Van Avila met de belofte dat, indien ze de storm overleefden, ze een kapel ter hare ere zouden laten oprichten. Zo geschiedde.
Op het eind van de gaanderij stond An oog in oog met haar goede vriend bisschop Bracq. De knekeltjes van de brave ziel werden verplaatst naar Sint-Baafs en dat zinde onze An niet. Hij lag in de gaanderij naast zijn goede vriend de Hemptinne .An vroeg zich af hoe die zich, na het laatste oordeel moet gaan voelen wanneer hij ontdekt dat zijn vriend Bracq verdwenen is. Dus aan allen: gelieve de petitie van An te ondertekenen “wij willen Bracq terug in Mariakerke”.
Terug buiten ontmoetten we nog een mooi glazen grafmonument. An sprak hier dat het gewaagd was omwille van het feit of het monumentje wel bestand zou zijn tegen weer en wind en vandalenstreken. Eindigen deden we bij het verhaal van twee kindjes die verdronken toen moeder met haar wagen achteruit in de Brugse vaart reed. Omstaanders haalden de moeder uit de wagen maar wisten niet dat twee kinderen achteraan in de wagen vastgeklonken waren. Iets te laat om, zoals An steeds zegt “de patatjes op te zetten” togen we huiswaarts.
Jacques Buermans. 
 
Foto’s: Leen Otte.

Westerbegraafplaats Gent: Over “koeketiene” en “kroakemandel” WBP: “markante” An in haar sas in haren hof.


Na de gebruikelijke vraag van An “Iedereen kent toch de geschiedenis van de Westerbegraafplaats?” is er toch altijd één die “neen” antwoord en dat is het moment waarop ondergetekende uitkijkt want dan volgt steeds het verhaal van An en haar goede vriend bisschop Bracq die de banvloek uitsprak over deze begraafplaats.
Maar het ging vandaag specifiek over “markante vrouwen” en ik dacht nog dat het over onze gids ging maar neen. Gezwind trokken 22 geïnteresseerden naar Marie Comparé. Deze erfgename van een lijnwaadhandelaar huwde Jacques Fredericq die 17 jaar ouder was. Samen kregen ze vier kinderen. “Gelukkig krijgt Jacques een hersenbloeding en is hij gedeeltelijk verlamd” zegt onze gids want anders was het zeker elk jaar prijs. Nu krijgt het echtpaar nog twee kinderen. Na het overlijden van haar echtgenoot kreeg ze nog een kind Karel. Ze hertrouwde later met Herman Loveling die Karel erkende als zijn zoon. Samen kregen ze nog drie kinderen: Pauline, Rosalie en Virginie. Zeker niet onbekend. Marie Comparé ligt hier niet begraven. De familie Fredericq wel. Daarnaast ligt César Fredericq die huwde met Bathilde Huet, die eerst nog overwoog om in het klooster toe te treden. Vandaar was het maar een stap verder naar Euphrosine Spanoghe. Zij schonk haar fortuin aan de stad Gent en het geld diende aangewend te worden voor de bouw van een jongensschool. Op het graf veel symboliek: de vijfpuntige ster, Pallas Athena, godin van de wijsheid, een putti met opgerichte toorts staat symbool voor de vrijmetselarij en ook een uittreksel van haar testament. François Laurent huwde met Marie Rosalie Tèche een telg ui het Luxemburgse staalbedrijf. Arbed en Sidmar zijn aan het koppel te danken. De dochters van Laurent huwden met zonen van de familie Caillez om zo het fortuin binnen de familie te houden. Pauline de Loose bezat oesterbanken en een rederij. Zij huwt Constant de Kerckhove de Denterghem. Hun zoon Charles wordt burgemeester van Gent.
Dat het niet enkel over belangrijke vrouwen moet gaan toonde An aan bij het graf voor Petronella Van Duuren .Het graf werd door haar ontdekt onder een rododendronstruik. Het graf kwam tevoorschijn en “haar mannekes”, zoals An de arbeiders op “haar” Westerbegraafplaats placht te noemen zorgen er nog steeds voor dat de rododendronstruik regelmatig gesnoeid wordt. Ook een mooi vrouwenbeeld kan bekoren. De Gezelle was theatercriticus. Het masker stelt de tragedie voor, logisch voor een overlijden. Het beeld zelf is een pleurante, door An steevast “een bleiter” genoemd. De Bast ging zijn vrouw in Rome zoeken: Amalia Armellini. An toonde een prentje de Italiaanse schone voorstellend in traditionele klederdracht. De moeder van Edward Anseele, Rosalie Washer, wilde dat haar kinderen onderwijzer werden. Alleen bij Edward lukte dit niet, die werd drukker. Edward huwde met ene Maria De Coster. Hij was, dixit An, schuchter maar hield er toch een “koeketiene”, Gents voor een concubine, op na. An had pretoogjes toen ze vertelde dat ze de laatste rustplaats van de weduwe die Anseele troostte ontdekt had en ons weldra ging tonen. Ook Paul Van Zantvoorde ging het in Italië zoeken: hij huwde Maria Calvi uit Milaan. Ook het grafmonument komt uit Italië.
 
Vandaar naar Virginie Loveling, de schrijfster, en haar zuster Pauline. Deze laatste was de moeder van Cyriel Buysse. Cyriel “verdween” regelmatig om avontuurtjes te beleven. Ooit deed hij een huwelijksaanzoek aan Rosa Roossens dochter van Max Roossens die, de reputatie van Buysse kennende, een huwelijk niet genegen was. Amelie Luyssen,weduwe Van de Weghe, was de “koeketiene” van Anseele. Om een foto van haar te tonen moest An alle moeite van de wereld doen om de weerspannige boomtak opzij te schuiven. Heckers  kreeg een prachtig beeld op zijn graf. Volgens An plagiaat met het grafmonument de Medici. Virginie De Hoon echtgenote van Karel Ledeganck. Bij deze rustplaats mijmerde An over de mogelijkheid om dichter Karel Ledeganck, de echtgenoot van Virginie, van het Campo Santo naar de Westerbegraafplaats te laten overbrengen. Anna De Weert – Cogen was een leerling van Emile Claus . Clara Sarteel was keramiste. Op haar graf het werk “Orpheus” omdat ze enorm veel van muziek hield . Jeanne Van Cauwenberghe was kunstschilderes . Vandaar naar Vina Bovy, de Gentse nachtegaal en directrice van de Gentse opera . We eindigden bij Antoinette Vandeputte . Ze stond op de markt met “kroakemandel”. Gentenaars kennen dat. Blijkt dat het bruine erwten zijn die gefrituurd en nadien gezouten worden. Ik zou zeggen smakelijk maar laat deze “lekkernij” toch aan mij voorbij gaan. Maar niet vooraleer An te danken omdat de toehoorders toch heel wat konden opsteken.
Jacques Buermans
 
Foto’s Leen Otte.
 

Niks: Campo Santo, niks: Père Lachaise: kerkhof van Sint-Amandsberg WBP: An Hernalsteen zet een en ander recht.


Het was weer van dat: hoewel duidelijk gecommuniceerd werd dat er bijeengekomen werd aan de parking vóór de kerk stonden er weer een aantal boven aan de kapel. Maar blijkbaar zijn Gentenaars potdoof want vóór de kerk stonden er bijna twintig te wachten zoals voorzien “voor de kerk”. Eén Gents kieken zegt dan dat er aan de kapel bijeengekomen dient te worden en alleman stapt er achter aan tot boven … aan de gesloten poort. Of “wie niet horen wil moet voelen”. Nadat An hen, nogmaals, wijs gemaakt heeft dat ze hier moesten zijn trokken meer dan dertig geïnteresseerden naar binnen. Voor de tweede keer die dag zou het over markante vrouwen gaan.

Nadat An weer vroeg of iedereen de geschiedenis van het kerkhof kende waarop er toch weer enkele waren die ze niet kende ging An van start met een korte geschiedenis. Tot 1847 hing Sint-Amandsberg af van Oostakker. De opkomst van de industrie maakt dat het bewonersaantal van Sint-Amandsberg groter wordt dan dit van Oostakker. Pastoor Van Damme bespeelt, via religieus lobbywerk, de politici. Hij laat grafkelders bouwen voor de rijken. Dan maakte An, op haar eigen manier, komaf met een aantal beweringen. Sint-Amandsberg een Campo Santo : niks van aan zegde ze: een Campo Santo is zoals in Pisa: een bakstenen ommuring met een gaanderij en twee elkaar kruisende paden die vier perken vromen. Het enige Gentse Campo Santo is Mariakerke! Nu was er toch een slimmerik in het gezelschap die zich afvroeg waarom het dan Campo Santo genoemd werd? Onze Gentse furie glunderde toen ze kon zeggen, naar ondergetekende wijzend, allemaal de schuld van een Antwerpenaar! Hendrik Conscience die bij de herinhuldiging van het graf voor Jan Frans Willems sprak over een Campo Santo. Jan Frans Willems  werd dan weer terecht gewezen omdat hij ooit sprak over Sint-Amandsberg als het Gentse Père Lachaise! Niks van aan zegde An: de Gentse Westerbegraafplaats dat is het Gentse Père Lachaise en verder mogen Brussel/Evere; Brugge/Assebroek en, oef, het Antwerpse Schoonselhof zich Père Lachaise noemen. Laatste rechtzetting van An: de Vlaamse heldenheuvel dan?  “Mijn oor. Jan Frans Willems lag aan de Dampoort en het Reinaardverhaal speelt zich, volgens de overlevering, af op Sint-Amandsberg vandaar dat Willems hier begraven werd. Conclusie van het orakel van Gent: Sint-Amandsberg: een ordinair, gewoon kerkhof! Wat moest gezegd worden.
We starten bij dichter Karel Ledeganck waar An fijntjes vertelde dat zijn echtgenote op “haar” Wester begraven ligt. Vandaar naar de engel van Gent Marie de Hemptinne.  De enige uit deze adellijke familie die Gents sprak om met de arbeiders te kunnen communiceren. Tijdens de choleraepidemie van 1846 stond Marie die mensen bij maar liet daar het leven bij. Zij werd begraven op de Brugse Poort. Tien dagen na de inhuldiging van Sint-Amandsberg werd zij hier begraven onder een neogotisch monument. Bij De Smet – Raes zat An met een mysterie. Zij had het over jongetjes die van geslacht veranderden? Bij een drietal jongetjes stond “née” in plaats van “né” en décédée” in plaats van “décédé”? Een verklaring had An er niet voor. An ontdekte nog niet lang geleden, onder een struik, het mooie grafmonumentje voor Joséphine Blondeel . Bij Rosalie Loveling , burgerlijke begraven in gewijde grond zegde onze gids “wat komt dat kind hier zoeken?” lees: waarom ligt ze niet in de Westerbegraafplaats? Op het graf voor Dominique Michiels staat een prachtige orante – pleurante van de hand van beeldhouwer Domien Van den Bossche. “Orante – pleurante” wordt door An steevast vertaald in ‘bidder en bleiter”. Een opgekuist grafmonument voor de zusters van Nouveau – Bois . Boven aan de kapel wees An ons op een monument oorspronkelijk bedoeld voor één vrouw. Het monument werd openbaar verkocht en vormt nu de toegang tot de crypte  van de pastoors. Boven de ingang de hand van God .
Een werk uit de beginperiode van beeldhouwer Geo Verbanck  op het graf van een moeder en dochter die stierven binnen één week. Theresa Verhaeghe was een begijntje die oorspronkelijk begraven werd op de Brugse Poort. Zij vereerde Antonius van Padua wat ook te zien is op haar grafmonument. Prudence De Schepper was de echtgenote van kunstschilder Gustave Van de Woestyne. An zegde “ook de dames willen wel wat” en zij toonde Karel Van de Woestyne met zijn prachtige krullenbol. Maar daar stopte het niet bij voor de dames. Auguste Neytwilde wat bijverdienen door te poseren. Hij stond model voor niemand minder Rodin. An toonde Neyt in zijn volle glorie. Een mooie pleureuse, bleiter, op het graf Ridderbosch . Pauline Loveling stond te pronken met de vlam van de vrijzinnigheid op haar graf. In 1926 werd zij als een der eerste vrouwen verkozen in de Gentse gemeenteraad. Het Gentse dierenasiel kwam er door haar toedoen. Zij huwde Louis Buysse en zij zijn de ouders van Cyriel Buysse. Rosa Geinger was toneelspeelster actief in de Minard en in het volkstheater. We eindigden bij kunstenares Cecile Boonans . Tegen die tijd had An ons alle hoeken van het Campo Santo, sorry van het kerkhof van Sint-Amandsberg laten zien. Moe maar tevreden namen we afscheid.
Jacques Buermans
 
Foto’s Leen Otte.
 

Zuiderbegraafplaats Gent veel beschreven en veel gefilmd: WBP: een veel te weinig bezochte begraafplaats.


An mocht 24 deelnemers begroeten op haar rondleiding. Ik dacht ook dat er enorme persbelangstelling was want ik zag niet minder dan vier “schrijvers” plus een delegatie van, denkelijk een of andere heemkundige kring, met een “kenner, zie later, die alles op film vastlegde. Ik zou daar enorm zenuwachtig van worden maar An bleef er uiterst kalm bij. Ik hoop alleen maar dat al die schrijvelaars dat deden voor persoonlijk gebruik want ervaring in Antwerpen leert me dat er door sommigen geschreven wordt dat het een lust is en dan zie je die enige tijd later, doodleuk – kan op een begraafplaats -, een ‘gelijkaardige’ rondleiding geven.

 
An  wist ons te vertellen dat, na het edict van Jozef II – de schrijveraars hoorden het in Oostenrijk donderen – wij Grafzerkjes kennen onze “Jef”, er begraven werd aan de Dampoort. Jozef II stelt dat er een apart perk voor protestanten moet voorbehouden worden maar voor Joden wordt er niets bepaald. In 1786 vragen de Joden aan de Dampoort een apart perk. Wegens de beperkte grond en het feit dat in die tijd de Gentse Joden niet rijk waren werd en opgehoogd, zoals in Praag, om nieuwe doden te kunnen begraven op hun, beperkt, perk. Er komt protest van de katholieken. In 1840 dienden de Joden uit te wijken naar Sint-Gillis. Dit is, wegens de lijkentaks, voor velen te duur en in 1848 krijgen ze op de Zuiderbegraafplaats een stuk grond. Later worden ze begraven op de Westerbegraafplaats in ongewijde grond.  De begraafplaats aan de Dampoort is verdwenen dus is dit de oudste, nog bestaande, Gentse begraafplaats.
Onze tocht begon bij Frederik De Pestel , onderwijzer door zelfstudie en vrijzinnig. In 1879 zit er in zijn, niet katholieke, school geen enkel kind. De Pestel wordt weggepromoveerd en vervroegd op pensioen gesteld. Zijn dossier verdwijnt en Frederik krijgt geen frank pensioen. Hij wordt burgerlijk begraven op gewijde grond met redevoeringen van Karel Ledeganck en Jacques Frederick aan zijn graf. Achillus Beauprez  sneuvelde niet tijdens de Eerste Wereldoorlog maar overleed aan de gevolgen ervan in 1921. Hippoliet Van Peene . Wanneer Hippoliet op stap gaat komt hij voorbij de woning van strijkster Virginie Miry. Bij goed weer zingt ze voor het open raam alle liedjes ui de Franse opera. Hippoliet werkt zich bij haar binnen door te zeggen dat hij de viool bespeelt. Hij treed toe tot een rederijkerskamer met gevolg dat de Minardschouwburg wordt opgericht. Hij maakt de tekst voor de Vlaamse Leeuw op muziek van Karel Miry. De begrafenisstoet van Van Peene start aan de Minardschouwburg. Om het grafmonument te bekostigen wordt in de Minard een drama en een blijspel opgevoerd. Voor de rol van Vondel wordt een beroep gedaan op, het valt heel moeilijk voor An om dit over haar lippen te krijgen, een Antwerpenaar: Victor Driessens. Een origineel ontwerp, de enige creatie van architect Geo Bontinck, bevindt zich op het graf De Rudde . Een vervallen monument op naam Achterhalen. An trof hier een papier aan waarop stond “de concessie eindigt in 1881 en vervalt in 2010”. Een kleine vergissing van de administratie van de stad Gent. Een mooie zandloper met vleugels op een oude grafkelder. An moet nog onderzoeken wie hier in ligt. De Groote ligt in een interbellumgraf met pakkend basreliëf. Ernst Brengier, toondichter krijgt les van Peter Benoit. Die belooft hem een baantje aan het Antwerpse conservatorium maar Benoit overlijdt voor hij zijn belofte kan waarmaken. De opera Gudrun op tekst van Albrecht Rodenbach is zijn belangrijkste werk.
Dan moest het “het moment de gloire” van An komen want de plaatselijke heemkundige kenner bleek de laatste rustplaats te kennen van “den berentemmer”. An legde uit dat tijdens de Wereldtentoonstelling van Gent van 1913 er ook een circus was. De berentemmer van dienst was ziek en liet zich vervangen. Zijn vervanger werd, voor het oog van het publiek, door de beer opgepeuzeld. An verkneukelde zich in het verhaal en ook omdat ze eindelijk de laatste rustplaats van die persoon zou ontdekken. Tot het wicht van de heemkundige kring zegde dat het ene Libot was die in de concessie Alexandre Le Schan ligt. Volgens An moest het Collebaut zijn die onder de naam Charles Davigny optrad. Om zeker te zijn van de tekst op de grafplaat werd onder de leiding van An een “Duyckske”  gedaan. Alle ingrediënten waren aanwezig: een gieter, water en een Chinese vrijwilliger die het water over de grafplaat goot. De tekst  werd nu goed zichtbaar met dank aan ons lid Johan Duyck.
Daarnaast Albert Busch, een Duitse familie van foorkramers. An van de antiklimopliga ergerde zich aan de overtollige klimop rond de grafkapel Fournier –Peters. Ze gaf opdracht aan de heemkundige kring om er dringend iets aan te doen. Daarnaast Miele, geen fabrikant van wasmachines maar een groothandel in sterke drank. Maurice De Vrieze overleed in krijgsgevangenschap. Albert De Wolf overleed bij de tweede slag van Melle – Kwatrecht na het terugtrekken van de legers nadat het bolwerk Antwerpen, hier zegde An dat met de nodige ironie, gevallen was. Donny (was van vele markten thuis. Hij was advocaat maar heeft ook een rijke interesse in scheikunde. Hij begint met de fabricage van water en limonades. Op het domein van de familie Donny bevindt zich nog steeds een ijskelder. Donny was ook fotograaf en had een ‘vigilante’, een koets, met labo zo dat hij de foto’s bijna onmiddellijk kon ontwikkelen. Marie Verbanck was de zuster van beeldhouwer Geo Verbanck. Een “sprekend graf, een graf dat vertelt wie er onder ligt, voor sierdrukker Jozef Imschoot. De familie Kusseler overleed tijdens een bombardement op drie augustus 1944.
An eindigde bij de vlindertuin. Het prachtige initiatief van ons lid Rudy D’Hooghe, beheerder van de Gentse begraafplaatsen. De vlinder verwijst naar Thanatos: de rups verpopt tot vlinder betekend “het leven begint opnieuw”. Een mooie afsluiter van een bezoek aan een, te weinig gekende, begraafplaats.
Jacques Buermans.

Westerbegraafplaats: langs de Sarteeldreef WBP: deze keer ging het over architecten en beeldhouwers


Na de gebruikelijke inleiding van ons aller An Hernalsteen ging het vandaag over architecten en beeldhouwer. Gestart werd bij Julius De Keghel, historieschilder. An zegde dat hij in zijn tijd “top” was: veel werk van hem in de zalen van de musea en dat men nu zijn werk in de “reserve” van de musea vind waar het vroeger andersom was: de landschapsschilders die toen in de “reserve” zaten maken nu het mooie weer uit in de musea. Joseph Kerfyzer  was bouwmeester. Gekruiste toortsen wijzen op vrijzinnigheid, de vijfpuntige ster op vrijmetselarij. Met het monument maakt Kerfyzer publiciteit voor zijn vak op de begraafplaats. Fernand Scribe ligt onder een prachtig beeld van Jacques de Lalaing. Scribe verliest op jonge leeftijd twee vingers in de fabriek van zijn vader. Hij is eerst kunstschilder maar wordt later kunstmecenas en hij schonk een deel van zijn kunstcollectie aan het museum van Gent. Maurice Dupuis was conservator van het museum Hij leverde een belangrijke bijdrage om, na Wereldoorlog II, het Lam Gods terug te gaan halen. Fritz Van den Berghe was onder de indruk van het werk van Emile Claus. Op zijn graf een beeld geïnspireerd naar een werk van Van den Berghe “De staalmensen”.
Jean Delvin was directeur van de academie en dierenschilder en marineschilder. Een heel streng man: hij rookte niet, dronk niet, hield niet van vrouwen en van schuine moppen. Het ideale profiel om voorzitter van vzw Grafzerkje te zijn! Delvin is top want men komt nu nog uit Japan om bloemen op zijn graf te deponeren. Dankzij Delvin werden meisjes toegelaten tot het kunstonderwijs.
Louis Eyken was bouwheer van het glazen straatje in Gent. Jules De Bruycker was etser. Georges Verenghen was architect. Olivier Piette beeldhouwer kreeg “moeder Vlaanderen” zijn lievelingsbeeld op zijn graf. Bouwmeester Geo Hendrickx vervaardigde de hal der machines voor de Wereldtentoonstelling van Gent van 1913. Oscar Van de Voorde was de huisarchitect van de Vooruit. Het graf voor Adolf Pauli werd geruimd in 1980 “maar dat was voor mijn tijd” stelde An “nu zou het niet waar zijn!”. Fernand Dierkens was de voorganger van Van de Voorde als architect van de Vooruit. Geo Verbanck was beeldhouwer. Bij Anna De Weert – Cogen passeerden we eerder deze week al. Het graf werd geadopteerd door An omdat de familie niet de moeite nam om de grafconcessie te verlengen. Anna De Weert was de kleindochter van Karel Ledeganck. Journalist Jef Crick, blijkbaar geen vriend van ons An, vroeg aan haar om het archief van Karel Ledeganck aan Sint-Amandsberg te schenken. Anna weigerde want ze hadden het grafmonument voor haar vader op Sint-Amandsberg vermassacreerd. Het archief bevindt zich in het Letterenhuis in Antwerpen.
Bij Jeanne Van Cauwenbergh waren we hier eerder deze week, evenals bij Clara Sarteel . Nu zagen we ook het beeld “het parfum” op het graf voor Leon Sarteel en een beeld voor Diane Sarteel . Dit is een hergebruik. Daardoor wordt de laan hier de Sarteeldreef genoemd. Désiré De Keghel, schilder, was de broer van Julius. Cesar De Cock wilde eerst muzikant worden maar hij werd doof. Hij schilderde voornamelijk Leielandschappen. Gustave Vanaise was een klein manneke door een groeistoornis: hij viel uit de handen van de bakel. Hoe hij het deed wist An niet te vertellen maar hij schilderde voornamelijk gigantisch grote doeken. Julia Van Biesbroeck) de dochter van beeldhouwer Van Biesbroeck was schilderes en maakte ook keramiek. Emma De Vigne  was schilderes. Het beeld is denkelijk van de hand van Paul De Vigne. Jules Van den Hende was bouwmeester. Isidoor Dubrucq , beeldhouwer, maakte veel werk voor begraafplaatsen. Eindigen deden we bij een bijna uit het zicht onttrokken grafmonument voor Antoon Van Eename . Hij kijkt als het ware naar zijn meesterwerk: het reliëf boven de toegangspoort van de Westerbegraafplaats.
Jacques Buermans
 
Foto’s Leen Otte.

“Waar ligt Wilfried Martens”: ramptoeristen teisteren de rondleiding WBP: interessante afsluiter van een Gentse week.


Meer dan dertig deelnemers aan de laatste rondleiding in Gent naar aanleiding van de Week van de Begraafplaatsen. Na de obligate inleiding ging deze thematische rondleiding over architecten en beeldhouwers van start. We waren nog maar juist op stap toen de eerst zich aanbood “madame waar ligt Wilfried Martens?”. Ons An wees het echtpaar de weg. Het begin van een middag rond hetzelfde thema. De eigenlijke rondleiding startte bij Matthias Wolters , bouwmeester. Bij het graf voor Jan Baptist Noterdaele wees An ons er op dat het soms moeilijk te achterhalen is wat de symbolen betekenen: verwijzen de symbolen naar het beroep van bouwmeester of ligt hier een vrijmetselaar? Henri Van Overstraete  ligt boven aan de kapel. Hij was een leerling van stadsbouwmeester Lodewijk Roelandt . Hier zegde An dat het hier één “familiefeest” was. Van Overstraete werd later bijgezet in het graf Roelandt. Het beeld op het graf van Henri Van Overstraete werd gemaakt door Jozef Geefs die dan weer gehuwd was met een dochter van Roelandt. Een tweede klant voor Wilfried Martens diende zich aan. Frans Masereel was de man die de houtsnede tot kunst verhief. Hij was afkomstig van Blankenberge, overleed in Avignon en werd hier bijgezet. De broers Peter, beeldhouwer, en Felix De Vigne werden als Vlaamse vrijzinnigen begraven in gewijde grond. Burgemeester Braeckmans verbood toespraken aan het graf van Pieter. An verkneukelde zich: “en wie ligt er naast Pieter De Vigne? Juist: Braeckmans.
Op het graf voor Josephina Geusens (staat een notenbalk en een afbeelding van een of ander land. Mysterie want misschien is het een of ander hymne die op haar graf staat? (JB: Ik vroeg dit aan mijn vrienden oud-muzikanten en deze plausibele uitleg kwam uit de bus: het zou Mozart, adagio KV 622 zijn, ook opgenomen door Dana Winner onder de titel “Hopeloos en verloren” en zou kunnen wijzen op de toestand waarin Josephina zich bevond?). We passeerden voorbij het recente graf voor kunstpaus Jan Hoet. Oscar Colbrant werd naar hier overgebracht van de Westerbegraafplaats, An “haren hof”. Dat zinde haar helemaal niet maar dat was nog maar een begin. Ze fulmineerde over het zogenaamde “beschermcomité Campo Santo” dat, dixit An, “kunstenaars van het derde knoopsgat beschermt” maar een graf als dit van Charles Doudelet niet belangrijk genoeg vindt om te beschermen. Het kruis is al afgebroken. Wat verder de in een erbarmelijke toestand verkerende grafkapel voor filantroop Lammens. Die schonk een deel van zijn fortuin weg maar zijn kapel is voor datzelfde comité niet belangrijk genoeg om er iets aan te doen. Gelukkig verkeert de grafkapel voor bouwmeester Louis Minard in een betere staat. Het is een ontwerp van Isidoor Dubrucq. Theofiel Leybaert , schilder, kreeg een pracht van een neogotisch grafmonument. Hij blies de wandschilderkunst nieuw leven in. Luc Van Parys was beeldhouwer. Germain Janssen was facteur – beeldhouwer. Voor mij was hij beter enkel facteur gebleven.
Intussen hadden we nog een derde en een vierde de weg naar Martens moeten wijzen. Steeds deed ons An dat op een correcte wijze. Bij mij zou dat niet waar zijn. Misschien stuurde ik ze wel naar An “haren hof”, de Westerbegraafplaats.


Bouwmeester August Van Assche was leerling van Jean de Bethune. Hij deed heel veel restauratiewerk. Hij ligt onder een prachtig grafmonument. Louis Cloquet was de bouwmeester van het postgebouw. Een prachtig neogotisch grafmonument. Valentin Vaerwijck was provinciaal architect. Hij stond mee in voor de heropbouw van Ieper en bouwde vele villa’s in De Haan. Hyppoliet Daye werd de Modigliani van Gent genoemd. De familie Baertsoen was actief in de textielsector maar Albert was schilder.
Hier eindigde An haar betoog niet zonder eerst nog eens de, volgens haar, prachtige naaktfoto van “model” Auguste Neyt getoond te hebben zodat de dames ook aan hun trekken kwamen. Ik kwam in ieder geval ruimschoots aan mijn trekken met de prachtige verhalen van de bevlogen gids die An Hernalsteen is. Ik denk dat vele al haar voorbereidend werk onderschatten. Proficiat An, het is een hele eer u te mogen kennen en u te mogen aanhoren!
 

Jacques Buermans
 
Foto’s Leen Otte.

Blankenberge: een impressie WBP: ons lid Cis Kennes mocht twee keer elf deelnemers rondleiden.


Tijdens de Week van de Begraafplaatsen werden in Blankenberge twee rondleidingen georganiseerd op de begraafplaats met focus op de Eerste Wereldoorlog. Ons lid Cis Kennes leidde twee keer elf geïnteresseerde deelnemers rond.
 
Peter Deschoolmesster.

Voor informatie één adres: