Nieuwsbrief Nr. 81 - mei 2014

Spa onderdeel van een meer dan geslaagd weekend


Op de Algemene Vergadering had ons aller An nog schrik dat ze alleen in Spa zou staan daarom deed ze een oproep. Niet minder dan 24 Zerkjes waren aanwezig. Het merendeel maakte er een driedaagse van en dus hadden een aantal leden elkaar al ontmoet op vrijdag. 


Op de begraafplaats vertelde onze gids dat hier de eerste teraardebestelling plaatsvond in 1841. Spa kende twee hoogtepunten. Een eerste keer na het bezoek van Peter de Grote en een tweede na het bezoek van Maria-Henriette. Na wereldoorlog I was de glansperiode van Spa voorbij. Een eerste begraafplaats bevond zich buiten Spa, later werd er rond de Sint Remaclekerk begraven. Engelse protestanten werden hier niet begraven. Zij werden op het kerkhof van Olne begraven. De begraafplaats van Spa werd trapsgewijze gebouwd. 
De rondleiding startte bij motorracer Whytworth die omkwam bij de Grote Prijs Motorrijden in Francorchamps op 2 juli 1950. Vlakbij vier Canadezen die hier na de Eerste Wereldoorlog I stierven. Toch heel wat Britse namen op de graven. Een gedenksteen voor Cockerill. William Cockerill, vader van de beroemde John Cockerill, vestigde zich hier in Spa aan het eind van de 17de eeuw. John rust hier niet, hij ligt in Seraing. Cockerill bezat in Spa een fabriek en verbleef in het Grand Hotel, het huidige stadhuis. 
Een pracht van een monument voor Ferdinand Jacques (1889 – 1906). Deze marine cadet zat aan boord van het schoolschip, de driemaster ‘Comte de Smet de Nayer’ toen het op 18 april 1906 slagzij maakte en in de golven verdween. Een cenotaaf voor John MacKenzie met rots en boom. Vele Engelsen voelden zich hier thuis en introduceerden hier golf, paardenrennen en automobielkoers. Gridelet werd in 1942 gefusilleerd door de Duitsers nadat hij 40 gijzelaars (die sabotagedaden gesteld hadden) redde van de dood. Fraikin de Colesco was schepen en was van Roemeense afkomst. De prachtig gerestaureerde neogotische kapel werd getekend door de ateliers Doyen te Robertmont. Jacques-Joseph Servais was bankier en burgemeester. Aan hem dankt Spa de aanleg van een spoorweglijn, het station, verschillende wandelwegen. Zijn grootste prestatie blijft de bouw van de Thermen. Het graf bevat een urne en de zandloper. 
Een pracht van een art nouveaumonument op het graf Hagemann. Wat verder een aantal gietijzeren kruisen. Philippe Tournaye was deken. Een piramide op het graf van een vrijmetselaar. Alexandre Delhasse was journalist en auteur van verschillende studies. Hij spuide hevige kritiek op de clerus. Bij zijn overlijden weigerden de geestelijken deel te nemen aan zijn begrafenis maar de, door deze intolerantie verontwaardigde, bevolking woonde massaal zijn teraardebestelling bij. 
De familie Dagly specialiseerde zich in het vernissen van de Jolités, de doosjes die het merendeel van de groep konden bewonderen tijdens het bezoek aan het museum. William Hansen was de architect van de gaanderij. Roumat ligt onder een prachtige sarcofaag. Schaltin en Pierry waren de producenten van Elixir de Spa. Later overgenomen door François Xavier De Beukelaer uit Antwerpen. 
Schaltin en Pierry liggen in machtige monumenten en die zaterdag kregen ze onverwacht bezoek van de Grafzerkjes. Ons An was twee dagen later jarig en trakteerde met een fles Elixir de Spa. De gids had zo iets nog nooit meegemaakt maar na de Smaakwandeling van januari laatstleden zijn wij wel meer gewoon. Proficiat An en op uw gezondheid. Vlakbij het graf Renard met veel bloemensymboliek. Beeldhouwer Legrand. Henrijean was betrokken bij de productie van Spa Monopole. Emile Piron was Congopionier. 
Na wat zoekwerk en op aangeven van Marie Claire vond onze gids het graf van de familie Krins. Georges Krins was een wonderkind en hij trok als violist naar Londen. Hij was muzikant op de Titanic en hij bleef spelen tot het schip zonk. Zijn lichaam werd nooit gevonden maar zijn naam staat wel op het grafmonument vermeldt. Jean Gerardy was muzikant. Hij trad op in de verenigde Staten. Spijtig genoeg werden delen van het prachtige monument gestolen. François Frighe was schilder. 
Onze rondleiding eindigde bij het graf van Blanche Hendrikoff een orthodox kruis en de geboorte- en overlijdensdatum in het Russisch. Een pracht van een begraafplaats, een gids die op de hoogte was: het kon alweer niet meer stuk. Een gesmaakt middagmaal sloot dit bezoek af.
Jacques Buermans


Foto’s: Leen Otte. + Edgard Maes 

Les Jolités een verrassende tentoonstelling


De jolités van Spa hebben mij helemaal in hun ban en ik wil je graag deelgenoot maken van deze passie door een stukje geschiedenis te vertellen:

In de 16e eeuw promoten meer en meer invloedrijke artsen de heilzame werking van het bronwater van Spa. Niet te verwonderen dat er dan ook steeds meer kuurgasten naar het gezonde Spa trekken. Veelal rijke edelen en welgestelde leden van de burgerij die zich deze dure vorm van verpozing en gezondheidskuren kunnen veroorloven. Bovendien arriveren in Spa rond deze tijd ook heel wat vermogende protestanten die wegtrokken uit het (te) katholieke Spanje en Frankrijk.

Spa is natuurlijk niet zot en de  toenmalige horeca- en hotelsector speelt hier graag op in en voorziet dan ook in talrijke populaire ontspanningsmogelijkheden. Wandelingen, muziek, theater en spelen vullen vanaf dan een groot deel  van de dag van deze heilzaam  water drinkende  gasten, die voortaan door het leven gaan onder de naam Bobelins.  De benaming Bobelin zou afgeleid zijn van het Latijnse ‘bibelus’, wat staat voor grote drinker. Alhoewel er hier wel wat discussie over is !

Wandelen mag dan gezond zijn maar de omgeving van Spa is nogal heuvelachtig en steil. Alle paden of wandelwegen naar de verschillende bronnen waren dan ook niet even comfortabel. De  Bobelins moesten dan ook wel een houten wandelstok oftewel een “bordon” gebruiken om  op te steunen bij beklimmingen en om tijdens afdalingen af te remmen.  Kwestie van zonder ongelukken te kuren.

Ideaal voor de plaatselijke houtbewerkers– de Bordoni - die graag inspeelden op de productie van dergelijke nuttige wandelstokken. De beschilderde bordons werden zelfs helemaal op maat van de luxe klanten gemaakt.  Dan mocht er ook wel een fors prijskaartje aanhangen.
De onontbeerlijke bordon werd  de start  van een heel productieproces in hout. Naast de bordon verschijnen immers andere houten voorwerpen zoals kleerborstels, spiegels, blaasbalgen,
Deze voorwerpen worden al vlug “souvenirs” die de bobelins als herinnering, van hun al dan niet geslaagde kuur, mee naar huis nemen.
De houtbewerkingsindustrie in Spa was geboren !
Vanaf eind 17° eeuw wordt ook in Spa de kunst van het inlegwerk populair. Het gaat dan over inlegwerk in ivoor, parelmoer, schildpad, Engels tin, koper en zilver. Het ene al wat duurder dan het andere.

Zo ontstaat al gauw de term jolités voor dit assortiment van ambachtelijk gemaakte objecten waarmee vooral het mooie, het esthetische wordt belicht. De bordoni  maken dan vooral kleine voorwerpen zoals armbanden, broches, oorbellen, doosjes om juwelen in op te bergen of tabak in te doen.
Geleidelijk aan wordt ook de techniek van de afwerking met Chinese lak geïntroduceerd. Dagli, die zich hierin specialiseerde, lakte voorwerpen soms tot 14 keer en polijstte ze tot ze perfecte kunstwerkjes waren. Zijn techniek was bestand tegen water en schilferde bij gevolg niet af. De afgebeelde taferelen worden steeds specifieker en tonen bijvoorbeeld het landschap van Spa, en natuurlijk ook hun aantrekkingspool - de bronnen.

De tot dan toe gebruikte beuk moet daardoor alsmaar meer plaats maken voor de esdoorn en de plataan omdat deze makkelijker te schuren en te polijsten zijn.

In de 18° eeuw duiken de Quadrilledozen op  Hierin bevonden zich vier andere, kleinere dozen allemaal op dezelfde manier versierd. Binnenin zaten verschillende kleuren jetons, één voor elke speler. Ze hadden allemaal een andere vorm die overeenkwam met een muntwaarde bij één van de spelen in die tijd.

Tegen 1720 begint men de techniek van Chinese inkt op wit papier te gebruiken. Er worden dan mythologische onderwerpen afgebeeld naast landelijke taferelen in de stijl van Teniers en liefelijke scènes à la Watteau. Uiteraard blijven de afbeeldingen van de bronnen van Spa populair. Er worden ook steeds ingewikkelder voorwerpen gemaakt zoals toiletartikelen, koffertjes voor schoonheidsproducten, spiegels, kleine borstels, naaigerei …

Na de grote brand van Spa in 1807 gaat alles er erg op achteruit en het duurt tot onder de Hollandse overheersing vooraleer Spa weer herleeft. Rond 1820 doet het grijs hout zijn intrede. Er werd immers, al dan niet per ongeluk, vastgesteld dat langdurige onderdompeling van essenhout in het ijzerhoudende water een mooie grijze, satijnachtige tint opleverde.
Een tiental jaar na de Belgische onafhankelijkheid is Spa er weer helemaal bovenop en het houtsnijwerk bereikt zelfs een nooit geziene hoogte. Het is dan mode om doosjes te maken met een gewelfd, buikig uitzicht en zeer luxueus ingelegd met wortelhout van esdoorn, dennenhout of palissander.  Gespecialiseerde meester-landschapsschilders worden gevraagd om deze voorwerpen op te luisteren met het beste van hun kunnen. In 1843 ontstaat in Spa zelfs een tekenschool waar deze schilders hun techniek kunnen verfijnen.

Deze hoogconjunctuur kent tegen het einde van de 19e eeuw een keerpunt. Er worden dan toch wel wat minder geïnspireerde serie-reproducties gemaakt. Nochtans mogen we zeker niet vergeten dat Mathieu Brodure een schitterend bloemenboeket maakte in 1862. Het is een gigantisch boeket helemaal in hout vervaardigd; de insecten die op de bloemen zitten lijken wel levend. 

Een nieuwe periode van vervlakking luidt de 20e eeuw in: voorwerpen zoals brievenopeners, servetringen enz. hebben nog minder waarde.

De tweede wereldoorlog betekent uiteindelijk de doodsteek voor de houtsnijindustrie in Spa.
Noten:
  • Lambert Xhrouet (1707-1781) was de handigste van de houtsnijders. Hij maakte ware kunststukjes van een ongekende afwerking. Hij maakte voorwerpjes die zodaning klein waren dat ze onder de microscoop moeste bekeken worden om de details te zien.
     
  • Spijtig genoeg zijn er geen ateliers meer die kunnen bezocht worden waar je de kunstenaars aan het werk kan zien. Er is Spa nog één winkeltje (au coin du bois) dat de werkjes van de hedendaagse “Bordoni” verkoopt maar reken er toch maar op dat je hier best een goed gevulde beurs voor meeneemt. 
De schitterende collectie jolités die wij op 22 maart zullen bezoeken is ondergebracht in de Villa Royale. Koningin Maria Henrietta, echtgenote van Koning Leopold II woonde hier permanent de laatste zeven jaar van haar leven. In 1902 overleed ze in Spa.

Het vroegere Hotel du Midi werd in 1894 aangekocht door de koning en de koningin, de verbouwingswerken duurden 1 jaar. De koningin kwam hier definitief wonen in 1895; ze verbleef hier meestal alleen. Na het overlijden van de koningin deed de villa dienst als rechtbank en later als politiebureau. In de eerste wereldoorlog was het een hulppost van het Rode Kruis. Na al deze “omzwervingen” werd de villa ingericht als museum.
 
Marie Claire Van der Smissen

Verviers een ander onderdeel van dat meer dan geslaagde weekend


Omdat we ons toch al in Spa bevonden besloten we Verviers opnieuw op het programma te zetten. We mochten 15 deelnemers begroeten. Daar waar bij het vorige bezoek, zie Nieuwsbrief 61, twee leden aan een andere toegang stonden waren er nu twee die opgehouden werden door … een carnavalstoet. Met Spa dachten we al een pracht van een begraafplaats bezocht te hebben maar wat gezegd van Verviers. Ongelofelijk.

Daar waar bij het vorige bezoek de gids, Philippe Dubois, nog hulp kreeg van de schrijver van een boek over de begraafplaats knapte hij deze taak nu alleen op. Een hij deed dit meer dan voortreffelijk. Niet alleen sprak hij een Nederlands waar veel politici een puntje mogen aan zuigen maar hij was,  - en dat is een probleem bij sommige stadsgidsen die wel veel weten over de bewoners van een begraafplaats maar weinig of niets van funeraire symboliek, zeer goed op de hoogte van de funeraire symboliek. Een goed gevonden initiatief: de paden werden genummerd: de pare wegen gaan van onder tot boven en zijn geplaveid met kasseien; de onpare wegen lopen van links naar rechts en kregen een laag grind.
De begraafplaats dateert uit 1931. Via het huis van de bewaarder, het voormalige lokaal voor autopsie en dito lijkenhuisje kwamen we bij het graf voor Pierre Fluche. Hij was schrijver, noemde zichzelf anarchist, en hij kaartte de slechte werkzaamheden van de arbeiders aan. Hij stichtte een voorloper van de socialistische vakbond. Edmond Herbillon studeerde voor ingenieur maar zijn passie was de muziek. Hij overleed amper 24 jaar oud. Henri François Grandjean was lakenfabrikant en schepen. Het monument is van architect Thirion, een naam die we nog zullen tegenkomen op onze tocht. Pierre David was “maire” onder Napoleon en burgemeester na de onafhankelijkheid van België. Hij overlijdt na een val uit een vensterraam. A. L. S. Lejeune was arts maar verwerft roem als botanicus. Hij schreef twee werken over de flora, afgebeeld op het grafmonument. Henri Vieuxtemps was violist en werd beschouwd als een tweede Paganini. Hij krijgt verlammingsverschijnselen en hij trekt naar Algers waar zijn zoon arts is en overlijdt daar. Zijn lichaam wordt hier begraven onder een monument van bouwmeester Vivroux. Onze gids wist te vertellen dat de gestileerde schildpad verwijst naar de vele reizen die Vieuxtemps maakte. Slecht karakter dat ik ben dacht ik dat het was omdat Walen altijd zo traag waren. 
Een monument met 56 nissen voor de familie van industriëlen en bankiers de Boilley. Via huwelijken met onder meer de familie Simonis werd het fortuin nog aangedikt. Raymond de Biolley was een vooruitstrevend katholiek. Hij bouwde een hele straat in Verviers met huisjes voor zijn werknemers. Hij bezat zijn eigen schip de “Raymond” en in zijn hotel werden belangrijke ontmoetingen gehouden: de inhuldiging van de spoorweg Luik – Aken en de inhuldiging van de stuwdam van de Gileppe. Nicolas Servais was chef bij de R. T. T., tiens een vroegere baas van mij?, ligt onder een beeld van Norga. Hauzeur – Halzoul kreeg een graf in de vorm van een rots en een boomstam met afgesneden takken: het leven is beëindigd. Het sap van de boom symboliseert de tranen van de rouwenden.
Théodore Houben maakte eerst klinknageltjes en later riemen voor stoommachines. Nog later maakte hij antislipbanden voor auto’s. Een monument in eclectische stijl met een zandloper met vleugels. Hauzeur – Simonis waren industriëlen die trachten William Cockerill naar Verviers te halen. Die had echter een exclusiviteitscontract met de familie de Boilley. Diens schoonzoon James Hodson was niet gebonden aan dit contract en werkte voor de familie Hauzeur. De familie Hauzeur – Simonis verzamelde schilderijen en porselein. Zij schonken hun collectie aan de stad Verviers. Het grafmonument is voor bouwmeester Thirion. 
In het graf van de familie Zurstrassen ligt Clement de Cazeneuve, ingenieur administrateur bij de Antwerpse telefoonmaatschappij. Alweer een van mijn vroegere chefs? Eugène Marcotte was de gelukkige eigenaar van vier uiltjes op de hoeken van zijn grafmonument. Ofwel zijn ze gaan vliegen ofwel vlogen ze naar het graf van de familie Laruïne waar ze wel nog staan. Oscar Schipperges kreeg alle vrijmetselaarssymbolen op zijn laatste rustplaats. Corneil Gomze was schrijver vandaar het boek, de inktpot en de ganzenveer op het monument. Hij wordt hier vereerd omdat hij de “barcarolle” schreef, het volkslied van Verviers. 
Charles Vinche meester in de loge. Een pleureuse op het graf Hardy, voorlopers van chocolade Jacques. Eugène Melen volgde alleen basisonderwijs en werd schrijnwerker. In Turkije werd hij directeur van een fabriek waar de fez geproduceerd werd. Terug in Verviers start hij een hoedenfabriek. Hij ontwierp ook een machine: de Leviathan die wol automatisch spoelt. Daarvan werden er meer dan 300 verkocht. Het grafmonument is van Thirion. Eveneens van deze bouwmeester is het graf voor Jacques Henrion, textielfabrikant, progressief liberaal en vrijmetselaar. Eduard Herla was liberaal burgemeester van Verviers. Hij was vrijmetselaar en de wereldbol op hert graf staat symbool voor het universaliteitsprincipe van de vrijmetselarij. Charles Thirion, architect met veel werk op deze begraafplaats ligt onder een kanjer van een monument met als symbolen de werktuigen van de architect. 
Léon Vanorlé was rechter en vrijmetselaar. Jos Wagner was priester. Hij stichtte de Duitse katholieke gemeenschap. Dame met bloemenkrans op het graf voor Juliette Hullen. Een mausoleum met een mooie toegangsdeur voor Victor Doret, industrieel. Hij haalde zich veel problemen op de hals omdat hij de werkomstandigheden aan zijn laars lapte. Hij was voorstander van de bouw van een stuwdam. De familie van industriëlen Simonis speelde een grote rol in het politieke leven dat men, zo vertelde onze gids, over “Simoniseren” sprak. Zij vergaarden fortuinen dankzij huwelijken met andere vooraanstaande families. Stinkend rijk maar deuren voor de kapel haalden ze bij Ikea, denk ik. 
Jean Simon Renier was kunstenaar. Hij verzamelde ook kunst en schonk deze aan de stad Verviers om in een museum te plaatsen dat zijn naam zou dragen. Victor Groulard was schoenfabrikant. Op het graf een afgebroken zuil en een weegschaal, symbool voor rechtvaardigheid. Het graf van componist en conservatoriumdirecteur Albert Dupuis heeft al betere tijden gekend. Pierre Limbourg stichtte de katholieke Sint Jozefskring en was een tegenstander van Pierre Fluche die we aan het begin van onze tocht tegenkwamen. Misschien werden zij doelbewust ver van elkaar begraven? Eindigen deden bij de laatste rustplaats voor Karl Grün, politicus, apotheker en botanicus.
We vonden Spa al een prachtbegraafplaats maar Verviers moet daar zeker niet voor onderdoen. En met Philippe Dubois hadden we een gids getroffen die de materie meer dan beheerste en dan nog in de Nederlandse taal: chapeau!


Jacques Buermans


Foto’s: Leen Otte + Philippe Theys 

Ingles een zoektocht naar een goed verborgen begraafplaats


Gezocht en, uiteindelijk, gevonden: “Cementerio del Ingles” Las Palmas

Tijdens mijn jaarlijks verblijf in Gran Canaria met mijn Haremm, = Heer Alleen Reist Enkel Met Meisjes, werd besloten om eens een dagje naar Las Palmas te trekken. De dames gingen op zoek naar laarzen en ik toog op zoek naar de “Cementerio del Ingles”, de Britse begraafplaats. Blijkbaar was de zoektocht naar laarzen veel eenvoudiger. Ik ging naar het infostandje vlakbij het busstation. De vriendelijke juffrouw hoorde het in Las Palmas donderden. Maar het internet bracht raad. Ze keek en wist me te vertellen … dat het ver was en dat het groot was. Hoe ver kon ze me niet vertellen maar ze raadde me aan om, bij het infostandje aan het busstation, eens te informeren welke bus ik diende te nemen. Na een tijdje aanschuiven wist de vriendelijke juffrouw, zijn er anderen?, me te vertellen dat dit de begraafplaats van Las Palmas was. Toen ik haar zegde dat dit niet klopte omdat ik al op die begraafplaats geweest ben, verwees ze mij … naar het eerste infostandje. Toen ik haar mede deelde dat die juffrouw me juist naar haar had doorverwezen wist ze het ook niet meer. Gelukkig zijn er in Las Palmas meer infostanden dan begraafplaatsen. Derde keer, goede keer, en bij de toeristische dienst had ik meer geluk. De man kende het , wist me te vertellen dat het denkelijk gesloten was en zegde nog … dat het heel ver was. Zo ver zelfs dat het niet meer op de kaart stond die hij mij overhandigde. Hij wees me op weg met de raad “Vraag het onderweg maar eens, iedereen kent dat daar”. Dus eerst een stevig middagmaal genuttigd en op stap. Waar de kaart eindigde begon ik het te vragen met steeds hetzelfde antwoord: “Een stuk verder! Toen ik dacht dat ik al niet meer op het grondgebied van Las Palmas was stapte ik een apotheek binnen. De man antwoordde me in voortreffelijk Engels dat de begraafplaats juist achter de hoek was. En inderdaad, een afgesloten vierkantje. De juffrouw van het infostandje was denkelijk niet goed in wiskunde want ik had al gezien dat er op haar internet 1830 m2 stond. Zij dacht misschien aan 1830 km2. De toegang was gesloten maar niet getreurd: de sleutel kon opgehaald worden achter de hoek. Ik klopte aan en na enige tijd verscheen er een oud vrouwtje. Toen ze gekeken had en gezien had dat ik niet de gevaarlijke heks maar wel een doodbrave terrorist, sorry: toerist, overhandigde ze mij de sleutel. Ik opende de poort en voelde mij even de grootgrondbezitter van een eigen, kleine, begraafplaats. Het Cementerio del Ingles werd opgericht door protestanten in 1834 met een eerste teraardebestelling in 1835. Handelaar Thomas Miller en zijn familie kregen een groot grafmonument. Vlakbij liggen Gerald Miller (1889 – 1982) en Harry Fisher (1905 - 1981). Uit de attributen op het graf kan opgemaakt worden dat Ian Kendall Park (1903 – 1971) zeeman was geweest. 
Colin Malcolm Percy kwam uit Glasgow en overleed amper 40 jaar oud in 1887. Scandinaaf Chresten Jorgensen kreeg een zelfportret. Naast hem een Jood: Marcos Musafir (1883 – 1962). Walter Nardon Ducat (1837 – 1902) was kolonel bij de Royal Engineers en kwam naar Las Palmas na zijn pensioen. Harry Biddle 1872 – 1898) was medische missionaris in Congo. “Hij stierf voor Afrika” staat er op zijn laatste rustplaats. 
“To the captain of my heart” staat liefdevol op het graf voor Joseph Faruggia.  Ragnar Alfrgren (1887 – 1908) kwam uit Stockholm om hier jong te sterven. Dirk Jan Olyrhook (1901 – 1934) afkomstig van Pernis liet het leven  aan boord van SS Amstelhek. Na nog wat rondgekeken te hebben sloot ik keurig “mijn” begraafplaats af en bezorgde de vriendelijke oude dame de sleutel terug vergezeld van een kleine financiële bijdrage die ze niet wilde aanvaarden zelfs nadat ik zegde dat het voor de begraafplaats was. 
Moe maar voldaan vatte ik de terugweg aan mezelf trakterend op een, vond ik, welverdiend ijsje.


Jacques Buermans

Soldaten komen van verre Johan Moeys vertelt


Private 3872 van het 48ste Batallion komt uit Australie en wordt begraven in Harelbeke. Ben en Rachel Rigney worden op 29 november 1899 de fiere ouders van Rufus Gordon. Hij groeit op aan de oevers van Lake Alexandrina, in het dorpje Pt.McLeavy (nu gekend als Raukkan).
De Commonwealth zoekt in al haar deelstatenl soldaten om mee te vechten in de Groote Oorlog. Ook Aboriginals als Rufus Gordon Rigney doen hun duit in het zakje. Hij is 16 jaar 9 maanden als hij op 9 augustus 1916 dienst neemt in het leger. Omdat hij geen 21 jaar en Aboriginal is moet hij toelating krijgen van de Chief Protector of Aborigines.
Op 19 september 1916 scheept hij in op de "Commonwealth" die vanuit Sidney naar Engeland vaart. Hij maakt deel uit van de 9th Reinforcement of the 32nd Batallion. In Plymouth ontschepen ze op 14 november. Rufus krijgt er de bof voor Kerstmis. Nadien trekken ze aan boord van de "Princess Victoria" naar Frankrijk op 16 januari 1917. Hij vervoegt het 32ste Batallion op 21 januari. Hij wordt gekwetst door schrapnel in rug, rechterschouder en arm op 4 maart, nabij Trones Wood. Voor behandeling en herstelling keert hij terug naar Engeland. Nadien vervoegt hij in Frankrijk het 48ste Batallion op 29 juni.
12 oktober 1917 wordt Rufus nogmaals gewond, tijdens de Eerste Slag van Passchendaele, waar hij een schotwonde in de longen oploopt. Hij wordt gevangen  genomen en behandeld door de Duitsers. Maar hij sterft aan zijn verwondingen vier dagen later op 16 oktober. 
Oorspronkelijk ligt hij begraven op het Iseghem Military Cemetery. In 1924 wordt zijn lichaam ontgraven en herbegraven op Harelbeke New British Cemetery.

Nog enkele weetjes:
- De leeftijd van Rufus bij zijn indiensttreding staat genoteerd als 19 jaar 1 maand, wat aangeeft  dat hij in hetzelfde jaar als zijn broer Cyril geboren werd.
- Leeftijd bij overlijden: 17 jaar 11 maanden.
- Begraven: Harelbeke New British Cemetery, Deerlijksesteenweg, 8530 Harelbeke. Plot 11, rij D, graf 7.

Johan Moeys

Cuenca Oom Kato ging op reis en zag mooie dingen


Cuenca is een stad in het zuiden van Ecuador en kan net zoals Cusco voor Peru of Cartagena voor Colombia beschouwd worden als de culturele hoofdstad van het land. Het beschikt over een belangrijk architecturaal patrimonium en is vanwege haar middelgrote omvang en makkelijk te bewandelen historisch centrum een aangename stad om te bezoeken. Niet ver buiten dit historische centrum ligt haar begraafplaats. 
Toen ik deze betrad kwam een bewaker (privé-firma) meteen op me afgestapt. Hij vroeg of ik een vergunning had om foto’s te nemen. Hoewel ik antwoordde louter voor mezelf foto’s te nemen zegde hij dat een toelating nodig was en hooguit 1 minuut zou duren. Hij leidde me vervolgens naar de hoofdingang waar aan de buitenzijde de administratie was gevestigd. Zonder enige problemen meldde een verantwoordelijke me dat alles in orde was en hij alle bewakers ging verwittigen zodat ik foto’s kon maken. 
De grafmonumenten zijn grosso modo in te delen in 3 groepen. In eerste instantie zijn er de individuele graven. Ze ontberen de meeste symboliek die we kennen van onze begraafplaatsen, met uitzondering dan van de uitgesproken christelijke elementen (bijna uitsluitend afbeeldingen en kruisbeelden) die op het overgrote deel van de graven te vinden zijn. De begraafplaats telt ook amper beeldhouwwerken, noch individuele grafmonumenten die opvallen door een bijzondere esthetiek. Nochtans herbergt Cuenca behoorlijk rijke families, maar deze kiezen hoofdzakelijk voor gezamenlijke grafkelders/mausolea. Hier vind je er op gans de begraafplaats en het is een gebruik dat volop in ere gehouden wordt waarvan modernere grafkelders getuigen. Een derde en voornaamste type grafmonumenten zijn de muren, zelfs volledige ‘gebouwtjes’ waarin de overledenen worden bijgezet. Deze zijn op hun beurt in te delen in de algemene én, hoogst ongewoon, grafnissen van beroepsorganisaties. 
Bij navraag bleek dat wie aangesloten is bij voorbeeld de lokale chauffeursvereniging recht heeft op een gratis bijzetting na zijn overlijden. Hetzelfde voor kappers, schoonheidsverzorgers enzovoort. Dit geldt voor de leden, maar niét voor hun partner! Waar ze in concurrentie gingen tijdens hun leven komen ze na de dood broederlijk samen te liggen.
Vallen nog meer op. Een groen perkje waar men de lokale ‘BE’s’ (Bekende Ecuadoranen) in 2010 heeft samengebracht alsook een behoorlijk ontroerend recent monument voor die landgenoten die onderweg naar de Verenigde Staten het leven lieten.
Michaël Devisscher

Guayaquil Oom Kato was op reis en zag nog meer mooie dingen


Guayaquil is de grootste stad van Ecuador alsook haar voornaamste havenstad. Het is de uitvalsbasis voor bezoeken aan de Galápagos eilanden, maar wat weinigen weten is dat het één van de meest indrukwekkende begraafplaatsen van Zuid-Amerika heeft. Deze heeft de bijnaam ‘Ciudad blanca’ vanwege de gebruikte steen en de veelvuldig gebruikte Carera marmer voor de grote grafmonumenten. Net zoals bij mijn bezoek enkele dagen eerder aan de veel kleinere begraafplaats van Cuenca werd ik bij binnenkomst onmiddellijk aangesproken door een bewaker. Hij vroeg mijn toestemming om foto’s te nemen, hoewel ik zelfs nog geen aanstalten had gemaakt mijn camera te gebruiken. Vervolgens werd ik ook hier naar het kantoor van de administratie, ditmaal op de begraafplaats zelf, gebracht. Hier werd ik zeer vriendelijk ontvangen door de heer Luis die meldde dat men af en toe bezoekers krijgt, maar dan na afspraak en in groep. Er was echter geen enkel probleem en ik kreeg onmiddellijk een gegidste rondleiding waarbij ik onderweg ook nog aan de directeur werd voorgesteld.
De begraafplaats bevindt zich gedeeltelijk op, maar vooral beneden één van de twee heuvels ten noorden van het centrum, waarvan het door een drukke autoweg wordt gescheiden. Het ligt ongeveer in de vorm van een halve cirkel tegen deze heuvel en heeft diverse identiek ogende, genummerde toegangspoorten. Dit, samen met de grootte en het aantal bouwwerken, zorgen ervoor dat je snel gedesoriënteerd kan raken. Het werd opgericht in de eerste helft van de negentiende eeuw en het oudste nog bestaande graf (uit 1831) is één van de vele duizenden nissen die ook hier de meerderheid vormen. Met zijn 15 hectare is het bovendien ook groter dan zijn veel meer bekende tegenhanger te Buenos Aires. Op en tegen de heuvel bevinden zich individuele graven, waarvan velen verdwenen zijn of de spreekwoordelijke sporen des tijds vertonen. Tot in de jaren negentig kon nog rechtstreeks begraven worden ‘in de grond’, wat voor sommigen vanuit christelijk standpunt belangrijk was. De grote meerderheid echter, en ondertussen uitsluitend, wordt in een grafnis bijgezet, of voor diegenen die het zich kunnen veroorloven zijn er aparte monumentale grafmonumenten of familiekelders. Daarnaast bevindt er zich ook, Guayalquil heeft een eeuwenlange geschiedenis als belangrijke handelsstad (export van cacao en andere grondstoffen), een Joods perk. Deze eenvoudige graven worden echter door een aparte organisatie onderhouden. 
De begraafplaats bestaat ondertussen uit de ‘moderne’ kant met zeer grote muren met loopbruggen waarin zich grafnissen bevinden (linkerzijde) en een oude kant met zowel grafnissen, de oudere graven én de schitterende grafmonumenten. Hier vond de elite van Guyaquil, maar ook een aantal belangrijke nationale politici en Ecuadoraanse presidenten, haar laatste rustplaats. Overigens worden nog steeds in de echte zin van het woord monumentale grafmonumenten opgericht. Wat enorm opvalt is de uitstekende staat waarin deze monumenten zich, zonder uitzondering, bevinden. Ze zouden als het ware gisteren opgericht kunnen zijn geweest. Daarvoor zou enerzijds het (zeer warme, maar vochtige) klimaat een positieve rol in kunnen spelen, doch anderzijds loopt voor de begraafplaats een zeer drukke autoweg met in totaal 6 rijvakken. Slechts een bescheiden bomenrij en muur zorgen voor een afscheiding. Het zijn echter niet enkel deze grafmonumenten die opvallen door hun staat, maar de volledige begraafplaats. De oude graven tegen en op de heuvel worden niet onderhouden, maar aan de ‘officiële’ grafnissen en alle paden werd volop gewerkt. Bovendien is deze ‘Witte Stad’ ook voorzien van het nodige groen op de hoofdwegen en in alle hoeken. Volgens mijn gids is dit een vorm van klimaatregeling. Alleszins oogde alles zeer verzorgd en het vele onderhoudspersoneel, de bewakers aan iedere ingangspoort én de bezoekers gaven voor zover mogelijk deze plaats een zeer aangename indruk. In de reisgids stond volkomen verkeerdelijk aangegeven om de begraafplaats niet allen te bezoeken. Mijn gids drukte erop dat eenieder die ooit in de buurt is langskomt (al dan niet na afspraak). Een zichzelf respecterend Grafzerkje is het in mijn ogen in ieder geval moreel verplicht deze zeer indrukwekkende plaats te bezoeken!
Michaël Devisscher

Ons kent ons – of toch niet Jack Marcova in gesprek met onze voorzitter


“Ons kent ons” is een nieuwe rubriek in de Nieuwsbrief waarin deze keer Jack Marcova een interview afneemt van een van de leden van vzw Grafzerkje die, naast zijn of haar lidmaatschap bij vzw Grafzerkje, nog andere pijlen op de boog heeft of had.

In dat kader doen we een oproep naar leden die iets meer kwijt willen aan de lezers van de Nieuwsbrief.

Met wie kon Jack Marcova (verder JM genoemd) beter beginnen dan met de voorzitter van vzw Grafzerkje Jacques Buermans (verder JB genoemd).
JM: Hoe ben je bij vzw Grafzerkje terecht gekomen?
JB: Ik werkte als losse medewerk bij de krant “De Nieuwe Gazet” en diende Edmond Patteet te interviewen. Hij was steenkapper op rust, had jaren ervaring en de man heeft nog de overbrenging van een aantal grafmonumenten van de in 1936 gesloten Kielbegraafplaats naar Schoonselhof meegemaakt. Die man kon daarover vertellen, man. Dat was een lust om naar te luisteren. Hij was erevoorzitter van Epitaaf en bij die vereniging sloot ik me aan. Dankzij Edmond Patteet was ook mijn interesse in het funeraire gewekt.

JM: Hoe uitte zich dat?
JB: ik was altijd al geïnteresseerd in de geschiedenis van Antwerpen en op de begraafplaats Schoonselhof lag toch heel de Antwerpse geschiedenis van de laatste tweehonderd jaar begraven? Kwam nog bij dat ik een aantal gidsen bezig hoorde en wat die toen aan hun toehoorders vertelden deed mij besluiten: dat kan ik beter.

JM: Je begon toen zelf met rondleiding te geven op Schoonselhof? 
JB: Niet direct. Ik wilde het goed doen en ik verzeker je dat daar tijd in kruipt. Op een bepaald moment had ik een embryonale rondleiding in mekaar gebokst en dat was het moment om over een aantal van deze personen interessante dingen te vertellen, dingen die niet iedereen weet of die leuk zijn. Dat maakt een rondleiding boeiend en zo kun je uw toehoorders in de ban houden. Het AMVC, Archief en Museum voor Vlaams Cultuurleven bezit informatie over ontzettend veel mensen. Er is een leeszaal waar je al die info kunt raadplegen. Ik herinner me nog mijn eerste bezoek. Ik was daar nog nooit geweest en wist ook niet “wat” men van een bepaald iemand had. De bereidwillige mensen van die leeszaal legden me uit dat ik voor elke naam een fiche diende in te vullen met wat ik juist wilde inkijken. Er waren foto’s, boeken, krantenknipsels, documenten, necrologia en nog veel aan te stippen. De eerste op mijn lijstje was Max Rooses waar ik op dat moment alleen van wist dat die een straatnaam had in Antwerpen. Onwetend kruiste ik maar alles aan. Ik wachtte en een tijd later zag ik een dame de leeszaal binnenkomen die een kar volgestouwd met boeken voortduwde alsof haar leven er van af hing. Ik dacht nog “Welke onnozelaar vraagt nu zo veel?”. U raadt het misschien: de dame reed recht naar mij toe. “Max Rooses” zegde ze en daar zat ik dan. Die man schreef honderden kunstboeken en was, als kunstcriticus, nog twee keer zo actief met documenten over onze belangrijkste kunstschilders. Mijn naam was daar gemaakt.

JM: Daar was je dan wel even zoet mee?
JB. Zeker. Ik verzeker je dat het bijna twee jaar duurde vooraleer ik tevreden was en een rondleiding kon doen voor vrienden en sympathisanten.

JM: Ik dacht dat je ook rondleidingen verzorgde op, bijvoorbeeld, de grote Parijse begraafplaatsen?
JB: Inderdaad en daar ging ik op dezelfde wijze als in Antwerpen te werk. Ik toog één week naar Parijs en bezocht, een voor een, de 97 perken van de begraafplaats Père Lachaise. Thuis maakte ik dan een rondgang waar ik zo veel mogelijk, voor ons, bekende figuren aandeed en ook oog had voor een Belgische namen die daar hun laatste rustplaats hadden.
JM: En dan startte jij met Grafzerkje?
JB: Zo is het niet helemaal gelopen. Een gelukkige samenloop van omstandigheden, zeg maar. Op een van mijn rondleidingen op Schoonselhof is Frieda Houbrechts, zus van ons lid Willem Houbrechts, aanwezig en ook Kurt Götze, gids op de Brugse begraafplaats. Na afloop bij het gebruikelijke drankje zegt Frieda “Brugge moet ook een mooie begraafplaats hebben? Zouden we die eens kunnen bezoeken? ” Ik vraag Kurt zijn prijs en zeg tegen Frieda: “Weg zijn wij”. Reactie van Frieda: “Ja maar onder ons twee gaat dat een duit kosten”. Ik zegde: “We zijn nog niet weg”. Op de dag in 2001 dat Brugge op het programma stond waren er 12 deelnemers. Om de twee maanden bezochten we een begraafplaats. Er werd ook vlug een tweemaandelijkse Nieuwsbrief uitgegeven. Grafzerkje was geboren. We deden zelfs een funeraire driedaagse trip naar Londen.

JM: En dan werd het vzw Grafzerkje?
JB: We wilden ons officialiseren om een groot restauratieproject te verwezenlijken door professionelen. Daarvoor hadden leden van ons al enkele kleine restauraties uitgevoerd maar we wilden meer. Het grafmonument voor Victor Driessens stond vooraan op ons verlanglijstje omdat het erg verwaarloosd was en op een centrale plaats, vlak over Hendrik Conscience stond. Hier mochten we ook van geluk spreken. Een aantal offertres dienden aangevraagd te worden. De eerste bedroeg € 5500, bij nummer twee was het al opgelopen tot € 6500 en nummer drie zat al aan € 7500. Maar je moet geluk hebben en de bedrijfsleider Carlos Vanhecke nam contact op met ons en hij zegde “jullie zijn die fameuze Grafzerkjes. Ik vind jullie toffe gasten en vind het een prima initiatief: ik doe dit voor jullie gratis”. Eerst dachten we dat we droomden maar eind 2006 was de restauratie een feit dankzij het bedrijf Verstraete – Vanhecke. We nodigden twee Antwerpse schepenen uit en die bedachten ons met € 5000  waar we het graf van bouwmeester Pierre Bruno Bourla mee lieten restaureren door diezelfde professionele mensen. 

JM: Sommige mensen vinden wat jullie uitspoken nogal griezelig? Bezoeken aan begraafplaatsen.
JB: Ja maar wij proberen de drempel te verlagen. Via onze naam ‘Grafzerkje’, een verkleinwoord, proberen we het laagdrempelig, ludiek te houden. Onze leden zijn door de jaren een groep vrienden geworden en na afloop wordt er regelmatig bij een hapje en een drankje gezellig nagekaart.

JM: Geldt dat ook voor de rondleidingen die je geeft?
JB: Ergens wel. Het is juist door rondleidingen te kruiden met hier en daar een anekdote dat je de toehoorders kunt blijven boeien. Mensen hebben geen boodschap aan een resem geboorte- en overlijdensdata. Trouwens, vaak staan die op de grafmonumenten. Maar door van tijd tot tijd iets grappigs in te lassen blijven de mensen luisteren en vaak nemen ze dat dan ook mee naar huis.

JM: Vertel zo eens iets grappigs?
JB: Bij het graf van burgemeester Camille Huysmans vertel ik het verhaal van de koning die Huysmans met een bezoek vereerde. Men belde aan en zegde “Het is de koning!” waarop Camille: “Zet maar een bak af!” (JM: voor niet-Antwerpenaren: brouwerij De Koninck). Soms ben je zo aan het opgaan in je betoog dat je, ongewild, grappig bent. Ik herinner mij eens dat ik zegde: “Die liggen hier voor heel hun leven!”. 

JM: Heb je nog bijzondere dingen meegemaakt tijdens rondleidingen?
JB: Ja hoor. Een van de dingen die me nog altijd bij blijft is een rondleiding voor blinden en slechtzienden. Je dient dan wel je rondleiding her en der aan te passen want wanneer die mensen vragen: “Mag ik eens kijken?” dan bedoelen ze dat ze eens willen voelen aan het monument wat jij nu juist bedoelt met dit of gene symbool. Ook gaf ik eens een rondleiding voor gehoorgestoorden. Die hadden wel hun eigen doventolken bij maar ik stond versteld van de snelheid waarmee die, in gebarentaal, mijn verhalen overbrachten.
JM: Doe je ook al rondleiding voor kinderen?
JB: Bij pubers is de interesse dikwijls ver zoek maar een rondleiding met kleine kinderen is best wel een leuke ervaring. De rondleiding mag niet langer dan één uur duren en de juffrouw of de meester dient vooraf al wat te vertellen. Het is een totaal andere rondleiding. Die gasten stellen vragen en die moet jij dan proberen zo goed mogelijk te beantwoorden. Hier maakte ik ook nog ooit iets leuk mee. Ik kom met die kinderen, ik schatte ze tien – elf jaar, voorbij het graf van schrijver Hendrik Conscience, een monumentale grafstede. Zegde de slimste van de klas: “Mijnheer ik weet wat die man zijn beroep was!”. Verwondering alom zeker bij mij want welk, zeker jong kereltje, weet nu nog wat Conscience uitspookte. Het werd stil in de groep en onze knaap zegde fier: “Leeuwentemmer!”. Kon ik zeggen dat hij fout was. Een kolossale “Leeuw van Vlaanderen” bewaakt het graf van de grote schrijver. 

JM: Ik vrees dat ik je nog uren kan laten vertellen over deze boeiende hobby van jou maar mijn tijd zit er op. Ik dank je voor deze gezellige babbel.
JB: Graag gedaan. En kom gerust nog maar eens af.

Bruikleen terug uitgevonden: heet nu “naburgering” Jacques zet één en ander recht


Ik schrok me een hoedje toen ik op 2 april, ik dacht eerst nog aan een late aprilgrap, schepen Heylen op televisie hoorde verklaren dat Antwerpen als eerste stad in Vlaanderen hergebruik van grafmonumenten gaat promoten en dat hij aan de basis ligt van dit prachtige initiatief. Ja, zo kennen we hem weer. In werkelijkheid zou het moeten geweest zijn “dat Antwerpen als laatste stad in Vlaanderen (in Brugge en Gent bestaat dit al meer dan 25 jaar) hergebruik van grafmonumenten gaat promoten en dat dit in Antwerpen te danken is aan de heer Guy Lauwers, schepen voor begraafplaatsen in de vorige legislatuur, en de inspanningen van vzw Grafzerkje die aan de basis liggen van dit prachtige initiatief. Ik noem dat “het warm water opnieuw uitvinden” of “andermans pluimen op je hoed steken”.

Gevolg: op 3 april stond mijn telefoon niet stil om een en ander uit te klaren en recht te zetten. De kranten “het Nieuwsblad” en “het Laatste Nieuws”, passeerden de revue en maakten er een prachtig werkstuk van. 
https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&uact=8&ved=0CCcQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.hln.be%2Fregio%2Fnieuws-uit-mol%2Fgraf-kuisen-om-het-te-reserveren-a1841500%2F&ei=MSlBU_iwOMKAywPmvICwBw&usg=AFQjCNEXaaxH2GWvhW4WdzA8OklrxkWOXA

Gelukkig heeft elke medaille zijn keerzijde want dankzij de reclame die schepen Heylen kreeg op televisie en de reclame die wij mochten maken in de kranten waren toch weer heel veel mensen op de hoogte van de mogelijkheid tot “bruikleen”. Dit ging ook gepaard met het uitgeven door de stad Antwerpen van twee flyers waar toch drie van de vier personen leden van onze vzw Grafzerkje zijn: Getuigenissen Norbert en Dirk (pdf) (2,14 Mb) en Getuigenissen Jacques en Leen (pdf) (2,19 Mb). Op diverse plaatsen in de stad prijkt nu ook nog eens onze tronie op gigantische affiches. Dit alles leidde tot een toeloop van aanvragen voor bruikleen.
Jacques Buermans.

In aansluiting hierop, wil ik melden dat er op Schoonselhof enkele tientallen grafmonumenten vrij komen om in peterschap en/of bruikleen te nemen. Eén van onze leden vindt te weinig tijd om de verdere zorg van de monumenten op zich te nemen. Ze zijn allemaal in goede tot uitstekende staat en vragen momenteel weinig zorg, buiten nu en dan wat onkruid wieden. Hoe langer ze natuurlijk zonder peter blijven, hoe sneller ze (weer) gaan vervallen. Vanaf de volgende Nieuwsbrief zullen wij enkele monumenten voorstellen, in de hoop dat iemand zich kandidaat stelt om ze te adopteren. 

Leen Otte