Nieuwsbrief Nr. 75 - mei 2013

Laken de weergoden waren de deelnemers niet goed gezind


Veertien Grafzerkjes trotseerden barre weersomstandigheden om het kerkhof van Laken te bezoeken. Onze gids Stefan Van Camp liet ons schuilen voor de sneeuwbui wanneer hij zijn inleiding gaf. Laken werd aangehecht bij Brussel omdat de koning in de hoofdstad moet verblijven. Al in de tiende eeuw was hier een kerk. In de 17de eeuw kwam Isabella jaarlijks naar de kerk om de reliek ‘de draad van Maria’, een vruchtbaarheidssymbool, te vereren met een processie met 300 begijnen. Marie Louise, de eerst koningin van België, wil in de schaduw van het bedevaartsoord begraven worden. In 1852 begint architect Poelaert aan de bouw van de huidige kerk. Poelaert dient geen plannen in en wanneer hem naar plannen gevraagd wordt repliceert hij met “Ik ben kunstenaar, geen kruidenier!”. Men spreekt steeds over de crypte van laken maar Stefan wees ons er op dat dit niet klopt. Het is een grafkapel achter de kerk. Dit had te maken met het feit dat Leopold I luthers was en niet door de ker mocht gedragen worden om bijgezet te worden in een cypte. Stefan wist ook te vertellen dat de laatste woorden van de vorst, op de vraag om zich tot het katholicisme te bekeren, een klaar en duidelijk “Nein!” waren. We verlieten het kerkhof even om te kijken naar het monument voor de Franse onbekende soldaat, het enige monument voor een onbekende Franse soldaat buiten Frankrijk. Een prachtig monument waar twee vrouwen, Frankrijk en België, een zusterzoen uitwisselen.
Terug op het kerkhof wees Stefan ons op het, gestolen, beeld voor het verongelukte zoontje van de familie Moselli. Een gipsen afgietsel van het beeld van Dillens bevindt zich in het atelier Salu, momenteel Museum voor Grafkunst. Promotor Charly De Pauw kreeg een gigantisch monument. Volgens onze gids met plaats voor zijn zes maitresses. Door hem werden blusapparaten in wagens verplicht, De Pauw leverde die, en werd het World Trade Center in de Brusselse binnenstad opgericht. De Pauw bezat ook het monopolie van parkings in Brussel; hij betaalde daar niet minder dan één Belgische frank per jaar voor. Op zijn graf “L ‘acquit ne vaut rien, tout est dans l’ espoir” of hypocrisie ten top. Emile Bockstael zijn monument was moeilijk bereikbaar door de werken aan de ondergrondse galerijen. Zijn monument was ooit de ingang tot die galerijen. Een prachtig marmeren monument voor Salu I, besteld door Salu II. 
Een neogotische grafkapel voor de familie Vaxelaire, van de grootwarenhuizen. Joseph Duysburgh was koorleider met een pleurante Sapho voorstellend. Ywan Gilkin, dichter, ligt onder een art deco monument van beeldhouwer Witterwulghe. 
Een eclectisch monument voor architect Louis de Curte naast een grafkapel voor de eigenaar van een porseleinfabriek Cappellemans. Het monument voor burgemeester Wyns de Raucour van de hand van Guillaume Geefs werd ooit gerestaureerd door Epitaaf. Jacques André Coghen, minister van financiën, is een overgrootvader van koningin Paola. Het prachtige beeld van de hand van Guillaume Geefs en de grafkapel toegeschreven aan Jean Pierre Cluysenaer verkeren in een erbarmelijke toestand. In plaats van haar paleis vol met mestkevers, van de hand van de meer dan omstreden dierenbeul en begraafplaatsenhooligan, te plakken kan Paola misschien een peulschil van haar dotatie besteden om dit monument van de ondergang te redden. 
Pianiste Marie Pleyel de, uit Torhout afkomstige, Marie Moke verbrak een verloving met Hector Berlioz om met Camille Pleyel te huwen. Een prachtig monument van Henri Pickery. Generaal Belliard, minister onder Leopold I, kreeg hier een cenotaaf. De man zelf ligt begraven op Père Lachaise. Schilder François-Joseph Navez ligt hier samen met zijn schoonzoon, schilder, Jean-François Portaels. Architect de Blois was tevens vrijmetselaar. De tempel in de Peterseliestraat in Brussel is van zijn hand. 
Maria Felicia Garcia Malibran was een wereldberoemde zangeres. Zij stierf, op 28 jarige leeftijd, na een val van een paard en werd eerst begraven in Manchester. We konden een beeld van La Malibran in de rol van ‘La Norma’ van Guillaume Geefs ontwaren in de kapel. De attributen van zijn beroep, militair, bij Charles Niellon. Delhaize, telg uit de familie van grootwarenhuiseigenaars. Verschillende takken van de familie kwamen niet overeen. Henri Van Cutsem mecenas. Hij schonk zijn verzameling aan de stad Doornik. Schoonselhof kent Van Cutsem als de ‘sponsor’ van beeldhouwer Guillaume Charlier zoals vermeldt op het graf voor schilder Henri de Braekeleer. 
Notaris en burgemeester Georges De Ro kreeg het beeld ‘de drie levensstadia’ voorstellend van Isidore De Rudder. Wie het breed heeft laat het breed hangen zagen we dan weer bij filantroop Ferdinand Nicolay. Beeldhouwer Charles Auguste Fraikin beeldde hem af als Michelangelo's ‘Pensieroso’ op het grafmonument van Lorenzo de Medici te Firenze. Onderweg wees Stefan ons op een Christus die er wel heel ongemakkelijk bijstond. Ook een kunstenaar kan al eens slechte momenten hebben. 
Lou Tseng-Tsiang Bovy was eerst diplomaat in China. Later bekeerde hij zich tot het katholicisme. Grafmonument met boek en een grafschrift in Chinees en Frans. Zoals steeds hadden de grote mensen simpele graven. Denk maar aan het eenvoudig niemendalletje voor Alphonse Balat, architect van onder meer de Koninklijke serres en de graven voor schilders Xavier Mellery en Fernand Knopff.
Op het graf Bombaert troffen we een bijenkorf aan. De betekenis, sommigen dachten ijver en werklust, werd nog niet achterhaald. Soldaat Max Pelgrims sneuvelde en kreeg een monument van Ernest Salu. Joseph Dillen, kunstliefhebber deed het voor niets minder dan ‘de denker’ van Auguste Rodin. In zijn omgeving zagen we de lichtinval zorgt die voor een prachtig beeld zorgt in de kapel voor Leonce Evrard. Stefan zag dat de kerk open was en we maakten van de gelegenheid gebruik om eens een kijkje te nemen. Verwaarlozing al om en als de deur zo maar geopend kan worden, is dit ideaal voor dieven. 
Terug buiten wees Stefan de intussen verkleumde Grafzerkjes nog op het graf voor schilder Eduard de Biefve en dit voor componist Willem De Mol. D’ Eppinghoven was een van de vele onnatuurlijke kinderen van Leopold I. Deze zoon was een ‘product’ van koning Leopold I en Arcadie Claret. Het op de wereld zetten van onnatuurlijke kinderen door de koningen is blijkbaar een hobby die tot op de dag van vandaag nog altijd doorgaat. 
Op het rondpunt zagen we het grafmonument voor Tilman – Suys, architect van de Brusselse beurs en ook de man die de Zenne liet overwelven. In de verte konden we het monument Ghémar, een beeldhouwwerk van Albert Ernest Carrier-Belleuse leermeester van Auguste Rodin, een allegorie op de wetenschappen gecombineerd met het thema der ‘Drie Leeftijden’ voorstellend, ontwaren. Dichter André Van Hasselt kreeg een zwarte stompe zuil van beeldhouwer Fraikin. Eindigen deed Stefan Van Camp aan de achterzijde van het monument voor Emile Bockstael en toen was het tijd om ons te gaan verwarmen in café Royal. Zou het in mei bij de volgende Grafzerkjestrip ook nog zo’n rotweer zijn? Ik durf te hopen van niet.
Jacques Buermans
 
Foto’s: Ria Vaes

Presentatie boek over Graftrommels


Op 8 maart ll. ging in Goor (Twente, Nederland) de voorstelling door van een opmerkelijk boek: Graftrommels en (kunst)grafkransen in Nederland.
Auteurs zijn Leon Bok en Evert-Jan Halkus. De eerste als deskundige voor de Rijksdienst voor Monumentenzorg, de tweede als uiterst handig restaurateur. De keuze voor het dorpje Goor was niet toevallig omdat op de plaatselijke begraafplaats er nogal wat fraaie exemplaren voorkomen en omdat zich in de aula een klein maar uniek museum voor Graftrommels bevindt: niet alleen wordt er een overzicht gegeven van de grote variëteit in materialen en vormgeving, maar even merkwaardig zijn een flink aantal stansmallen in zware metalen en een aantal voorbeelden in papier, kralen, stoffen enz.
In het boek zelf gaat eigenlijk vooral hoofdstuk 7 over de verspreiding ervan in de Nederlandse Provincies. De andere hoofdstukken gelden even goed voor de situatie in België. Behandeld worden de historiek van het ontstaan, de gebruikte materialen, de vormgeving met zijn symbolische betekenissen, het productieproces , de restauratie enz. Gezien de deplorabele toestand van deze zeer uitzonderlijke relicten van funerair Erfgoed, is dit boek ook hier meer dan welkom. De overvloedige kleurenfoto’s, die meermaals de situatie voor en nà tussenkomst weergeven, tonen aan dat er nog hoop is, maar tegelijk: werk aan de winkel !
Het boek kan besteld worden via Stichting Dodenakkers.nl voor de prijs van 20€ + verzendingskosten uiteraard.
 
Cis Kennes

Fysisch-antropologische analyse van menselijke resten een korte voorstelling door Marit Vandenbruaene


Inleiding
 
De fysisch-antropoloog bestudeert menselijke beenderresten, meestal afkomstig van archeologische opgravingen en soms uit gerechtelijke onderzoeken.
Menselijke botresten bevatten heel wat biologische informatie over sterfteleeftijd, geslacht, lichaamslengte, etnische afkomst, ziekten en letsels van een skeletindividu.
 
Over welke resten gaat het?
 
Afhankelijk van de periode van de begravingen, gaat het vooral om verbrande resten (crematies) vanaf de Romeinse periode of om grafkuilen met een skeletresten (inhumaties) vanaf de Christelijke tijden.
Heel zelden worden ook bewaarde zachte organische resten zoals haar, huid, vinger-en teennagels teruggevonden. Ook veenlijken en mummies worden onderzocht, maar deze komen vrijwel niet voor in onze contreien.
 
Hoe worden de resten ingezameld?
 
De aard van de bodem bepaalt hoeveel er van een menselijk lichaam overblijft. Hoe beter de bewaringstoestand, hoe beter de resultaten. Een constante omgeving zal decompositie vertragen, omgekeerd zal afwisseling van temperatuur en bodemtoestanden het verval versnellen.
 De botresten worden steeds nauwkeurig blootgelegd, gedocumenteerd, ingezameld en getransporteerd. Op een gestandaardiseerd skeletformulier wordt de bewaringstoestand, skeletpositie en oriëntatie beschreven. Verstoringen, grafgiften en grafcontexten worden eveneens genoteerd. Zeer slecht bewaard materiaal (bv. lijksilhouetten) zal op het terrein zelf geanalyseerd worden of ‘in bloc’ naar het labo worden getransporteerd.
 
Wat gebeurt in het laboratorium?
 
De ingezamelde beenderen worden in het labo gereinigd boven een zeef met kleine maaswijdte om het verlies van kleine botjes (zoals oorbeentjes) en tanden tegen te gaan. Nadien kunnen recente breuken gelijmd worden of conservering worden toegepast.
Vervolgens worden alle beenderfragmenten en tanden op de studietafel opgengelegd volgens hun anatomische positie. Tijdens dit proces let de onderzoeker op mogelijke vermenging met dierlijke resten.
Vermenging van meerdere individuen komt vaak voor, vooral in kerkelijke contexten, waar het ene graf bovenop en naast het andere is gelegen. Ook in massagraven (bijv. epidemie of oorlogsituatie) is het niet evident om alle botjes per individu te determineren. 
Van elk onderscheiden skeletindividu wordt een gedetailleerde osteologische inventaris opgemaakt, zodat men weet wat wel en niet is bewaard. Verder worden stalen genomen voor andere analyses, zoals ouderdomsdatering via radiokoolstof-onderzoek. (C14-datering).
 
Hoe worden menselijke resten geanalyseerd?
 
Op de eerste plaats zal men de biologische informatie van een skeletindividu verzamelen door te kijken (morfologie) en door te meten (osteometrie) met een grote schuifpasser.
Naast eenvoudige waarnemingen kunnen ook gedetailleerde methoden op de botresten worden toegepast, zoals het maken van preparaten voor microscopisch onderzoek (histologie), biochemische analyses (sporenelementanalyse en isotopenanalyse),  X-stralen onderzoek (röntgen), enzovoort. Deze laatste technieken zijn echter duurder, tijdsrovend en materiaal beschadigend.
 
Welke informatie bevat een skelet?
 
Menselijk botonderzoek levert de volgende biologische informatie op van een skeletindividu:
 
Sterfteleeftijd: Hoe oud was de begravene op het moment van overlijden?
Geslacht: Gaat het om een man of een vrouw, een jongen of een meisje?
Lichaamslengte: Hoe groot was de persoon?
Metrische kenmerken: Was hij of zij links-of rechtshandig, fors gebouwd of eerder tenger?
Etnische afkomst: Behoorde hij of zij tot het caucasische, negroïde of aziatische type ?
Erfelijke kenmerken: Bezat de persoon bepaalde anatomische skeletafwijkingen?  
Gezondheidstoestand: Zijn er letsels of verwondingen te zien, aan welke ziekten of aandoeningen leed de persoon? Is er sprake van heling of genezing?
Hygiëne en voedingsgewoontes: Kan men spreken over voedingstekorten of overdaad? Bestond het leven uit hard labeur of was er sprake van welvaartsziekten? Hoe zag de mondhygiëne er uit, mooie gave of onverzorgde tanden?  
Doodsoorzaak: Was de doodsoorzaak ouderdom, ziekte, ongeval of geweld?
Identiteit: Wie was de persoon eigenlijk, zijn er aanwijzingen van identiteit aanwezig?
 
Vooral de laatste twee punten, doodsoorzaak en identiteit, behoren tot het domein van het gerechtelijk onderzoek waarin de forensische antropologie een belangrijke rol speelt.
 
Waarom deze studie?
 
De studie meerdere historische skeletten levert informatie op over een hele bevolkingsgroep. Samen met de archeologische gegevens geeft deze botinformatie een beeld van de levenskwaliteit en de levensverwachting van de mensen vroeger. Ook begravingsrituelen doorheen de tijd kunnen op die manier worden gereconstrueerd.
Evengoed kan botanalyse van één specifiek skeletindividu doorslaggevend bewijs leveren in bijvoorbeeld gerechtelijk onderzoek kwestie van doodsoorzaak en identiteit.
De fysische antropologie bezit raakvlakken met andere disciplines zoals paleontologie, biologie, menselijke anatomie en ook gerechtelijke geneeskunde en pathologie.
 
Als mens dragen wij ons hele leven lang een skelet mee dat met ons meegroeit en meeleeft, dat ons beschermt en ondersteunt, en dat bepaalde fysieke gebeurtenissen in het harde bot of tandemail opslaat. Al deze biologische sporen kunnen door een geoefend oog worden afgelezen nog lang na onze dood. Dit is fascinerend en wetenschappelijk interessant tegelijkertijd, vandaar de oproep “Draag zorg voor je skelet” !
 
Literatuur
 
Van Strijdonck M., Ervynck A., Vandenbruaene M. & M.Boudin (2006). Relieken, echt of vals? Davidsfonds, Leuven.
 
Vandenbruaene M. (2008). Fysisch-antropologisch onderzoek, Historiek en Bibliografie, In: Onderzoeksbalans Erfgoed Vlaanderen, Vlaams Instituut Onroerend Erfgoed, hoofdstuk 9.4, 1-35, website www.onderzoeksbalans.be/
 
Vandenbruaene M. (2009). Forensische Antropologie, In: Boel P., De Cloet, V., De Kinder J., Mahieu J. & Van Varenbergh D. Handboek forensisch onderzoek. De mogelijkheden van forensisch onderzoek, Brussel: Politeia, 247-254.
 
Quintelier, K., Vandenbruaene M. & Watzeels S. (2012). A capite ad calcem. Protocol voor het macroscopisch morfologisch en metrisch onderzoek van niet-verbrand, menselijk skeletmateriaal, agentschap Onroerend Erfgoed, Relicta 9, 263-284.
 
Marit Vandenbruaene – De Deken
[email protected]

Joden en de dood het funeraire patrimonium


Een tweede bijdrage van Machteld de Schrijver, vzw Culturama, naar aanleiding van de tentoonstelling in het Joods Museum, voormalige Dossinkazerne te Mechelen, nog tot 30 september 2013. In de vorige Nieuwsbrief verscheen haar eerste bijdrage.

Joodse graven en symboliek

De symboliek op Joodse grafstenen is zeer bijzonder. Zo is de plaatsing van de stenen, verticaal of horizontaal bepalende voor bepaalde regio’s. De Sefardische Joden hebben een voorkeur voor horizontale stenen; de meeste kerkhoven aan de Middellandse Zee en o.a. ook het kerkhof van Bayonne hebben dergelijke steles. Verticale grafstenen zijn geliefd bij de Joden in Noord-Europa en in Amerika. De grafmonumenten bleven lang zeer sober en ‘arm, waarbij de epigrafie het belangrijkste was. Ze waren vierkantig of hadden een drielobvorm.
Typische symbolen zijn de duif van Noach, de harp van David, de zevenarmige Joodse kandelaar, Joodse opschriften, letters zoals de ‘mem’ en de ‘teth’.
Symbolen kunnen ook verwijzen naar beroepen, taken of volksstammen. Het wasbekken en de oliekan verwijzen naar de handelingen van de priester en naar de stam der Levieten, terwijl het scalpel en andere gebruiksvoorwerpen verwijzen naar de besnijder. Twee samengebrachte handen, waarbij de vingers op een opmerkelijke wijze per 2 gegroepeerd zijn, verwijzen naar het zegenend gebaar van de priester en de handoplegging en naar de handeling van de ‘kohen’ en de ‘Conahim’, die zich beschouwen als de afstammelingen van Aaron. 
Vanaf de Renaissance werden de grafstenen meer syncretisch. Er kwamen meer en meer scènes uit de Bijbel voor, naar het voorbeeld van christelijke sarcofagen. Syncretische symbolen, overgenomen door andere culturen zijn o.a. symbolen die verwijzen naar het uitdoven of het einde van het leven en de vergankelijkheid, zoals de vlam en de fakkel of de zandloper en het doodshoofd.
De zandloper is het typische attribuut of het gebruiksvoorwerp van de Dood of vadertje Tijd (naast de zeis) en van in de Middeleeuwen een veel gebruikt symbool. De zandloper kan door vleugels vergezeld zijn. Soms zijn het 2 dezelfde vleugels en vleermuisvleugels.
En soms met 2 verschillende vleugels, van een duif en een vleermuis. Dit symbool verwijst naar de vluchtigheid van het leven en het verder gaan van de tijd.
Of de urne (alleen) of deels omgeven met een stuk stof (of een deels gesluierde urne), die verwijst naar de asurne uit de antieke oudheid (vaasvorm, met gecremeerde resten van de dode), vergezeld van een symbool van respect. 
Of de handen van het echtpaar die in elkaar gelegd zijn en verbonden zijn door een ketting, of uit elkaar glijden en omgeven zijn door een gebroken ketting, als symbool van de liefde die over de dood blijft bestaan of van de scheiding die door de dood tussen de geliefden is ontstaan.
Of het anker (een oud christelijk symbool, al aanwezig in de vroegchristelijke kunst, als symbool van stabiliteit, trouw en hoop), het kompas, de letters alfa en omega, die vermeld zijn in het boek ‘Jesaja’ (cfr. onze christelijke graven- citaat van Jezus) en verschillende antieke, Griekse vaatwerkvormen (de amfora, de krater, de lekythos). 
Ook allerlei plantaardige en florale motieven, die zowel zeer natuurgetrouw als gestileerd en vereenvoudigd weergegeven zijn, zoals de palmboom, de wilg en de treurwilg, de klimop, acacia- of palmtakken, laurier- en accanthus- of eikenbladeren, hulst en buxus, de papaver of de klaproos, de roos en het viooltje. .
Klimop is een eeuwig groene plant en een oud Keltisch symbool. Het verwijst naar de cyclus van de dood en de heropstanding en de eeuwigheid. De laurierbladeren en de –krans zijn s een antiek motief, verwerkt in zegekransen van o.a. generaals die een overwinning behaalden maar ook gebruikt bij gebeurtenissen die te maken hadden met rechtspraak. Dit symbool verwijst naar succes, onsterfelijkheid, roem en overwinning op de dood maar ook van het verschijnen van de dode voor de opperste Rechter.
De papaver of de klaproos (die drogerend werkt) is het attribuut van de god van de slaap, van Hypnos en van Morpheus, de god van de dromen, en verwijst zowel naar de eeuwige slaap als naar het snel verwelkte leven. De roos is het symbool van de liefde en de schoonheid, maar ook van het lijden.
De acacia verwijst naar het verhaal van de bouw van de tempel, door koning Salomon en de moord op meestermetselaar Hiram door jaloerse bouwgezellen. Hirams lijk werd verstopt en teruggevonden dank zij het plotse bloeien van een acaciaboom (symboliek die ook gebruikt is door de vrijmetselaars). Dit plantenmotief werd vanaf de Renaissance ook als een symbool van onsterfelijkheid gebruikt.
Buxus en hulst blijven groen en zijn symbool van volharding en van duurzaamheid.
Het viooltje is het symbool van de trouw en van de herinnering (in het Frans ‘pensée’). 
De leeuw en het hert:
Beelden van dieren verwijzen soms naar de naam van de dode. De leeuw is zoals in onze cultuur en in de heraldiek het symbool van moed, kracht en macht. Maar ook van de opstanding.
Volgens oude middeleeuwse bestiaria lagen de leeuwenwelpen 3 dagen dood, na hun geboorte en werden ze door hun vader weer tot leven gewekt, toen hij ze in hun gezicht beademde. De leeuw komt veel voor in grafmonumenten van hooggeplaatste echtparen, vanaf de Middeleeuwen, aan de voeten van de man.
De pyramide
De gebroken en geknakte boom of kaars
Ook nachtdieren, zoals de uil en de vleermuis, die verwijzen naar duisternis. De uil, die een speciale roep heeft, staat ook symbool voor eenzaamheid, vernietiging en rouw en heeft de taak de ziel van de dode doorheen de duisternis te loodsen.
Porseleinfoto’s van de dode
Na 1900 werd meer en meer de typische Joodse Davidsster (de ster met de 6 punten) gebruikt. Het symbool werd al gebruikt vanaf de 7de eeuw voor Christus, verdween in het hellenisme en kwam opnieuw in gebruik vanaf de 13de eeuw. Dit symbool werd opgelegd door de nazi’s en is ook aanwezig in de vlag van Israël. Wij vinden het symbool in frontons, op de voorzijde of op de zijkanten van grafmonumenten, uit de 20ste eeuw. 
Vaak is er een gebouw afgebeeld, dat lijkt op een soort tempel of tabernakel. Soms op een eenvoudige manier, met 2 pilasters en een fronton en soms zeer gedetailleerd. Op de 2  steunelementen zijn de letters i en b of de namen ‘Iakhin’ en ‘Boaz’ geschreven, die cfr het ‘Boek der Koningen’ ook geschreven stonden op de zuilen, in de ingang van de tempel van koning Salomon, in Jeruzalem. Ook deze zuilen met de 2 letters zijn door de vrijmetselaars gebruikt en altijd aanwezig, bij de ingang, in de voorhalle van een Loge.
De tafelen der wet of de 2 stenen tafelen van Mozes
Het kompas is een kosmologisch en dynamisch symbool en verwijst naar de kringloop van het leven, naar de hemel en naar het steeds terugkerende begin.
Onder invloed van de verschillende architectuurstijlen in de 19de en de 20ste eeuw werden grandioze grafmonumenten en mausolea gebouwd, in neostijlen en in Art Nouveau. Op het Antwerpse Schoonselhof zijn er vele indrukwekkende mausolea in neomoorse stijl. Na de Eerste Wereldoorlog kwamen er vele Art Decograven of graven met treurende vrouwenbeelden. Na 1940 werden de grafmonumenten opnieuw sober en uniform.
Als laatste opmerking dient vermeld te worden dat de Joden ook een eigen jaartelling gebruiken, gerekend vanaf de creatie van Adam en Eva.
Steller: Machteld de Schrijver
 
Foto’s: Jacques Buermans

Erfgoeddag Zwijndrecht en Burcht met enkele interessante verhalen


21 april: Erfgoeddag. De stad Antwerpen koos deze dag uit voor een marathon en een massaloop. Gevolg: half Antwerpen onbereikbaar want er dient gewacht te worden tot de laatste pseudo-atleet gepasseerd is en alsof dit alles nog niet voldoende is: kort na de middag wordt de tunnel afgesloten om zo’n 35000 mannen en vrouwen met overgewicht zich door de tunnel te worstelen. Ik had uiteraard kunnen deelnemen maar verkoos toch om tijdig te vertrekken richting Burcht en Zwijndrecht.
 
Om elf uur boden zich een vijftal geïnteresseerden aan voor de eerste rondleiding van de dag op de begraafplaats van Zwijndrecht door de voorzitter van de Heemkundige Kring, Ludo Van der Stock. Al snel groeide de groep aan tot 12 leden. Gestart werd bij Victoria Heirwegh. De dame kreeg een straatnaam want ze werd niet minder dan 103 jaar oud wat de voorzitter deed besluiten dat het in Zwijndrecht toch nog zo slecht niet is. Verder naar de zusters van de Kindsheid Jesu. In 1835 opgericht in Gent, in 1842 naar Zwijndrecht gekomen om onderwijs te geven aan kansarme kinderen en om aan weldadigheid te doen. Later waren ze actief in hun klooster met rusthuis. Bij de toehoorders waren veel ‘lokalen’ wat tot gevolg had dat de rondleiding soms op een koffiekransje leek: “Ik kreeg nog les van zuster X” en “Mijn grootmoeder heeft jaren in het rusthuis doorgebracht”. Ik weet dat je dit als gids op zulk een moment soms wel echt verwenst. Constant Van Goey was burgemeester. In Zwijndrecht waren toen de ‘roden’ en de ‘blauwen’ die de gemeenteraad vormden. Geen socialisten en liberalen maar allebei katholiek, de ‘roden’ progressief de ‘blauwen’ traditioneel. Van Goey loopt over van de blauwen naar de roden en haalt alle mandaten binnen. In 1915 verdwijnt Van Goey en stelt de Duitse bezetter ene Nederlander Christiaan Blom aan als burgemeester. Die maakte er een echt zootje van. Zijn opvolger vond tientallen ongeopende brieven. Constant Van Goey overleed in 1918 in Saint Asaph in Groot-Brittannië en werd daar begraven. De familie Borin – Orlent was afkomstig van Virton en was eigenaar van een lijmfabriek. 
Adhemar Borin sneuvelde in 1918, amper 28 jaar oud. Hier zien we een mooie graftrommel. Jan Baptist Van Goey was burgemeester tussen 1873 en 1879 en terug vanaf 1889. Hij kreeg een sterke oppositie van het Vlaams Hoofd, = de wijk Sint Anneke. Deze wijk wilde een aparte gemeente worden of wilde aangehecht worden bij de stad Antwerpen. Camille Verhelst was een van de ontelbare burgerslachtoffers van de Duitse inval van 19 mei 1940 in Zwijndrecht. Op een rondpunt: Richard Orlent, ondernemer. Tijdens Wereldoorlog I was hij hoofd van het Hulp- en Voedingscomiteit dat zich inzette voor soepbedeling, distributie van kolen en voedsel naast gratis geneeskundige hulp. 
Robert Orlent was voorzitter van de VAB en de watersportvereniging. Daarnaast Gustaaf van Bogaert, burgemeester. Hij was de grondlegger van de Scheldetunnel en was de opvolger van de eerder vernoemde Nederlander Blom. Tijdens zijn bewind werd, op 1 april 1923, Burcht overgeheveld van Oost-Vlaanderen naar de provincie Antwerpen en ging het Vlaams Hoofd naar de stad Antwerpen. Henri Vinck was in 1944 omgekomen door een vliegende bom. 
Ludo van der Stock wees ons op een ‘mysterie’: drie kinderen De Laet, alle drie van verschillende ouders overleden alle drie binnen de week: Armand, zoon van Alfons De Laet, overleed op 11 maart 1928; Leon De Laet, zoon van Frans De Laet, overleed op 16 maart 1928 en Lucienne De Laet, dochter van Constant De Laet, overleed op 17 maart 1928. Ludo liet het over aan de ‘speurders’ om uit te vlooien welk drama zich daar afspeelde. Ludo Van der Stock eindigde bij het graf van schoolmeester Donatus D’Haese en diens zoon Paul. Die vond een schrijfmethode uit waarbij alles vloeiend aan elkaar geschreven werd. Vele van de deelnemers aan de rondleiding kende deze methode. Na meer dan anderhalf uur was een meer dan geslaagde rondleiding achter de rug.
Nu stond ik voor een dilemma: nog naar Burcht gaan met het risico dat ik, omwille van de 10 Miles niet meer door de tunnel kon of Burcht links laten liggen. Ik opteerde voor het eerste en was om 12.45 uur aan de ingang van de begraafplaats. Bruno Byl, gids en schepen van de gemeente Zwijndrecht, stond daar te wachten op een volgende groep en leidde me rond tijdens een blitzbezoek. Gestart werd bij het graf van Godelieve Moenssens. Een aangrijpend verhaal: bij de geboorte van haar kind traden complicaties op met dramatische gevolgen: zij geraakte totaal verlamd. De enige communicatiemogelijkheid die zij nog had met haar omgeving was door te knipperen met haar ogen waardoor zij een soort gebarentaal ontwikkelde. Op die manier is zij erin geslaagd om voor haar overlijden enkele fijne dichtbundels te ‘dicteren’ aan haar omgeving. Op het graf zien we afbeeldingen uit haar sprookjes. De familie Vernimmen werkte bijna allemaal in de openbare dienst en zij bleven allemaal vrijgezel. Germaine Vernimmen was gedurende veertig jaar gemeentesecretaris. Als één iemand het reilen en het zeilen van de gemeente kende, was zij dat wel. 
Frans Kockelberg was worstelkampioen. Op zijn grafmonument komt hij, in 1929, uit voor zijn vrijzinnigheid wat in die tijd niet gebruikelijk was volgens Bruno Byl. Jan Frans Tulpinck (vestigde zich in 1876 in Burcht. Hij ging werken in de guanofabriek van baron Ohlendorff. Hij was weduwnaar en was vergezeld van zijn toen 13-jarige zoon John. Vader Tulpinck overleed in 1900 en werd burgerlijk begraven. Ongeveer een jaar later was zijn grafsteen naar een ontwerp van Clement Jonckeer klaar. Het graf staat open. Op de binnenplaat zie je foto’s van de overledene en de rouwbrief, een grafrede en een laatste groet van zijn zoon. Het graf wordt in de volksmond ‘de muizenval’ genoemd. Zoon John was gefascineerd door de fotografie. Hij liet ongeveer 600 foto’s op glasplaat na die een mooi, vaak ontluisterend beeld schetsen van het vroeg-20ste-eeuwse Burcht. John Tulpinck was ‘uitvinder op bestelling’. Hij ontwikkelde een lichtgevende stok en ontwierp een nieuw muzieksysteem. Het grafmonument komt van het kerkhof rond de kerk in Burcht. 
Verder ging de tocht langs de laatste rustplaats voor Albert Minnebo gemeenteraadslid en voorzitter van de Communistische Partij. Albert zijn zoon, Willy Minnebo was de populaire burgemeester van Zwijndrecht die vorig jaar, als zittend burgemeester, de strijd tegen kanker verloor. Hij werd de eerste groene burgemeester van Vlaanderen. Anna Rosalia Marnef was een van de ontelbare burgerslachtoffers van de Duitse inval van mei 1940 in Burcht. Michel Boons onderging in Amerika een hartoperatie. Bruno Byl vertelde dat dit in die tijd nog een echt risico was waarbij heel de gemeente betrokken was om ‘gelden voor de operatie te vergaren’. Spijtig genoeg overleed Michel op jonge leeftijd. 
Een door de gemeente onderhouden grafmonument voor Koreastrijder August Staes. Paul Van Goethem was de laatste burgemeester van het onafhankelijke Burcht. Frans Van der Stock was provincieraadslid. Hij ijverde voor de afschaffing van de tol aan de Waaslandtunnel. 
Hier ook een graf voor een drieling Bekx die, in 1937, overleed amper twee maanden oud. Het bezoek eindigde bij het graf van Hendrik Byl, de grootvader van de gids, stichter van de CVP, afdeling in Burcht en directeur van de Oefenschool in Antwerpen. Hij was de man die Leo Tindemans in de lokale politiek introduceerde. 
Een bezoek in ijltempo maar dankzij gids Bruno Byl heb ik toch nog enorm veel opgestoken van dit bezoek.
 
Jacques Buermans

Canvas Publiek geheim – met vertraging


Enkele maanden geleden zagen we op Canvas in de reeks ‘Publiek geheim’ een reportage over het kerkhof van Laken. Nadien kon je inschrijven voor een gratis rondleiding. Natuurlijk hadden we die niet gewonnen, maar er werd de mogelijkheid geboden om in te schrijven voor een latere, betalende, rondleiding op het kerkhof. Ik daarvoor ingeschreven en vandaag was het zover: we konden – een tweede rondleiding op enkele weken – meemaken op het kerkhof van Laken.
Onze gids deze keer was Tom Verhofstadt en die gidste ons, verre van slecht door het voormalig atelier van Ernest Salu, de begraafplaats zelf en het ondergrondse gedeelte.
Deel 1: het atelier van Ernest Salu I, II en III. Drie generaties beeldhouwers. Epitaaf is gehuisvest in het voormalig atelier van Salu; een uitvalsbasis waar ze best fier mogen op zijn! Salu begon als algemeen beeldhouwer. Het is maar door de vraag van de klanten dat hij zich met de tijd ging specialiseren in grafmonumenten. Hij vestigde zich in 1874 naast het kerkhof van Laken en zijn atelier bestond op zijn hoogtepunt uit eentje  dat uit verschillende compartimenten bestond. Daarnaast, letterlijk, bezat hij drie huizen , waar hij er twee van verhuurde om bijkomende inkomsten te hebben. Salu was leerjongen  bij Guillaume Geefs. In die tijd was Laken een dorp. Het is maar door de komst van de Koninklijke familie dat het kerkhof uitgebreid moest worden tot de huidige omvang.
We bezochten de zogenaamde wintertuin, waar een bord hing met de originele sleutels van de grafkapellen. Salu bood namelijk een ‘totaalpakket’ aan waar niet alleen het grafmonument inbegrepen was, maar ook het onderhoud ervan. Dit contract werd heel gedetailleerd uitgeschreven en nagekomen.  Het maken van zo’n grafmonument had heel wat voeten in de aarde en gaf werk aan veel verschillende vakmensen. Voor elk vakman waren er ook leerjongens die het vak kwamen leren.  Een klant kwam een grafmonument uitkiezen – naar voorbeeld van een bestaand beeld, of er werd voor hem een uniek ontwerp gemaakt. Van dat ontwerp werd dan een maquette gemaakt, later eventueel een gipsen beeld op ware grootte en als de klant dat ok vond, kon het beeld op ware grootte gemaakt worden eventueel eerst nog in hout. Als dat allemaal meeviel werd het definitieve beeld vervaardigd. In de tuin van het atelier werd dan een proefopstelling gemaakt om na te gaan of alles wel perfect paste. Op dit punt waren we jaren verder dan de dag van de eerste pennentrek. Men had nog enkele gipsen afgietsels van ontwerpen. Normaal werden deze vernietigd van zodra ze niet meer nodig waren.  60% van de grafmonumenten op het kerkhof van Laken is van de hand van Salu.
In het kamertje naast het bureau van Salu stond een kast met genummerde stalen graniet en marmer waaruit de klant eentje kon kiezen voor de uitvoering van zijn grafmonument. Salu had goede connecties met verschillende steengroeven in Italië.
Op de eerste verdieping heeft men een tentoonstellingsruimte gemaakt. Hier stond nog een tentoonstelling die men opgesteld had nav efgoeddag. Hier zagen we oa foto’s van het atelier in volle activiteit, maquettes en originele werken. We leerden dat ‘epitaaf’ grafopschrift betekent. Veel graftekens hebben een epitaaf.
In 1971 werd de eeuwigdurende concessie afgeschaft en alle concessies die vervielen, kwamen in handen van de stad Brussel. Zij besteden vandaag echter geen geld of aandacht aan het onderhoud van het kerkhof, waardoor het er zeer lamentabel bij ligt. Het kerkhof is een beschermd landschap waardoor, moest je nog willen, je nog niet mag doen wat je wil.
Deel II: En zo kwamen we aan op het kerkhof zelf. Hier bezochten we verschillende graven, maar er was geen enkele bij die we niet bezochten tijdens de rondleiding met de Grafzerken.  Ook de uitleg over de oude en de nieuwe kerk hadden we al es gehad. Er werd ook stilgestaan bij de evenwichtsoefening tussen natuur en cultuur op een begraafplaats. Verschillende bomen zijn zo groot aan het worden, dat ze schade toebrengen aan de grafmonumenten. Waar leg je de grens? Tot hoelang laat je de natuur zijn gang gaan? Vragen waar ze nog niet uit zijn.  Onze gids vertelde dat de overname van een concessie tot 7.000 Euro kost, waardoor dit geen overdonderend succes is.
Deel III: Men heeft 4 miljoen Euro uitgetrokken voor de herstelling van de ondergrondse begraafplaats; een herstelling die méér dan nodig is. Door de infiltratie van vocht heeft de ondergrondse galerij zeer veel schade opgelopen. Emiel Bockstael kwam in 1870 met het idee om ondergrond in galerijvorm te gaan begraven naar voorbeeld van een mediterraans model. De voornaamste reden was ‘het esthetische’. Men moest veel mensen begraven op een beperkte ruimte en een ondergrondse galerij waar men met 4 of 5 boven elkaar begraven werd, leek een ideale manier van werken. In 1876 werd de eerste galerij aangelegd en tot 1935 werd er alleen maar uitgebreid. Mensen werden ondergronds bijgezet en bovengronds hadden zij een al dan niet bescheiden grafmonument met de vermelding van hun gegevens. Familie kon bijgevolg kiezen of ze hen boven- of ondergronds gingen bezoeken.  Ondergronds werd de kist in een nis geschoven; er werd een 10 kg kalkpoeder bijgevoegd (om hygiënische redenen) en de nis werd luchtdicht afgesloten, waarna een epitaaf aangebracht werd. En zo zijn er honderden bijgezet, waarvan een beperkt aantal bereikbaar is voor bezoek. 
Helemaal op het einde bezochten we nog drie graven die in bruikleen waren genomen en door de familie van hun nieuwe ‘bewoner’ helemaal opgekuist waren. Een heel contrast tegenover het overgrote deel van de grafmonumenten op deze begraafplaats. Niet tegenstaande de verwaarlozing, was het toch de moeite waard om ze nog es te bezoeken.
 
Leen Otte