Nieuwsbrief Nr 74 - maart 2013

Grafzerkjes trotseerden de winterkoude in Vilvoorde de “ijspegeltjes”, sorry: “Grafzerkjes” bezochten deze dodenakker in vriestemperatuur.


Wat me is bijgebleven van de lezing van Marit Vandenbruaene?

- De fysische antropologen (zoals Marit) hebben aan de gerechtelijke politie geleerd om op te graven zoals archeologen dat doen.
- De bewaringstoestand van een stoffelijk overschot wordt gunstig beïnvloed door een constante temperatuur, zoals in ijs of zand. Zure grond is niet gunstig.
- De tanden zijn de resten die het langst bewaard blijven.
- In Morkhoven (Herentals) is een heel bijzonder museum. Conservator Ward Geldof bewaart er meer dan duizend schedels en skeletten van vogels, zoogdieren en reptielen uit alle hoeken van de wereld. Ward leidt de bezoekers zelf rond en vertelt je met veel enthousiasme over zijn unieke collectie. Het museum is enkel op afspraak te bezoeken.Info:  Het Schedelhof, Bertheide 12, Morkhoven, tel. 014-26 18 13
- De geslachtsbepaling bij menselijke resten is niet altijd zeker.
- De mens is pas biologisch volwassen op 25 jaar.
- Hoe groot was een mens? Het dijbeen geeft de beste informatie.
- Normaal wordt een mens vanaf zijn veertigste levensjaar iedere 10 jaar een centimeter kleiner. Dit komt door het inzakken van de wervelkolom.
- Bones is een Amerikaanse dramatelevisieserie. De serie gaat over Temperance Brennan en Seeley Booth, die samenwerken om moorden op te lossen met slechts botresten van de slachtoffers. De serie is gebaseerd op de boeken van schrijfster Kathy Reichs. Zij adviseert de makers van het programma altijd, en ze leest de scripts van de afleveringen door, om alle wetenschappelijke onmogelijkheden eruit te halen.
- Marit brak ook een lans voor biocrematie of resomatie.
Bij het resomeren komen er geen schadelijke stoffen vrij als dioxines en kwik, wat wel het geval is bij crematie. Dus een aanzienlijke vermindering in vervuiling van ons milieu. 
Het resomeren gaat het menselijk lichaam na overlijden "verwateren" in plaats van verbranden. Hierbij is veel minder energie nodig om het lichaam te verwerken tot een wit as. Slechts 3% van het menselijke lichaam blijft over na dit proces.
Deze techniek is al toegelaten in Canada en Nederland. 
Meer informatie vindt u op http://www.uitvaartvlaanderen.be/Resomeren-Resomatie-Resomatieproces-vlaanderen.php
Martin Demedts

Algemene vergadering voor het eerst in een crematorium

We houden onze algemene vergadering steeds in een andere provincie en dit jaar was Vlaams Brabant aan de beurt. Onze keuze viel op Vilvoorde omdat daar in het verleden al een rondleiding geweest was onder leiding van de enthousiaste mensen van de Heemkundige kring Hertog Hendrik 1. Maar een geschikte locatie vinden om de algemene vergadering te houden was een ander paar mouwen. Tot ons lid Philippe Theys met het idee kwam om naar het crematorium te gaan. Het programma diende dan wel omgeturnd te worden: voormiddag vergadering, namiddag rondleiding maar dat was geen probleem. 
Iets na tien uur kwamen meer dan dertig zerkjes aan. We kregen een, niet al te grote ruimte, toegewezen. Er werd gestart met de traditionele “nieuwjaarsbrief” van ondergetekende. De voorzitter constateerde dat de vzw Grafzerkje zijn ledenaantal praktisch behoudt, 200 leden, en zette de vrijwilligers in de bloemetjes die zich inzetten voor de nieuwe website en zwaaide, terecht, de lof over webmasterin Erika Raven en layoutster Anja Demeulenaere. Het ontslag om persoonlijke redenen, van één van onze bestuursleden van het eerste uur: Edgard Nelissen werd betreurd maar Edgard werd van harte bedankt voor zijn jarenlange expertise en de laatste jaren als wijs persoon waar ik als voorzitter steeds op kon rekenen wanneer ik weer eens te hard van stapel liep of er, eens te meer, met de botte bijl doorging. Het is geen geheim dat dit regelmatig geschiedde. De oproep naar enkele nieuwe bestuursleden leverde welgeteld één reactie. Leen Otte werd ingehaald als naaste medewerkster van de voorzitter. Leen stelde zichzelf kort voor en zorgde er in haar maidenspeech voor dat onze ondervoorzitster An Hernalsteen maar binnen te koppen had toen Leen zegde “Ik keek al mee over de schouder van de voorzitter”, waarop An repliceerde met “Is niet moeilijk met zijn een meter twintig”. Zo kennen we ons An.
Nadien kwam ondervoorzitter en penningmeester Martin Demedts aan het woord. Dit is zo wat de meest geliefde man van onze vzw Grafzerkje. Hij zorgt er namelijk voor dat onze financiën tot op de eurocent kloppen en dat onze vereniging bloeit. De aanwezige Grafzerkjes luisterden geboeid naar al dat positieve nieuws. Ten slotte ging An Hernalsteen wat dieper in op de rondleidingen voor 2013. Dan was het moment aangebroken om te luisteren naar ons lid Marit Vandenbruaene. Martin Demedts maakte daar een verslag van.
Na de geslaagde en interessante voordracht was er tijd voor een broodjesmaaltijd … met taart. De broodjesmaaltijd was meer dan verzorgd, er was eten en drinken genoeg en de bediening was vriendelijk en voortreffelijk. Onze leden konden nog wat nakaarten om zich nadien op te maken voor een rondleiding op de begraafplaats van Vilvoorde.
Jacques Buermans.
 
Foto’s: Leen Otte, Rina Reniers, Jacques Buermans

Grafzerkjes trotseerden de winterkoude in Vilvoorde

Ons lid Philippe Cornut van de heemkring hertog Hendrik I nam de taak op zich, geassisteerd door François Van Lysebetten die de nodige aanvullingen gaf en het nodige fotomateriaal toonde,  om een dertigtal verkleumde ‘zerkjes’ warm te maken voor een wandeling op de keurig verzorgde begraafplaats vlakbij het crematorium gelegen en toch nog onvindbaar voor sommigen???
Een eerste halte was er bij het monument voor de gesneuvelden dat in 1969 overgebracht werd  van het kerkplein te Vilvoorde naar de begraafplaats. Het was een werk van architect Waroquiers wiens laatste rustplaats onze volgende halte was. Een eenvoudig monument voor beeldhouwer Rik Poot, beeldhouwer met een voorkeur voor paarden maar ook de man van het monument ‘de vuist’, opgericht in Cortenstaal na de sluiting van Renault. Het graf voor Jean Puttemans, leraar aan de Middenschool van Vilvoorde kreeg een tijd geleden bezoek van dieven. Hij verongelukte op de Zumbaspits in Oostenrijk. Dieven gingen aan de haal met het touw en houweel, symbolen voor de sport die hij beoefende. Zijn weduwe, lid van onze vzw Grafzerkje, zorgde ervoor dat het monument in zijn oorspronkelijke toestand hersteld werd. Hopelijk blijft het nu gevrijwaard van dieven. 
Philipe Cornut wist hier te vertellen dat het een ‘sprekend graf’ betrof: het graf verteld meer over de overledene. Emile Verbrugge was kunstschilder en leerling van Karel Verlat. Hij kreeg de Prijs van Rome in 1883. Op zijn graf: “Pourquoi dut-il souffrir l’injustice des hommes!” Jozef De Neyer ligt in een ontwerp van de voor Grafzerkjes overbekende Ernest Salu. De schade aan het grafmonument is te wijten aan bombardementen omdat in de omgeving een kazerne gevestigd was. Op de zijkant van het monument een gedicht van de hand van Victor Hugo. Het kruis had af te rekenen met een poging tot diefstal. Een prachtig graf voor de familie Semay een circusfamilie met negen familieleden in deze grafkelder. Mooie foto’s in bronzen medaillons. Paardenkoppen, de familie was gespecialiseerd in paardendressuur, werden gestolen. 
Jan Emiel Lefevre – Devisscher, geen familie van de aanwezige Michaël Devisscher, was bestuurder bij L. A. Legrand, een bedrijf van gordijnen en binnenhuisinrichting. Een art decomonument voor Poels – Elsocht. Bijzonder aan de grafkelder van de familie Stas – Lieben is dat er, naast twee pastoors, ook plaats was voor de dienstmeid. Vlakbij het calvariekruis staat de grafkapel voor de familie Hanssens. De familie leverde twee burgemeesters die enorm veel bijdroegen tot de ontwikkeling van Vilvoorde. De kapel is een ontwerp van Albert Dumont, ook bekend van ontelbare cottages aan de Belgische kust. Van buitenaf lijkt de kapel in degelijke staat maar binnenin is het een ander paar mouwen. De deur van de kapel kon niet open, dixit Philippe Cornut. Dit was natuurlijk buiten onze Marc Coremans gerekend want binnen de kortste keren kreeg hij de deur open waarna iedereen kon zien dat het inderdaad triestig gesteld is met het interieur. 
De concessie De Groef – Vanderlinden werd door de heemkundige kring verlengd. Joannes Nolet de Brauwere van Steeland. Van die man kreeg ik daags nadien nog wat info van ons lid Philippe Theys. Hij werd geboren in Rotterdam en kwam naar Vilvoorde … voor de gezonde lucht. Hij was dichter en schrijver. Hij heeft nooit afstand gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Hij wilde niets te maken hebben met de toenmalige politieke strijd die in 1830 leidde tot de scheuring in de Nederlanden en de vorming van België. Hij sprak of schreef nooit een woord ten gunste van de ene of de andere partij. Philippe Cornut vertelde meer over het wapenschild. Twee dubbele grafzerken voor de familie De Bontridder – Portaels met onder andere Jan Portaels burgemeester tussen vader en zoon Hanssens en broer van kunstschilder Jan Portaels. 
Frans Van Reusel was oorlogsvrijwilliger. Monument met twee pilasters en dekplaat met palmtak en vlam. Gery Boucquey was de stichter van het latere Ca-Va-Seul, bedrijf van schoensmeer. Naast elkaar drie zerken. Meyskens – Rheinhard (een art decomonument. In het midden, grafmonument Bladt,  een monument met een bronzen plaat met de afbeelding van een engel en kind van de hand van J. Adelaer voor een overleden kind van elf jaar. 
Jean Preckher was componist en dirigent. De lier en de palmtak als symbool van zijn beroepsactiviteiten. Een obeliskvorm op de laatste rustplaats voor Charles Keller, liberaal gemeenteraadslid. Lamberts – Mathieu kreeg een grafkapel in classicistische stijl. Eugène Hanssens was parlementair. 
Olga Moreau beeld van een treurende moeder met overleden dochter zorgde dan weer voor een ‘mysterie’. Ons aller An wilde wel eens weten wie de beeldhouwer was. De naam was onleesbaar. Ons lid Jan Olsen deed een “Johan Duyckske”, voor niet-kenners: hij nam een fles water en overgoot het onleesbare gedeelte. Na een tijdje was de naam al minder onleesbaar. Een vraag naar de deelnemers over wie die beeldhouwer, uit 1927, wel mocht wezen kreeg spijtig genoeg geen positief resultaat zelfs nadat er fotografische vergrotingen van de naam gemaakt werden. 
Jan Baptist Keuninck was pastoor. Christelijke symbolen: kelk, stralende hostie, korenaar, druiventros, schenkkannetje, wierookvat, stola en het cijfer “89”, het jaar van zijn priesterwijding. Clement Van Osmael is de bezitter van een prachtige bronzen reliëfplaat van de hand van Sylvain Norga. Philippe Cornut stond stil bij het graf voor Louis François Sobry die, in 1830, streed voor de onafhankelijkheid. 
Grafmonument voor zeven slachtoffers van de ontploffing van de poederfabriek Favier in 1919. Later werden er zes namen bijgevoegd van brandweermannen overleden in bevolen dienst. Dan was het de beurt aan de burgemeesters. Frans Gelders, socialist, en wat verder Frans Gelders, junior, Jan Frans Poot, liberaal burgemeester, en Laurent Moyson, katholiek. Eindigen deden we bij Jan Poot, acteur en directeur van de KVS. Een levensgrote treurende vrouwenfiguur met een masker in de hand is van de hand van Desmaré.
En dan kwam er eind aan een interessante rondleiding door Philippe Cornut en François Van Lysebetten voor zo’n dertig, verkleumde, ijspegeltjes, sorry: Grafzerkjes.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s: Jacques Buermans, Leen Otte, René Mertens

Moscowa: wat een begraafplaats! Wat een ontvangst! Wat een visie! prachtige afsluiter van de driedaagse.


Met drie wagens reden we naar Arnhem naar de begraafplaats Moscowa. De “lokalen” dachten aan een Belgische invasie. Aan de hoofdingang werden de “Figi’s” vervoegd door Christine, An en Dirk die de verplaatsing met de trein maakten. Linda en Huub hadden andere verplichtingen en Hante, zo bleek later, had ons niet gevonden. Om 10.30 uur werden we ontvangen door de heer André Kruijmer, locatiemanager. Ontvangen en hoe? De koffie en de thee stonden klaar samen met diverse soorten cake. Omdat de zerkjes gisteren blijkbaar jaloers waren op mijn cadeau van Wim namelijk de nagels voor mijn doodskisten had Wim een hele bak met nagels van doodskisten bij zodat de zerkjes ook hun nagels hadden. Vandaar trokken we naar de begraafplaats. André bleek een bevlogen verteller te zijn. Hij vertelde dat Hendrik Jacob Carel Johan baron van Heeckeren van Enghuizen, een vriendje van Napoleon was, die de slag bij de Borodino, later bekend als de slag bij Moscowa overleefd had. Hij, onze baron niet André, werd grootgrondbezitter en noemde zijn hofsteden naar de veldslagen die hij voor Napoleon had geleverd. Op deze plek werd, in 1875, een 32 hectare grote begraafplaats geopend bestaande uit een algemeen gedeelte, een rooms-katholiek gedeelte en een islamitisch gedeelte. André Kruijmer beantwoordde een vraag over het percentage crematies met: 75% crematie tegen 25% begravingen. Hij wist ook te vertellen dat vrijzinnigen begraven werden op het protestantse gedeelte omdat de lijn ‘gewijde grond’ en ‘ongewijde grond’ heel dun is. 
We stonden stil bij een monument voor de Arnhemse priesters. André vertelde dat er veel gerestaureerd werd maar dat men niet streeft naar monumenten die er nieuwer dan nieuw uitzien. Hij zegde ook dat de Belgen mindere kwaliteit van steen uit de Ardennen leverden wat natuurlijk door ons werd vertaald als “Jullie konden de hoge kwaliteitssteen niet betalen en daarom moesten jullie het met mindere kwaliteit doen!”. Wim Vlaanderen specifieerde dat de vier evangelisten op het grafmonument afgebeeld stonden: Mattheus als mens met vleugels, de stier voor Lucas, de leeuw voor Marcus en de adelaar voor Johannes. Wat verder hadden wij vragen bij een graf met als opschrift ‘bouwpastoor’. André Kruijmer zei dat dit een pastoor was die betrokken was bij de bouw van een kerk. Klimop en een afgedekte urne op het graf Geubels.
Steenkapper Hutjens toonde zijn kunnen op zijn eigen prachtig grafmonument. De kapel Sprenger bezit een uit Italië afkomstige engel. De glazen deur werd voor restauratie volledig uit elkaar gehaald zo stelde André. Vale was een art decograf dat door ons An toch eens van nabij bekeken diende te worden op zoek naar de maker van het medaillon. Het gerestaureerde graf Weijn was een knap staaltje vakwerk. 
Basten – Batenburg was een invloedrijke familie. Een dubbele kelder met luikje om urnen bij te zetten op het graf Motz. De familie was afkomstig van Oostenrijk en Hongarije en een van de familieleden was kamerheer van de Nederlandse koningin. Omdat de wortels van de kastanjebomen te ver reiken was de visie van de locatiemanager om hier urnengraven te plaatsen. Geweldig idee. Dat André Kruijmer er een meer dan gezonde visie op nahoudt bleek uit het feit dat waar nu nog dikwijls drie graven tussen twee rijen hagen staan de plaats na het ruimen ingenomen zal worden door slechts één graf. De kostprijs voor zo één graf is dan wel het driedubbele zodat de begraafplaats groener wordt en de kosten niet verlagen. We zagen zo’n voorbeeld: het graf Vollenbergh. Deze ambtenaar was enorm begaan met Moscowa. De steen werd zo gehakt dat er altijd water in staat. De man was ook een levensgenieter getuige daarvan was de magnumfles op zijn laatste rustplaats. De boeren uit de omgeving staan in voor het maaien van de perken. Zij doen dat ‘s morgens vroeg of ’s avonds laat zodat ze de rouwenden nooit storen. 
Iets verder een watergraf. We namen een kijkje door een opening in de muur. Volgens André had hij dat speciaal voor ons laten doen. We zagen een, zoals steeds, gesloten Joodse begraafplaats. Bij Nieweler bewonderden we het prachtige gerestaureerde smeedwerk. Boerbooms was de architect die de begraafplaats uittekende. Een perk met een hoop levensgrote muziekinstrumenten. André Kruijmer zegde “Alles kan maar niet overal op de begraafplaats en hier op dit veld kan het”. Wim en ikzelf konden het niet laten om die instrumenten eens te bespelen. Er kwam een vraag over diefstallen en de locatiemanager zei “Alle hekken blijven ’s nachts open, als je iets wil halen doe maar, maar het valt wel mee.” 
Jean Clement van Maasdijk stortte neer toen hij zijn verloofde ging groeten met zijn vliegtuig. Ook een visie die men hier aantreft: men poot hier her en der moderne asurnen neer. André Kruijmer daarover: “De wortels van de bomen komen dikwijls zo gigantisch ver dat het beter is om in de omgeving van grote bomen asurnen te plaatsen.” Hij haalde als voorbeeld het grafmonument van projectontwikkelaar Sleijster aan. De enorme grafkelder bevat onder meer een houten kistje uit 1914. De wortels van de naburige beuk gingen dwars door het houten kistje. 
Het mausoleum voor Romein werd voor restauratie volledig uit elkaar gehaald. Hendrik Kooy werd als katholiek op het protestantse gedeelte begraven omdat hij met een protestantse gehuwd was. Hendrik schreef een prijsvraag uit voor een grafmonument voor zijn overleden vrouw Alida. Architect Diehl ontwierp een rechthoekig graf met een lage ommuring. Achter op het graf staat een beeld van de Vlaamse beeldhouwer Alfons J. Strijmans. Ons An ging toch wel eens kijken of het klopte. Het beeld stelt een vrouw voor die de bezoeker met haar hand tot stilte maant en heet 'De Stilte'. Het beeld liep oorlogsschade op omdat het in het donker stond en de Duitsers dachten dat het een persoon was. 
We kwamen aan een gedeelte met vele asurnen. Enkele staken er boven wat originaliteit betreft. We zagen een hand waar de as uit kon glippen en een hartchirurg die overleed … aan een hartaanval kreeg een passend monument. Op het moslimgedeelte een graf voor drie Afghaanse vrouwen die vermoord werden. Hier in Moscowa gaat men ook anders om met foetussen van minder dan 24 weken. In samenspraak met het ziekenhuis worden die verast en alle drie maand komt er een asverstrooiing bij een foetusmonument in het bijzijn van die moeders én iemand van het ziekenhuis. André Kruijmer daarover: “De vrouwen gaan daar veel beter mee om omdat ze ruimte krijgen om afscheid te nemen en omdat ze samenzijn met andere dames die hetzelfde meemaakten.” Alie van Kooten krijgt één keer per jaar post. Zijn grafmonument is er op voorzien.
Dan was het tijd voor een meer dan voortreffelijke broodjesmaaltijd. Ook om André Kruijmer wat te laten vertellen over zijn Moscowa. De mensen die een grafmonument komen uitzoeken worden hier rondgereden in golfkarretjes wat ze als comfortabel ervaren en het ook makkelijker maakt om zo de 32 hectare grote begraafplaats te verkennen. De locatiemanager stelde ook nog eens dat alles hier kan, alleen niet overal. Ook zei hij dat groen geen geld kost, groen brengt geld op. Na de maaltijd toonde André ons de verschillende aula’s (232). Terug op pad en weer een originele visie: urnen voor verhuur (233). De geïnteresseerden kiezen zelf de duurtijd en mogen alles rond de urne plaatsen. Kolonel Kuyck (234) verdronk in de Rijn. Een afdeling Nederlandse militairen met piloot Overgaauw (235). Zijn ouders zagen hun zoon neerkomen boven Arnhem. 
Tot slot toonde André Kruijmer ons het hypermodern crematorium. Alle nieuwste snufjes waren hier aanwezig. 
Een afsluitend drankje maakte een eind aan een begraafplaats met mogelijkheden maar zeker met een locatiemanager die met vuur en visie over zijn begraafplaats sprak. Wat een begraafplaats! Wat een ontvangst! En vooral wat een visie!
Jacques Buermans
Foto’s: Ria Vaes en Christine Sanberg

Tante Kato tante Kato gaat op zoek naar nieuwe onderwerpen, dus tijdelijk moeten we de rubriek van onze geliefde “tante” missen.


Voordrachten, een gaatje in de markt na een voordracht over Schoonselhof nu ook een over Parijse begraafplaatsen.


In 2012, na een rondleiding op de begraafplaats Schoonselhof tijdens de gebruikelijke nabespreking in café De Leuvenaar stelde Chris, één van de geïnteresseerden van de rondleiding, de vraag: “Waarom kom jij met je verhalen niet naar ons?”. Het werd me duidelijk toen de man preciseerde dat hij centrumverantwoordelijke was in een Dienstencentrum en dat vele van zijn mensen de stap naar de begraafplaats niet meer aankonden. Het leek me een schitterend idee en na wat ‘huiswerk’ zoals het opzoeken van oude afbeeldingen, het omturnen van wat op Schoonselhof een wandeling van punt A tot punt Z was tot het brengen van een aantal voor de toehoorders interessante verhalen van wat reilt en zeilt op een dodenakker, deed ik een eerste voorstelling in het Dienstencentrum van Chris. Het was een meevaller. Ik herhaalde de voordracht tijdens de Week van de Begraafplaatsen. Een aantal andere Dienstencentra zagen dit ook wel zitten en een aantal Rust- en Verzorgingstehuizen, waar de bewoners nog moeilijker te been waren dan in een Dienstencentrum, kregen de voordacht “Schoonselhof komt naar u toe!”. Niets dan enthousiaste reacties gaande van “Mijnheer, kunt gij niet elke week komen want dat is nogal wat beter dan die djingeldjangelmuziek” tot het verhaal van Julien. Die man, 92 jaar oud, kwam na de voordracht naar me toe in tranen: “Mijnheer, dat ik dit nog mag meemaken; dat is de schoonste dag van mijn leven!”. Bleek dat Julien jarenlang steenkapper was en veel van de kunstwerken op Schoonselhof nog zelf mee vervaardigd had. Ik zegde hem “Wel als ge wilt ga ik wel met u eens met de wagen naar Schoonselhof”. Julien was in de wolken en enkele dagen later ging ik hem oppikken. Hij zat al klaar. Alleen zijn schoenen kreeg hij niet meer aan (het was meer dan een jaar geleden dat hij nog eens buiten geweest was). Dan maar op zijn pantoffels. De hoofdverpleegster zegde nog dat hij onder geen beding mocht stappen maar na een rondrit met de wagen, ook eens iets anders, fleurde Julien hoe langer hoe meer op, zodat we toch een klein stukje te voet gingen, Julien aan mijn arm. Dit herhaalden we nog enkele keren en Julien had weer ‘de dag van zijn leven’.
Gevolg: de spreekbeurt “Schoonselhof komt naar u toe!” smaakte naar meer en toen zegde iemand mij: “Gij komt toch regelmatig in Parijs en die begraafplaatsen zijn toch bij veel mensen bekend?”. Vandaar een twee voordracht “Parijs en zijn bekende doden!”.
 
Wanneer dan begin 2013 een verzoek kwam van Wilrica, de heemkundige kring van Wilrijk die met een vernieuwd bestuur blijkbaar ook vernieuwde energie kreeg, om eens te komen praten over vzw Grafzerkje, de rondleidingen op Schoonselhof en dies meer zette ik dit ook om in een spreekbeurt van een dik halfuur: “vzw Grafzerkje in een aantal, straffe, verhalen!”. Natuurlijk krijgt Wilrica de primeur.
 
Ik wil bij deze ook Mia Verbanck bedanken want dankzij haar kregen we, uiteraard beschikbaar voor de vzw Grafzerkje, een gratis beamer. Nu nog eens uittesten hoe het ding werkt, want techniek is niet mijn sterkste punt en klaar is Kees. En moest er onder de leden iemand zitten die een laptop voor een prikje, of minder mag ook, kan missen zijn we helemaal geïnstalleerd.
 
Jacques Buermans

Hades en de onderwereld ons lid Johan Moeys bezorgde volgend artikel.


Hades, de zoon van Kronos en Rhea, kreeg als zijn aandeel in de wereld de heerschappij over de onderwereld, die beneden de aarde lag. Hij was daarmee ook de god van de rijkdommen geworden, want alle edele metalen liggen diep verborgen in de schoot van de aarde. Hades was de god die de mensheid de meeste angst inboezemde. Nooit werd er over hem gesproken zonder dat de rillingen bij de mensen over de rug liepen. Iedereen bad vurig dat hij nooit het gezicht van Hades zou hoeven aanschouwen, want als Hades zich op aarde vertoonde, was dat altijd om een slachtoffer uit te zoeken dat hij kon meenemen naar zijn donkere rijk onder de aarde. Hij kwam ook wel eens naar boven om zich ervan te verzekeren dat nergens in de aarde een spleet was, waardoor mogelijk een zonnestraal zou kunnen doordringen om de duisternis in zijn rijk te verdrijven. Telkens als Hades een tocht op aarde ondernam, reed hij in een wagen die door vier pikzwarte paarden werd voortgetrokken. Als hij onderweg een hindernis tegenkwam die hem de doorgang belette, sloeg hij daarop met zijn tweetandige vork, het symbool van zijn macht, en ruimde daarmee het obstakel uit de weg. Tijdens één van deze tochten schaakte hij Persephone, de mooie godin van de plantengroei en de dochter van Demeter, en nam haar mee naar de onderwereld, waar hij haar tot zijn echtgenote maakte;
Hades werd steeds voorgesteld als een ernstige, donkere man met een baard en opeengedrukte lippen. Hij had een kroon op zijn hoofd, een scepter in de ene hand en een sleutel in de andere. Die sleutel gaf aan dat hij altijd bijzonder scherp over zijn onderdanen waakte en dat ze geen hoop hadden ooit nog uit de onderwereld te ontsnappen. Er waren aan hem geen tempels gewijd en er zijn maar zeer weinig standbeelden van hem gemaakt. Op zijn altaren werden soms menselijke offers gebracht en op de feesten die ter ere van hem gevierd werden, de Eeuwfeesten, werden alleen zwarte dieren geofferd.
De toegang tot de onderwereld, ook wel Hades genoemd, was buitengewoon moeilijk. Een gewoon sterveling kon er nauwelijks binnenkomen. Volgens overleveringen van de Romeinen kon men de onderwereld alleen binnentreden bij het meer Avernus, maar de Grieken beweerden dat er nog een andere toegang was bij Kaap Taenarum. Zowel de Grieken als de Romeinen waren het er echter over eens dat het zo goed als onmogelijk was er binnen te gaan en net zo onmogelijk er weer uit te komen, zodat alleen mensen met zeer grote moed een poging zouden wagen.
Om alle stervelingen de toegang te verhinderen en de schimmen elke kans op ontsnapping te ontnemen, had Hades een monsterachtige hond met drie koppen aan de ingang geplaatst. Die hond heette Kerberos en hield altijd nauwlettend de wacht.
Vanaf die ingang leidde een onderaardse gang, waar voortdurend schimmen heen en weer zweefden, naar de troonzaal waar de donker geklede Hades en Persephone op hun troon zaten. Vanaf de voet van hun troon stroomden de rivieren die door de onderwereld liepen. De ene rivier, de Cocytus, was een rivier van zout water dat afkomstig was van de tranen van misdadigers, die onophoudelijk huilden om de zware arbeid die ze als straf in de onderwereld moesten verrichten. Deze misdadigers bevonden zich in de Tartaros, het gedeelte waar de schimmen aan straffen werden blootgesteld.
Om dat afschuwelijke gedeelte af te schermen van de rest van zijn rijk had hades het omringd met de Phlegethon, een rivier van vuur. De Acheron of de Styx was de zwarte, diepe stroom die alle schimmen moesten oversteken om bij de troon van Hades te komen, waar ze te horen zouden krijgen welke beslissing hij over hen genomen had. De stroming van de rivier was zo sterk dat niemand de rivier zwemmend zou kunnen oversteken, en er bestond ook geen brug naar de andere zijde. De enige manier om de overkant te bereiken was een overtocht met de boot van Charon, de oude veerman. Hoewel zijn boot lek en verrot was, moest elke schim betalen voor de overtocht. Een klein muntstuk, een obool, was voldoende. De mensen in de Oudheid zorgden er dan ook voor dat een overledene in zijn graf een muntstuk onder de tong meekreeg, zodat hij zonder oponthoud zijn tocht naar Hades zou kunnen maken. Telkens als Charon met zijn lekke bootje bij de oever kwam, dromden de aanwezige schimmen zich om hem heen om een plaatsje te bemachtigen, maar de wrede veerman duwde hen ruw terug en zocht op zijn gemak degene uit die hij eerst naar de overkant zou brengen.
Alle schimmen die de verplichte obool niet bij zich hadden, moesten honderd jaar wachten, waarna Charon hen eindelijk, zei het met tegenzin, de Styx overzette. Bij deze Styx zwoeren goden overigens hun onherroepelijke eden.
In de onderwereld stroomde ook nog de gezegende rivier de Lethe. In dat water mochten alleen de deugdzame schimmen komen, want het water van de Lethe zorgde ervoor dat de schim alle onaangename dingen uit zijn leven vergat. Hierdoor werd de schim gereedgemaakt voor de staat van eindeloze gelukzaligheid in het Elysium.
Naast de troon van Hades zetelden nog drie rechters, Minos, Rhadamanthys en Aiakos, die tot taak hadden alle nieuw aangekomen schimmen te ondervragen. Daarmee scheidden ze de goede gedachten van de slechte, die ze vervolgens op de weegschaal van Themis legden, de geblinddoekte en onpartijdige godin van het recht. Zij hield een scherp zwaard in haar hand, dat aangaf dat haar besluiten meedogenloos zouden worden uitgevoerd. Als het goede de overhand had boven het kwade, werd de schim naar het Elysium gebracht, maar als daarentegen het kwaad overwegend was, kwam de schim terecht in de Tartaros, waar hij voor eeuwig zou lijden.
De schuldige schimmen werden altijd toevertrouwd aan de erinyen (furiën), die in plaats van haren slangen op hun hoofden droegen en die met hun pijnlijke gesels de schimmen naar de poorten van de Tartaros joegen. Deze erinyen heetten Alekto, Teisiphone en Megaira en waren samen met Nemesis, de godin van de wraak, bekend om hun hardvochtigheid en de onbarmhartige manier waarop ze de schimmen voortjoegen naar hun toekomstige verblijfplaats vol martelingen.
 
Bron: “Grieks en Romeinse Mythen en Sagen” – uitgeverij Verba, 2005

Gran Canaria: Veguetabegraafplaats korte impressie van de begraafplaats van Las Palmas.


De ingang werd ingehuldigd in 1812, een werk van Jozef Lujon Perez. Zoals steeds is het hier strikt verboden om te fotograferen dus is het de zaak om de toezichters te verschalken. Oefening baart kunst; dit lukte me vrij aardig. Een mooi beeld op het familiegraf Ramos. Wat verder een monument toegewijd aan “La carità della Patria lontana”. Volgens mijnheer google zou het hier gaan om een monument dat opgericht werd naar aanleiding van een aanvaring tussen de ‘Sudamerica’ en ‘La France’. Daarbij stierven meer dan 80 voornamelijk Italianen de verdrinkingsdood. Een mooi beeld van een jongeling op het graf Bellini.
Zicht over de begraafplaats en de grafkapel voor Don Christobal del Castillo y Manrique de Lara, zet dat maar eens op je visitekaartje, een militair. Het graf Rodriguez is van de hand van de uit Genua afkomstige beeldhouwer Paolo Triscornia; hij vervaardigde ook het monument, toegewijd aan de scheepsramp. Ook enkele “onbekende” beelden. Tomas Morales (1884 – 1921) was dichter en Alfredo Kraus Trujillo bleek een bekend tenor te zijn.
Jacques Buermans

Joden en de dood – het funeraire patrimonium een eerste bijdrage van Machteld de Schrijver, vzw Culturama, naar aanleiding van de tentoonstelling in het Joods Museum.


Een eerste bijdrage van Machteld de Schrijver, vzw Culturama, naar aanleiding van de tentoonstelling in het Joods Museum van België, Miniemenstraat 21, 1000 Brussel, nog tot 30 september 2013. In de volgende Nieuwsbrief verschijnt een tweede bijdrage over de Joodse graven en hun symboliek.
 
Deze tentoonstelling werd samengesteld door curator Philippe Pierret en uitgewerkt door scenograaf Christian Israël. Het is een expo die niet alleen aanzet tot reflectie over de dood en het geloof in het hiernamaals, maar ook tot het in standhouden van de herinnering.
In de samenleving is er altijd een band geweest tussen de levenden en de doden; rituelen verbonden aan de geboorte en de dood vertellen iets over de maatschappij, waarin deze hebben plaats gevonden.
De eerste Hebreeuwers gingen bij de graven van hun voorouders uitrusten, om zich te bezinnen en te mediteren. Naast de synagogen zijn de begraafplaatsen bij uitstek dé religieuze plaatsen, waar er een pad of een traject is, tussen de levenden en de doden. Een plaats die eenmaal verkregen zorgvuldig in stand gehouden wordt door de joodse gemeenschap.
De tentoonstelling is gespreid over 3 verdiepingen en belicht het respect en de zorg voor de doden, de rouw, het instandhouden van de herinnering, de symboliek en de verschillende stijlen van grafmonumenten en het belang van de funeraire epigrafie of de grafopschriften.
Op de tentoonstelling zijn er foto’s, postkaarten, religieuze voorwerpen, boeken, documenten, archiefstukken replica’s en grafopschriften aanwezig. Er zijn ook uitzonderlijke weefsels uit de Elzas en uit Marokko te zien. De tentoongestelde objecten zijn afkomstig uit de permanente collectie van het Joods Museum en uit andere openbare en privéverzamelingen, zoals de collectie van rabbijn Pinkas-Kahlenberg en de prestigieuze verzameling van Gérard Silvain (oude ansichtkaarten).
Documenten belichten o.a. de rol van de ‘Société Israélite de Bienfaisance’ of de ‘ Société Israélite d’Inhumations’ en de werking van begrafenisondernemers en grafsteenleveranciers, in Brussel (o.a. in Etterbeek, Ukkel en Schaarbeek). Een reeks beschilderde houten panelen, uit Praag, brengen de verschillende werkzaamheden van het ‘Broederschap van de Laatste Verplichtingen’ ’ in beeld.
Op de eerste verdieping kan de bezoeker een virtuele reis maken, dankzij de opmerkelijke foto’s van de schrijver-kunstenaar André Chabot, die samen met Anne Fuard « La mémoire métropolitaine » in Parijs heeft opgericht. De fotocollectie bewijst ons dat de grafmonumenten wereldwijd verspreid zijn en in ongelofelijk veel verschillende stijlen werden gemaakt. Het ongewone en documentaire karakter van de getoonde grafmonumenten, extra benadrukt door de scenografie van Christian Israël, is wat dit betreft uniek in zijn soort. We zien graven van belangrijke begraafplaatsen, uit binnen- en buitenland, zoals Worms, Berlijn, Metz, Mexico, Praag, Sofia, Alexandrië, Havanna, Kopenhagen, Rome, Chicago, Split, Las Vegas en zelfs uit Japan!
Het leven na de dood wordt vanuit een specifiek standpunt belicht op de 2de verdieping. Men belicht er de werkzaamheden van ca. 150 jonge ASF-vrijwilligers van het ASF (Aktion Sühnezeichen Friedensdienste), die hebben meegewerkt aan het restauratieproject van het funerair erfgoed van Frankrijk, België en van het Groothertogdom Luxemburg. De vereniging werd precies 50 jaar geleden, in 1963, door Lothar Kreyssig opgericht. De eerste daad van de vereniging, in samenwerking met Léon Quittelier, was het bouwen van een tehuis voor kinderen in moeilijkheden, in Wasmuel, in Mons. De locatie was door de oorlog erg verwoest was en er heerste ook een grote, economische crisis. De vereniging ASF is later, onder de leiding van 2 wetenschappelijke verantwoordelijken van het Joods Museum, mee gaan helpen aan het behoud en de restauratie van 8 oude kerkhoven in Frankrijk (Vantoux, Boulay, la Ferté-sous-Jouarre en Bayonne), in Luxemburg (Clausen), in Créhange en in België (Aarlen). Deze oude Joodse kerkhoven dateren van de 17de tot de 19de eeuw. Vorige zomer hebben een 12tal vrijwilligers uit Duitsland, Oostenrijk, Belarus en Rusland een 350 tal waardevolle, Joodse grafsteles in Bayonne vrijgelegd en gerestaureerd. Zowel hun werking en als hun interviews zijn dank zij een documentaire en allerlei foto’s in het museum te volgen. 

Begraafplaatsen in de Benelux en het Brussels Gewest

In België zijn er weinig sporen van Joodse begraafplaatsen bewaard gebleven. In de provincies Brabant, Henegouwen en Luxemburg zijn er locaties met de naam ‘Jodenveld of –prairie’ of ‘Jodentuin  of –beemde ‘ bekend gebleven. Als voorbeelden worden Tienen en Aarlen, met de ‘ Judenvies’ aangehaald.
De oudste bewaard gebleven grafstenen uit onze streken zijn 2 grafsteles voor dames, nl deze van Dame Rebecca, uit de 13de eeuw, gevonden in Tienen en de stele voor Henriëtte Sasserath- Wolff, uit de 19de eeuw, bewaard in Namen. De stele van dame Rebecca werd gemaakt in 1256 en was eerst in de Hallepoort, en nadien in de KMKG tentoongesteld.
Er werden Joden begraven in specifieke locaties. Zo bestond er een Jodenruimte op het kerkhof van Sint-Michiels en Sint-Goedele. Zo is er een grafsteen bewaard en een graf met eikenhouten kist, uit de 18de eeuw, bekend gebleven.
Door de wet van keizer Jozef II, in juni 1784, werd de verdere werking van het archief en het voortbestaan van het kerkhof onmogelijk. Er heeft in de 18de eeuw een Jodenkerkhof bestaan, bij de Naamse Poort, bij de stadswal; de aanvraag om een terrein bij de stadswal en de Naamse Poort te mogen gebruiken werd ingediend in 1783, door de uit Berlijn afkomstige P Nathan Lipman, voor gezins- en familieleden. Het terrein werd bij de afbraak van de stadsmuren genivelleerd. Naar welk 2de kerkhof werden deze grafstenen overgebracht?
Door de wet van Jozef II werden de parochies verplicht om buiten de stadsmuren te begraven. Meerdere parochiekerken gebruikten eenzelfde domein. De parochies van Sint-Michiels en Sint-Goedele, Sint-Niklaas, Finistère en de Coudenberg beschikten over een domein bij ‘Prekelinden’, gelegen op gronden van de gemeenten Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek. Alle Joodse grafstenen werden weggeruimd.
Kerkarchieven zijn hiervoor interessant, omdat dergelijke dingen vermeld werden. Er werden ook rekeningen bijgehouden, die o.a. te maken hadden met transport. In de boeken werden dingen genoteerd in de rubrieken van de protestanten of de ‘gereformeerten’ of in de rubrieken ‘van Mozes ’ of ‘smaus’.
Het kerkhof aan de Dieweg in Ukkel was tot 1866 een grondeigendom van gravin Coghen. Het was het eerste resultaat van een hevige, politieke ruzie tussen katholieken en liberalen, de zogezegde kerkhovenstrijd, en werd door de gemeente Ukkel tijdens het beleid van Hubert De Fré aangelegd als een neutrale dodenakker, op een heuvelflank, tussen de Ukkel- en Geleytsbeek en drie maal vergroot. Het kerkhof is nu 3 ha groot. Bij de opening in 1867 ( of 1868?) was het slechts 1,71 ha groot. Het kerkhof geraakte in onbruik in 1945 en werd niet meer gebruikt vanaf 1958. Enkel familiekelders mochten nog aangevuld worden. Slechts 1 maal werd er nog iemand begraven, nl. Hergé, in 1983. Er werden ca. 39.000 personen begraven, waaronder vele Joden. De Fré was een goede vriend van opperrabbijn Eli Aristide Astruc en beide waren lid van de Loge. Er werd een akkoord gesloten waarbij de rechterbenedenhoek voor Joden gereserveerd werd en de Joden er ook hun begrafenisplechtigheid mochten houden. De gemeente Ukkel kende toen financiële problemen en zocht naar inkomsten, om het gemeentehuis te kunnen afwerken. Joden uit andere gemeenten moesten dubbel zo veel geld neertellen voor een eeuwigdurende grafkamer. De begraafplaats van Sint-Gillis was op dat ogenblik bijna verzadigd en werd vervolgens in 1877 gesloten. Opmerkelijk is dat vele concessies werden aangevraagd door leden van het Consistorium en vele graven bij elkaar liggen. Deze vormen als het ware 1 groot onderdeel. Dit gedeelte is het meest fascinerende deel van de begraafplaats. Er zijn vele graven te vinden aan de nrs. 92/95, 103/107 en 691/693. Drie leden van het Consistorium wensten, naar het voorbeeld van de buitenlandse, ondergrondse galerijen in Madrid en Brescia en het galerijencomplex van Laken, een gemeenschappelijke grafkelder te hebben. Zo is er op 4 m diepte een gezamenlijk gravencomplex ontstaan, in 1890. De ingang van het complex wordt bij nr 68 aangeduid door een stele met een Franse en een Hebreeuwse tekst, tegenover de cippus van de familie Nias. In het ondergrondse complex zijn 5 rijen nissen aangebracht. Het complex werd in 1901 en in 1917 nog eens vergroot. De eerste persoon die er begraven werd, in 1901, was het 8 maanden oude kind Arthuur van Praag. Er liggen vele kinderen begraven. Een zeer opmerkelijke grafsteen staat aan de dwarslaan en werd ontworpen door Victor Horta voor de zakenman Isaac Stern, met een prachtige S, die zich in zweepslagstijl over de tombe verder slingert. Het Joodse gedeelte neemt quasi 1/3 van de Ukkelse begraafplaats in. 
Andere Joodse begraafplaatsen in de Benelux zijn o.a. te vinden op de kerkhoven aan de Nieuwpoortsesteenweg en aan de Stuiversstraat te Oostende, het kerkhof van Sint-Servaas in Namen, in Aarlen, in Zutphen, Putte en Ouderkerke.
Op de tentoonstelling zijn er ook oude stèles uit Belgisch Lotharingen, uit Frankrijk ( Ile-de-France, Baskenland, Moezelstreek) en het Groothertogdom Luxemburg voor de allereerste keer te bekijken. En foto’s in verband met de inhuldiging van gedenkplaten en monumenten, zoals het Monument voor de Joodse Martelaren in Anderlecht, ontworpen door André Godard en ingehuldigd in 1970, en de gedenkplaat aan de Dossinkazerne van Mechelen.

Steller: Machteld de Schrijver

Burgemeester Florent Pauwels werd niet vergeten opknapbeurt en bloemen voor de man die 100 jaar geleden overleed.


Op 21 februari 2013 was het exact honderd jaar geleden dat Florent Pauwels overleed. Ons lid Françis Pauwels, familie van Florent Pauwels, liet deze gebeurtenis niet ongemerkt voorbij gaan. Hij reinigde het grafmonument en zorgde voor een bescheiden ('s nachts vriest het nog) bebloeming. Ook bracht Françis een tijdelijk opschrift aan om te wijzen op deze verjaardag.
Marcel Windey ligt toe wie Florent Pauwels was:
 
Florent Pauwels werd in 1830 in Antwerpen geboren als zoon van tabakshandelaar Pierre Pauwels. Toen Florent Pauwels 19 jaar oud werd stapte hij in de firma van zijn vader. Die nam in 1855 sigarenfabriek D'Hanis over en zette ze verder onder de naam "De Arme Duivel". Florent Pauwels stopte met de fabricage, maar legde zich wel verder toe op de invoer uit o.a. Brazilië, Colombia, China en de Verenigde Staten. Zelf was hij eigenaar van plantages in Mexico en op de Filippijnen. Later kocht hij ook plantages in Brazilië en op Borneo. Florent Pauwels behoorde tot de top van de Antwerpse sociale elite. Van 1893 tot aan zijn overlijden was hij ook verkiesbaar voor de Senaat. Hij was ook meerdere jaren voorzitter van de sectie tabak van de Antwerpse Kamer van Koophandel. Zijn zonen William en Jules volgden in 1895 hun vader op in de tabakshandel. 
 
Florent Pauwels had een buitenverblijf het Papegaaienhof in Deurne. Hij was er officieel gedomicilieerd, hoewel hij ook veel in Antwerpen verbleef. Hij woonde in Antwerpen aan de Happaertstraat, nadien Venusstraat 9. In de zomer verbleef hij op het “Het Papegaaienhof” dat hij in april 1871 gekocht had van de weduwe Mintjens. In het Papegaaienhof was hij een gerenommeerd orchidëenkweker.
 
Vanaf 1878 zetelde Pauwels in de gemeenteraad van Deurne onder burgemeester Georges Cogels wiens partijganger hij was. In 1885 werd Pauwels als opvolger van Georges Cogels geïnstalleerd. Het jaar voordien was Pauwels al provincieraadslid geworden voor het kanton Antwerpen. Pauwels werd in Deurne ingehaald met een grote praalstoet. Hij bood uit dank de bevolking een groot feest aan en schonk 55 deelnemende maatschappijen een vergoeding. Meer dan twintig jaar lang bleef Pauwels burgemeester. Met hem startte in Deurne een periode van hoogoplaaiende dorpstwisten. Ondertussen bleef hij ook in de provincieraad zetelen. Vanaf 1888 werd hij wel in het voor de katholieken veilige nieuwe kieskanton Borgerhout verkozen. Vanuit de provincieraad verdedigde Pauwels de belangen van zijn gemeente. In 1898 vroeg hij in een motie de afbraak van de militaire omheining rond Antwerpen. De eerste tien jaar van Pauwels bestuur waren nog relatief rustig. Alleen de katholieken waren vertegenwoordigd in de gemeenteraad. Vanaf 1895, toen het stemrecht werd gedemocratiseerd, groeide de oppositie tegen het gemeentebestuur het eerst bij de voorstanders van de afscheiding van Deurne-Zuid (Menegem), later ook bij een groep ontevredenen (de zogenaamde Kleppermannen) onder leiding van Eugeen De Ridder uit Deurne-Noord. De Ridder werd in 1899 verkozen in de gemeenteraad, in 1903 werden kandidaten van beide oppositiegroepen verkozen en vanaf 1904 had Pauwels geen meerderheid meer in de gemeenteraad. Dit alles ging gepaard met veel politieke dorpstwisten, rumoer en een totaal verziekte sfeer. Het feit dat Pauwels meer in Antwerpen dan in Deurne verbleef was een geliefd wapen dat door de oppositie werd uitgespeeld. 
 
Pauwels deed er alles aan om de afscheiding van Deurne-Zuid (onder de Herentalsevaart) te verhinderen. In de provincieraad overtuigde hij zijn collega's om tegen de afscheiding te stemmen in 1899. Gouverneur Osy was bovendien een boezemvriend van Pauwels. In 1901 én 1906 verwierp de provincieraad opnieuw de afscheiding. In 1904 was wel een einde gekomen aan Pauwels' provinciale mandaat. In 1903 probeerde Pauwels het tij nog te keren door een Katholieke Vereniging van Deurne op te richten met hijzelf als erevoorzitter. De politieke twisten vroegen immers meer organisatie, waar tevoren slechts informeel de lijst (van de plaatselijke Meetingpartij) werd samengesteld. Pauwels had nog voor de nieuwe gemeenteraadsverkiezingen van 1907 op 77-jarige leeftijd ontslag genomen. 

De bijbelse olielamp als funerair symbool ons lid Johan Duyck pleegde volgend artikel.


Ons lid Johan Duyck pleegde volgend artikel:
 
In meerdere evangelies, zoals bij Lukas (8,16; 11,33-36; 12,35; 15,8) en bij Matteüs (25,1-13),wordt gesproken over licht dat door lampen wordt verspreid. In de bijbelse tijd waren die lichtbronnen verplaatsbare olielampjes van terra cotta. Aan de ene kant had zo’n lampje een gebakken handvat en aan de andere kant was er een tuitvormige uitrekking met een opening waarin een in olijfolie gedrenkte vlaspit werd aangestoken.
Zo’n olielamp kon hoogstens zeven uur branden maar werd, door een opening in het bovenvlak, geregeld bijgevuld zodat het licht ook ’s nachts permanent in de duisternis kon schijnen.
Door de treffende gelijkenis tussen het door God geschapen licht en de lichtverspreidende lamp werd “de brandende olielamp” in de evangelies dan ook meermaals aangewend om personalistisch naar God te verwijzen.
Door de aanbevelingen van Lukas (hoofdstuk 12, vers 35) en van Matteüs (hoofdstuk 25, verzen 1-13) om “de lampen brandend te houden bij het wachten op de terugkomst van de Heer” verwijst de blijvend brandende olielamp echter ook naar de volharding en de waakzaamheid als kenmerkende kwaliteiten van de voorbeeldige en vooruitziende gelovige. Het mag dan ook niet verwonderen dat het beeld van de brandende bijbelse olielamp tot in het nabije verleden ook dikwijls in deze betekenis fungeerde als religieus symbool op bidprentjes en zelfs op grafzerken.                                                                                                                                                                                                                                                           Op deze symbolische wijze delen de overledenen ons aldus ook mede dat zij, omwille van hun trouw christelijk leven, geduldig en hoopvol uitzien naar de beloofde beloning op de dag van het Laatste Oordeel …  
Op de kroon van een neoclassicistisch grafmonument op het kerkhof van Sint-Kruis Brugge “brandt” de bijbelse olielamp al twee eeuwen.
Johan Duyck

Vilvoorde: impressie van een professioneel fotograaf geniet mee!