Nieuwsbrief Nr. 71 - september 2012

Poperinge: een begraafplaats die er mag zijn een begraafplaats die er mag zijn.


Een zonnige zaterdagmorgen. Zestien Grafzerkjes waren op post. Na een verwelkoming door gids Daniël Delerue die al door onze An gebriefd was dat hij niet al te veel over Jozef II en zijn edict diende te vertellen moest toch kwijt dat Poperinge de eerste stad was die het edict van Jozef II, begraafplaatsen buiten de stadskern, toepaste. Daniël kon mij al direct bekoren wanneer hij stelde dat de bomen hier veel schade aanbrengen en dat het stadsbestuur de groei van de bomen in toom ging houden. Wanneer ik zo eens rondkeek zag ik dat er nog heel veel werk aan de winkel is. Pierre Van Merris bleek de oudst begravene op deze dodenakker te zijn. Wat verder één van de vele kloosterorden die hier hun laatste rustplaats hebben: de Benedictinessen.
Vóór Wereldoorlog I waren hier veel houten kruisen met ijzeren opschrift. Daniël toonde er ons een dat dringend gerestaureerd zou moeten worden. Een moderne Christusfiguur in art déco op het graf Lebbe.
Bij de laatste rustplaats van deken De Bo weidde onze gids uit over de Epitaaffiche en wat de mogelijkheden daarmee zijn. Hij toonde ook de wapenschilden van West Vlaanderen aan de voorzijde van het monument en dat van Poperinge aan de achterzijde van het monumenten van de hand van architect de Béthune. Ons lid Marcel wist te vertellen dat De Bo de man was die een West Vlaams idioticon, dit is een woordenboek met West Vlaamse woorden, maakte. Wat verder een aantal Britse graven van militairen, allen officieren. Tegen de uiterste muur een aantal graven van oorlogsslachtoffers. Marcel en Medart Lefever werden “gedood door eene Duitsche bom”. 
Remi Duquesne kreeg een mooie pleureuse op zijn graf. De familie De Puydt kreeg een Christusfiguur van de hand van beeldhouwer Van Raaij uit Haarlem. Naast een groot graf voor de familie Thevelin kreeg Van Cayseele een beeld van Brichard. Alfons De Jaegher was naast godsdienstleraar ook botanicus. Rond het graf bevinden zich hopplanten. Remi Permeke bleek familie te zijn van schilder Constant Permeke. In het midden van de begraafplaats bevindt zich de kalvarie. Daniël vertelde ons dat de basis bestond uit ijzerzandsteen uit de streek en dat we hier op een driesprong stonden. Indien we door de bomen konden kijken zouden we respectievelijk de kerken van de parochie Onze Lieve Vrouw, Sint Jan en Sint Bertinus kunnen ontwaren. Deze drie parochies delen elk een stuk van de dodenakker.
Charles van Renynghe de Voxvrie was burgemeester van Poperinge. Een medaillon van de hand van Wiebuyck. Aan de achterzijde ontwaarden we de toegang tot de grafkelder. Het monument is gigantisch en een enorme tegenstelling met het sobere houten kruisje voor Héron Gesquière.
Een eenvoudig graf voor Norbert Thery. Zulk een graf vertelt een en ander zo wees Daniël Delerue ons. Niet alleen stonden op de tombe de namen van zijn tien kinderen. Allereerst viel op dat het merendeel op zeer jonge leeftijd stierf. De oudste van de kinderen werd slechts 27 jaar oud. Verder bleek ook nog dat er met de potentie van Norbert niks mis was want zijn laatste kind verwekte hij op 73-jarige leeftijd. De familie Cnapelynck en Marant kregen grote grafmonumenten. Het waren families van brouwers en bakkers. Hier viel op dat naast de grote monumenten een eenvoudig graf was voor de ‘trouwe dienstmeid’. Een vernieuwd kruis op het graf voor Hendrik Adriaen, naast veearts was hij archeoloog. Onze gids wees op een gedicht gat in de begraafplaatsmuur. Dit was ooit de ‘privé-ingang’ voor de nabestaanden van Jules van Merris, grootgrondbezitter. Die bleek naast liberaal ook homofiel te zijn, dixit Daniël, en hij besteedde een deel van zijn fortuin aan een prachtig grafmonument voor zijn secretaris Florent Denut. Florent Denut overleed plots. Een gerechtelijk onderzoek naar de doodsoorzaak werd ingesteld omdat de familie Denut dacht dat hij vergiftigd werd. Er kwam nooit volledige klaarheid.
Dit was een begraafplaats, niet al te groot, met enkele mooie grafmonumenten en dankzij Daniël Delerue ook een aantal “verhalen”.
 
Elf Grafzerkjes togen nog naar de Grote Markt van Poperinge en omdat ons An daar niet bij aanwezig was mocht het eens iets anders dan de traditionele Italiaan zijn. We genoten van de maaltijd en keuvelden nog wat na.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s: Rina Reniers

Katholieke begrafenis in een protestantse kerk is het een doop of een begrafenis?


Ik kreeg een afbeelding toegestuurd van Wim Vlaanderen met volgende informatie: Het is een katholieke begrafenis van een kindje in een protestantse kerk. Hoewel de Roomse godsdienst (Paapse) godsdienst niet was toegestaan werd dit oogluikend toegestaan uiteraard tegen betaling). Gestorven Rooms Katholieke mensen moesten in de protestantse kerk begraven worden dat gold ook voor de Doopsgezinde en de Lutherse gelovigen. Naar mijn mening gaat het hier niet om een kinderdoop, de kinderen werden gewoon thuis gedoopt maar om een begrafenis van een , gezien de grafkapel, welgestelde Rooms Katholieke familie. De kerk is gezien de kale muren en het ontbreken van beelden zonder meer protestants.
Ik vond dit geen “wereldnieuws” en vond het  niet direct interessant om daarover iets te plegen voor de Nieuwsbrief van vzw Grafzerkje tot ik zag dat dit, bij onze Nederlandse vrienden, een hele polemiek met zich meebracht. Ik laat jullie genieten.
 
Michiel: Grappig dat zo kort na onze ontmoeting een vraag voor je heb: een schilderij van Pieter Saenredam, kooromgang van de Bavo in Haarlem, toont een vrouw met in haar handen een door een doek bedekt kind. Zij loopt naar een kapel waar een priester haar opwacht. Een man staat naast hem. Achter haar twee vrouwen. De voorstelling is steeds geïnterpreteerd als 'kinderdoop'. Het schilderij bevindt zich in Glasgow. Een tweede versie is in Dulwich Picture Gallery, vandaar mijn belangstelling. Gisteren sprak ik met Marten Jan Bok over beide schilderijen. Terloops zei hij, dat in de 17de eeuw soms priesters een (protestantse) kerk werden binnengesmokkeld om daar een begrafenisritueel te voltrekken.
 
Guus: Dit is het "Interieur van de Sint Bavokerk te Haarlem met katholiek doopsel" uit 1633 en hangt in de Kelvingrove Art Gallery in Glasgow. Helaas is hun site gedeeltelijk afgeschermd en kreeg ik geen afbeelding te zien. Ook de site van de Dulwich Picture Gallery in Londen leverde niets op. Via Google "Saenredam interieur doopsel" kun je wel wat vinden. Interessant is www.groene.nl/2000/46/portretten-van-god. Ik vond zelf een artikel van Wim Meulkamp! Saenredam haalde kennelijk wel grapjes uit met zijn interieurs zodat je niet zonder meer kunt stellen dat de kerk protestant is. Een kunsthistoricus zou misschien kunnen vertellen waarom dit werk zo heet. Als de " priester" een witte stola draagt is het een doop. Bij zwart of paars een begrafenis. Theoretisch kan wit dan ook als het een gedoopt kindje (in de Paastijd) is. Voor katholieken is de doop, het wegwassen van de erfzonde, erg belangrijk en dit gebeurt normaal in de kerk en niet thuis. Behalve bij een nooddoop, dan kan en mag zelfs iedereen dopen. Zelfs als dit door een ongedoopte en/of ongelovige gebeurd, met de juiste intentie, is dit doopsel geldig. Tegen de doopscene spreekt dat het kind niet begeleid wordt door een man en een vrouw. Je hebt bij een reguliere doop namelijk een peter (peetoom) en meter (peettante) nodig. Als het een doop is, is het nooit de moeder die het kind draagt want die moest negen(!) dagen in bed blijven. Een reguliere katholieke doop vond doorgaans binnen twee dagen plaats. Ikzelf, als huidige heiden, ben de 16e geboren en de 18de gedoopt. Overigens in de voormalige paardenstal van de kazerne, destijds noodkerk.
Wat ik overigens verder zie is dit niet direct de grafkapel van een rijke Roomse familie maar eerder een gildekapel. Een historische plattegrond van de St. Bavo zou hier kunnen helpen. Het is kennelijk links achter in de kerk. Was hier soms toch de doopkapel met doopvont aanwezig?
 
Arthur: Ik weet het ook niet.
1.) Als het een begrafenis is die een beetje stiekem moet gebeuren waarom is er dan dat spelende kind bij?
2. ) De kapel lijkt ergens achterin de kerk te zijn, dat was/is meestal de plaats waar de doopvont is. Men mocht de kerk niet in alvorens gedoopt te zijn.
3.) waarom opeens twijfel bij de naam van het schilderij als het altijd als kinderdoop bekend was ?
 
Alfred: schilders zijn onbetrouwbare wezens, die de werkelijkheid manipuleren. De traditie wil dat het een 'katholiek doopsel' is. En laten we het daar maar eerst even op houden.
Een begrafenisplechtigheid lijkt het mij beslist niet. Ook al door het ontbreken van attributen en de veronderstelde locatie (gilde-kapel). Overigens - Saenredam haalt wel meer grappen uit. In Gemaeldegalerie Berlin hangt een schilderstuk van hem met duidelijk een verbeelding van het verhaal van de opdracht van Jezus in de tempel (Luc. 2: 22-27 e.v.). De Oud Testamentisch uitziende priester, het mandje met de duifjes, de oude Simeon, Anna op de achtergrond etc. - alles verwijst direct naar de tekst, ook al speelt het zich af binnen het decor van de prachtige St. Bavo (ik ben Haarlemmer van geboorte). Niets staat een schilder in de weg, om een dergelijk thema en een oorspronkelijk bijbelse groep wat te 'neutraliseren'. En juist dan kom ik nog eerder uit bij een 'doop' dan bij een úitvaart'.

Paul Van Ostaijen gevierd op 11 juli schrijver in de bloemetjes gezet op de Vlaamse feestdag.


De stad Antwerpen had kosten noch moeite gespaard voor de 11 juliviering op de begraafplaats Schoonselhof: een prachtige grote tent stond opgesteld achter het kasteel, niet minder dan vijf gidsen (Jean Emile Driessens, Anne-Mie Havermans, ondergetekende, aangevuld met twee stadgidsen: Hugo Vereeck en Wim Snykers) werden aangezocht om rondleidingen te doen rond “Van Ostaijen en tijdgenoten”. Zelfs de stadstrommelaars stonden te blinken in hun hagelnieuw uniform en hadden blijkbaar enige “verjonging” ondergaan. Ook behoorden trompetters nu tot het korps.
Veel politici van divers pluimage vonden de weg, de ene al wat later dan de andere, naar de tent waar ze verwelkomt werden met een drankje. Tijdens zijn toespraak ging burgemeester Patrick Janssens dieper in op de geschiedenis van het grafmonument voor Van Ostaijen. Hij haalde ook aan dat op de gevel van het geboortehuis in de Lange Leemstraat een gedenkplaat werd aangebracht en dat een standbeeld (Minderbroedersrui) het stadsbeeld siert. De burgervader noemde Paul Van Ostaijen een stadsdichter avant la lettre. “Kunstenaars zoeken steeds de stad op, de stad fungeert als laboratorium”, zo stelde de burgemeester die er ook op wees dat Van Ostaijen graag buiten de lijntjes kleurde.
 
Daarna was het tijd voor een, heel erg korte, rondleiding. Iedere gids ging een kant uit. Ikzelf bezocht eerst de laatste rustplaats voor Alice Nahon, die ooit tot de vriendenkring van Van Ostaijen en de gebroeders Jespers behorende. Bij het graf Franck, een beeld van beeldhouwer Oscar Jespers, kon ik een link leggen met de beeldhouwer van het Van Ostaijenmonument. Op het ereperk ging ik langs de laatste rustplaats voor kunstcriticus Jozef Muls en schilder, schrijver en uitgever van het werk van Van Ostaijen: Gaston Burssens. Zij waren, samen met Jan Melis, de enigen die bij de begrafenis van Van Ostaijen aanwezig waren toen hij begraven werd in Miavoye-Anthée. Via de graven van Floris Jespers en Paul Joostens, vrienden van de grote dichter, bezocht ik het graf van René Victor, advocaat en de man die Van Ostaijen aan een baantje op het Antwerps stadhuis hielp. Vandaar terug naar het ereperk.
Jean Emile Driessens was de gastspreker van dienst. Hij citeerde de toenmalige burgemeester Lode Craeybeckx toen die zegde “drie maal begraven worden is niet iedereen gegeven”. Jean Emile vertelde dat Van Ostaijen eerst in Miavoye-Anthée begraven werd onder een houten kruis van de hand van Floris Jespers met als opschrift “hier rust de dichter van het eerste boek van Schmoll, Paul Van Ostaijen”. In 1932, vier jaar na zijn overlijden, werd de schrijver overgebracht naar Schoonselhof maar het duurde nog tot 1937 voor het grafmonument “de luisterende engel”, van de hand van Oscar Jespers, op het graf geplaatst werd. Uiteindelijk verhuisde Van Ostaijen in 1952 naar het ereperk van de begraafplaats. Jean Emile Driessens eindigde het eerste deel van zijn betoog met de woorden van Gaston Burssens: “naarmate je meer begraven werd, hoe meer je tot leven kwam”. In een tweede deel ging Jean Emile dieper in op het werk van Van Ostaijen. Na een bloemenhulde door onder meer de Antwerpse gouverneur Cathy Berx en burgemeester Patrick Janssens volgde de Vlaamse Leeuw. Slechts weinigen voelden zich geroepen om die mee te zingen. 
Nadien werden de talrijke aanwezigen nog vergast op een receptie met drankjes, broodjes en warme soep, ideaal tijdens dit winterse weer. Acteur Tom Van Bauwel kreeg assistentie van een saxofonist/fluitist om het levensverhaal van Paul Van Ostaijen, opgefleurd met een aantal van de bekendste gedichten van de schrijver, te vertolken.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s: Rina Reniers

Originele begrafenis in Amsterdam tramfanaat kreeg een passende laatste “reis”.


Ons lid Wim Vlaanderen meldde volgende: Een vrijwilliger van een “Tramclub”, een stichting die zich bezig houdt met het restaureren en opnieuw laten rijden van oude trams, is overleden. Zijn collega’s zorgden voor een passende begrafenis. Let op de zwarte linten aan de beugel van de tram.
 
Het ging als volgt: Aankomst lijkauto en familie. Familie naar de kantine voor koffie en een hap. Medewerkers zetten de kist in de daarvoor bestemde wagen. De tram komt aanrijden, een van onze mensen houdt een toespraak.
Daarna nemen medewerkers plaats in de motorwagen en de familie in de bijwagen, achter de lijkwagen bedekt met een grote Amsterdamse vlag en bloemstukken. De hele lijn werd, in een zeer langzaam tempo, bereden. De wissels werden allemaal recht gelegd zodat er geen schokken waren. Na terugkomst werd er wat gegeten in de stationsrestauratie, medewerkers zetten kist weer in de lijkwagen, daarna naar de begraafplaats Zorgvliet.

Boulevardpark Mol: prachtige realisatie Mol een voorbeeld van wat mogelijk is.


In 2009 werd onze vzw Grafzerkje gevraagd om in de gemeente Mol advies te vertrekken (zie Nieuwsbrief 48). De, voor begravingen gesloten begraafplaats zou omgevormd worden tot een begraafplaatspark. Toen viel het ons op dat er enorm veel graven zouden sneuvelen en dat men de muur rond de dodenakker wou slopen. Intussen werd het Boulevardpark, zoals het nu genoemd wordt, plechtig geopend. We kregen de vraag van de dienst Erfgoed om eens te komen adviseren hoe het nu verder moet. Met een klein hartje van wat we daar te zien zouden krijgen togen Christiaan Ketele en ondergetekende als adviseurs naar Mol. Tot onze verbazing waren we meer dan aangenaam verrast. Heel veel graven waren verdwenen maar men zorgde voor een prachtige aanleg van het begraafpark. De muur werd gelukkig niet volledig gesloopt maar de rechtopstaande panelen zorgden ervoor dat men toch een doorkijk heeft maar toch ook dat een zekere intimiteit bewaard wordt. Restanten van weggenomen graven werden gebruikt om een aantal zitbanken te voorzien en aan de ingang werd eveneens gebruik gemaakt van recuperatiemateriaal. 
De resten van de personen uit de geruimde graven werden verzameld in een ossuarium en daar werden enkele plakkaten aangebracht met daarop al de namen met de tekst “deze mensen woonden en leefden in onze gemeente. Met dit gedenkteken betuigen wij hun een laatste eer.” Er was ook nog ruimte voor een speeltuin. Na een eerste rondgang werden we opgewacht door Sandra Vanhoof van de Dienst Erfgoed, Nathalie Ceunen, Bestuurssecretaris Erfgoed en Harry Vandael, Directeur Grondgebiedzaken van de gemeente Mol.
We meenden het wanneer we hen mededeelden dat we uitermate tevreden waren met het resultaat. Samen deden we nog een rondgang waarbij Christiaan nuttige informatie doorspeelde over hoe bepaalde grafmonumenten te herstellen. We stonden stil bij het grafmonument voor burgemeester Cardinaels dat nog in een meer dan degelijke toestand verkeert. De grafkapel Dyckmans is dit iets minder maar Christiaan meldde dat hier met weinig middelen toch een hele verbetering merkbaar zou zijn. Iets verder stonden Harry en Christiaan bij een kruis dat vervaarlijk overhelde. Christiaan adviseerde dat het kruis best, tijdelijk, verwijderd kan worden om verder onheil te voorkomen. In een latere fase kan het dan teruggeplaatst worden, en achteraan verstevigd worden. Heel veel is hier mogelijk in eigen beheer. Ik vertelde dat ze ook verschillende pistes moeten bewandelen om herstellingen uit te voeren. Naast dingen die de gemeente Mol zelf kan doen, zou het nuttig zijn om vrijwilligers te zoeken die onder leiding van een deskundige, graven kunnen opknappen. Daarnaast kunnen nabestaanden gevraagd worden om zich in te zitten om de graven van hun voorvaderen op te knappen. Ook het aantrekken van sponsoren is aangewezen. We kregen nog een aantal toelichtingen over hoe men voor de heraanleg te werk was gegaan en Harry wist ons te vertellen dat, tussen de rechtopstaande muurgedeelten, verlichting werd aangebracht zodat het ’s avonds voor een feeërieke sfeer zorgt maar eveneens voor een bijkomende, fictieve, afsluiting.
Nadien werd bij een drankje nog wat nagekaart en werden een aantal te bewandelen pistes op papier gezet. Ook van de kant van Sandra kwamen een aantal nuttige tips zodat men in Mol werk kan maken om beetje bij beetje en met de nodige communicatie naar de burger toe een aantal grafmonumenten te fatsoeneren. Christiaan en ik waren meer dan tevreden dat we onze beperkte expertise konden overmaken aan de mensen van de gemeente Mol en in Mol was men, hopelijk toch, veel wijzer geworden over hoe het nu verder moet. Bedankt Mol voor de uitnodiging en doe zo verder. Jullie zijn een voorbeeld voor veel andere Vlaamse gemeenten.
 
Jacques Buermans
 
Epiloog: Enkele dagen na de bijeenkomst kreeg ik van Sandra Vanhoof de volgende mail: “Wij vonden het een heel vruchtbare voormiddag. Harry Vandael heeft al opdracht gegeven om de losse stukken te verzamelen en op te bergen. We hebben nu een veel betere kijk op het project. Jullie hulp wordt erg gewaardeerd”.
Eén dag nadien kreeg ik een telefoontje van Christiaan die, zuiver toevallig, in de buurt van het begraafpark was en er eens een kijkje ging nemen. Hij was enthousiast omdat men zo vlug de nodige maatregelen genomen had om enerzijds het kruis te stutten en dat men bij een tweede monument ook de delen die een gevaar kunnen opleveren “bevroren” had, dixit Christiaan. Naast het feit dat men tevreden was met het door ons verstrekte advies namen de mensen in Mol toch heel vlug de nodige initiatieven om verder verval te voorkomen. Dus ook voor deze feiten: bedankt Mol.
 
Jacques Buermans

Ik doop mijn pen in de inkt en maak nog tijd voor een “dreupelke” ons An Hernalsteen gaf weer het beste van zichzelf op de Westerbegraafplaats.


Zondagmorgen de zon was aanwezig en daarbij nog zo’n 40 geïnteresseerden in de rondleiding rond rijmelaars en schrijvers op de Westerbegraafplaats van ons aller An Hernalsteen. Na de obligate rondgang met de intussen beruchte Tupperwarepot om, dixit An om monumenten op “haren hof” te kunnen restaureren én tegelijkertijd een “dreupelke” te drinken op deze verwezenlijking. Pech voor de zondagbezoekers want het “dreupelke” was voorzien voor de maandagbezoekers. An startte traditioneel haar inleiding met de woorden “De habitués hebben nog ruimschoots de tijd om een koffietje te gaan drinken”. Woorden die in de wind geslagen werden want iedereen wil An haar inleiding aanhoren zeker het gedeelte waarop zij het heeft over haar “goede vriend” bisschop Bracq. Voor degenen die de bisschop niet kenden wist An te vertellen: “In Sint Baafs is dit het schilderij met daarop de meest venijnige tronie van alle bisschoppen”. Om de zondagmensen nog wat meer in het harnas te jagen begon An met het grafmonument voor Jules De Jonge, gerestaureerd door “Loods 13” dankzij de giften van de Gentse Feestenbezoekers. Maar zoals gezegd zonder jenever. 
Vandaar ging het naar Philippe Cauderlier. Ook hier weer pech want het graf is geruimd. Philippe Cauderlier was Antwerpenaar en kok. In 1842 trekt hij naar Gent en begint daar als pasteibakker. Nadien begint hij een traiteurszaak in de Veldstraat. In 1858 stopt hij met culinaire activiteiten en schrijft hij zes kookboeken. “Het Spaarzame Keukenboek” is zo wat het bekendste. Napoleon Destanberg evolueert van liberaal naar socialist omdat hij zich het lot van de arbeiders aantrekt. Dat bleek uit het gedicht “De jongens van Gent” waar An enkele strofen uit voordroeg. An vertelde hier het, door de anciens, gekende verhaal van de weduwe van Petrus Rotthier. Zij vroeg aan Napoleon om een grafschrift te maken en de dame zegde hem dat ze over weinig centen beschikte. Destanberg zegde dat hij dit gratis deed voor hulpbehoevenden. De weduwe repliceerde “Weet je wel hoeveel het kappen van één letter kost?” Waarop Destanberg  “Pier rot hier” maakte. 
Edward Anseele was politicus maar ook schrijver van “Voor ’t volk geofferd”, een levensschets van Emile Moyson die, dixit An, “in Robertmont (Luik) begraven werd met een tekst in het Nederlands met een Vlaamse Leeuw er op. Recent opgekuist door onze Waalse vrienden”. Adolf Herckenrath schreef gedichten daartoe aangemoedigd door Karel Van de Woestijne. Hij schreef ook in het tijdschrift “Van nu en straks”. 
Cyrille Buysse, neef van de naast hem liggende Virginie Loveling en bekend van “Het gezin van Paemel” schreef ook “’n Leeuw van Vlaanderen”. La Hernalsteen kon het natuurlijk niet laten om te zeggen dat deze beter was dan die van Antwerpen Hendrik Conscience. In “’n Leeuw van Vlaanderen” komt ene Jan Kappuyns voor die tijdens een meeting riep dat de werkman voor alles biefstukken wilde. De figuur van Kappuyns is duidelijk gemodelleerd op Edward Anseele. An deed hier een beroep op een tweetalige dichter, Michel, die enkele citaten van “Biefstuksocialist” uit dit werk voordroeg gedeeltelijk in het Gents en gedeeltelijk in het beschaafd Nederlands. De man kreeg terecht applaus. Jan Frans Heremans, alweer een Antwerpenaar, lag aan de basis van de genootschap “’t zal wel gaan”. Hij was de biograaf van Karel Lodewijk Ledeganck en schreef enkele boeken in het Gentse dialect waaronder “De wandelende nachtwoikere”. Volgens onze gids een voorbeeld van integratie: een Antwerpenaar die in het Gents schreef! 
Een stuk verder lag Marc Bartsoen verscholen achter de bomen. Deze advocaat was ook de auteur van een oorlogsdagboek omdat zijn huis opgeëist werd door de Duitsers en hij weigerde dit te verlaten. Bartsoen wenste bij – zijn - volk te blijven. Kolenhandelaar Karel Delmotte schreef tussen twee bestellingen door. An las hier een “proeve”, een soortement gedicht, voor van de man waarbij zij zich afvroeg “Ik weet begot niet waarover hij het heeft!” Lodewijk De Vriese was antiklerikaal en hij besprak onder andere het werk van Napoleon Destanberg en maakte ook een biografie van Karel Waeri. 
In een van zijn gedichten uit de bundel “Verzameling der volledige kluchtige en politieke liederen” uit 1899 zette Waeri zich af tegen de Franstalige opschriften van Gentse cafés. An droeg dit voor en ik wil jullie dit niet onthouden:
Hoeveel soort van fransche cafés
Dat men hier in Vlaand'ren ziet,
Dat en kan ik u niet zeggen,
Hoeveel duiz'den weet ik niet;
Zooals ik schat, hier in de stad,
Aan 't zien van d'uithangborden.
Café francais, café des Arts,
Café Royal, café Renard,
Café d'Paris, café de Rome,
Café de Lille, caf'é Vendôme,
Café Parci, café Parla
Café Kaka, etcetera.
Grand café de la potence,
Grand café de l'Univers,
Au jardin de la plaisance,
Grand café des gueux de mer,
Café du port, café du nord,
Café de la concorde,
Café Ducal, café Lambert,
Café chantant, café Concert,
Au Robinet, au Liverpoel
Au Béranger, en heel den boel,
Café van hier, café van daar,
Meest allegaar in 't fransch met haar.
Grand café du Comte de Flandre,
Grand café Duc de Brabant,
Grand café bij roste Sandre,
Café Suisse, café St-Jean,
Au Lévrier, au Damier,
Café de la fortune,
Café St-Pierre, café St-Paul,
Au grand café de Leopold,
Café Sultan, café Jambon,
Au grand Salon Napoleon,
’t Is al café partout, partout,
Met fransche blague et puis v’la tout.
Ge zult mij misschien nu vragen,
Waar dat liedje wil naartoe,
Wel, 't en dient maar om te plagen.
Al die apen van chez-nous;
Die zien met 't fransch alleen de kans
Om hun fortuin te maken,
Precies als of het was een schand
Te zetten vlaamsch in 't Vaderland,
Of in de Kluis, bij Pier de luis,
't Jenuiver-, bier- of kaf huis,
Of in de Fluit, bij Jan Schavuit;
Maar in het fransch, 't komt schooner uit.
Even dachten we dat An af zou wijken van haar traditie om de deelnemers te laten zingen maar neen hoor: Hernalsteen vond het hier gepast om voor alle vergeten schrijvelaars en dichters een ode te laten brengen door haar toehoorders. Het werd “De vlieger” van Walter De Buck. Het was voor het eerst dat ik het volledige liedje hoorde (en probeerde mee te zingen) en ik die altijd dacht dat het een kinderliedje betrof was verrast toen het een heel dubbelzinnige tekst betrof die geheel anders geïnterpreteerd kan worden. Wat verder stonden we stil bij de laatste rustplaats voor Virginie De Hoon, de weduwe van Karel Lodewijk Ledeganck. Virginie schreef kinderboeken. Hier hield An een pleidooi om het graf van de dichter van ‘de drie zustersteden’ over te brengen naar de Westerbegraafplaats. Daarnaast het graf van, dixit An, een ‘menage à trois’: Adèle Fobe, bevriend met Virginie Loveling, was gehuwd met Victor Schatteman. Bij diens overlijden droeg Virginie hier een gedicht voor. Twee maanden na zijn dood huwde Adèle Fobe met August De Deurwaarder. Adèle, die kinderloos bleef, schonk een deel van haar fortuin aan Virginie Loveling. 
Anna De Weert – Cogen was de kleindochter van Karel Lodewijk Ledeganck. Zij was journaliste bij “La Flandre Liberale” en schreef essays. Daan Boels werd pacifist na Wereldoorlog I. Hij schreef een gedicht “Aanvaarding”. 
Raymond De Cremer ligt onder een eenvoudig graf. Hij schreef onder de pseudoniemen Jean Ray en John Flanders. “Malpertuis” is een van zijn bekendste werken. Eindigen deed An haar felgesmaakte rondleiding bij Herman Thièry. Als Johan Daisne was hij de man van de verplichte schoollectuur: “De trein der traagheid”, “De trap van steen en wolken” en van “De man die zijn haar liet knippen”. Waarschijnlijk is het graf leeg want Johan Daisne werd gecremeerd en zijn as werd uitgestrooid. Een welverdiend applaus was er voor onze An Hernalsteen. Tijd voor een drankje en spijtig voor de zondagbezoekers want zij dienden zelf voor hun verfrissing te zorgen.
Maandagmorgen was ondergetekende terug op post en, men noemt me niet voor niets het “Duracellkonijn”, had zijn zondagverslag al kant en klaar. Meer dan 60 geïnteresseerden kwamen op de rondleiding van An af, of was het voor het ‘dreupelke’? Onder hen ook de heer Rudy D’Hooghe beheerder van de Gentse begraafplaatsen. An wist niet dat het verslag al af was en An zou An niet zijn wanneer ze trachtte om ondergetekende een fameuze loer te draaien want ze vertelde aan de aanwezige Grafzerkjes “Ik zal hem nogal eens liggen hebben want ik ga langs een aantal andere graven dan gisteren.” Vandaar deze maandagaanvulling op het voorgaande verslag.
Lodewijk Lievevrouw was lid van het Ledeganckgenootschap en oprichter van een toneelschool. Meest bekend is hij omwille van een Gents woordenboek. Zijn echtgenote Maria Coopman is bekend om haar pedagogische werken en stichtende boekjes voor dames. Karel Vervier was beschermer van Karel Lodewijk Ledeganck en orangist dus pro koning Willem I. Vervier was voorzitter van de vrijmetselaarsloge “les vrais amis”. In een “jubelkrant” uit 1841 uit hij een lofzang over prins Frederick van Nederland. Later schrijft hij nog een niet mis te verstaan gedicht “Verbroedering”. 
Bij Lodewijk De Vriese zette An mij eens te meer op het verkeerde been. Waar ze gisteren een gedicht over cafés voordroeg constateerde ze “Vandaag zijn er meer volwassenen in het gezelschap dus mag het iets gortiger zijn” en ze droeg allereerst “De biecht” voor van een meisje dat “iets uitspookte en bij de pastoor te biechten gaat”:
De Biecht:
Hij speelde met mijn klein porte-monnaitje
En ik, och pastuur, wacht een beetje
En ik, och God, wat gruute schand
Zat met zijn drinkgeld in mijn hand.
An ging op haar elan voort met “De scheten”:
De Scheten:
Een scheetje laten es gezond
En vliegt er eentje uit uw kont
Ge moet daar niet in weten
Mijn wijf die heeft wel overlest
Terwijl ik lag in mijne nest
Op mijne knieën gescheten.
Nadien was het de beurt aan het 60-koppige gezelschap om “De vlieger” en gehore te brengen.
Sophie Frederick was een halfzus van Virginie Loveling en zij had een enorme invloed op Frans Masereel. Hier hield An een pleidooi om ook Frans Masereel over te brengen van Campo Santo naar de Westerbegraafplaats. Als we ze laten doen is er straks leegstand op het Campo Santo!   
Deze rondleiding werd besloten aan het graf van Jules De Jonge waar An toonde hoe het er ooit uitzag en welk het resultaat was naar de restauratie van de mensen van “Loods 13”. Er werden enkele “dreupelkens” gedronken op de gezondheid van de restaurateurs. An betrok terecht ‘haar mannen’ (en vrouwen) van de Westerbegraafplaats, de mensen die zorgen voor deze prachtige dodenakker, in de hulde. Een daverend applaus voor ‘haar mannen’ en ook voor “ons” An barste los. Het werd nog een “beestige boel”!
Jacques Buermans
Foto’s: An Hernalsteen, Ria Vaes, Rina Reniers en Jacques Buermans 

Diest: een ontvangst om van te dromen we togen op “vooronderzoek” en werden meer dan gastvrij ontvangen.


Misschien weten jullie dat Lin, Marie Claire, Edgard en ikzelf er al eens op uittrekken om eens goed te gaan eten, een wandelingetje te maken en een dessertje mee te pikken. Tussendoor is het funeraire niet ver weg. Zo waren we een maand geleden in Diest. Om ons eten te laten zakken deden we een wandeling in dit trouwens prachtige en gezellige stadje. In het begijnhof vond Edgard een aanplakbiljet van een voordracht over “begrafenisrituelen” gegeven door ene Martien Mondelaers. Edgard contacteerde de man en die was bereid om met ons langs de begraafplaats te lopen. Indien het meeviel kon Diest misschien aan bod komen … in 2014 want ons An haar programma voor 2013 is al klaar. Als we ons Anneke behulpzaam kunnen zijn om haar voorbereidingen iets makkelijker te maken en daarbij nog wat kunnen smikkelen en smullen zijn we happy: meer moet dat niet zijn.
 
Na eerst van een deugddoende maaltijd genoten te hebben in The Lodge reden we met de wagen naar de begraafplaats. Om 15 uur verscheen Martien vergezeld van Sandra de secretaresse van de Heemkundige Kring waar hij voorzitter van is. Onmiddellijk bleek al welk vlees we in de kuip hadden: de man was een vat vol energie, wist goed wat hij ons tijdens de “preview” wilde voorschotelen en had voor ons al gereserveerd in een, dixit Martien, leuke taverne. Op de begraafplaats die opende in 1924 wees Martien ons op een rotonde, de eerste rotonde van Diest, met daarop twee grafmonumenten van lokale weldoeners: Karel Vervoort liet vier Godshuizen oprichten en dokter Henri Verstappen schonk zijn domein, de Warande, aan de stad Diest. Verder wees Martien ons op een mooi beeld voor kunstschilder Ward Macken, vader van Marc Macken die op Schoonselhof ligt en op de laatste rustplaats voor deken Herman Fierens.
Van de begraafplaats leidden Sandra en Martien ons naar de overblijfselen van de Sint Jan de Doperkerk. We waren hier al enkele keren voorbijgewandeld zonder dit juweeltje opgemerkt te hebben. De kerk werd tijdens de godsdiensttroebelen op het einde van de 16de eeuw in brand gestoken. Omdat de parochie nog maar weinig parochianen telde werd enkel het koorgedeelte gerestaureerd. Zo bleef de kerk tot 1823 in gebruik. Enige tijd later stortte het dak boven het koor in. Hier zagen we ook enkele grafmonumenten aan de muurrestanten onder meer die voor Anna Christina Bosmans en een voor Jean Van der Linden die afkomstig was uit Geldrop, Nederland. 
Diest was niet voor niets een Nederlandse enclave in het hertogdom Brabant. Vandaar trokken we langs het voormalige woonhuis van dokter Henri Verstappen. Deze woning en de Warande schonk hij bij testament aan de stad Diest. De Warandeheuvel werd stadspark. Martien wist hier te vertellen dat de herenwoning werd omgevormd tot monumentale ingangspoort en dat de vier beelden op het poortgebouw afkomstig zijn van het in 1956 gesloopte Noordstation van Brussel.
Sint Sulphitiuskerk is een voorbeeld van Demergothiek, opgetrokken uit ijzerzandsteen en witte kalksteen. Martien die zich hier als een vis in het water voelde loodste ons naar het hoofdaltaar met de woorden “Dit zijn mijn gasten en die komen nog wel terug met een volledige groep zodat ge ze nu geen inkom moet laten betalen”. Daar bevond zich de, nieuwe, zerk voor prins Filips Willem, zoon van Willem de Zwijger. In zijn testament had hij bepaald dat hij begraven wilde worden in één van de steden Diest, Breda of Orange; de stad het dichtst bij de plaats zou liggen waar hij zou sterven. Toen hij in 1618 overleed in Brussel viel de keuze op Diest. Achter het koor wees Martien ons op de originele grafzerk. We eindigden onze tocht waar ooit de Minderbroederskerk stond en waar ooit de Heren van Diest begraven werden. Wegens te zwaar beschadigd werden de kisten niet opgegraven.
En toen was het tijd om iets te drinken en een hapje te eten, op kosten van Sandra en Martien, in … taverne The Lodge. Er werd nog meer dan gezellig nagepraat en Martien beloofde ons om in 2014 een rondleiding te verzorgen die we niet gauw zullen vergeten. Ik ben daar nu al van overtuigd en Martien heeft nog andere pijlen op zijn boog. Maar daarover later nog veel meer.
 
Jacques Buermans

Tante Kato is op reis en deze keer geen verslag van Tante Kato.


Misschien doet tante Kato inspiratie op tijdens haar dik verdiende reis en kunnen we daar in een volgende Nieuwsbrief van genieten.
 
Jacques Buermans

China, een impressie enkele foto’s naar aanleiding van een rondreis door China.


Vrienden van mij deden een rondreis in China. Mijn “afwijking” kennende mailden ze enkele afbeeldingen door en een beetje uitleg: “Eén foto betreft een ruimere begraafplaats, de andere zijn enkel grafstenen die we onderweg op wandelingen tegenkwamen op privé gronden. In China worden in de steden de doden gecremeerd en de as gaat naar de compost of ??? (heeft men ons gezegd???). Buiten de steden wordt nog wel begraven, vooral bij de boeren en dan is dat op eigen grond met een steen waar offergaven worden gebracht”.
 
Jacques Buermans

Grafmonument Peter Benoit prachtig gerestaureerd een aantal leden waren niet echt opgezet met dit peterschap.


Vrijdag 17 augustus op de 178ste geboortedag van de componist, werd het monument van Peter Benoit heringehuldigd op de begraafplaats Schoonselhof. De heer Hendrik De Bouvre, afdelingshoofd van de Antwerpse begraafplaatsen, was zo vrij om de leden van de vzw Grafzerkje uit te nodigen op deze plechtige bijeenkomst. Vanwege de “organisator” zelf kregen we geen uitnodiging.
 
Ik kreeg nog nooit zoveel reacties als op deze uitnodiging. Vele, Antwerpse, leden kennen blijkbaar de organisator Tanguy Ottomer, de zelfverklaarde “beroepsantwerpenaar”. Een bloemlezing: “Ik kom niet naar die omhooggevallen clown”, “Wat een blageur”, “Ik krijg braakneigingen van het misbruik van de titel ‘beroepsantwerpenaar’” tot “Dit is een ziekelijke narcist en egotripper”. Ook het feit dat een privépersoon een monument van zulke grootte en van zulk een belangrijk iemand ten persoonlijke titel kan overnemen ligt ook zwaar op de maag van enkele leden: “Zulke belangrijke monumenten komen toe aan verenigingen die een binding hebben met de begraafplaats of culturele instanties (Vlaamse Opera, Vlaams Muziekconservatorium, Peter Benoitfonds)”.
 
Waar ik het persoonlijk moeilijk mee heb is dat de gehele restauratie geschiedde op kosten van de stad Antwerpen en dat er uiteindelijk een privépersoon met de spreekwoordelijke bloemen gaat lopen terwijl hij daar geen klop voor gedaan heeft en geen euro voor uitgegeven heeft. Zo kan ik het ook. Het is trouwens niet de eerste keer dat deze persoon zich laat opmerken op negatieve wijze. Tijdens de voorbije Week van de Begraafplaatsen ging hij ook een ‘nooit geziene’ rondleiding, een heuse ‘performance’ geven op de begraafplaats Schoonselhof. Hij genoot van alle pers- en andere aandacht en … meldde zich ziek de dag van de rondleiding. Ten tweede krijg ik, zoals een ander lid aanhaalde, de kriebels van zijn titel ‘beroepsantwerpenaar’. Die eer valt, mijns inziens, alleen maar George Van Cauwenbergh te beurt. George was het boegbeeld van ‘dé’ Antwerpse stadsgids. Toen hij overleed kwam op zijn graf “beroepsantwerpenaar”. Volkomen terecht maar deze ‘eretitel’ mag niet misbruikt worden door zo iemand. Voor wie Tanguy Ottomer niet kent kijk eens op zijn website en u weet direct welk vlees u in de kuip heeft.
 
Schepen Guy Lauwers nam het woord tijdens de herinhuldiging. Hij verontschuldigde zich bij de aanwezige Michaël Scheck, voorzitter van het Peter Benoitfonds, omdat die vzw niet gecontacteerd werd toen dit peterschap ter sprake kwam. De schepen vond ook dat er best nog een tandje kon bijgestoken worden betreffende peterschap zodat er nog meer aandacht aan geschonken wordt. Hij dankte ook de mensen van de begraafplaats en de mensen van Levanto voor hun inzet en onze vzw Grafzerkje. Dan was het de beurt aan de ‘peter’. Ik hoorde heel veel “ik” in zijn toespraak. Verder ging het over de beiaard en het monument voor Peter Benoit aan de Harmonie maar ik hoorde spijtig genoeg geen dankwoord aan het adres van de stad Antwerpen in het algemeen of aan de mensen van Levanto, een sociaal tewerkstellingsproject, dat hier eens te meer knap werk levert in het bijzonder. Ook hoorde ik dat hij rondleidingen op Schoonselhof gaat verzorgen. Daar wil ik bij zijn want hij wist gewoon niet eens iets over de symboliek achter ‘zijn’ grafmonument. Dus nog heel wat werk aan de winkel.
Nadien was er nog een, door de stad betaalde, receptie voor de “Tanguyfanclub”.
 
Jacques Buermans

Sarah, wij groeten u! een gigantisch verlies voor de mensen betrokken bij de dichtersrondleidingen.


Velen onder jullie weten dat ik rondleidingen op de begraafplaats Schoonselhof verzorg. Enkele keren per jaar is er ook de, intussen beruchte, ‘dichterswandeling’. Onder de titel “Dichters wij groeten u!” geef ik funeraire uitleg over de grafmonumenten van een aantal schrijvers en dichters die de begraafplaats bevolken. Sinds een vijftal jaren kan ik rekenen op de steun van de dames van de Academie voor Muziek en Woord van Hoboken om de rondleiding op te fleuren met een aantal gedichten. Lesgeefster Christine Ruttens kan steeds een beroep doen op haar ‘vaste kern’: Liesbeth, Sandra, Sarah en Heidi. Met wisselend succes maar steeds met het volle enthousiasme van ‘mijn dames’.
 
Dinsdag 14 augustus. Een telefoontje van Christine: “Ik heb slecht nieuws. Sarah is bevallen van een dochter Amelie. Nadien waren er complicaties en Sarah is niet meer!” Dat is even slikken. Ik, altijd een grote mond, weet even niet wat zeggen. Verdorie, is dit nu rechtvaardig? Verdomme, we zijn 2012 en een overlijden na een geboorte heeft iets van jaren terug!
 
Donderdag 16 augustus. Bij de post een kaartje met een lachende Sarah met de kleine Amelie op de schoot. Een overgelukkige mama lacht me toe. Dan weer de realiteit: die overgelukkige mama is niet meer. Weer even slikken: dit kan toch niet. Maar toch moet men verder. Sarah zou niet anders gewild hebben. Ik kende Sarah steeds als de vrolijkheid zelve. Ik herinner me haar als iemand die steeds haar gehoor kon bekoren zeker als het gedichtjes waren met een “ietwat ondeugende”, soms sarcastische, ondertoon: als een Gentse chichimadame in het gedicht “Alarm in Gent”  van Willem Elsschot of in “Quitte” van Gaston Burssens. Sarah had zichtbaar plezier in wat ze voordroeg.
 
Zaterdag 18 augustus. Een zomerse dag met een massa volk aan de ingang van de kerk. Onder hen Sandra, een collega ‘voordraagster’. Ze begroet me met “Ik heb de laatste dagen veel aan jou gedacht. Je eindigde steeds je rondleiding met “Ik hoop dat jullie er iets aan gehad hebben en ik wil jullie hier terug zien, alleen bij leven, anders niet”.” Op dat moment krijgen zulke woorden een heel andere betekenis. De eredienst was overladen met persoonlijke dingen: de broers en schoonbroers die de kist droegen; een prachtig lied van Herman Van Veen en eentje van Stef Bos; een getuigenis van ‘de meisjes’, haar vriendinnen; een gedicht van haar vriendinnen-voordraagsters en een gezongen gedicht “Spoken” van Sarah dat ze opdroeg aan de ‘liefde van haar leven’: Maarten. Na afloop ging iedereen te voet achter de lijkwagen naar ‘haar’ Schoonselhof. Ik maakte me de bemerking dat Sarah een glimlach niet zou kunnen onderdrukken wanneer ze zag dat ‘haar’ begrafenisstoet gevolgd werd door een sliert wagens die stapsgewijze dienden te volgen. Nadat de kist neergelaten werd droegen haar ‘collegae’ een gedicht voor. 
Sarah: het ga je goed waar je ook bent en ik ben ervan overtuigd dat je bij een volgende rondleiding met gedichten zult toekijken, hopelijk voldaan van wat de dames van de academie brengen maar anders zal je hen dat wel laten weten. Ik zal je in ieder geval niet gauw vergeten en denk nu al dat de eerstvolgende rondleiding er een gaat zijn met de krop in de keel maar gesteund door jou. Sarah: het was me een waar genoegen je ooit gekend te hebben.
 
Jacques Buermans

Ridder Smidt van Gelder gerestaureerd door Kunstkoffer toestand museum blijft een doorn in het oog van de buurtbewoners, daarom grafmonument gerestaureerd.


Uitnodiging gekregen van de dames van de Kunstkoffer. In het verleden droeg deze vereniging, een wijkvereniging, al zorg voor het grafmonument van Frans Lamorinière, de landschapsschilder. De vereniging is namelijk gevestigd in de Lamorinièrestraat. Deze bijeenkomst was zulk een succes (zie Nieuwsbrief 59) dat de dames op zoek gingen naar een andere wijkbewoner om diens graf onder handen te nemen. De keuze viel op ridder Smidt van Gelder, een telg van de befaamde papierfabrikantenfamilie Van Gelder & Zonen. Dankzij een erfenis kon hij op dertigjarige leeftijd het bedrijfsleven vaarwel zeggen om zich volledig te wijden aan zijn passie voor kunst en reizen. Hij nam het besluit om zijn leven en zijn geld te besteden aan het verwerven van antiek en kunstobjecten. Op zestigjarige leeftijd besloot hij zich definitief in Antwerpen te vestigen, waar hij zijn museum oprichtte. Hij bleef hier tot aan zijn dood in 1956 wonen. Na een brand in 1987 werd het museum gesloten en staat het gebouw tot op heden te verkommeren.
 
Als een soort protest tegen het gebrek aan belangstelling van de cultuurschepen van de stad Antwerpen besloten de dames van de Kunstkoffer om dit monument, een van de weinige graven uitgevoerd in mozaïekstenen, op te knappen. Het werd een knap staaltje van samenwerking. Mia De Herdt en Greet Van Iseghem van de Kunstkoffer deden een beroep op Christiaan Ketele van de naburige wijkvereniging Klein Antwerpen maar ook lid en “handige Harry” van vzw Grafzerkje. 
Naast het afschuren van het grafmonument werden de mozaïeksteentjes opgevoegd. Daarna werden de steentjes opgeblonken en daarbij kwamen nog enkele gaatjes aan het licht die vakkundig door Christiaan werden weggewerkt. De ontbrekende mozaïeksteentjes worden later nog geplaatst.
 
Het resultaat mag zeker gezien worden. Anders dan bij andere monumenten die recent in peterschap gegeven werden staken hier de verantwoordelijken wel de handen uit de mouwen.
Jacques Buermans