Nieuwsbrief Nr. 68 - mei 2012

Lidgeld nu nog een mogelijkheid tot aanbetaling voor 2012.


Er kan nog steeds aanbetaald worden voor het lidgeld voor vzw Grafzerkje voor 2012:
individueel lidmaatschap: € 12 
lidmaatschap koppel: € 18
steunende leden betalen € 30 maar meer mag natuurlijk ook
De retributie voor de gedrukte Nieuwsbrief blijft ongewijzigd (€ 20 binnenland; € 25 buitenland). 
U kunt nu al lid worden tot eind 2012 door volgend bedrag te storten op 736-0010440-28 (BE37 7360 0104 4028):
-            betalend lid: € 12 per persoon (koppels € 18);
-            steunend lid: vanaf € 30 (met vermelding van uw naam in de Nieuwsbrief);
-            gedrukte zwart/wit Nieuwsbrief: extra € 20, € 25 voor Nederland.
Nederlandse vrienden kunnen hun lidmaatschap aanbetalen ofwel mits de vermelding van volgende BIC: KRED BEBB en IBN: BE37 7360 0104 4028 ofwel stuurt u een briefje of e-mail naar [email protected] en vermeldt het bedrag dat u naar zijn rekening hebt overgemaakt. U maakt het bedrag over naar postgiro 19.19.040 ten name van P.P.C. Vernimmen, Snelliusstraat 47c, 2517 RH Den Haag, onder vermelding van "vzw Grafzerkje".
Het bestuur

Dieweg een meevaller, “nabeurt” overbodig ons lid Stefan Van Camp gaf weer het beste van zichzelf.


Mijn GSM stond niet stil: er was een benzinestation ontploft in Wetteren en al de Grafzerkjes die van West Vlaanderen kwamen, zaten in de file. Toch 17 leden aanwezig. We begonnen met een lied voor de verjaardag van ons aller An. Vraag: wie verjaart er op 19 mei als we naar Eupen trekken? Kwestie van de gewoonte verder te zeten.
 
Onze gids was eens te meer Stefan Van Camp en zoals steeds had hij zich voortreffelijk voorbereid.
Op het terrein stond vroeger het kasteel van gravin de Coghen. Dieweg bevat vele Joodse graven hoewel ze met hun 3300 lichamen toch geen 10% van het totaal aantal uitmaken. We startten bij Herinckx – Herinckx, neef en nicht onder een art nouveau-monument. Wat verder de grootouders Herinckx, eigenaars van brouwerij “In de kroon” een neogotische kapel met duidelijke symboliek verwijzend naar hun beroep en de naam van de brouwerij.
Homère Goossens was directeur van het Brussels Muziekconservatorium. Naast symboliek betreffende zijn beroep, de lier, een buste van Joseph Jacquet. 
Victor Allard kreeg een pompeus mausoleum met 78 plaatsen, waarvan er slechts 30 bezet zijn. Victor was directeur van de Nationale Bank. Antoine Allard was gekend als “de rode baron” en hij was stichter van Oxfam. Hij begeleidde koningin Elisabeth op haar, omstreden, Chinareis. Bij het graf Rosar liet Stefan ons zoeken naar de dieren die zich op het grafmonument bevonden. De vier dieren symboliseerden de vier elementen: kikker voor water; vogel voor lucht; slang voor aarde en salamander voor vuur. Een dubbelzijdig graf voor architect van onder meer de Sint Hubertusgalerij: Jean-Pierre Cluyselaer. Een van de twee personen die, mits speciale toestemming: lees met tussenkomst van koningin Fabiola, hier nog mochten bij begraven worden was violist Philippe Hirschhorn, laureaat van de koningin Elisabethwedstrijd. Spijtig genoeg werd het viooltje op zijn graf al drie keer gestolen. Wat verder de tweede uitzondering Georges Remi, beter bekend als Hergé, een meer dan omstreden figuur. Een monument van de hand van Ernest Salu op de laatste rustplaats voor Alphonse Asselbergs, schilder van de school van Tervuren. Een laat art nouveaumonument voor Yvonne Rucquoi werd recent gerestaureerd. Aan het Joodse gedeelte troffen we de familie Nias aan, van het gelijknamig papeteriebedrijf. 
Isaac Stern was dan weer vrijmetselaar en administrateur bij verschillende banken. Een werk van Victor Horta. Op het graf Voss de symbolen van de leviet, de kan en de schaal, en de zalvende handen van de cohen, de priester die zijn zegen uitsprak over het monument. Een prachtig beeld van Marcel Rau op het graf Sermon. 
Wat verder de gigantische tempel voor de familie Lambert, bankiers. Goed geboerd zou ik zeggen. Vlakbij een crypte voor 133 lichamen. Een grafzerk in Carraramarmer voor de uit Italië komende familie Errera. In het Errerahuis zit nu de Vlaamse regering. Een massieve sarcofaag voor Hirch, eigenaar van een haute couturezaak, een zuilenmonument voor Philippson, alweer een familie van bankiers. Dina Katz kreeg een monument in rode steen van Auguste Puttemans. 
Een kubustisch art decomonument voor Huet-Hozee. Een monument met monniken voor de familie Fumière. Antoine Pauwels kreeg een monument van architect Symons. Paul Hankar was leerling van Beyaert. Isabelle Gatti de Gamond was stichtster van de Droit Humain in België.
Intussen waren Alberta en Cis gearriveerd, later nog gevolgd door Christine en Leo.
Vandaar trokken de “die hards” naar de nieuwe begraafplaats van Ukkel. Eerst berg af langs de holle weg, over de spoorweg en dan weer berg op (lang de bolle weg zekers?). Eindelijk zagen we de begraafplaats en toen wist ik het al: dat wordt niks. Eenvormigheid troef. Dankzij Stefan zagen we toch nog enkele dingen die de moeite waard waren: een prachtig beeld van Paul Dubois. Joseph Diongre was de architect van het Flageygebouw. 
David van Buuren, mecenas. August Vermeylen, van het gelijknamige fonds. Zijn monument ziet er niet uit. Hallo Vermeylenfonds! Niet thuis zekers? 
Herman Boon was aalmoezenier op de luchthaven van Zaventem en op het graf Vanderborght, binnenhuisarchitect, zagen we een kopij van de piëta van Michelangelo. Bij het gaf van Julien Andries moest ons jarige ondervoorzitster An toch eens kijken of het beeld inderdaad van Van Reeth was. 
Vandaar ging het door de weiden naar het restaurant waar we door onze jarige An getrakteerd werden op een aperitief en nadien een voortreffelijk maaltijd konden nuttigen. Die maakte veel goed want eerlijkheidshalve: de begraafplaats van Ukkel kon mij helemaal niet bekoren, zeker niet na een topper als de Dieweg.
Jacques Buermans
 Foto’s Rina Reniers en Jacques Buermans

Graftrommels zijn geen trommels ons lid Cis Kennes schreef een artikel.


Graftrommels waren een courant fenomeen op begraafplaatsen vanaf 1870 maar vooral in de eerste helft van de 20° eeuw. Het betreft een vrij volkse vorm van funerair erfgoed. Het gevolg hiervan is dat ze bij het ‘ruimen’ door de gemeenten veelal zonder het minste respect worden behandeld. Maar evenzeer dat er àl te weinig onderzoek is gebeurd naar oorsprong, verspreiding, productie enz. De literatuur over dit onderwerp is voor zover bekend onbestaande.
Na WO II waren ze compleet ‘uit de mode’ maar nu geraken ze weer volop in trek: in Nederland worden ze sinds enkele jaren niet alleen geïnventariseerd en gerestaureerd (1), maar ontstaan er zelfs nieuwe productie-ateliers .In 2010 werd over dit item in Overijssel een symposium gehouden. In afwachting van een revival behoren graftrommels tot de categorie van zwaar bedreigd erfgoed.
Waarover gaat het eigenlijk ?
Graftrommels zijn verzinkte metalen (zink of koper) banden van ongeveer 25 cm. breed, die haaks op een onderplaat staan uit hetzelfde materiaal. De bovenplaat bestaat uit glas, afgedicht met kit of stopverf. Ze werden schuin of loodrecht op het grafteken aangebracht of indien mogelijk aan de muur erachter opgehangen. Dat de buitenkant zwart geschilderd werd en de binnenkant wit, is zeker geen algemene regel. Soms fungeerden ze als grafteken op zichzelf (Ouffet). Om daaruit te besluiten dat ze moeten beschouwd worden als het ‘grafmonument van de arme man’ is een voorbarige conclusie. Een enkele keer werd een ronde graftrommel ingewerkt in een stèle van blauwe hardsteen (Hoei).
In hun moderne versie krijgen ze een beetje de functie van vitrine, waarin foto’s, bloemen, of tastbare herinneringen zoals knuffeldiertjes worden ‘uitgestald’. Oorspronkelijk was het een eenvoudig middel om het hele jaar door fris uitziende bloemen of kransen op het graf te behouden. Bovendien ging het hier nooit om seriewerk: elke graftrommel is een unicum. Het is zelfs best mogelijk dat de vormgeving van de inhoud eigenhandig door de nabestaanden werd verzorgd, wat de persoonlijke waarde ervan nog vergrootte.
De naam ‘graftrommel’ is eigenlijk niet correct: de trommelvorm komt misschien wel het meest voor, maar andere vormen zijn – zeker in Frankrijk – even goed mogelijk: ovaal (Deinze), achthoek (Marche-en-Famenne), ruit (Bergues), kruis (Bailleuil), zelfs de  badkuipvorm (Bergues) is niet uitgesloten. Recent is daar nog de hartvorm bijgekomen. In sommige gevallen wordt de buitenkant versierd met een gesjabloneerde rand van metaalfolie, wat doet denken aan kantwerk (Bergues).
Koperen en bronzen bloemen en kransen komen soms ook in de open lucht voor (vb.Laken): waarschijnlijk het werk van bekwame smeden; maar tijdens het Interbellum bestond er ook een vorm van ‘huisvlijt’ waarbij het maken van (abstracte) bloemen in allerlei metaalfolie als hobby werd aangeprezen (2).
De inhoud van graftrommels kan zeer uiteenlopend zijn: meest voor de hand liggend zijn uiteraard bloemen en bladeren op stengels of kransen. Soms betreft het dan witte rozen of bladeren van eik of esdoorn. Maar in veel gevallen zijn ze als soort niet te herkennen: het zijn louter florale vormen.  Klassiek is ook een tekstband die over het geheel loopt met een persoonlijke opdracht :”Aan onze betreurde moeder” of “à notre marraine” . Meestal werden hiervoor de blikken letters gebruikt van het   merk ‘Markill’ (3) die op een bijhorende geperforeerde band werden vastgemaakt mits het omplooien van twee metalen lipjes.
 
Zowel bloemen, bladeren als letters kunnen ook uitgevoerd zijn in gekleurde pareltjes van verschillende grootte, waarbij vb. viooltjes in diverse kleurtinten niet uit de weg gegaan werden(Deinze, Bergues).  Kransen werden in dat geval vervangen door een geometrisch netwerk  met zwarte pareltjes. Ook cilindervormige kruisen met daarop een zilverwit metalen Christus werden uitgevoerd in gitzwarte pareltjes, wat mits wat zonlicht een waarlijk bijzonder effect geeft. Bloemen in textiel (fluweel?) dat met ijzerdraad in de vorm wordt gehouden, komen eveneens veelvuldig voor; bloemen in keramiek slechts zelden (Marche-en-Famenne).
Nog merkwaardiger is, dat binnen de zinken graftrommel soms nog een tweede doos wordt aangebracht met een bolstaand glazen ‘deksel’ (Deinze, Ouffet). Daarin worden dan de meest uiteenlopende voorwerpen bewaard: niet alleen het klassieke symbool van de twee ineengeslagen handen, maar evenzeer een witmarmeren hart, een klein boekje van een twintigtal bladzijden, of andere personalia.
Wanneer de basisvorm van de graftrommel een kruisvorm is, komt dit uiteraard binnenin overeen meet de afbeelding van een gekruisigde Christus, meestal dan zonder bloemen. Het kruis is dan meestal versierd met zwarte pareltjes, maar het kan uitzonderlijk ook uit ijzer bestaan.
Het ligt voor de hand dat de bewaring van de inhoud van graftrommels staat of valt met de afdichting van de glasplaat – al moet tegelijk condensvorming                                            vermeden worden. Indien dit niet het geval is, gaan de bloemen of kransen in textiel al gauw vocht opslorpen en zwart worden. Metaal gaat corroderen of oxideren. Wanneer de glasplaat zelf barst of in stukken breekt, gaat de aftakeling in ijltempo verder en ligt de weg open voor verlies of diefstal van de inhoud. Op de begraafplaats van Kerkhove (Avelgem) is een graftrommel (helaas) horizontaal gekomen, waardoor binnenin een serre-effect is ontstaan met een bloeiende flora tot gevolg !
Het is dan ook maar net op tijd dat maatregelen voor vakkundige conservatie op ruime schaal bekend worden (4), want op de meeste begraafplaatsen waar tijdens het Interbellum of net daarvoor begraven werd, zijn allicht nog wel enkele graftrommels te vinden. In Vlaanderen heeft de begraafplaats van Deinze  een mooi gegroepeerd geheel. In Wallonië is  dit het geval in vb. Marche-en-Famenne en Ouffet. In Noord-Frankrijk beschikken ook Bergues en Bailleuil over een fraaie verzameling.
  1. Specialist en voortrekker in deze materie is Evert-Jan Halkus uit Twello. Men schatte het aantal graftrommels in Nederland in  2008 op ongeveer 650, waarvan 14 in Gelderland, 94 in Overijssel, 103 in Groningen, 12 in Loenen, 40 in Leeuwarden. In Goor (Overijssel) werden de 35 resterende exemplaren na een doorgedreven studie door vrijwilligers hersteld. Meteen te vermelden is het feit dat graftrommels geen privilege zijn van katholieke begraafplaatsen!
  2. NORBERT POULAIN: Ongewone huisvlijt. Bloemen van metaal. In: Interbellum 27/2, p. 9-15. De auteur verwijst naar ‘Mon Ouvrage’ van 1931.
  3. Markill is een bedrijf dat bestaat sinds 1866.
  4. DJANGO MAEKELBERG , GEERT SCHEIRLINCKX e.a.: Onderhoud van funerair Erfgoed. Monumentenwacht Vlaanderen. Hasselt 2011, 75 blz. Over graftrommels: p. 38, 48, 62.

Graftrommels: er is een boek op komst nu al inschrijven en genieten van korting.


In het eerste kwartaal van 2013 wil de stichting Dodenakkers.nl (www.dodenakkers.nl) een boek uitbrengen over graftrommels en grafkransen in Nederland. Dit onderwerp kreeg op de website van dodenakkers.nl al in 2006 aandacht door de publicatie van een onderzoek naar graftrommels in de provincie Groningen. Nadien konden de meer dan 10.000 maandelijkse bezoekers ook verder kennismaken met dit bijzonder onderwerp door een uitgebreid artikel van funerair historicus Leon Bok.
Nadien heeft Leon Bok samen met Evert Jan Halkus de pakweg 1.000 graftrommels in Nederland in kaart gebracht. De meest bijzondere zijn daarbij, voor zover ze in slechte staat verkeerden, door Evert Jan Halkus gerestaureerd. Daarbij is vooral gelet op de wijze waarop de trommels in elkaar waren gezet en wat er aan materiaal gebruikt werd voor de trommels en de kransen. De schat aan informatie die daarbij opgedaan is, wordt verwerkt in het boek.
Een boek over graftrommels past binnen de doelstelling van de stichting Dodenakkers.nl. Meer nog past zo’n boek bij het doel van behoud van funerair erfgoed in Nederland. Bij het dagelijkse beheer van begraafplaatsen wordt nog weinig aandacht besteedt aan graftrommels. Daardoor zijn duizenden graftrommels in de afgelopen decennia verdwenen. Daarmee is ook de kennis over het gebruik, herkomst en de bouw van graftrommels en grafkransen bijna verdwenen. Omdat er over graftrommels en grafkransen nog geen samenhangend overzicht is gemaakt, hebben restaurateur Evert Jan Halkus en funerair historicus Leon Bok besloten een publicatie te verzorgen waarin het gebruik van graftrommels en grafkransen wordt beschreven. Ook wordt in het boek voor het eerst een nagenoeg compleet overzicht gegeven van het aantal graftrommels per gemeente in alle Nederlandse provincies. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan streekspecifieke eigenschappen. Inmiddels zijn in alle provincies graftrommels aangetroffen en enkele tientallen zijn inmiddels hersteld door inzet van Halkus en Bok. Door inventarisaties en gesprekken zijn inmiddels in twee Friese gemeenten ook graftrommels beschermd.
Met het boek over graftrommels in Nederland hopen de auteurs dat meer gemeenten en begraafplaatshouders de waarde van deze objecten gaan inzien. Overigens zou het boek niet compleet zijn wanneer ook niet gekeken zou worden naar buitenlandse voorbeelden van graftrommels en grafkransen. In de landen om ons heen zijn die in ruime mate te vinden.
Met het boek proberen de auteurs een uniek onderdeel van de Nederlandse funeraire cultuur onder de aandacht te brengen. Ze hopen een breed publiek te bereiken, waardoor mogelijk het behoud van graftrommels op een hoger peil kan komen. Hoewel er inmiddels een fors bedrag beschikbaar is voor het uitbrengen van deze publicatie, wordt elke provincie in Nederland expliciet om een financiële bijdrage gevraagd. Maar in deze tijden rekenen we vooral op voorinschrijvingen. Het boek moet straks 20 euro gaan kosten, maar bij voorinschrijving krijgt men 2 euro korting. Via [email protected] kan aangegeven worden hoeveel exemplaren van het boek men wil bestellen. In de mail dienen ook de adresgegevens voor verzending opgenomen te worden.
 
Mocht u aanvullende informatie nodig hebben, aarzelt u dan niet contact op te nemen met de projectcoördinator Leon Bok via telefoonnummer: 06 – 10816145 of e-mailadres: [email protected].
 
April 2012

Tante Kato ging naar Den Haag en zag het graf van Louis Couperus weer een nieuw verhaal van Tante Kato.


Louis Marie Anne Couperus * 1863-1923 * Begraafplaats Oud Eik en Duinen, Den Haag
 
Als ik de vijfenveertig stukjes (jawel), die ik tot nu toe voor Grafzerkje schreef bekijk, dan hebben ze op enkele uitzonderingen na een gemeenschappelijk punt : het zijn aparte laatste rustplaatsen zoals een graf in een tuin, een mausoleum of een schrijn. Deze keer wijk ik weer af van die stelling, want Couperus ligt begraven op Oud Eik en Duinen, ooit een kerkhof. In nieuwsbrief 35 van mei 2007 verscheen een artikel over deze Haagse begraafplaats. Over één schrijver, met name Louis Couperus wil ik wat meer vertellen. Volgend jaar is het ter gelegenheid van de honderdvijftigste verjaardag van zijn geboorte (én de negentigste verjaardag van zijn overlijden) Couperusjaar en ik ben met deze alle herdenkingen een beetje voor.
 
Ik begin met een kleine stadswandeling door het chique, aristocratische Den Haag. Onder een stralende lentezon stapten we met onze Nederlandse vrienden, die we in 2003 leerden kennen in Libië -u weet wel, dat Noord-Afrikaanse land waar ze destijds een dictator hadden en er nu totaal kapot geschoten bij ligt- naar het Couperus Museum, Javastraat 17 waar we toevallig de tentoonstelling “Van morbide miasma’s* tot omkomen in pracht” zagen. Jammer, maar deze tentoonstelling over dood en sterven eindigt op 27 mei 2012 ... ongeveer de datum dat deze nieuwsbrief verschijnt.
 
Daarna begon de echte Couperuswandeling. Op onze route door de Archipelbuurt* zagen we enkele Couperus-woonhuizen, locaties uit zijn romans, de statige huizen van zijn grootouders, zijn geboortehuis en we eindigden op het Lange Voorhout, ter hoogte van het Couperus-standbeeld met zijn uitspraak “Zoo ik iets ben, ben ik een Hagenaar”. Al wandelend leerden we de schrijver iets beter kennen :
 
Louis Couperus was de jongste van elf kinderen en hij stamde uit een familie van hoge ambtenaren. Als negenjarige vertrok hij met zijn ouders voor een kleine zes jaar naar Batavia in Nederlands-Indië*. Men kan hem moeilijk een goed student noemen maar het schrijven zat er wél in. Op vierentwintigjarige leeftijd verscheen Eline Vere als vervolgverhaal in het dagblad Het Vaderland. Mijn moeder noemde zoiets “mengelwerk”. Een woord dat ik jaren niet meer hoorde en me opeens te binnen schoot. In 1891 huwde Couperus zijn vier jaar jongere nichtje Elisabeth Baud, geboren in Batavia. Zij waren stijlvolle zwervers : België, Frankrijk, Italië, Duitsland, Engeland, Spanje, Algerije en Nederlands-Indië. Toch wel een vermoeiende activiteit zo eind negentiende, begin twintigste eeuw. Maar wél boeiend. Bij stijlvol moet u zich voorstellen dat bureau en enkele vaste attributen zoals een schilderij altijd mee op reis moesten.
 
In 1921 vertrok Couperus opnieuw naar het Verre Oosten, ditmaal als bijzonder correspondent van de Haagsche Post. In Japan was een neusinfectie de oorzaak dat hij noodgedwongen moest terugkeren naar Nederland. Daar woonde hij anderhalve maand in een landhuisje in De Steeg, Gelderland. Zijn zestigste verjaardag (10 juni) werd uitgebreid gevierd en met de financiële steun van zijn vrienden kon de hypotheek afgelost worden. Een dikke maand later (16 juli) overleed Couperus aan longvliesontsteking en een bloedvergiftiging in de neus. Mogelijk waren er ook nierproblemen. 
 
Uiteraard wilden we ‘s anderendaags naar zijn graf op de parkbegraafplaats Oud Eik en Duinen, waar zijn asresten begraven werden. De witte afgebroken zuil (Graf C2 Urn 6), zoals we weten het symbool van het afgebroken leven en het verdriet er om, is op korte afstand van de hoofdingang. 
Over crematie, begrafenis en graf van de schrijver valt wel een en ander te vertellen:
 
Louis Couperus werd gecremeerd in het oudste crematorium (1913-1914) van Nederland: Westerveld te Driehuis (Velsen). Cremeren was in 1923 tegen de geest van de tijd en een officiële toespraak houden was ongehoord.  Crematie werd trouwens pas in 1955 wettelijk toegestaan. Daarvòòr was er een gedoogbeleid. 
 
In “Waar ligt Poot ?”* vond ik volgende anekdotes over levenseinde, dood en graf van de schrijver :
De eerste komt van Simon Carmiggelt “In het bos raapte hij stenen op die hij, in zijn voortuintje, neerlegde in de vorm van letters. Zò werkte hij aan wat hij zijn laatste boodschap aan de wereld noemde : het woord Vale, dat uit het Latijn stamt en “vaarwel” betekent.  Maar hij voltooide zijn taak niet. Toen zijn kist het huisje uitgedragen werd, stond er “Val”.”  Deze steentjes werden mooi nagelegd in het Couperus Museum.
 
Annie Salomons getuigde over de crematie “Er was een gedrang dat je bijna de kapel niet in kon komen. Die mensen konden toch niet allemaal van hem en zijn werk houden; die zochten sensatie. Crematie was toen nog een nieuwtje. Het leek me een onwaardig gedoe.” 
 
Ene van Raak meldde over de afgebroken zuil: “Toen het monument in verval was geraakt, kwam er een inzameling voor restauratie. Velen droegen bij, maar niet uitgever Geert van Oorschot; die zei dat hij alleen zeer verwaarloosde graven mooi vond.”
 
Elisabeth Couperus-Baud, eveneens letterkundige en vertaalster, overleed in 1960 (drieënnegentig jaar oud) en haar asurne werd in hetzelfde graf bijgezet.
 
Verklaringen :
Miasma: Bezoedeling van de ondergrond door uitwasemingen van rottende organische stoffen;  Ziekelijke toestanden
Archipelbuurt: Ook Indische buurt. Wijk in Den Haag aangelegd tussen 1860 en 1890.  Verschillende straatnamen verwijzen naar de Indonesische archipel
Indië: Nederlanders hebben het over Indië, Indische mensen en Indisch eten. Wij Vlaamstaligen hebben het dan over Indonesië.  Heeft dus niets te maken met India.
Waar ligt Poot ? : Van Hans Heesen, Harry Jansen en Ed Schilders; Uitgeverij de Prom; 1997.  De titel van het boek is gebaseerd op het grafschrift “Hier ligt Poot.  Hij is dood.”
 
De begraafplaats Oud Eik en Duinen heeft zo’n lange geschiedenis, dat ik die er graag bij vermeld :
1247: Graaf Willem II van Holland laat een kapel bouwen ter nagedachtenis van zijn vader graaf Floris IV
1331: Kapel wordt parochiekerk met kerkhof. 
1396: In de kerk werd een splinter van het kruis van Christus bewaard. Dit maakte van de kerk een bedevaartsoord.
1574: De protestanten namen de bouwvallige kerk over. Zowel katholieken als protestanten werden er begraven.
1581: Gedeeltelijke sloop van de kerk omdat de calvinistische autoriteiten                         vreesden dat er een katholieke enclave zou ontstaan. Kerkhof in onbruik. 
17de eeuw: Heropening van de begraafplaats
18de eeuw:  Het merendeel van de katholieken werd op Eik en Duinen begraven.
1809: De begraafplaats kwam in handen van een protestantse jonkheer.
1891: Uitbreiding van de begraafplaats met Nieuw Eykenduynen (overkant laan)
1929: Bouw kapel ten noorden van de ruïne
20ste eeuw: De ruïne kreeg de status van rijksmonument. Als een opgestoken vinger blijft een stukje 13de eeuwse kerkmuur overeind. 
Tante Kato
 Foto’s Tante Kato + Lies Snijders (Couperus in de sneeuw) "februari 2012"

Restauratiedag in Deventer restauratiedag.


De regio vertegenwoordigers van de Terebinth kwamen op 29 maart bij elkaar op de begraafplaats Steenbrugge in Deventer voor een restauratiedag. Onder leiding van Rinus van den Belt en Wim Vlaanderen kregen de regiovertegenwoordigers les in het lijmen, zwarten, stellen van grafstenen ook was er les om roestige doken uit de monumenten te verwijderen. Het is de bedoeling dat met de verworvene kennis, ieder in zijn eigen regio, vrijwilligers te adviseren die plannen hebben een begraafplaats of kerkhof op te knappen.
 
Wim Vlaanderen

Herinhuldiging perk E: overleden in bevolen dienst! pakkende hulde en avant-première van heldenrondleiding.


Op het Schoonselhof begint de erfgoeddag reeds zaterdag 21 april.
Aanleiding: de officiële inhuldiging van heldenperk E. Hier liggen o.a. politiemensen, brandweermannen en ambtenaren in havendienst begraven. Zij kwamen om tijdens de uitoefening van hun beroep.  Onder begeleiding van de muziekkapel van politie wandelen de talrijk aanwezigen naar het perk. 
Daar neemt Schepen Guy Lauwers het woord en dankt ondermeer de mensen van Levanto die mooi werk leverden. Voor elke beroepscategorie legt hij een krans neer. Pakkend vind ik het moment van de naamafroeping. 
Na het eerbetoon wacht ons een zeer verzorgde receptie met lekkere broodjes in het Kasteel. Onze Jacques geeft eerst nog een interview voor ATV vooraleer ook hij de inwendige mens kan versterken.
Daarna is het tijd voor de avant-première van de heldenrondleiding: Schoonselhof in 10 helden mo(nu)menten. Het is een unieke rondleiding, op vraag van de stad gemaakt met als hoogtepunt de helden op perk E. 
Het begin verloopt niet volgens het boekje door het gebrek aan tijd van de aanwezige cameraman.
En dan, bij het graf van Maria ‘sHeeren, eindelijk de voorspelde regen. Het giet! Paraplu’s open en ondergetekende probeert Jacques en zijn plastiek hoesjes droog te houden wat niet lukt. Ook de cameraman krijgt een bereidwillige parapluhand boven zijn hoofd.
Verder gaat het langs de 5 heldenslachtoffers voor het algemeen stemrecht. We belanden bij Fernand Verschaeve, “le diable Liègeois”,  geboren in Luik, testpiloot en vriend van Jan Olieslagers. Het testen van een nieuw vliegtuig betekent het einde. Hij stort neer in Sint Job in ’t Goor. Volgende halte, het monument voor de slachtoffers van de ontploffing bij Corvilain in 1889. Onder de 53 doden, veel kinderen. Pittig detail, vanuit Nederland en Duitsland zakken mensen af naar de Steenborgerweertpolder. De ramptoerist is geboren. Ondertussen schijnt de zon en wandelen we naar Van De Reeck, ons allen bekend. Bij Orlow Anderson, een niet voorziene stop met de vraag : Nam hij wel deel aan de olympische spelen, en werden ze wel georganiseerd??? Mysterie.
Hendrik Conscience, 200 jaar terug geboren,  is niet opgenomen in de heldenwandeling maar mag ook in de schijnwerpers. Klein Antwerpen nam het monument in peterschap, Levanto knapte het op. Gevolg: Van De Reeck en Coremans kregen ook een beurt. Ons lid Marc Cooremans nam dit laatste monument, een naamgenoot, dan ook onder zijn vleugels. Coremans lid van de Meetingpartij verknoeide het door ooit volgende uitspraak te doen in het parlement: “ de mensetende soeverein van Congo heeft de grondwettelijke koning der Belgen opgepeuzeld en heerst in zijn plaats”. Schitterend, vind ik. Het origineel ontworpen bas-reliëf naar een fabel van La Fontaine, kwam er nooit. Daarop werden zijn tegenstanders voorgesteld als dieren. Het zou nog wel te vinden zijn ergens in een huis op het Zuid.
Verder langs Pot en Grijp naar perk E.
Poupaert Marcel, brandweerman, opgeroepen voor een brand op een Chileens vrachtschip. Hij stikte door de giftige rook van de meststoffen, opgeslagen in het ruim. Politiemensen Jan Van Cotthem en Jozef Van Vooren kwamen om bij een luchtbombardement vanuit een Duitse Zeppelin. Bij een brand in een hangar van de Noordnatie aan kaai 243, komen vier pompiers om onder een instortende muur. De lichamen van Frans Vanden Bulck en Karel van den Bergh worden pas dagen later gevonden. Brandweerman Jules Ryngaert viel in een liftkoker bij een brand in het warenhuis G.B- Bon Marché aan de Groenplaats. Hij overleed later in het ziekenhuis.
Afsluiten doen we op het militair gedeelte met Jan Olieslagers, “den Antwerpschen duvel”. Hij werkte in een fietsenfabriek, werd nadien verantwoordelijke voor de productie van racefietsen. Onder de schuilnaam John Max, won hij verschillende wielerkoersen in Frankrijk en België. Later ging hij aan de slag bij Minerva, autofabrikant. Vliegen werd zijn passie en hij breekt wereldrecords. Vandaar de naam “Antwerpschen duvel”. In Deurne vind je zijn standbeeld. De cirkel is rond. Van Verschaeve naar Olieslagers.
We eindigen op het Franse ereperk in tropische sfeer, tussen de palmbomen. Bedankt Jacques voor de boeiende verhalen.
De wandeling kun je ook in je ééntje kan maken. Er hoort een gedetailleerd wandelboekje bij, natuurlijk zonder de extra’s van onze gids.
p.s. Jacques raakte onderweg “van zijn melk” door de aanwezigheid van onze lay out dame Anja.
 
Mieke Versées
 Foto’s Mieke Versées

Passy: een ode aan Marguerite ons An Hernalsteen bezoekt deze prachtige dodenakker.


Het scheelde niet veel of onderstaand hersenspinsel had nooit het levenslicht gezien. We komen uit de metro, de Kleinen ziet “het symbool van Parijs” en wil er zonder moyen op. Gelukkig hield ik het been lijkstijf, tegenpruttelend van “In Melle beloofd op je onschuldig kinderzieltje, alleen maar Parijse doden, een louter funerair tochtje” en meer van dat fraais.
Tweede probleem: hoe geraken we in godsnaam binnen, waar is de ingang van dit spel? We kiezen naar rechts (fout, we hadden beter naar links gekozen) Na een volledige omwandeling van een ferm muurken, vinden we het toegangshekken. Ondertussen staat de blaas op springen en het plassende, pollenwassende Zerkje, zaliger gedachtenis zoek ik het toilet op. Vanaf het kleinste kamertje zie ik het al: deze in 1820 in gebruik genomen begraafplaats wordt een kanjer. Een beetje systematisch te werk gaan anders baggeren we rond als kiekens zonder kop. Dit plan houdt in: de ogen de kost geven, foto’s schieten tegen een tempo van 1000 ter uur en eenmaal terug thuis schiften dat het een lieve lust is en een summier verslagje schrijven.
Waar je in elk geval niet naast kunt kijken, is de mastodont van een graf voor Gustave Eiffel, het domineert gans de begraafplaats.
Nu, voor de onwetenden onder jullie, wie is Marguerite? Marguerite is één van de hoofdrolspeelsters in “La vache et le prisonnier” Jawel, Marguerite is de pannen van het dak acterende koe die snedige replieken loeit tegen het gebit van Frankrijk, zijnde
Fernandel (Div 1 – graf 49) (1903-1971) artiestennaam van Fernand Contandin, onsterfelijk in zijn rol van Don Camillo. Zijn echtgenote Henriette Manse (1902-1984) werd hier eveneens bijgezet. Eveneens te bewonderen in div 1 het monument voor de familie Rey de Villette.
Division 2

Graf 28: Farideh Diba en Leila Pahlavi
Als we dan toch moeten kiezen uit de vele politieke figuren die hier een laatste rustplaats vonden, dan kiezen we resoluut voor 2 dames die niet aan politiek deden maar er toch mee verbonden waren. Hier rusten de moeder en de jongste dochter van Farah Diba, echtgenote van de sjah.
Graf 30: Diedonné Costes (1892-1973)
Frans piloot, vloog in 1930 als eerste non-stop van Parijs naar New-York. Als we het reliëf van Gallo op zijn graf mogen geloven, had hij nog wel meer vlieguren op zijn brevet staan.
Graf 32: Octave Mirbeau (1848-1917)
Auteur, journalist. Zijn lovend artikel in Le Figaro lanceerde de Parijse carrière van Maurice Maeterlinck. De Kleinen kon mij niet volgen, bijgevolg is Mirbeau fotoloos
Familie Laurans met een beeld van een zekere Martolini.
Familie Grillon en familie San Fernando: we zijn rijk en we smijten er geld tegenaan.
Division 4

Heugel en Chevalier
De familie Heugel specialiseerde zich in het uitgeven van partituren, het legde hen geen windeieren. Beeldhouwer Jacques Hyacinthe Chevalier (1825-1895) werd in deze grafkapel bijgezet.
Del Saz Caballero is er één speciaal voor Anne-Flor.
Graf 37: Eduard Manet (1832-1883) en zijn schoonzus Berthe Morisot (1841-1895)
In de tijd veroorzaakten Wardje zijn “Olympia” en “Déjeuner sur l’herbe” een schandaal. Nu zijn we meer gewoon. De buste op het graf is van de hand van Ferdinand Leenhoff, Manet’s schoonbroer.
Division 5

Louis Abel Tellier (1828-1913) een Frans ingenieur die naar een manier zocht om vers vlees langer te bewaren. Tot groot jolijt van alle vleeseters onder jullie zag de voorloper van onze moderne ijskast het levenslicht. Het marmeren beeld werd gerealiseerd door Camille Tellier.
Touret-Franceschi: glasramen aan diggelen kloppen, is op deze begraafplaats geen Parijse sport. Ongelooflijk knappe dingen zijn er te bewonderen.
Division 7

Graf 53: Hippolyte Marinoni (1823-1904) drukker en uitvinder van de rotatiepers. Het interieur van de grafkapel werd rijkelijk voorzien van mozaïeken, zijn patroonheilige moest natuurlijk van de partij zijn.
Division 8

De jong gestorven Gabrielle Pépa (1858-1886) en Charles Buquet, zo mooi kan funeraire kunst zijn.
Division 9

Familie Casalonga met een buste gerealiseerd door F. David. Wat de mannelijke leden van deze familie betrof, kunnen we kort zijn: bijna allemaal ingenieurs. Twee vrouwelijke telgen kozen voor kunst en cultuur. Marguerite Casalonga (1865-1935) componeerde en Alice Kaub-Casalonga (1875-1948) schilderde en ontwierp affiches.
Division 10

Graf 78:Pierre de Perenyi, Hongaars politicus. Dit is te, dit is erover. Of hoe kunst, kitsch wordt.
Graf 77: Henri Farman (Parijs 1874-1958. Luchtvaartpionier, als eerste vloog hij in 1908 welgeteld één kilometer ver, de vogels achterna.
Division 11

Gerard Brami (1947-2000) dat ziet er mij een paardenliefhebber uit.
Graf 94 Leon Volterra (1888-1949) was een belangrijk figuur voor het Parijse nachtleven. Het Casino, de Follies Bergère, overal deed hij zijn zegje. Mistinguett, Maurice Chevalier danken hem hun carrière. Hij speelde ook een tijdje burgemeester van St.-Tropez. Het pastoraal geheel waaronder hij rust is van beeldhouwer Alfredo Pina.
Robert Mallet-Stevens (1886-1945) modernistisch architect, medestander van Le Corbusier. Zijn grootmoeder, die hier ook rust, was de Brusselse Mathilde Kindt (1833-1886), eerste echtgenote van Arthur Stevens. Deze dwarsliggende, vrijgevochten vrouw was een fenomeen.
Onder de nom-de-plume Jeanne Thilda, verzon ze af en toe een boekje.
Graf 96: Marie Bashkirtseff (1858-1884) nog zo een straffe madam, die amper 25 jaar oud overleed aan tuberculose. Ze schreef, schilderde en kapte beelden. Tussendoor hield ze een dagboek bij in verband met het reilen en zijlen van het kunstmilieu rondom haar. Als dank kreeg ze een kast van een grafkapel, volledig ingericht met meubels, beelden en schilderijen. Kunstschilder Jules Bastien-Lepage ontwierp het geheel, zijn broer Emile voerde het ontwerp uit.
Division 13

Graf 2: Emile-Jacques Ruhlman: Interbellum ontwerper. Pracht van een monument naar een ontwerp van Pierre Patout.
Familie Gennevois: dit is er opnieuw eentje voor Anne-Flor met een mooie beeldengroep van een jongen met zijn hondje.
Familie Dupont – Charton: Emile Louis Dupont (1888-1970) stichter van de cafés Dupont. Graf naar een ontwerp van Henri Lagriffoul.
Division 14

Graf 36: Claude Debussy (1862-1918) componeerde onder andere Pélléas et Mélisande.
Grafkapel van de familie Trotry –Latouche met het beeld “wie wil leven, blijft buiten” van Victor Segoffin.
Grafkapel van familie Henri Laurent met een tikje Art-Nouveau erin.
Division 15

Jane Henriot ofte Jeanne Grossin (1878-1900): actrice die als enige slachtoffer stierf tijdens de brand in le théâtre Français. De buste is van Denys Puech. Het epitaaf luidt: elle est venue, elle a souri, elle a passé.
Graf 37: Gabriel Fauré: (1845-1924) dat Réquiem van hem, met een Pie Jesu om kippenvel van te krijgen. Fauré huwde Marie Frémet (1856-1926), verwante van dierenbeeldhouwer Emmanuel Frémet (1824-1910). Zijn beroemdste werk is het beeld van Jeanne d’Arc. Alle drie rusten ze in dit graf.
Salin: een meester smid kreeg een grafkapel in gesmede steen.
Charles Dubost, een hartchirurg herbruikte het Art-Nouveau graf van de familie Viconte.
Madrenas y Saltores: dit nog vlug fotograferen want de tijd begint te dringen. Montmartre roept.
De gids van dienst ziet nog maar het puntje van onze neus of lap we hebben het al zitten.
“Heb je het graf gezien van die coiffeur met dat meisje dat de dood kust” Nee, voorzitter, dat hebben we niet gezien.
“Hebben jullie Passy wel bezocht” Ja, ik denk dat we inderdaad op Passy zaten deze morgen.
“Blijkbaar Passy bezocht als blinden met oogkleppen op” Wacht maar manneke mijn wraak zal zoet zijn en enkele dagen duren en ik steek van wal met, zeg voorzitter, we gaan toch wel het graf van die en die en die zien, hier op Montmarte. Niet dus. Ik glunder want mij is de zege.
 
An Hernalsteen
Foto’s Dirk Joos, Rina Reniers, Ria Vaes en Jacques Buermans

Kerkhof Mariënthal (Rijnland-Westfalen, DE) ook niet-leden bezorgen een artikel.


In de buurt van Wesel aan de Duitse Nederrijn ligt het dorpje Marienthal. Let op met de GPS, er zijn heel wat Marienthals in Duitsland en Oostenrijk! Voor de zekerheid hierbij postcode en volledige gemeentenaam: D-46499 Hamminkeln-Marienthal. Vroeger een boerendorp, nu een luxueuze slaapplaats waar regelmatig een kunstmanifestatie plaatsvindt.
 
De periode voor en tijdens de tweede wereldoorlog is in Marienthal zeer interessant, af te lezen aan de kunst in en rond de kerk. Het begon met de komst van pastoor Augustinus Winkelmann (1881-1954), een kunstzinnige boerenzoon. Hij begon aan animatie voor jongeren in een eigen jeugdherberg. Dat idee sloot aan bij de geschriften van Romano Guardini en de Quickbornbeweging. In Nederland heette die Heemvaart. Het is een soort morele herbewapening tegen de verwarring na 1918 en tegen opkomend extreem links en extreem rechts. Titus Brandsma en Maximiliaan Kolbe waren twee Christenen in dezelfde stroom. Ze kwamen allebei in een concentratiekamp om.
 
De pastoor haalde vele kunstenaars naar het dorp om kerk en kerkhof in te richten. Grote namen uit het Rijnlandse expressionisme vinden we hier: Heinrich Campendonk, Anton Wendling, Heinrich Dieckmann zijn beroemde glazeniers. Josef Strater schilderde een kruisweg en Erwin Scharff schiep bronzen kerkdeuren waarop de Artikelen van het Geloof (1945-47). Ook recent hebben moderne kunstenaars nog bijgedragen. Hildegard Bienen werd in 1990 naast haar laatste grote werk, het portaal van de kerkhofkapel, begraven.
Het kerkhof van Marienthal is door de traditie die pastoor Winkelmann op gang bracht een bezoekje meer dan waard. Het is er niet zo saai en braaf als op de meeste Rijnlandse kerkhoven. Maar natuurlijk ook weer niet zo exuberant als wat je in België kunt vinden. Het is er homogeen door het overheersende expressionisme. Dat wil zeggen: harde en scherpe lijnen, confronterende beelden waar het materiaal ruw aandoet. Dat misstaat niet op een kerkhof. “Rouw is rauw” schreef Connie Palmen in haar boek ‘I.M.’. Toch is het ook kleurig. We vinden er mozaieken, bijvoorbeeld, met speelse lijnen. Maar het is nooit conventioneel en gemakkelijk, er werd over de nalatenschap nagedacht. De grafsteen zegt iets over leven, lijden en sterven. Daar was men in de jaren 30 en 40 intensief mee bezig. Niet alleen in de kunst. In het écht.
 
Pastoor Winkelmann deed iets dat we in de Kerk van de 20e eeuw wel vaker zien: hij bezorgde moderne kunstenaars klandizie. Dat had een dubbele functie. Enerzijds hoopte de Kerk van kunstenaars – hoe heidens ze misschien ook waren – te leren hoe ‘de wereld’ met geloofszaken omging, teneinde het eigen geloof te kunnen moderniseren. Anderzijds hoopte men de kunstenaars, door hen opdrachten te geven, te laten nadenken over die geloofszaken. Het was dus een win-win-situatie, want de kunstenaar ziet iets wat wij (nog) niet zien en wij zien iets dat de kunstenaar (nog) niet ziet. Zijn/haar ijdelheid wordt gestreeld door soms grote en in ieder geval zeer zichtbare kunstwerken. De Kerk kan tevoorschijn komen met een Perret, Corbusier, Chagall, Matisse, Folon...
 
Winkelmann zorgde ervoor dat gebroodroofde kunstenaars uit het Rijnland toch nog werk kregen van zijn parochianen. Want ze stonden op een zwarte lijst bij de Nationaal-Socialisten, hun werken werden als ontaarde kunst verkwanseld of vernietigd. Natuurlijk moesten ze omwille van hun klanten en de heersende moraal omzichtig te werk gaan. Dat Marienthal meer speelruimte had dan omliggende parochies had te maken met het beschermheerschap van de Pruisische Staat in dit stukje Rijnland. ‘Contacten in Berlijn’ – dat kon tellen.
 
Pastoor Winkelman was een man van de middenweg. Hij zorgde voor veerkracht in moeilijke tijden. Als je weet dat bisschop von Galen in Münster openlijk de nazi’s bekritiseerde, maar dat achter zijn rug honderden priesters bei Nacht und Nebel verdwenen in concentratiekampen omdat ze dezelfde vrijheid van geweten en protest bepleitten, dan verbaast het dat Winkelmann de oorlog overleefde. Denk aan hem (en aan hen), als je ooit dat kerkhof bezoekt.

Helden op de begraafplaats Hoboken ons lid Mieke Versées bezocht de begraafplaats van Hoboken en het kerkhof van Hoboken.


Misschien zaten de 10 miles er voor iets tussen maar de opkomst voor de rondleiding is miniem. Ook pech voor mij, toiletten dicht. Dat herken ik.
Met Vera, onze gids, wandelen we langs 21 heldenmonumenten.
 
We startten bij de grafkapel van de adellijke familie d’Ursel. Laatste rustplaats is hier een relatief begrip daar ze ettelijke malen verhuisden en het aantal overledenen steeds toenam. In 1923 verhuizen er uiteindelijk 36 overledenen naar Hoboken. De grafkapel is van Frans Van Rompaey.
Gustaaf Roels, van opleiding beeldhouwer en zerkenmaker. Interessant is het graf van zakenman Albert Alaers. Hij importeert als eerste nylonkousen. Het beeld dat zijn graf siert zou vooraf door hem besteld zijn bij De Vreese. Indien Alaers het zelf bestelde, blijkt hij dus een zéér vooruitziend man. Hij overlijdt pas 20 jaar na de dood van beeldhouwer De Vreese. Duidelijkheid hieromtrent is er echter niet. De volgende concessie waar we halt houden, vervalt. Nochtans speelt vuurkruiser Eugeen Hosteaux een belangrijke rol tijdens de tweede wereldoorlog. Hij werkt voor de stad en redt zo mensen van de hongerdood door hen extra voedselbonnen toe te stoppen. Hij voorkomt ook dat mensen gedeporteerd worden. 
AVV-VVK siert het graf van Leo D’Hooghe, sigarenhandelaar. Hij verzet zich tegen het Frans dat als voertaal gebruikt wordt aan het front tijdens W.O.I. Veel van onze jongens zijn de taal niet machtig en begrijpen de orders niet. Zijn Vlaamsgezindheid blijkt uit het feit dat hij een eigen sigarenmerk heeft “ Vlaanderen die leeuw”. Katholiek burgemeester Jules Pauwels wint in 1878 de verkiezingen maar de uitslag wordt betwist. Nieuwe verkiezingen geven echter hetzelfde resultaat. Toch wordt Pauwels geen burgemeester. Waarschijnlijk weigert de toenmalige minister de benoeming vanwege een andere partijkleur.
Op het ereperk West, liggen alle socialistische kopstukken begraven met als zeldzaamheid een liberaal zoals Jozef De Coster,  schepen van Hoboken. Hij is oorlogsburgemeester in W.O.II in afwachting van de eerste éénmaking van Antwerpen. Wij komen verder tegen, Emiel Van Damme, geneesheer en niet-benoemde burgemeester, Victor Van Riet, beenhouwerszoon. Hij zit in een kamp tijdens de W.O. Victor De BruyneAlfons Spaepen, introduceert als eerste het socialisme. Ludo Cools, hoofdbrigadier van de hondenbrigade. Overlijdt in actieve dienst bij een val in een liftkoker van een gebouw in opbouw. De as van de hond zou zich bevinden op het graf van zijn meester. Ook hier enig voorbehoud over de echtheid van het verhaal.
Het militair ereperk. Je vindt er politieke gevangen, oud-strijders en gesneuvelden van beide wereldoorlogen waaronder Louis Commissaris, één van de eersten. Majoor Malfait, de enige die een straatnaam kreeg.
Een armtierig graf voor een grote en “lekkere” bekende: Devos-Lemmens. Vlaamse overtuiging is ook te zien op het grafmonument van legeraalmoezenier Petrus Dierckx
Al wandelend van het ene naar het andere monument bemerk ik her en der kindergraven. Zij worden in verloren hoekjes begraven. Dat kan toch  beter, of niet.
Een monument met wat allure is dat van Jan Baptiste Smidts, werkoverste bij Cockerill. Het beeld, een vrouwenfiguur, is van De Kuyper. Van de familie Havenith onthoud ik dat zij eigenaars zijn van het Meerlenhof en dat het momenteel te koop staat. Evrard, huidige bewoner is een bekend duivenmelker.
Volgende stop, de vier jaar lang niet benoemde burgemeester  van Antwerpen, Josephus Cornelius Van Put. Hij is een fel tegenstander van de fortenbouw en  koning Leopold I weigert hem te benoemen. Van Put op zijn beurt weigert een standbeeld van de koning te plaatsen. Gevolg, de koning laat Antwerpen links liggen. Het duurt nog even eer de plooien platgestreken zijn. Zelfs Leopold II weigert aanvankelijk zijn blijde intrede te doen in onze stad! Van Put was echter een minzame man die grote realisaties verwezenlijkte waaronder de aanleg van het stadspark. Frans Van Rompaey, architect van de tuinwijken Moretusburg en Heike. De kerken van Sint Jozef en het Heilig Hart zijn ook van zijn hand. Leverde een bijdrage aan de woningnood.
Nederlander Leo Bosschart, ingenieur bij Cockerill, internationaal voetballer. Op de Olympische Spelen van 1920 behaalt hij met de Nederlandse ploeg goud. Buiten een artikel in de krant, kan niets het verhaal bevestigen dat Joseph Van Beirendonck, boogschutter, goud behaalde op de spelen in 1920. Franz De Feyter, verwoed Minerva verzamelaar. Een pronkstuk is te zien in het MAS. Richard Marnef, werkt eerst als meestergast bij Metallurgie waardoor hij in een rolstoel belandt. Hij is later burgemeester van 1921-1939.
Eindigen doen we in pure tragiek bij André Van Dijck, geneesheer. Regelmatig gaat hij op huisbezoek bij een zwakzinnige vrouw waarbij zij hem reeds enkele keren aanviel. Verzoeken tot collocatie worden niet uitgevoerd. Uiteindelijk gooit de vrouw een bus benzine over hem en overlijdt hij aan zijn brandwonden.
Dan is het voor mij stressen om toch iets te eten, om tijdig aan de Kioskplaats te geraken. Drinken doe ik later wel.
Het openbaar vervoer kent op deze loopdag ook vertraging dus wandel ik van de Zwaantjes met iets uit het vuistje naar de O.L.V. kerk. Net op tijd!
 
Buiten enkele belangrijke grafstenen tegen de kerkmuur, is het kerkhof geruimd. Joseph Lambrechts, geneesheer van opleiding. Als enige geneesheer heeft hij tijdens de cholera epidemie in 1859 de handen vol. Als burgemeester zorgt hij dan ook voor een goed afwateringssysteem.
Florent Van Ertborn orangist en burgemeester van Antwerpen waar hij ervoor zorgt dat het Nederlands voertaal wordt in het onderwijs en bij de ambtenarij. Zet zich ook in voor de havenuitbreiding. Overlijdt in 1840 in Den Haag maar wordt overgebracht naar de familiekelder in Hoboken.  Voor zo’n groot man ligt  de zerk er wat verwaarloosd bij vind ik.
In de kerk staan we stil bij de belangrijkste marineschilder van de 17e eeuw, Bonavontura Peeters. Hij maakt vooral gouaches over de baren van de zee. Daarnaast is hij dichter, schrijft nogal wat hekeldichten op de jezuïeten en neemt de wijk naar Hoboken.  Op de muur vindt men ook nog een epitaaf voor Bonavontura. Tenslotte Jan Van De Werve, schout in Antwerpen en anti-held. Op 21 augustus 1552 vertrekt hij met de koets naar Hoboken waar hij verblijft. Er woedt een onweer en de knecht adviseert om rechtsomkeer te maken. Van De Werve geeft echter het bevel verder te rijden. Op een houten brug aan de stadspoort Kronenburg, doet een hevige wind de koets omslaan. Die gaat over de borstwering en Jan versmoort in de modder van de omwalling.
Na dit bezoek tram ik richting Schoonselhof, voor mijn wachtbeurt,  met een urgentiestop in een café waar ik mijn grote, grote dorst les.
De heldenrondleidingen op de begraafplaats zijn een succes, 135 mensen gaven present. Ik loop nog een stuk mee met de groep van Ann Hernalsteen die het als “immigrant”uitstekend doet.
 
Het was een mooi maar slopend weekend.
 
Mieke Versées
 Foto’s Mieke Versées

Erfgoeddag: een succesverhaal Gidsen moe en tevreden, deelnemers tevreden. Meer moet dat niet zijn.


Het was een succes. Onze vzw mocht samen met de stad Antwerpen een erfgoedwandeling organiseren op Schoonselhof. 135 deelnemers waren er; verdeeld over 8 rondleiding. Natuurlijk hadden we enkele troeven. De stad had gezorgd voor een zeer goed opgesteld boekje: Schoonselhof in 10 heldenmo(nu)menten. Van ‘le Diable Liègois’ naar ‘den Antwerpschen duvel’, dat aan elke deelnemer meegegeven werd. Daarnaast hadden we twee uitmuntende gidsen ter beschikking, nl onze voorzitter Jacques Buermans en de ondervoorzitster An Hernalsteen. 
Zij namen elk, gratis en voor niets, vier rondleidingen op zich. Elke rondleiding startte stipt met groepen die varieerden van 3 tot 30 personen. Onze gidsen kwamen telkens min of meer uitgeteld aan met een groep. Ze werden dan meer of minder opgekalefaterd om, soms na enkele minuten en met de koffiebeker in de hand, al terug te vertrekken met een volgende groep. Men bleef zich aanmelden, telefonisch of gewoon aan de deur van ons plantonhuisje. Ook dat was een troef: dat we dat toch wel knus gebouwtje mochten gebruiken. Vooraf had ik het een flinke poetsbeurt gegeven, zodat het bruikbaar was om er een dag in door te brengen. Het had een dubbele functie: enerzijds lagen onze folders er en moesten deelnemers zich daar aanmelden en anderzijds was het een ‘pauzelokaal’ voor onze gidsen. We hadden dan ook voor de nodige catering gezorgd.
Er ging een ‘ronk’ dat er twee vlaggen beschikbaar waren, maar die hebben we niet gezien. We hebben dan maar zelf wat affiches gemaakt, met beperkt resultaat. Maar het was voor alles een eerste keer.
Ons plantonhuisje werd ‘bemand’ door Els, Rudy, Johan, Erwin, Casimir, Rina, Agnes, Ria en Mieke. Bij deze bedankt voor de assistentie. Ik was er van ’s morgens en ben in het kader van de catering enkele keren heen en weer naar huis gefietst, maar het grootste deel van de dag kwam ik telefonerend en tellend door.
Onze gidsen werkten telkens dezelfde ronde af, met dat verschil dat An het niet kon nalaten om er een Gentse held bij te voegen. De groepen die met An rondgingen, kregen dus een verhaal meer.
Aangezien ik de laatste rondleiding van An meemaakte, is er dus de extra. We hadden een groepje van drie mensen, ondergetekende inbegrepen. Dit had alleen maar het voordeel, net omdat het de laatste rondleiding was, dat die vlot kon gebeuren met het kleinste groepje.
De tien monumenten voor helden zal ik hierna kort beschrijven. De hele uitleg staat in het boekje dat speciaal voor deze gelegenheid gemaakt werd en nog steeds te verkrijgen is. Met het boekje als gids, heb je een groot deel van de uitleg, maar de sappige verhalen van onze gidsen moet je dan natuurlijk missen.
Als inleiding gaf An een korte uitleg over het ontstaan van Schoonselhof, dat als lustoord na het overlijden van Moretus in 1911 aangekocht werd door de stad om het vanaf 1/9/1921 in gebruik te nemen als begraafplaats. Vanaf 1784 moest buiten de stad begraven worden. In 1875 was de Stuyvenbergbegraafplaats vol en lag die in de bebouwde kom. Vanaf 1936 werden de eeuwigdurende concessies overgebracht van het Kiel naar Schoonselhof.
Men beschikt er over 84 ha begraafplaats.
Het thema van de wandeling is ‘helden’. De uitgelezen manier om als held te worden beschouwd, is omkomen in een massagebeurtenis.
De rondleiding startte op perk Z1 bij ‘Le Diable Liègois’
Alvorens daar aan te komen, kwamen we voorbij het grafmonument van Peter Benoit. An vertelde dat, moest ze een rondleiding in Gent geven, ze zou vragen om hier te zingen. Ze heeft graag dat er gezongen wordt op een begraafplaats.
 
Ferdinand Verschaeve (Z1, noordwest). Geboren te Luik op 20/8/1876, met Vlaamse wortels, haalde zijn vliegbrevet op 30/9/1910. Hij wordt testpiloot bij de firma ‘Bollekens’ die naast rolluiken ook in het vliegwezen actief waren. De piloten van de eerste wereldoorlog waren opgeleid door Verschaeve. Hij was gekend als een buitengewoon getalenteerde piloot. Op 22/12/1912 vestigde hij een wereldrecord door 37 minuten en 6 seconden te vliegen op een hoogte van 596 meter. Op 8/4/1914 maakte hij een dodelijke crash in Sint Job in ’t Goor tijdens een testvlucht. Hij werd begraven op het Kiel en later overgebracht naar Schoonselhof. Het grafmonument is gemaakt door Emiel Jespers, de vader van Oscar en Joris Jespers. Men gaat ervan uit dat het grafmonument zelf gemaakt is door Oscar en dat het bronzen portret van de hand van vader Emiel is. Aangezien het monument van zandsteen gemaakt is, ziet het af in ons klimaat. Het is ooit, ter bescherming, geverfd, maar het is dringend toe aan een nieuwe verflaag toe.
 
Slachtoffers ontploffingsramp Corvilain (Z1). Omdat het Spaanse leger overschakelde op een ander geweertype, was er een overschot aan munitie. Joseph-Ferdinand Corvilain beslist om die voorraad op te kopen om die te laten scheiden door vrouwen en kinderen. Hij vraagt aan de Nederlandse regering of hij zijn fabriek in Terneuzen mag optrekken, maar die weigeren. Hij sloeg zijn kardoezen dan maar voorlopig op in Oosterweel. Aanvankelijk krijgt hij van de stad toch toestemming om een terrein voor kardoezenontmanteling te bekomen in de Steenborgerweertpolder. Deze toestemming wordt achteraf terug ingetrokken, maar hij gaat toch van start met de ontmanteling. Later krijgt hij van de provincie als nog toestemming voor de exploitatie van zijn fabriek. Hij installeert een stoomwerktuig, terug zonder toestemming. Op 6/9/1889 om 14:53 vond een zware explosie plaats op het terrein. Men weet dat zo exact omdat de klokken van de cafés de Volmolen en Scheldeland uit de buurt zijn blijven stilstaan op dat uur. Een aanpalend bedrijf dat petroleum en olie opsloeg deelde mee in de klappen. Hierdoor ontstond brand op de Schelde, waardoor een Amerikaanse driemaster vuur vat en kantelt op een stoomsleepboot, die op zijn beurt zinkt. Daarnaast wandelt er, net op dat ogenblik een klasje voorbij. Er zijn een 50 tal directe doden. Van 42 mensen wordt nooit meer iets teruggevonden. Begrafenisondernemer Vets moest karren en alle middelen inzetten om de doden en/of wat er van overbleef, te vervoeren. Vandaag spreekt men nog van ‘een begrafenis met het karreke van Vets’ als men spreekt over een sobere, armoedige begrafenis.
Na de ramp komt Koning Leopold II op bezoek en vanuit alle hoeken worden er treinen ingelegd om de toeristen aan te voeren. Het ramptoerisme was geboren.
Op de Kiel begraafplaats werd een kuil van 75 meter gegraven waarin de kisten zij aan zij neergelaten werden. Het was de bedoeling om een hek rondom het gemeenschappelijke graf te maken, maar dat hek kwam er nooit. bij een eerste ontruiming van de Kielbegraafplaats heeft men het graf gespaard, maar bij een tweede ontruiming in 1917 werd het graf ontruimd. Het monument is een cenotaaf; dat is monument zonder stoffelijke resten. Stadsingenieur Royers ontwerpt een grafmonument dat beladen is met symboliek. Bovenaan zien we een afgedekte urne, die verwijst naar het afgedekte leven. Daaronder het wapenschild van de stad Antwerpen. Nog lager zien we een bronzen plaat met een afbeelding van de explosie en het voetstuk is opgetrokken uit brokstukken van de fabriek. Joseph-Ferdinand Corvilain wordt op 14/9/1889 opgepakt en veroordeeld tot een gevangenisstraf. (Mr Corvilain zelf ligt begraven op perk Y rij 25.)
 
Extra in de rondleiding van An: Casimir Coquilhat (Z1 rij 8) werd op 4/10/1811 in Gent geboren uit Franse ouders. Zijn vader heeft gediend in het leger van Napoleon. Casimir studeert wiskunde in Gent en nadien in lui. In 1830 wordt hij ingelijfd als vrijwilliger. Van 1870 tot 1873 is hij oppercommandant in Antwerpen. In 1874 wordt hij overgeplaatst naar West Vlaanderen en ziet dit als een degradatie. Hij daagt zijn plaatsvervanger in Antwerpen uit tot een duel. Er vallen geen gewonden, maar Casimir moet voor de krijgsraad verschijnen en dit betekent het einde van zijn militaire carrière.
In 1873 schrijft hij een artikel van 16 bladzijden in een zeer gekend wetenschappelijk tijdschrift. Dit handelt over het traject dat een raket aflegt in een luchtledige ruimte. Hij is dus de feitelijke pionier van de ruimtevaart. Hij was gekend tot in Turkije en Pruisen.
Hij sterft op 26/10/1890.
Zijn zoon, Camille (15/10/1853 – 24/3/1891), die daar ook begraven ligt, studeerde aan de militaire school in Brussel. Hij daagde na een conflict zijn vriend George Eeckhout uit tot een duel en als gevolg daarvan wordt hij uit de school gezet en wordt naar Congo gestuurd. Hij ontwikkelt zich tot een grote tegenstander van de slavernij. Hij overlijdt in Congo op 38 jarige leeftijd.
 
Slachtoffers van de strijd voor het algemeen stemrecht (Z1, rij oost, 41). Op 11/4/1893 komt er een wetsvoorstel voor algemeen stemrecht. Men wil het aantal stemmen dat iemand krijgt aanpassen aan de hoeveelheid belastingen die iemand betaalt. Het voorstel wordt afgeschoten en als reactie hierop gaan de socialisten in staking. De haven van Antwerpen wordt afgezet om oproer te voorkomen. De betogers trekken dan maar richting Borgerhout om het personeel van de kaarsenfabriek Roubaix-Oedenkhoven (beter bekend als den Bougie) zo ver te krijgen dat ze mee gaan staken. Van de directeur mag elke arbeider meestaken, maar hij laat niet toe dat er politiek betogen worden gegeven in zijn fabriek. Ondertussen waren politie, gendarmerie en brandweer opgetrommeld, maar de manifestanten trokken zich terug. Later die dag was er terug een optocht en een 4000 tal manifestanten gaan terug richting den Bougie. De directeur blijft bij zijn standpunt, dat iedereen mag meestaken, maar geen politiek in zijn fabriek. Nog voor dit kan meegedeeld worden aan de stakers, ontstaan er schermutselingen. Hierdoor wordt aan de ordediensten opdracht gegeven om met losse flodders te schieten. De schermutselingen ontaarden en er wordt opgedragen om met scherp te schieten. Er vallen vijf slachtoffers. De namen van de vijf slachtoffers staan vermeld in het monument. Op 22/1/1947 werden de stoffelijke resten overgebracht van het Kiel naar Schoonselhof.
 
Maria ’s Heeren (perk Y, rij 28) Geboren te Sint-Truiden op 16/15/1884 en overleden te Antwerpen 16/8/1902 – overgebracht van Kielbegraafplaats 1949. Kwam uit een kroostrijk gezin en werkte als naaister. De struyfvogelmaatschappij (te vergelijken met vogelpiek vandaag) nam deel aan de lichtstoet van 1902, een tijd waarin stoeten zeer populair waren. Men opteerde voor een sneeuwtafereel, waarin Maria, de bruid was van de Koning Winter. De praalwagen stelde een sneeuwberg van 6 meter hoog voor. Maria zat helemaal bovenaan en naast de wagen liepen kindjes, die verkleed als elfjes en kabouters (papieren) sneeuwvlokken rondstrooiden. De wagen zelf was verlicht met benzinelampen, olielampen en kaarsen. Aangekomen op de Sint Kathelijnevest vatte de wagen om onbekende reden plots vuur. Frits Haegen probeerde nog om haar te bevrijden uit haar hachelijke positie. Ze zat namelijk om veiligheidsredenen vastgesnoerd boven op de praalwagen. Er kon geen hulp meer baten; Maria verbrandde zo goed als levend boven op haar troon. Ze kreeg een heldinnenbegrafenis en werd op de Kielbegraafplaats begraven. In 1927 wou de vader van Maria dat er een marbrieten plaat op het graf kwam (een soort gemarmerd glas).
Dit is het eerste grafmonument dat vzw Grafzerkje ooit onder handen nam.
Bovenaan het grafmonument staat een enkel met een palmblad. De engel is een engelbewaarder en het palmblad symboliseert de overwinning op de dood. De vlammen, aan de zijkant, zijn in beweging en symboliseren het langzame uitdoven van het leven.
De oorspronkelijke marbrieten plaat werd na de renovatie achteraan het grafmonument geplaatst, maar is daar door vandalen onherroepelijk vernield.
 
Herman Van den Reeck (perk VTS) Geboren in Borgerhout21/4/1901en overleden te Antwerpen op 12/7/1920, overgebracht van de Kielbegraafplaats in 1943. Hij was een student Grieks Latijn. Hij was buitengezet aan de Gentse universiteit en werkte tijdelijk als klerk voor een Spaanse firma. Tijdens een verboden 11 juli viering kwam hij in de problemen. De betoging werd in Borgerhout gehouden omdat ze daar niet verboden was. Kleine groepjes trokken echter op naar de grote markt in het centrum van de stad. De burgemeester meldde zich ziek, en de eerste schepen gaf de opdracht om alle vlaggen in beslag te nemen. Herman wou de leeuwenvlag van de meisjesgilde in bescherming nemen en werd daarbij neergeschoten. Hij werd nog naar het stadhuis gebracht waar hem opgedragen werd een verklaring te ondertekenen waarbij hij de verantwoordelijkheid droeg voor ’het ongeval’. Hij weigerde dit en werd uren te laat overgebracht naar het ziekenhuis waar hij overleed aan de opgelopen verwondingen. Hij overleed op 128/7/1920. Er werd een wedstrijd uitgeschreven om een grafmonument te ontwerpen. Het ontwerp van beeldhouwer Couvreur won deze wedstrijd.
 
Edward Coremans (perk VTS) geboren te Antwerpen op 1/2/1835 en overleden te Antwerpen op 2/11/1910. Edward Coremans stond voor de vernederlandsing van het gerechtshof. Hij streefde er naar dat rechtszaken van Vlamingen in het Vlaams behandeld werden. Hij hield in 1888 de eerste toespraak in het Nederlands voor het parlement. In 1909 deed hij echter een uitspraak die als majesteitsschennis beschouwd werd en dit werd het begin van zijn val. Men zocht allerhande redenen om hem in discredit te brengen, oa door hem te beschuldigen van het aannemen van steekpenningen voor de eenmaking van de trammaatschappij. Zijn collega’s willen niet meer met hem samenwerken en hij verdween uit de politiek. Enkele maanden later stierf hij als gevolg van suikerziekte. Na zijn overlijden wou zijn familie een grafmonument plaatsen naar een fabel van Jean De La Fontaine. Hierin werd verwezen naar de leeuw waar iedereen schrik voor had, maar die op zijn sterfbed belaagd wordt door de andere dieren die voordien voor hem uit de weg gingen. Hier werd de leeuw voorgesteld met de gelaatstrekken van Coremans en de andere dieren waren zijn politieke tegenstanders. Het monument mocht niet geplaatst worden. Het staat nu ergens in een privétuin in Antwerpen.
 
Albert Pot (1917 – 1936) en Theophiel Grijp (1899 – 1936) (perk N). In 1936 waren er verkiezingen. In de nacht van 22 op 23 mei werd een plakploeg van de socialistische partij erop gewezen dat er een plakploeg van de ‘realisten’ (rechtse partij) op verboden plaatsen aan het plakken was. Er waren inderdaad 3 mannen en 1 vrouw aan het plakken. De vrouw voelde zich bedreigd en gooide peper in de ogen van iemand van de socialistische partij. Hierop probeerde Albert Pot de peper af te nemen van de vrouw, maar werd daarbij neergeschoten. Onderweg naar het ziekenhuis overleed Pot. De anderen zetten een achtervolging in op de peper gooiende vrouw en bij de schermutselingen die hier plaatsvonden werd Grijp neergeschoten. Zij liggen niet onder hun oorspronkelijke grafzerk, die door Poels ontworpen werd. Op hun nieuw grafmonument staat een gedicht van Jan Greshoff.
 
Gesneuvelden in bevolen dienst (perk E). Perk E wordt voorbehouden voor mensen die tijdens hun dienst om het leven kwamen. Hiermee bedoelt men brandweermannen, politieagenten en havenarbeiders. Vzw Levanto voerde vorige winter conservatiewerken uit om dit perk in ere te herstellen. De dag voor Erfgoeddag is het perk plechtig heringewijd. Daarom staan er vandaag nog drie kransen.
Marcel Poupaert (1907 – 1957) kwam als brandweerman bij een brand in een Chileens vrachtschip dat aangemeerd lag in de haven van Antwerpen. Het was een brand die zeer moeilijk te blussen was door een gebrek aan watervoorziening op het schip zelf. Men besloot om het vol te pompen met water waardoor het slagzij maakte. Sergeant Poupaert klauterde door een mangat om de brand te bereiken, maar kwam om het leven door verstikking.
Jules Ryngaert (1893 – 1937) kwam als brandweerman om bij een val in een liftkoker tijdens de bluswerken van een brand in de ‘Bon Marché’. Hij stortte hierbij vier verdiepingen naar beneden.
Jules Jean Van Cotthem (1879 – 1914) kwam als politieagent om bij een eerste zeppelin aanval boven de stad Antwerpen.
Alfons Peeters (1933 – 1990) was brandweerman en kwam om tijdens een brand in Hoboken waarbij hij een man en zijn zoontje probeerde te redden. Hij viel door een koepel.
Frank Vanden Bulck en Karel van den Berg kwamen in 1978 om tijdens een brand van een katoenopslagplaats in de Noordnatie. Hier was ook een zeer moeilijk te blussen brand aan het woeden. Plots stortte een muur in; de lichamen werden pas vier dagen later terug gevonden.
 
Twee zuilen voor de Franse soldaten stonden oorspronkelijk op het Sint Laurentiuskerkhof. De eerste obelisk herdenkt de gekwetsten van de veldslag van Belfort, waarbij in 1870-1871 de gekwetsten overgebracht werden naar Antwerpse ziekenhuizen. De tweede obelisk herdenkt de gevallen Franse soldaten tijdens het beleg van de Antwerpse Citadel in november – december van 1832. Het werd in zandsteen opgericht in 1905, ook op het Sint Laurentiuskerkhof en in 1930 overgebracht naar het Schoonselhof.
 
 Militaire slachtoffers. Op de militaire begraafplaats liggen gesneuvelde soldaten van verschillende nationaliteiten. Er zijn andere rondleidingen die dieper ingaan op deze specifieke perken.
Jan Olieslagers (1883 – 1942) werd geboren in het Krabbenstraatje in het hartje van Antwerpen. Als jonge snaak gaat hij aan de slag in een fietsenfabriek. Later krijgt hij de verantwoordelijkheid over de productie van racefietsen. Hijzelf was ook een groot wielrenner en reed onder de naam ‘John Max’ vele prijzen bij elkaar. In 1900 gaat hij aan de slag in de Minervafabriek. In 1904 wint hij als ‘de duivel van Europa’ de koers Parijs-Bordeaux-Parijs. In dat zelfde jaar werd hij ook wereldkampioen motorracen; hij was de eerste die sneller dan 100 km per uur reed. In 1909 neemt hij deel aan vliegtuigmeetings. Hier raakte hij bevriend met Fernand Verschaeve, onze eerste held van vandaag. De vliegtuigen werden geproduceerd door de firma Bollekens, een bedrijf dat eigenlijk rolluiken maakte. In 1911 werd Olieslagers wereldrecordhouder vliegen met 625 kilometer in 7 uur en 18 minuten. Zo kwam hij aan de naar ‘Den Antwerpschen duvel’. Tijdens de oorlog stelde hij zich met zijn vliegtuig ten dienste van zijn vaderland. Na de oorlog wijdde hij zich aan de automobielindustrie. Hij werkte mee aan de aanleg van de vlieghaven van Deurne, waar nu nog een standbeeld van hem staat.
 
Hier werd de rondleiding afgesloten en wandelden we terug naar de ingang. Tot mijn grote genoegdoening was alles al opgeruimd en afgesloten. Wij zijn, met de vrijwilligers die nog aanwezig waren, de dag gaan afsluiten met een frisse pint. Waar we dachten dat onze gidsen zo goed als uitgeteld zouden zijn na zo een vermoeiende dag voor hen, waren zij het die nog flink discuteerden over hoe ze een eventuele volgende dag als vandaag zouden aanpakken.
 
Leen Otte

Inhuldiging Mijmerbank OVOK-Tessenderlo Mijmerbank.


Omdat de zelfhulpgroep OVOK (Ouders Van een Overleden Kind) in 2012 twintig jaar actief is met een praatgroep in Tessenderlo, wou de vereniging dit gedenken op een speciale, maar serene manier. Voor een zelfhulpgroep als deze is een jubileumjaar immers geen reden tot feestgedruis.
OVOK biedt verstaanbare en toegankelijke informatie over verlies en rouw via haar website, brochures en een driemaandelijks tijdschrift. Heel belangrijk is het organiseren van lotgenotencontact. Dit doet de vereniging  via praatgroepen, een jaarlijkse landdag en persoonlijke contacten. In de praatgroep van OVOK-Tessenderlo komen lotgenoten tweemaandelijks samen, vertellen en luisteren naar ieders verhaal, delen elkaars verdriet en zorgen. Samen zoeken zij antwoorden op vragen over de zin van het lijden, de dood en het leven nadien.
 Toen het mooie natuurgebied Gerhagen - gelegen in Tessenderlo en bestaande uit  een duizendtal hectaren bos, weiden, akkers en vennen - van de Vlaamse Overheid het kwaliteitslabel  van STILTEGEBIED kreeg,  koppelde de vzw OVOK-Tessenderlo enkele ideeën aan elkaar:  iets bijzonders doen voor de vereniging, stilstaan in een mooi stukje natuur, ontroerd worden door kunst en mijmeren over leven en dood.
Deze ideeën kregen vorm in een KUNSTPROJECT. Dit project, sfeervol ingehuldigd op paaszaterdag 7 april 2012, bestaat uit een bank, een beeld en een gedicht.
De BANK bestaat uit een halve cirkel, een cirkel die niet rond is, niet af. Het leven van jong gestorvenen is naar menselijke maatstaven immers ook niet af. De bank is in beton gegoten en vormt zeker geen vloek in dit natuurgebied. Ze werd fijn gepolierd en is een allegorie voor onwankelbaarheid, standvastigheid en stabiliteit in onzekere tijden.  Ze werd geproduceerd door de firma Ebema uit Zutendaal.
Het BEELD in blauwe steen, gehouwen door Rafaël M.M.Timmermans uit Halen, is een piëta die  serene droefheid uitstraalt. Ze draagt een krans van rozen waarvan er één uitgewerkt werd, de andere bleven in knop. Het beeld staat gekanteld op de bank, het leven van ouders van overleden kinderen kende evenzeer een blijvend kantelmoment. De achterkant van het beeld, voorzien van een natuurlijke breuklijn, symboliseert een gebroken hart. In de ene helft beitelde de kunstenaar alle letters van het alfabet in willekeurige volgorde. Daardoor krijgt het universele van het beeld een individueel karakter: ieder ouderpaar vindt er de initialen van zijn of haar kind terug. De kunstenaar bewerkte bewust slechts de helft van elke zijde van de steen. Het beeld oogt onaf en stelt ons de vraag of het leven van jong gestorvenen af was.
Het GEDICHT  ‘In ons blijf je levend’ werd gecreëerd door Cyriel Gladines uit Tessenderlo. Cyriel is in Tessenderlo alom gekend en gewaardeerd als dichter van fijnzinnige poëzie. In Vlaanderen en Nederland werd hij herhaaldelijk bekroond en werden zijn gedichten in diverse bloemlezingen opgenomen. Voor OVOK deed hij zijn uiterste best om zich in te leven in de gevoelswereld van rouwende mensen. Zijn gedicht beschrijft de onmacht en het moeizaam vatten van wat er gebeurde. Het nodigt uit tot mediteren over wat was, wat is en wat komen kan.
Het gedicht werd uitvergroot en vastgehecht op een SOKKEL, uit hetzelfde materiaal vervaardigd als de bank. De firma Ebema maakte er een punt van om ‘Stone en Style’ te combineren. Voor  de symbolische bank en bijhorende sokkel heeft ze een bijzondere inspanning gedaan opdat de schoonheid van het materiaal zou overvloeien in beeld en omgeving.
Het OVOK kunstproject kreeg de naam van MIJMERBANK. Elke inwoner van Tessenderlo of bezoeker van het Stiltegebied van Gerhagen kan genieten van deze Mijmerbank. Ze staat er voor iedereen. Uiteraard is ze een eerbetoon voor onze overleden kinderen. Het gedicht, het beeld en de symboliek van de bank verwijzen naar een verleden van verdriet en pijn.
Maar ook mensen met gemis kunnen er hun verdriet kwijt en proberen er krachten op te doen. Iedereen die ooit droomde van geluk, maar plots moet leren leven met verlies van geliefde of partner, verlies van job, verlies aan zelfvertrouwen … elkeen op zoek naar zichzelf kan er terecht. Ontroerd worden door de schoonheid van de natuur en de diverse kunstvormen zal mensen uitnodigen tot mijmeren.  Ze zullen terugblikken naar het verleden, kunnen halt houden bij het heden of dromen van de toekomst.

De realisatie van dit kunstproject kwam tot stand door de medewerking en steun van de gemeente  Tessenderlo, enkele grote bedrijven van Tessenderlo, alle Service Clubs van de gemeente, CERA, de Cultuurraad, de VVV en anonieme sponsors.
De sfeervolle inhuldiging vond plaats op 7 april 2012 en werd muzikaal opgeluisterd door Jean Bosco Safari. Hij bracht ingetogen een aantal liederen die hij gecomponeerd en gezongen had bij het overlijden van de zoon van een vriend.
 
Wandelaars van het Stiltepad komen de Mijmerbank tegen op hun route. Deze wandeling start aan het Bosmuseum, Zavelberg 10, 3980 Tessenderlo. Anderen vinden een rechtstreekse toegangsweg op het plannetje dat verkrijgbaar is in het Bosmuseum en bij de VVV in Tessenderlo Centrum.
 
Bijkomende info:
Informatie over de zelfhulpgroep:  www.ovok.be
Info Bosmuseum: www.wet.gerhagen.be
 
Liliane Moonen en Leen Vande Kerkhof
verantwoordelijken OVOK Project Tessenderlo

Drie dagen funerair Nederland in september 2012 in 2012 funerair Nederland: Utrecht en Arnhem!


Na ons succesvolle driedaagse naar Parijs in oktober 2011 werd op de algemene vergadering besloten om eens iets te organiseren in Nederland. Eerder kwamen Amsterdam (2005) en Den Haag (2007) aan de beurt. Besloten werd om deze twee steden niet aan te doen. Een driedaagse in Rotterdam lukt blijkbaar nog steeds niet omdat met daar elle medewerking weigert. Een aantal van onze Nederlandse leden werd aangeschreven om eens te denken over wat kan of niet kan. Uiteindelijk werd Wim Vlaanderen bereid gevonden om iets in mekaar te steken. Na wat over en weer gemail werd geopteerd om Utrecht als overnachtingsplaats of overnachtingsomgeving te nemen.
 
Wat staat er op het programma :
 
Vrijdag 14 september, 14 uur:  begraafplaats Kovelswaarde, Utrecht.
 
Zaterdag 15 september, 10 uur: begraafplaats Soestbergen, Utrecht. Namiddag vrij eventueel, facultatief bezoek aan de D.O.M. kerk of de Oude gracht met zijn leuke kroegen en winkeltjes.
 
Zondag  16 september, 10 uur (mogelijk iets later wegens de verplaatsing van Utrecht naar Arnhem): Arnhem: bezoek aan de begraafplaats Moscowa.

Hoe zien we het :
 
In principe is er geen verschil met een binnenlandse rondleiding. Vrijdag starten we om 14 uur aan de hoofdingang van de begraafplaats Kovelswaarde, Koningsweg 49, 3582 oost Utrecht. Concretere gegevens worden aan de deelnemers verstrekt. De deelnemers komen op eigen kracht naar daar. Indien nodig kan samengereden worden. Informatie over hoe er te geraken wordt eveneens verstrekt. Hetzelfde voor zaterdag en voor zondag.
 
Ondergetekende en vzw Grafzerkje zijn GEEN reisorganisatoren en laten eenieder vrij om zich naar Utrecht te verplaatsen hoe ze dat wensen, een logiesgelegenheid te zoeken naar hun gading en naar hun portemonnee en naar Utrecht te gaan wanneer ze dat willen (in het verleden breiden een aantal leden enkele dagen extra aan de trip om de stad te bezoeken).
 
Hoe moet het nu verder :
 
Geïnteresseerden mogen zich vanaf nu opgeven. In principe is het zo dat de trip doorgaat ongeacht het aantal deelnemers. Die deelnemers betalen, zoals voor een gewone rondleiding, € 5 per persoon per rondleiding. Indien er niet-leden deelnemen betalen die € 7 per persoon per rondleiding. Er kan dus ook ingeschreven worden voor één of twee rondleidingen.
 
In de volgende Lezersbrief zal een stand van zaken opgegeven worden : wie gaat er mee, van wanneer tot wanneer, bestaat er een mogelijkheid om samen te reizen (vraag en aanbod), wie logeert waar (is zeker niet verplicht – de privacy van leden die dat niet wensen mede te delen wordt gerespecteerd – maar in het verleden maakten we mee dat enkele leden zonder het van mekaar te weten in hetzelfde hotel logeerden of vlakbij logeerden en dan spijt hadden dat ze niet voor éénzelfde hotel gekozen hadden), wie wil eventueel een kamer delen.
 
Nog vragen ? Aarzel niet om mij te contacteren !

Voor alle informatie slechts één adres.