Nieuwsbrief Nr. 67 - maart 2012

Lidgeld nu nog een mogelijkheid tot aanbetaling voor 2012.


 
Vanaf nu kan er ook reeds aanbetaald worden voor het lidgeld voor vzw Grafzerkje voor 2012:
individueel lidmaatschap: € 12 
lidmaatschap koppel: € 18
steunende leden betalen € 30 maar meer mag natuurlijk ook
De retributie voor de gedrukte Nieuwsbrief blijft ongewijzigd (€ 20 binnenland; € 25 buitenland).
 
U kunt nu al lid worden tot eind 2012 door volgend bedrag te storten op 736-0010440-28 (BE37 7360 0104 4028):
-            betalend lid: € 12 per persoon (koppels € 18);
-            steunend lid: vanaf € 30 (met vermelding van uw naam in de Nieuwsbrief);
-            gedrukte zwart/wit Nieuwsbrief: extra € 20, € 25 voor Nederland.
Nederlandse vrienden kunnen hun lidmaatschap aanbetalen ofwel mits de vermelding van volgende BIC: KRED BEBB en IBN: BE37 7360 0104 4028 ofwel stuurt u een briefje of e-mail naar [email protected] en vermeldt het bedrag dat u naar zijn rekening hebt overgemaakt. U maakt het bedrag over naar postgiro 19.19.040 ten name van P.P.C. Vernimmen, Snelliusstraat 47c, 2517 RH Den Haag, onder vermelding van "vzw Grafzerkje".
 
Het bestuur

Kerkhof en begraafplaats van Melle, een meevaller eerste rondleiding van 2012 een succes!


Algemene vergadering dus altijd iets meer belangstelling. De helft van de 30 deelnemer zaten al om tien uur in de lokale drankgelegenheid. Om 10.30 uur startte onze gids Jan Olsen zijn betoog op de parking die tot 1968 deed uitmaakte van het kerkhof rond de Sint Martinuskerk uit 1841 van architect Minard, juist: die van de gelijknamige schouwburg. Op het graf Wackeniers zagen we het anker, het kruis en de ourobouros. Achteraan de kerk vonden van pastoor Prosper Matthys. 
Veel heraldiek op Leon de Moerman et d’ Harlebeke. Twee wapenschilden (rechthoekig voor mijnheer, rond voor mevrouw) met daarboven een kroon waaraan men kon zien dat de volksvertegenwoordiger ook burggraaf was. Nog enkele graven op het eigenlijke kerkhof: Vervaene, pioniers als bloemisten, Picha bekend van de cement en eigenaar van een tegelfabriek. 
Jan Olsen, die fantastisch goed gedocumenteerd was, toonde ons hier een grot in cement gemaakt door Picha waar hij, Picha dus, rondleidingen verstrekte. De grot moet nog bestaan maar is omwille van de veiligheid niet meer toegankelijk. Nog graven voor burgemeester Botelberge en kunstschilder Theodore Gerard.
Vandaar overgestoken naar de begraafplaats uit 1909. We zagen een mooi beeld voor de moeder van Alfons Dessenis, schilder uit de Latemse school. Vlakbij het monument voor de gesneuvelden negen Franse mariniers. 
Bij politiecommissaris De Meyer, die doodgeschoten werd door een van de bendes die ontstonden na Wereldoorlog I toen hij hen betrapte bij een poging tot inbraak, bracht Jan Olsen enkele strofen van een “moordlied” speciaal gemaakt bij het overlijden van de commissaris. De kapel waar de priester in begraven liggen is een van de vele werken van beeldhouwer Jules Vits die de begraafplaats rijk is. De paters Jozefieten genoten nogal wat aanzien in Melle, hun College stond bijna gelijk met een universiteit en zijn waren ver voor op hun tijd want in het College bevond zich een openluchtzwembad. Ook hier had Jan fotomateriaal van en hij wist ook nog te vertellen dat de paters Jozefieten het voetbal in onze gewesten bekend maakten. 
Een eenvoudig graf was dit van kleinkunstzanger Wim De Craene. Hier citeerde Jan uit diens lied “Rosanne” waar hij illustreerde dat “het Prinsenhof de naam was een straat”. Camille De Paepe, priester-dichter, schreef in de Franse taal onder het pseudoniem Camille Melloy. Hier weer een fragment uit een van zijn gedichten. Beeldhouwer Jules Vits kreeg uiteraard ook zijn laatste rustplaats in Melle. 
Joris Cosyns was oorlogsburgemeester. Op het eind van Wereldoorlog II werd hij door het verzet vermoord. Zijn grafmonument mag zeker origineel genoemd worden. 
De familie van Felix Beernaerts – Bastiné deed in textiel. Felix buitte, op zijn minst gezegd, zijn werknemers uit. Diens zoon had al iets meer oog voor de penibele werkomstandigheden. Op het eind kwamen we nog voorbij een aantal graven die van het kerkhof kwamen. De adellijke families de Beuren, Verplancke de Diepenhede en de Pooter d’Indoge. 
Jan Olsen kon ons nog naar de Sint Martinuskerk brengen waar er een aanzienlijk aantal obiits werden opgekuist. Jan wist ook te vertellen dat een aantal obiits zich in het heemkundig museum bevonden. Meer dan twee uur onderhield Jan Olsen ons met zijn bevlogen betoog, rijkelijk geïllustreerd.
Jacques Buermans
Foto’s: Rina Reniers, Casimir Steenackers en René Mertens

De dood in de kinderschoenen: pakkende voordracht moeilijk onderwerp gepast naar voren gebracht door ons lid Anne-Flor Vanmeenen.


Ons lid Anne-Flor Vanmeenen werd bereid gevonden om op de algemene vergadering een voordracht te geven “de dood in de kinderschoenen”. Zij deed onderzoek op meer dan 200 begraafplaatsen, voornamelijk in Oost Vlaanderen. Sinds 1999 is er een erkenning, met terugwerkende kracht,  en mogen er namen gegeven worden aan ongeboren kinderen. Vroeger stonden er opschriften zoals “zoontje van … “ of “ons engeltje” op het graf. Tussen 12 en 26 weken bestaat nu ook de mogelijkheid tot begraven of cremeren. In het buitenland bestaat er veel meer foetusweiden, soms “sterretjesweide” of “engeltjesweide” genoemd, dat in onze contreien.
Anne-Flor stond stil bij het portret op kindergraven. Weinig sculpturen en veel foto’s. Er kwam eer doorbraak met het fotokeramiek. De laatste tijd zijn de foto’s minder formeel onder meer met vakantiefoto’s. De doodsportretten, het kind op het doodsbed, zijn na 1960 bijna volledig verdwenen. Grafschriften kregen ook een evolutie. Het “bid voor ons” werd vanaf 1980 vervangen door meer seculiere grafschriften. Ook is er een verschuiving van het religieuze naar de “liefde”. Symboliek was er met de gebroken zuil, de gebroken bloem of knop. De aarde wordt gezien als “de dief die het kind afpakte”. Verder de regenboog of een sterretje en opschriften als “ons kindje slaapt”. Heel persoonlijk is de hand van het vroeg gestorven kindje. Tegenwoordig ziet men ook heel persoonlijke populaire symbolen zoals smurfen of Mickey Mouse. Bij graftypes wist Anne-Flor ons te vertellen dat het heel dikwijls miniaturen van bestaande graven of grafkruisen zijn. De inplanting van het kinderperk is gegroepeerd en sporadisch krijgt het kinderperk een aparte plaats op de begraafplaats. De functie van zulk een kindergraf geeft de ouders een plek waar hun kind overleed en wordt op regelmatige tijdstippen bezocht: kerstmis wordt er gevierd, de verjaardag wordt niet vergeten.
Anne-Flor Vanmeenen besloot met te stellen dat er meer en meer erkenning is voor het kindergraf en dat het graf heel belangrijk blijft. Door de toenemende crematie nemen veel ouders de asurne mee naar huis.
Gedurende de gehele spreekbeurt was het muisstil in de zaal en Anne-Flor kon haar toehoorders bekoren met een fel gesmaakte en rijkelijk geïllustreerde voordracht. Nadien bleek dat de leden van vzw Grafzerkje erg geïnteresseerd waren want ontelbare vragen werden afgevuurd op de spreker. Bedankt Anne-Flor voor uw uiteenzetting.
Jacques Buermans

Veel positief nieuws op de algemene vergadering veel inbreng van de leden tijdens de algemene vergadering.


Na de ochtendlijke rondleiding op het kerkhof en de begraafplaats van Melle trok het gezelschap naar Destelbergen om daar een maaltijd te nuttigen. Het begon al leuk voor ondergetekende want hij kreeg geschenken aangeboden van het bestuur omdat hij de kaap van 65 jaar overschreden had. Volgens sommige “kwade geesten” tijd om de baan te ruimen.
De traditionele “nieuwjaarsbrief” volgde met een overzicht van het voorbije jaar en een aantal positieve vooruitzichten voor 2012. Vzw Grafzerkje werkt voor het eerst mee aan de Erfgoeddag van 22 april en aan Open Monumentendag. Het restauratieproject Jozef Lies, grafmonument op de begraafplaats Schoonselhof, is nu in zijn positieve of negatieve eindfase getreden. Wegens het feit dat er nog steeds geen nieuwe kandidaten zijn om in het bestuur te zetelen en omdat alles in de schoot van vzw Grafzerkje toch op wieltjes loopt werd het huidige bestuur in zijn functie bevestigd.
Na de voorzitter was het de beurt aan An Hernalsteen, ondervoorzitster en verantwoordelijk voor de rondleidingen, om dieper in te gaan op het programma voor 2012. Er werden enkele rondleidingen verschoven en er is een plaatsbezoek aan het atelier van beeldhouwer, en lid van vzw Grafzerkje, Jef Van Leeuw gepland. 
Nadat Martin Demedts, ondervoorzitter en penningmeester het gezelschap verblijdde met een meer dan positieve toestand van vzw Grafzerkje werd even dieper ingegaan door Erika Raven, onze webmasterin, over de op komst zijnde vernieuwde website. Het zal een enorme klus worden om alles wat nu op de oude website staat over te brengen naar de nieuwe website maar vele handen maken het werk licht en een enthousiaste Erika was meer dan verheugd met een vijftal vrijwilligers om deze taak tot een goed einde te brengen. Via een mailing hopen we op nog meer kandidaten. Bij enkele drankjes werd de algemene vergadering in een optimistische sfeer afgesloten.
Jacques Buermans

Foto’s: Rina Reniers, Ria Vaes, Leo Spiessens en Jacques Buermans

Vzw Grafzerkje bezoekt Père Lachaise in de regen moeder van alle begraafplaatsen kwam als laatste aan de beurt.


Tien Grafzerkjes, is zo wat een traditie, vonden mekaar om 9.30 uur om een warm drankje te nuttigen vóór de start van de rondleiding. Het was nodig want de weergoden waren ons niet zo goed gezind. Ons An zou ons An niet zijn wanneer ze afkwam met: “voorzitter, we gaan toch langs Caillebotte? en langs Alphonse Daudet?”. Niet dus. Ik verdenk haar ervan in mijn papieren te zoeken en enkele namen te noteren waar ik zeker niet langs maar ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat ze zich voor de rest tijdens de rondleiding heel rustig hield. Het kwam misschien omdat bij de aanvang van de rondgang een aantal mensen naar haar stapten omdat ze dachten dat ze, met haar paraplu met daarop “Guide touristique”, of was het “guide terroristique?, gids van Père Lachaise was. 

Gestart werd 12 “zerkjes” bij Louis Visconti de architect van het nieuwe Louvre en van de immense graftombe voor Napoleon in de Dôme des Invalides. In 1828 was Visconti medestichter van de “Compagnie Générale des Sépultures de Paris” en daarom kreeg hij een prominente plaats op Père Lachaise en een beeldhouwwerk van Victor Leharivel. Broers Jean Pierre Dantan en Antoine Laurent Dantan, beeldhouwers. Een prachtig monument dat wel een restauratiebeurt kan gebruiken in romantische stijl. Giacomo Rossini is de pionier van de korte komische opera. Bekendste werken zijn “De barbier van Sevilla” en “Willem Tell”. Het betreft hier echter een cenotaaf. Zijn lichaam werd, negen jaar na zijn dood, overgebracht naar Firenze waar hij begraven ligt in de Santa Croce. 
Het ossuarium van Père Lachaise, met de naamloze resten, is een processie van mensen op weg naar de dood. Links ziet men de angst voor de dood en rechts de hoop en het berusten in de dood. Het monument is van de hand van Albert Bartholomé die vlakbij “zijn” monument begraven ligt. Fernand Arbelot kreeg een bronzen mannengisant, Arbelot, met in zijn hand een vrouwenmasker, zijn echtgenote. Het is van de hand van de Belgische beeldhouwer Adolphe Wansart. Het epitaaf vermeldt: “Ils furent émerveillés du beau voyage. Qui les mena jusqu’ au bout de la vie”. Alexandre Théodore Brongniart was de architect van Père Lachaise. Zijn grafsteen is verrijkt met een bas-reliëf van de Parijse beurs, die hij zelf niet meer kon voltooien. Naast hem zijn zoon Alexandre Brongniart, geoloog en mineraloog. Op zijn graf een enorme witte vaas want hij was directeur van de beroemde porseleinfabriek van Sèvres. Enkel recent overledenen: Mano Solo, Frans zanger en componist en Claude Chabrol, filmregisseur en grondlegger van de Nouvelle Vague. Luigi Cherubini, componist afkomstig uit Italië. Eerst schrijft hij kerkmuziek, nadien opera’s. Zijn bekendste werk is “Medea”. Hij is vanaf 1822 tot aan zijn dood directeur van het Parijse conservatorium. Op zijn graf is er een afbeelding van de componist. Naast hem een muzikant met een harp die de grote meester lauwert. Het is een monument van Augustin Dumont. Fréderic Chopin de romantische componist bij uitstek. Uit schrik om levend begraven te worden vraagt hij om zijn hart uit zijn lichaam te verwijderen. Na zijn dood wordt inderdaad zijn hart verwijderd en in een urne naar Warchau gebracht, waar het wordt bijgezet in de Heilige Kruiskerk. Zijn lichaam wordt op Père Lachaise begraven maar enkele jaren na zijn dood overgebracht naar Polen. Hier rest alleen nog zijn grafsteen met een “Euterpe” van de hand van Auguste Clésinger. 
Michel Petrucciani, jazzpianist had de wens uitgesproken om naast zijn grote voorbeeld Chopin begraven te worden, wat ook geschiedde. André - Ernest - Modeste Grétry, componist was de zoon van een Luiks violist. Zowel Parijs als Luik eren hem na zijn overlijden met een standbeeld. In de sokkel van het Luikse exemplaar wordt zijn hart bijgezet. François Adrien Boieldieu, componist van komische opera’s. “De kalief van Bagdad” en “La Dame Blanche” zijn van zijn hand. Vincenzo Bellini, componist van opera’s. “Norma” is zijn succesvolste werk. Het is een cenotaaf want het lichaam van Bellini werd 40 jaar na zijn overlijden overgebracht naar zijn geboortestad Catania op Sicilië. Boven het beeld van Bellini de gekroonde muze van de melodie. Théodore Géricault, schilder. In 1819 schildert hij het “Vlot van Medusa”, dat een mijlpaal zal worden in de moderne schilderkunst. De schilder ligt hier ontspannen op zijn zerk, het palet en de kwast nog in zijn hand. Sommige bronnen stellen dat de schilder hier afgebeeld werd na een val van zijn paard, welke hem uiteindelijk fataal zou worden. In het hekje rond de sarcofaag is 20 keer de letter G verwerkt. Het graf werd eerst, in 1840, uitgevoerd in marmer en, in 1884, hermaakt in brons door Antoine Etex. Langs twee recent begraven personen. Marcel Marceau was mimespeler en Karel Appel was expressionistisch schilder en beeldhouwer. Hij was een van de grondleggers van de Cobrabeweging. Een gigantische grafkapel voor Adolphe Thiers, was journalist, advocaat, historicus maar bovenal staatsman. Hij is premier van 1836 tot 1840 en leidt, vanaf 1863, de parlementaire oppositie tegen Napoleon III. In 1871 wordt hij president van de republiek benoemd. Twee jaar later dient hij zijn koffers te pakken. Enkel op 1 november worden de deuren van de het enorme monument geopend. In het midden ligt Thiers, in een sarcofaag die identiek is aan het graf van Napoleon Bonaparte. Boven zijn hoofd een levensgrote engel, zijn vrouw zit aan zijn zijde. Aan weerskanten van het mausoleum zijn reliëfs te zien met strijdende soldaten. Binnen de kortste keren had An gezien dat het poortje toch geopend kon worden zodat er toch nog een blik op hetgeen ik vertelde kon geworpen worden. 
Jacques - Louis David, grootmeester van de Franse schilderkunst en de grondlegger van het zogenaamde neoclassicisme. Door zijn volledige steun aan Robespierre wordt David, in 1793, meegesleurd in diens val en een jaar later wordt de schilder veroordeeld tot gevangenisstraf in de cellen van het “Palais du Luxembourg”. Uit deze periode stammen “Eed in de Kaatsbaan” en “De Dood van Marat”.  In 1795 ontmoet hij Napoleon die hem tien jaar later tot hofschilder benoemt. De val van Napoleon te Waterloo maakt dat hij dient te vluchten naar Brussel waar hij in ballingschap gaat. Enkel het hart van David ligt op Père Lachaise begraven. Zijn lichaam ligt nog steeds op de begraafplaats van Evere daar de Franse koning Charles X de overbrenging van het lichaam weigerde. Cino Del Duca oprichter van een persbureau en uitvinder van de fotoroman. Op zijn graf een brons “de maagd die Christus ondersteunt” van de hand van de Italiaan Francesco Messina. Ferdinand Barbedienne zette een procédé op punt om originele werken te verkleinen. Bezoekers kunnen zich moeilijk intomen om de borstjes aan te raken. Daar het merendeel rechtshandig is, wordt de linkerborst het meest geviseerd. Een aantal “zerkjes” lieten zich hier even gaan. Ted Lapidus was een Frans modeontwerper. Hij was pionier inzake unisexmode. Na in de leer gegaan te zijn bij Christiaan Dior startte Lapidus in 1951 een eigen modebedrijf. George Bizet was componist. Van hem zijn de opera “Carmen”, “L’Arlesienne” en “De Parelvissers”. Een enorm grafmonument voor de verder onbekende Joaquim de Errazu.
 Jean-François Cail was stichter van een locomotievenfabriek. De allegorische figuren in steen zijn van Alfred Thiébault. Een triestig verhaal voor Joseph Eustace Crocé-Spinelli en Henri Sivel. Ze stierven toen de luchtballon de Zenith een hoogte van 8600 meter bereikte. Zij wilden de hogere atmosferische lagen onderzoeken maar stikten door gebrek aan zuurstof. Het monument is van Jean Dumilâtre. Een Antwerpenaar op Père Lachaise: Albert Grisar was componist. Charles-Auguste De Morny, graaf, politicus en halfbroer van Napoleon III kreeg een monument in eclectische stijl van Eugène Viollet-le-Duc. Eugène Delacroix was de belangrijkste schilder uit de Franse romantiek. Hij vroeg en kreeg een zwarte sarcofaag vergelijkbaar met de graftombe voor Scipio. Honoré de Balzac, een der grootste vertegenwoordigers van de Franse literatuur. Hij schrijft 90 romans, novellen en verhalen en een aantal toneelstukken. Zijn werk werd bijeengebracht onder “Comédie Humaine”. Vrijmetselaar. De koperen buste is van David d’Angers. 
Onder het moto “is het niet groot genoeg mag je het terugbrengen”: Louis Félix de Beaujour, diplomaat en consul. Het monument is 16 meter hoog, de ondergrond is 21 meter breed en de “schoorsteen” is van de hand van François Cendrier. Een zeer passende naam. Het monument kreeg ook een andere naam “de grote penis”. De Beaujour wenste dat zijn grafmonument een kopij van de vuurtoren van Alexandrië zou zijn. Voor het monument bevindt zich de laatste rustplaats voor de familie Diaz-Santos. Het werd opgericht ter ere van dochter Charlotte die overleed op 16-jarige leeftijd. Volgens de “geschiedenis” zou één miljoen Franse frank, uit 1827, aangeboden  zijn aan wie een jaar in de kelder opgesloten bleef. Niemand lukte, iedereen werd gek voor de periode omwas. Ons An was al onmiddellijk bereid om op het aanbod in te gaan … als ze maar genoeg sigaretten meekreeg. Allan Kardec is de vader van het Franse spiritisme. Het graf van Kardec is het meest bloemrijke van alle graven op Père Lachaise. De bronzen buste, van de hand van Romain Capellaro, glanst door de vele aanrakingen van Kardecs getrouwen. De buste staat onder een granieten dolmen dat het Keltische karakter van Kardec moet benadrukken. Vrouwelijke adepten willen nog wel eens in zwijm vallen voor het beeld van hun meester. De fanatiekste volgelingen geloven dat de ogen op en dichtgaan. Imre Nagy was eerste minister van Hongarije. Hij werd slachtoffer van de opstand in1956 en werd, in 1958, gefusilleerd in Praag. “Le bateau de la liberté” is enkel een monument. Nagy werd in 1989 te Budapest herbegraven en kreeg een staatsbegrafenis. Marie Trintignant was  actrice en de dochter van Jean Louis Trintingant. Zij werd omgebracht in Vilnius in Litouwen door haar vriend Betrand Cantat, rockzanger van Noir Désir. Vlakbij Gilbert Becaud, zanger.  Bekende nummers van hem zijn “Et maintenant”, “Nathalie”, “l’Important c’est la rose”, “Quand il est mort le poète” en “Le jour òu la pluie viendra”. Sarah Bernhardt was actrice. Haar bekendste rol was die in “La dame aux Camelias”. Yves Montand, auteur en chansonnier. Hij is goed bevriend met Edith Piaf. In 1949 ontmoet hij Simone Signoret, actrice. Naast de graftombe werden berken geplant afkomstig van hun huis.
Het crematorium van de hand van Formigé en in dienst gekomen in 1899. Maria Callas was operadiva. Enkele jaren later naar haar verassing werd de as uitgestrooid over de Egeïsche zee zoals Callas wenste. Isadora Duncan wordt als een der belangrijkste grondleggers van de moderne dans beschouwd. Zij komt abrupt aan haar einde. Op 14 september 1927 stapt ze in haar gloednieuwe open Bugattisportwagen. Om haar nek draagt ze een lange rode sjaal. Vlak voordat ze instapt roept ze “Dag vrienden, ik ben op weg naar de glorie”. Dat zijn dan ook haar laatste woorden, want de lange sjaal wappert tussen de wielen van de auto en vindt Duncan in één klap de dood. Wanneer ze een week later wordt gecremeerd bedekt de rode sjaal de lijkkist. Laurent Fignon was wielrenner. Hij won twee keer de Ronde van Frankrijk: in 1983 en in 1984. Hij werd in 1989 tweede op acht seconden van de Amerikaan Greg Lemond. Fignons bijnaam luidde “Le Professeur”, mede door zijn karakteristieke bril. Cléo de Merode was actrice en danseres en ze had verscheidene tumultueuze liefdesrelaties. Ze was onder meer de maîtresse van Leopold II van België. Dankzij haar werd Leopold II Cléopold genoemd. Oscar Wilde was een der meest toonaangevende Europese dichters en schrijvers. Afkomstig uit Ierland en met als bekendste werk “het portret van Dorian Gray”. Het grafmonument is geschonken door een anoniem gebleven vrouwelijke bewonderaar en ontworpen door beeldhouwer Jacob Epstein. De sfinx heeft de gelaatstrekken van Wilde. Het is schandalig hoe men met dit monument omgaat. Enkele jaren geleden werd het nog volledig gereinigd. Zénobe-Théophile Gramme. Op zijn grafmonument wordt Gramme door beeldhouwer Mathurin Moreau voorgesteld in een Louis XVI zetel met de dynamo, waarvan hij de uitvinder was, in de hand. Caroline Delacroix. Zij leerde koning Leopold II kennen en verbrak haar verloving met Antoine Durrieux een dubieus officier die enkele malen op non actief werd geplaatst. Zij kreeg twee kinderen van Leopold II. Zij huwde Leopold II op 14 december 1909, drie dagen voor diens overlijden. Na diens overlijden diende zij onverwijld het land te verlaten. Zij huwde met Antoine Durrieux, de haar twee kinderen erkende. Edith Piaf, echte naam Edith Gassion. Op zevenjarige leeftijd neemt haar vader, een straatacrobaat, haar mee door de straten van Parijs. Ze treedt op in cabarets en neemt de artiestennaam Piaf (mus) aan. Eind jaren veertig heeft ze een relatie met bokskampioen Marcel Cerdan, tot deze in 1949 bij een vliegtuigongeval om het leven komt. In 1952 huwt ze zanger Jacques Pils. In 1957 scheiden ze. In 1962 maakt Piaf kennis met Théo Sarapo met wie ze huwt. Haar grootste nummers zijn “Milord”, “La vie en rose” en “Non je ne regrette rien”. Vlakbij ligt Henri Salvador, zanger en gitarist. Bekendste liedjes: “Zorro est arrivé” en “Juanita Banana”. Schilder Amadeo Modigliani deelt zijn laatste rustplaats met zijn vriendin en model Jeanne Hébuterne. Hij sterft, amper 36 jaar oud, aan tuberculose. Zijn vriendin die, bij het overlijden van Modigliani, moet bevallen van hun tweede kind rent naar het lijkenhuis, zoent het gelaat van haar vriend en pleegt zelfmoord door zich van de vijfde verdieping uit het raam te werpen. Victor Noir (1848 – 1870) was journalist. In 1870 lopen de gemoederen in Frankrijk op tussen de aanhangers van Napoleon III en degenen die van het land weer een republiek willen maken. Tijdens de voorbereiding van een duel. wordt Victor Noir door Pierre Bonaparte doodgeschoten. Noirs begrafenis loopt uit tot een grote manifestatie tegen het keizerrijk en de Bonapartes. Het levensecht monument, door Jules Lalou, wordt nog altijd druk bezocht. Het verhaal wil dat het aanraken van zijn geslachtsdeel de vruchtbaarheid vergroot. De bobbel in de broek van het beeld is dan ook altijd flink opgepoetst. De heren raken de voeten aan. Hier lieten de vrouwelijke “zerkjes” zich even gaan. Schrijvers Jean de la Fontaine en Jean Baptiste Molière lagen eerst elders maar werden naar Père Lachaise overgebracht om Parijzenaars aan te zetten zich hier te laten begraven. 
Antoine – Augustin Parmentier introduceerde de aardappel in Frankrijk. Op vele menukaarten staat bij de aardappel de toevoeging “parmentier” en op zijn grafsteen staat “l’ inventeur de la pomme de terre”. Rondom graf bevonden er zich aardappelplanten. Nu laten er een aantal aardappelen op het grafmonument. Op divisie 38 komen we verschillende generaals uit het leger van Napoleon tegen: Louis-Gabriel Suchet, maarschalk , Joachim Murat, maarschalk, Denis Decres, admiraal, Dominique Larrey, militair chirurg. Jacques Nicolas Gobert, generaal en Maximilien Sébastien Foy, generaal. Een gigantisch mausoleum uit witte marmer in drie verdiepingen voor Elisabeth Demidoff – Strogonoff. De overlevering wil dat degene die een jaar onafgebroken in de graftombe durft te blijven een bedrag van twee miljoen roebels krijgt. Voor zover bekend heeft niemand het ooit uitgeprobeerd. Het verhaal is identiek aan het verhaal dat we eerder al hoorden bij het graf van Diaz-Santos. Verder komen we nog de grafmonumenten voor François Vincent Raspail, chemicus en politicus en Jean François Champollion, egyptoloog en archeoloog tegen. Champollion lukt erin om hiërogliefen te ontcijferen met de steen van Rosetta. Het is een blok basalt door een soldaat gevonden in Rosetta, een Egyptisch kustplaatsje en bevat drie talen: Grieks, Egyptische hiërogliefen en het Egyptisch demotisch schrift. Zijn grafsteen heeft uiteraard de vorm van een obelisk. 
Vandaar naar het meest bezochte grafmonument. Dit voor Jim Morrison, zanger van de rockgroep The Doors. Morrison stierf aan een overdosis drugs. Het graf is een bedevaartplaats voor rockfanaten. De nabestaanden van de buurgraven zijn niet gelukkig met deze situatie zodat er tegenwoordig constant door politie gepatrouilleerd wordt en de fans, die het iets te bont maken, verwijderd worden. Georges Rodenbach, symbolistisch Belgisch dichter en niet de man van de brouwerij. Het grafmonument voor de schrijver van “Bruges La Morte” werd in 1902 verwezenlijkt door Charlotte Besnard. Beeldhouwer Albert Roze werd door dit werk geïnspireerd bij het maken van zijn graftombe voor Jules Verne in Amiens, in 1907. Ludo wees ons hier op de nabijheid van de laatste rustplaats voor de Belgische schilder Alfred Stevens. Alweer wat wijzer geworden. Aan het eind van de rondgang nog het verhaal van Abélard & Heloïse. Monnik Abélard onderrichtte theologie en raakte in vervoering van zijn leerling Heloïse. Zij kregen een kind. Abélard werd door de oom van Heloïse, kanunnik Fulbert, gecastreerd. Abélard trok van klooster naar klooster terwijl Heloïse abdis werd. De briefwisseling tussen die twee was vurig en ontroerend. Na de dood van Heloïse werden zij samen begraven in de kerk te Nogent sur Seine (1164). In 1497 werden de lichamen gescheiden en aan weerszijden van het koor geplaatst. Een latere abdis bracht de lichamen weer samen. Na de Franse revolutie kwamen de lichamen bij Alexandre Lenoir die een nieuw grafmonument oprichtte in neogotische stijl en de twee geliefden samenbracht op Père Lachaise, in 1817, eveneens met de bedoeling om de Parijzenaars ertoe te bewegen hun overledenen naar de nieuwe begraafplaats te brengen. Het grafmonument wordt momenteel grondig gerestaureerd. 
Jacob Roblès kreeg het werk “de stilte” van Antoine Auguste Préault op zijn graf. Grafzerkjes zagen hier waar we ons logo vandaan haalden. Eindigen deden we met het prachtige art nouveaumonument van Hector Guimard voor handelaar Ernest Caillat.
Het had intussen opgehouden met regenen en het merendeel van de zerkjes stapten nog af in een nabijgelegen restaurant om een gezamenlijke maaltijd te nuttigen. Moe maar voldaan kwam er zo een eind aan een geslaagde driedaagse. Er werden al plannen gesmeed voor 2012.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s Ria Vaes en Geert Janssens

An Hernalsteen breit een staartje aan haar bezoek aan Père Lachaise An weet van geen ophouden.


Onder het motto: “Plooien staat niet in ons woordenboek” breien we een staartje aan Père Lachaise
 
Na de halve marathon onder leiding van onze teerbeminde voorzitter en een welverdiende koffie, trokken fotograaf Bobby en ik opnieuw de begraafplaats op. Gans division 36 afgezocht maar fotograaf Félix Nadar was niet thuis. De anderen gaven, soms na lang zoeken, wel acte de présence.
 
Jean-Auguste Dominique Ingres (Montauban 1780-Parijs 1867) (Div 23)
Een leerling van David, hij start als neoclassicist en kondigt op het einde van zijn leven de romantische schilderkunst aan. Dank zij de reproducties op koekendozen en andere hebbedingen kent iedereen zijn “Turks bad” van 1862.
Jean-Baptiste Corot (Parijs 1796-Ville d’Avray 1875) (Div 24)
Eén van de Barbizonschilders  die de bossen rond Fontainebleau onveilig maakten. De impressionisten Pissarro en Monet beschouwden hem als hun grote voorbeeld.
Pal er naast en niet op de plattegrond of op één of ander lijstje, een aangename toevalsvondst dus
Charles Daubigny (Parijs 1817-Parijs 1878) (Div 24)
Een vriend van Corot, actief rond Barbizon vanaf 1834. Zijn echtgenote en zijn zoon Karl, eveneens handig met palet en penseel, werd in het graf bijgezet.
Een boogscheut verder
Honoré Daumier (Marseille 1808-Valmondois 1879) (Div 24)
Briljant karikaturist, schiep bij voorbeeld een spotprent van een peervormige koning Louis Philippe die er niet mee kon lachen. Daumier vloog voor 6 maanden achter de tralies wegens majesteitsschennis. Félicien Rops en de jonge Ensor vonden bij deze grappenmaker hun inspiratie.
Gustave Caillebotte (Parijs 1848-Gennevilliers 1894) (Div 70)
Begint als realist maar na zijn ontmoeting met Claude Monet bekeert hij zich tot een voorzichtig impressionisme.
Camille Pissarro (St-Thomas op de Antillen 1830-Parijs 1903) (Div 7)
Vader Pissarro zond zoonlief naar Parijs om zaken te doen maar Camille voelde zich meer aangetrokken tot het kunstenaarsleven. Samen met oa. Cézanne richt hij in 1863 Le Salon des Réfusés op. 
Georges-Pierre Seurat (Parijs 1859- Parijs 1891) (Div 66)
Dit boegbeeld van het neo-impressionisme stierf op jonge leeftijd aan een hersenvliesontsteking.
Marcel Proust (1871-1922) (Div 85)
Als ik ooit eens tijd heb en geen verslagen meer moet schrijven begin ik aan zijn 7delige romancyclus “A la recherche du temps perdu”
Auguste Villiers de l’isle-Adam (Saint-Brieuc 1838-1889) ( (Div 79)
In zijn tijd werd deze man beschouwd als een super decadent schrijver. Gruwelijke vrijpartijen en andere perversiteiten kruidden zijn werk
Tussen de soep en de patatten in hadden we in division 71 ook nog een mooi Art-Nouveau graf ontdekt voor de familie Dufren-Gevrey naar een ontwerp van architect P. Warner. Deze naam zat onder een dikke laag smurrie zodat ik een groot deel van mijn patatten heb moeten eten met modderpollen.
Eveneens mooie vondsten en toevalstreffers waren de verweerde beelden van een moeder en kind op het graf van de familie Verazzi, het grafmonument van de Indische familie Tata die gans India voorziet van autobussen (ik vraag mij toch af wat die familie hier komt zoeken) en het graf van Joseph Spiess, een Elzasser die in 1913 de enige Franse Zeppelin ooit bouwde.
Tegen dan was het ver 17u en was onze pijp uit, we waren bijlange nog niet rond maar Antoine Jean Gros, Gustave Doré, René Lalique, Alphonse Daudet met zijnen moulin, Guillaume Apollinaire, het zal voor een andere keer zijn.
 
Eenmaal terug in Melle schoot ik in een Franse colère, verdorie Samuel Bing, waar ligt in godsnaam Samuel Bing begraven? En waarom had ik niet in Parijs aan die man gedacht? Waarom was ik dat arm schaap niet gaan zoeken? Reactie van Bobby: “om een reden te hebben om nog eens dagen aan een stuk op Parijse kerkhoven rond te tjolen.”  
 
An Hernalsteen

Westerbork ons lid René Mertens bezocht dit voormalige concentratiekamp.


Kamp Westerbork, op de Drentse heide, is bekend geworden als voornamelijk Joods concentratie- of doorgangskamp. Hier verbleven, tijdens de Duitse bezetting in Nederland, meer dan 100000 Joden en enkele honderden Romazigeuners en verzetsstrijders.
Anna Frank en haar familie werden op een van de laatste transporttreinen van Kamp Westerbork naar Auschwitz gezet. Op 12 april 1945 werd het kamp door Canadese soldaten bevrijd. Er waren nog circa 850 gevangenen in het kamp achtergebleven.
Het Monument met de 102.000 Stenen herinnert aan de 102.000 mensen die vanuit het kamp werden gedeporteerd en het niet overleefden. Op de kop van de stenen is een davidster, een vlammetje of geen teken te zien. De lengte van elke steen symboliseert de lengte van ieders verhaal. Van de stenen zijn er tweehonderddertien met een vlam uitgevoerd: een groep van 245 Roma en Sinti werd via kamp Westerbork gedeporteerd en de meesten van hen werden om het leven gebracht. 
Op de plaats waar de spoorrails in het kamp eindigden werd het Nationaal monument Westerbork onthuld.

Tante Kato ging naar Parijs en zag de Chapelle Expiatoire weer een nieuw verhaal van Tante Kato.


Bouw 1815-1821 * 36 rue Pasquier of Square Louis XVI, 75008 Paris

Februari 2009 wilden we naar de voor ons onbekende koninklijke Chapelle Expiatoire in Parijs. We stonden voor gesloten deuren wegens restauratiewerken. Een onweer eind december 1999 had voor aardig wat vernieling gezorgd. De werken zouden duren tot juni 2009 en voor ons heeft het drie jaar geduurd eer we terug aan die boetekapel stonden.

Donderdag 5 januari 2012 trotseerden we regen en hevige winden. Tweede maal pech : de stad Parijs had veiligheidshalve besloten alle plantsoenen te sluiten. De wind speelde in de kale bomen en afgerukte takken op mensenhoofden, dàt konden ze best missen. Aangezien de
kapel middenin dat omheind plantsoen ligt, kan men deze bij guur weer niet bezoeken. Daar ging mijn Katootje. Enkele Parijzenaars dropen al even ongelukkig af. In dat plantsoentje was namelijk een dépot voor afgedane kerstbomen. Op de stoep laten liggen was uitgesloten. Tot grote ontevredenheid van moeder de vrouw moest die weer mee naar huis. Om over de concierge te zwijgen die net alle dorre naalden weggebezemd had ...

Gelukkig hadden we ‘s anderendaags nog even de tijd vòòr we de Thalys naar Antwerpen namen. Het was een zonnige en windstille driekoningendag. Een derde keer proberen. Iets vòòr openingstijd wist een vriendelijke heer te vertellen dat de kapel zou opengaan, maar iets later want men moest de nieuwe tarieven nog uithangen. Als eerste bezoeker van het jaar 2012 stond ik in de Chapelle Expiatoire. 
Een Chapelle Expiatoire -meestal vertaald door boetekapel; expier betekent verzoenen en boete doen- is een gebouw opgericht om een fout, een misdaad te herstellen. Welke ? De “misdadige” terechtstelling van het koningspaar door de revolutionairen natuurlijk. Of had u
gehoopt dat het boete doen was om de uitbuiting van het Franse volk ? Vergeet het.

Voor ik aan mijn beschrijving begin wil ik even teruggaan in de tijd. Op deze plaats was vanaf 1721 het Cimetière de la Madeleine. Het kerkhof -juist, want het hoorde bij de beroemde kerk met dezelfde naam- kreeg in juni 1770 de slachtoffers van een ramp “over de
vloer”. Ter gelegenheid van het huwelijk van de dauphin Louis met Marie-Antoinette van Oostenrijk werd op 30 mei 1770 een grandioos vuurwerk afgestoken. Een van de vuurpijlen kwam terecht op het vuurwerk dat klaar lag voor de bloemekee. Dat veroorzaakte een enorme
brand, gevolgd door paniek en in het gewoel kwamen 133 mensen om (officiële cijfers, waarschijnlijk lag het aantal doden rond de 400). Geen goede start voor het jonge paar, kinderen van amper vijftien. Wie kon voorspellen dat drieëntwintig jaar later datzelfde echtpaar hier een (voor)laatste rustplaats zou vinden ...

1789 : Franse Revolutie, gevolgd door wat “la Terreur” genoemd wordt met de terechtstelling op de guillotine van het koningspaar en 1.343 leden van de noblesse, waaronder Charlotte Corday (1768-1793; Charlotte de Corday d’Armont), de moordenares van Jean-Paul Marat
(1742-1793). Die guillotine stond opgesteld op de huidige Place de la Concorde en na de executie werden de lichamen afgevoerd naar het Cimetière de la Madeleine. Louis XVI (1754; r. 1774-1793) werd begraven met het hoofd tussen de benen. Een macabere gedachte, maar ze moesten met die (ont)hoofden toch iets doen. In 1794 werd de begraafplaats gesloten en de lap grond werd verkocht aan een zekere Desclozeaux, die getuige was geweest van de begravingen. Hij plantte op de graven van Louis XVI en Marie-Antoinette (1755-1793) twee
treurwilgen. Desclozeaux verkocht tijdens de Restauration van de Bourbons zijn eigendom aan Louis XVIII (r. 1814-1824; broer van Louis XVI) en dankzij die treurwilgen werden de graven snel gevonden. Teneinde de herinnering aan de koninklijke familie leven in te blazen
(hm !) gaf Louis XVIII opdracht op de plaats van de oorspronkelijke graven een boetekapel te bouwen. De werken duurden tot 1826 en het monument werd ingehuldigd onder Charles X (r. 1824-1830, nog een broer van Louis XVI).

De resten van het koningspaar waren bij de aanvang van de werken (1815) reeds overgebracht naar de basiliek Saint-Denis. In 1862 werden square en plantsoen ingepland door Haussmann, de directeur van de grote Parijse renovatiewerken. Hij kreeg hier vlakbij trouwens een naar hem genoemde boulevard. Het is te begrijpen dat er constant een controverse was rond de bouw van deze kapel. Passies tussen voor- en tegenstanders van het Ancien Régime laaiden op en in 1871 eiste de Commune dat de kapel afgebroken werd. De Chapelle Expiatoire werd in 1914 opgenomen op de lijst van de historische gebouwen en valt nu onder dezelfde directie als het Pantheon.
Middenin de tuin staat het monument ontworpen door architect Pierre-François-Léonard Fontaine (1762-1853). Het bestaat uit drie delen : een toegangspaviljoen, een binnentuin met Campo Santo en de eigenlijke kapel. Het imposante paviljoen en de muren rond de Campo Santo verstoppen de kapel.

Bovenop de toegangspoort staat een monumentale sarcofaag en op de zijkant hiervan (dus het fronton) leest men : “Le roi Louis XVIII a élevé ce monument pour consacrer le lieu où les dépouilles mortelles du roi Louis XVI et de la reine Marie-Antoinette, transférées le XXI Janvier MDCCCXV dans la sépulture royale de St-Denis, ont reposé pendant XXI ans. Il a été achevé la deuxième année du regne du roi Charles X, l’an de grace MDCCCXXVI.”
De lichtjes vooruitspringende hoeken van de façade hebben laurierkransen met centraal een gevleugelde zandloper, symbool voor de tijdelijkheid van het leven.

De hoger gelegen binnentuin is links en rechts begrensd door een rij met zandlopers gedecoreerde cenotafen, de symbolische graven van de Zwitserse garde gevallen bij de inname van de Tuileriën en de gevangenneming van de koning (1792). De structuren lopen langs de buitenkant verder in een lager gelegen galerie. Het centrale gangpad dat naar de kapel leidt is afgezoomd met (witte) rozenstruiken.

Een aantal trappen leiden naar de neoclassicistische kapel, compleet met fronton en Dorische zuilen. Het geheel is bekroond met een enorme koepel, die gesteund wordt door kleinere koepels. Eens binnen wordt men getroffen door een aangename lichtinval. Frontaal het altaar en als men zich omdraait ziet men boven de deur een reliëf van François-André Gerard, die de overbrenging van het koninklijk paar naar Saint-Denis voorstelt. Aan de zijkanten, tussen de trappen die naar de crypte leiden, staan op enorme sokkels twee wit marmeren sculpturen (1834-1835). Aan de ene kant Louis XVI, ondersteund door een engel. Op een zwart marmeren plaat staat het testament van de koning gegraveerd. Tegenover hem het beeld van zijn knielende koningin met op de marmeren plaat van haar sokkel de gravure van haar laatste
brief. In de crypte, onder het altaar, staat een zwart-wit marmeren altaar in de vorm van een antieke tombe. Hier lag Louis XVI origineel begraven. De resten van zijn koningin lagen drie meter verder.

Praktisch :
De Chapelle Expiatoire is gelegen 36 rue Pasquier (Square Louis XVI) 75008 Parijs en is geopend op donderdag, vrijdag (6 januari 2012 was bijgevolg de eerste openingsdag) en zaterdag. Telkens van 13.00 tot 17.00 uur. Toegang 5,50 €.
Meer informatie op www.chapelle-expiatoire.monuments-nationaux.fr
Tante Kato

Gietijzeren kruisen ons lid Cis Kennes verzorgde een uitgebreid artikel.


IJzer en open lucht: geen voor de hand liggende combinatie.  En toch zijn –  of beter: waren –  er heel wat voorbeelden van te vinden op  begraafplaatsen. Niet alleen in onze streken, maar van Litauen over Polen tot in Tsjechië. Tientallen jaren doorstonden ze de tand des tijds: kruisen, omheiningen, ‘bedjes’, ‘serres’, ja zelfs massieve monumenten.
 IJzeren kruisen kunnen onderverdeeld worden in twee grote groepen: de gietijzeren en de smeedijzeren kruisen. Algemeen kan men stellen dat gieten serieproducten oplevert en smeedwerk unica als resultaat geeft, nl. het soms zeer eenvoudig maar ook soms erg kunstig werkstuk van de plaatselijke smid. Dit gaat zeker op voor de grote gieterijen. Maar bij de kleine gieterijen, waar men soms nog werkte met plaasteren modellen, werd de grens met het ambachtelijk werk toch heel erg dun. Smeedijzeren kruisen vindt men trouwens niet alleen op begraafplaatsen, maar ook als ‘wegkruisen’: juweeltjes van volkskunst die dikwijls veel rijker en speelser waren uitgewerkt dan de grafkruisen, gewoon  omdat de aanleiding niet een afsterven was, maar een belofte (n.a.v. een genezing bvb.): een heuglijke gebeurtenis dus.

Geschiedenis

Alhoewel het toppunt van de (ons bekende) gietijzeren kruisen te situeren is in de laatste helft van de 19° eeuw en de eerste van de 20° eeuw, is hun geschiedenis veel ouder. Het hoeft ons ook niet te verwonderen dat vooral in het Waalse landsgedeelte nog veel sporen terug te vinden zijn van voor de bloeitijd van de grote metaalindustrie: op twee nog bewaarde kruisen is de datum 1538 af te lezen: één uit Les Hayons bevindt zich in het Musée Ducal van Bouillon; het andere komt uit Auby. Het gaat hier om ambachtelijk werk. Niet-massieve of opengewerkte kruisen beginnen voor te komen vanaf 1840, maar het is pas rond 1850 dat de productie verheven wordt tot  kunstig gedetailleerd filigraanwerk met een overvloed aan symbolen. Ondertussen zijn modellen uit de periode 1840-1860 bijzonder zeldzaam geworden.
Twee elementen speelden weliswaar in het voordeel van het behoud: de duurzaamheid van het materiaal en het feit dat de ijzeren plaat met persoonsgegevens vervangbaar was, wat een economische vorm van hergebruik mogelijk maakte. Langs de andere kant lagen echter drie elementen aan de basis van de teloorgang: het einde van de ‘eeuwigdurende concessie’ waardoor in veel gemeenten massaal werd ‘geruimd’ zonder besef van de historische waarde van dit erfgoed. Verder het optreden van oxydatie bij slecht onderhoud, en tenslotte het gebrek aan flexibiliteit van gietijzer bij verkeerde belasting. Algemeen kan men zeggen dat tegen de vijftiger jaren de productie van gietijzeren kruisen zo goed als stilgevallen was. In Wallonië produceerde één gieterij ,nl.  Bayol-Malacourt  in Yves-Gomezée  nog tot in 1966. Helemaal uitzonderlijk was de gieterij Rodrique in Ciney die nog in de jaren ’80 een reeks uitbracht op bestelling van de abdij van Rochefort.

Materiaal, techniek, ateliers…

Materiaal
Gietijzer is een in vorm gegoten legering van ijzer, koolstof (2,5 % tot 6 %), mangaan en silicium. Het wordt vervaardigd door omsmelting van ruw ijzer, samen met cokes en kalk in een koepeloven, inductieoven of een trommeloven. Het smeltpunt van ijzer (Fe) ligt tussen 1530° en 1535° C. Het gehalte aan koolstof (C) is bepalend voor de smeedbaarheid, de hardbaarheid en de gietbaarheid van het materiaal: hoe meer koolstof er aanwezig is, hoe vloeibaarder. Terwijl dit gehalte bij smeedijzer 0,5 % bedraagt, ligt het bij gietijzer tussen 1,5% en 5 %. Vandaar het  erg fijne filigraanuitzicht van sommige kruisen.

Productie
Om een gietijzeren stuk te vervaardigen, is een driedimensionale afdruk (in de vorm van een holte) van het eindproduct in een matrijs nodig. Hiervoor gebruikt men een gemakkelijk te bewerken materiaal, nl. hout (grenen voor grote stukken, notelaar voor kleinere). Twee op elkaar gezette vormkisten worden met een licht klevend zand bedekt (kwartszand + klei + water). Vroeger werd dit mengsel  verstevigd met paardenvijgen die door de plaatselijke jeugd werden  verzameld en verkocht aan de gieterijen. Aan deze zandmengeling werd soms grafietpoeder toegevoegd voor een betere oppervlaktekwaliteit. Wanneer de vormkasten worden gescheiden en het model verwijderd, blijft een exacte afdruk achter. Deze wordt  na het weer samenvoegen van de vormkasten volgegoten met gesmolten gietijzer. Na stolling wordt het zand verwijderd en blijft het gietijzeren kruis achter. Dan volgt nog het handmatig verwijderen van braam en andere onzuiverheden met beitels en vijlen. Vervolgens wordt naargelang  het model nog een gekruisigde Christusfiguur en/of een ijzeren plaat voor persoonsgegevens toegevoegd. Daarna worden de pinnen onderaan de voet verankerd in een sokkel van blauwe hardsteen of beton tegen verzakkingen. Tenslotte wordt nog een afwerklaag gegeven in roestwerende verf (vroeger gewoon teer) : zwart, wit of bruin voor de volwassenen, met soms de persoonsafbeeldingen (Maria, Johannes, engeltjes…) in het zilvergrijs. Blauw werd voorbehouden voor de kruisen op de kindergrafjes, en in Frankrijk ook voor militaire graftekens.
Dit hele procedé vertoont veel gelijkenis met het gieten van brons. Gietijzer werd dan ook nogal eens ‘het brons van de arme mens’ genoemd.

Afmetingen
Veruit de meeste gietijzeren kruisen variëren in hoogte tussen 0,955 m en 1,770 m. Uitzondering hierop is  o.m. model 1781 van Nestor Martin met een hoogte van 2,000 m !
Omgekeerd vinden we in de catalogus van de gieterij Barbezat (Frankrijk)  onder plaat 349, type N (Heilige Geest als duif) een exemplaar van slechts 0,483 m hoog. De breedte schommelt tussen 0,540 m en 0,830 m. Ook hier vormen de twee genoemde types een uitzondering: model 1781 van Nestor Martin met een breedte van 1,110 m en het kleine kruisje  ‘N’ van Barbezat met nauwelijks 0,300 m.

Kostprijs
De gegevens waarover we beschikken zijn erg beperkt. Volgens de catalogus van Nestor Martin van 1 mei 1939 was de kostprijs toen  50 Bfr. voor de 1800-reeks (kinderkruisen van ong.1 m x 0,5 m). De prijs voor de kruisen voor volwassenen varieerde tussen 90 Bfr (model 1741) en 225 Bfr (grote modellen 1780 en 1781). Blijkbaar waren de afmetingen hierbij de doorslaggevende factor.
Tegenwoordig liggen de prijzen voor gietijzeren kruisen op ‘e-bay’  en ‘kapaza’ in dezelfde orde van cijfers; alleen worden zij nu uitgedrukt in euro…
 
Onderhoud
In tegenstelling tot smeedijzeren kruisen mag gietijzer niet behandeld worden met hoge druk of met producten met zuren. Men is aangewezen op mechanisch of manueel onderhoud met borstels en schuurmiddelen (papier, staalwol…).

Restauratie
Meermaals zal men gietijzeren kruisen tegenkomen die al dan niet esthetisch hersteld zijn na breuken. De meest verscheidene middelen worden hier aangewend: een houten kruis erachter, een ijzeren stang, een schuine steun achteraan, ijzerdraad…
Tegenwoordig is gietijzer te herstellen met speciale laselektrodes in nikkel of in een legering van nikkel en ijzer. Bij gebrek aan elektriciteit is het echter niet evident om op een begraafplaats tot laswerk over te gaan. Omwille van het hoog koolstofgehalte (3 à 4 %) van het gietstuk, moet het lastoevoegmateriaal dezelfde eigenschap hebben. Dit is alleen mogelijk mits voorverwarming van 600 à 800° en een aansluitende spanningsarme warmtebehandeling.
In Annevoie (deelgemeente Anhée) worden ze hersteld en op graven van armen of eenzamen geplaatst: een lofwaardig initiatief.

Gieterijen
Het gieten van kruisen was in veel gevallen niet rendabel genoeg om een industriële activiteit op zichzelf te vormen; zeker in de grote gieterijen was het een nevenactiviteit  naast een meer grootschalige productie. (Men vermeed soms zelfs te veel ruchtbaarheid aan dit segment te geven uit vrees  de goede naam van het bedrijf in diskrediet te brengen). Zo zijn de “Fonderies de Zeelem, Usines Cruls Frères”, ver buiten Zelem bekend om hun balkonafsluitingen (o.a. met zweepslagmotief) en Nestor Martin staat  uiteraard bekend voor zijn kachelproductie. Wat niet wil zeggen dat het geen volwaardige afdelingen waren: zowel Nestor Martin in België als de “Fonderie Corneau” in Charleville (Noord-Frankrijk) gaven een specifieke catalogus uit met honderden modellen.
Van deze twee gieterijen zijn sporadisch nog genummerde exemplaren terug te vinden, maar over de kleine gieterijen moet nog heel wat in kaart gebracht worden. Overigens werd ook in deze sector heel wat gekopieerd, zodat de oorsprong van een bepaald model niet altijd traceerbaar is.
In kleine dorpen was de levering en plaatsing (misschien zelfs de productie) van gietijzeren kruisen het werk van  de plaatselijke (hoef)smid . In de steden waren het de opkomende uitvaartbedrijven die met de catalogi van de grote gieterijen onder de arm voor de verspreiding zorgden via een netwerk van vertegenwoordigers. Vandaar is het niet ongewoon, een kruis van Nestor Martin uit Hoei terug te vinden op de begraafplaats in Blankenberge, of model 181 van Alfred Corneau uit Charleville aan te treffen in Marminiac (Midi-Pyrenées).  Ook in het Zuiden van België vindt men gemerkte exemplaren van dit bedrijf, dat dus zijn producten over de landsgrenzen exporteerde, net zoals Foubert uit Béthune dat deed met funeraire keramiek. Hetzelfde geldt voor de Parijse gieterij Barbezat van wie exemplaren werden weergevonden in Bertrix, Arlon, Straimont, Orgéo, Neufchâteau, Saint Hubert…
In het Vlaamse landsgedeelte was de hoger genoemde gieterij van Cruls in Zelem actief van 1919 tot 1943. Eerst werd het bedrijf over genomen door schoonzoon Ramaekers, en na WO II door G. Moens de Fernig. Brialmont in St Truiden vanaf 1920. In Brugge was het Atelier De Jaegher de voorloper van het latere Brugeoise & Nivelles. Verder was er Jaenen in Diest, Van Aerschot in Herentals, Alidor Claeys in Zedelgem, De Cloedt in Veldegem en de ‘Société Anonyme des Fonderies Tongreoises in Tongeren. Kleine gieterijen  deden meer dan eens beroep op modelleurs uit het Luikse ( Pekeleers en Mols).
In het Waalse landsgedeelte kennen we Bayot-Malacourt  en les Fonderies Remy in  Yves-Gomezée, les Fonderies d’ Andenne  en het atelier Davin in Andenne, Chapa in Retinne, Demoulin in Farciennes, Dominicy in Châtillon, Nestor Martin en N.Porta in Hoei, La Société de Fonderies in Marloie,  J.G.Requilé in Luik, Rodrique in Ciney en Verdoodt in Ottignies.
Kleine gieterijen lieten ook hier weinig of geen sporen na…

Symboliek

In tegenstelling tot smeedijzeren kruisen die hun schoonheid in grote mate ontlenen aan hun bogen- en krullenwerk, geven hun gietijzeren tegenhangers blijk van een overvloedige symboliek, die niet zozeer teruggrijpt naar de klassieke funeraire vormentaal, dan wel verwijst naar passages uit de Bijbel. Het voordeel is dat zij een grote variëteit aan symbolen laten zien, die door de christelijke goegemeente konden gelezen worden als een set stripfiguren, naar het voorbeeld van de glas-in-loodramen in de kerken.  In onze tijd echter wordt de interpretatie meer en meer beperkt tot theologen en Bijbelkenners, terwijl smeedijzeren kruisen omwille van hun abstract karakter, meer toegankelijk blijven.
Wat de gietijzeren kruisen betreft, kan men een onderscheid maken in vier groepen:

Massief gegoten stukken
In hun eenvoudigste vorm: gewoon gekruiste balken, zonder veel versiering. De symboliek blijft beperkt tot een banderol met het opschrift I.N.R.I.  of min of meer abstracte bloemblaadjes.

Massief gegoten ‘boomstammen’
Gewoonlijk werden ze onderling verbonden door een dik touw. Ook hier blijft de symboliek beperkt tot klimop die zich rond de stammetjes slingert. Aan de voet van het kruis groeien soms lisdodde ( waarvan sommige geknakt) , korenaren , rozen  en andere bloemen die soms de vorm van een krans aannemen .
Onder deze noemer van deels massieve, deels versierde kruisen, kan men ook de kleine kruisjes rangschikken, waarbij aan de voet een wenend meisje staat, dat met de ene hand zijn traantjes droogt en met de andere hand een krans van immortellen vasthoudt. Het wordt gewoonlijk blauw of blauw/wit geschilderd en heeft meestal een ovalen plaat met persoonsgegevens onder de dwarsbalk .De kruisbalken zijn versierd met klimop of wijnranken en dragen een banderol met de letters I.N.R.I. . Hierbij moet vermeld worden dat men zich in Frankrijk helemaal niet beperkt tot  beschildering met de ‘klassieke’ kleuren, maar waar kruisen van dit type wel eens felgroene kastanjebladeren en tulpen in velerlei kleuren mee krijgen.
Militaire kruisen
In plaats van de boomstammen van de Kalvarieberg, wordt hier het kruis soms gevormd door zwaarden (Arras). In het centrum komt dan een naamschildje  en bovenaan een leeuwenkop met soms de vermelding “Souvenir de…”. Zwaarden en geweren, gedrapeerd met een doek, vindt men ook in Mons. Nog uitgebreider wordt de militaire symboliek op het perk in Charleville: zwaard, vlag, lauwerkrans, medaille, twee helmen en het opschrift ‘Pro Patria’ vallen te beurt aan de gesneuvelden van 1914-1918.
Opengewerkte of filigraan-kruisen: veruit de grootste groep
Wat hier onmiddellijk opvalt, is dat  - in tegenstelling tot wat men zou verwachten – het kruis niet zozeer dient om een Christus-figuur te dragen van dezelfde verhoudingen, dan wel als basis-vorm wordt gebruikt voor een zeer uiteenlopende symboliek en ornamentiek. De Christus-figuur krijgt dikwijls nog wel een centrale plaats, maar dan zonder of met een fel gereduceerd kruisje.
Meest voor de hand liggend is uiteraard de opstelling waarbij Maria en Johannes overeenkomstig de evangelist Johannes (19: 26-27) aan de voet van het kruis stonden: een in Vlaanderen veel voorkomend tafereel. Soms wordt de centrale figuur van de gekruisigde Christus omringd door een bloemenkrans of door vier stralen.
Deze vier stralen aan de binnenhoeken van het kruis vindt men trouwens ook terug in Ouffet rond het Lam met de zegels (Openb. 5:1-14), rond een vrouwenhoofd (Maria ?) in Givet, rond het symbool van het hart (Celles), een ciborie. Zelfs gewone cirkeltjes in het centrum worden soms omgeven door dezelfde vier stralen.
Het thema van Christus’ lijden en dood wordt eveneens uitgedrukt in de lijkwade (Ouffet) of als hoofd met een doornenkroon. Hetzelfde thema komt trouwens ook voor op ijzeren graftekens die helemaal geen kruisvorm hebben, maar een plaatvorm met een gothische omkadering. Eén dergelijk model is getekend ‘Châtillon’.
Lijden en dood vormen uiteraard niet de enige onderwerpen: veel voorkomend is de Doop van Jezus in de Jordaan door Johannes de Doper (Math. 3: 13-17):  model 181 van Alfred Corneau, 1.200 mm hoog en 730 mm. breed. In de uiteinden van de armen herkennen we de hoofden van Maria en Johannes de evangelist. Onderaan staat een vrouw, getooid met een aureool en een kelk. Volgens Dom Eric Anciaux de Féveaux staat dit geheel voor de Kerk als lichaam van Christus. Dit type kwam voor van 1850 tot 1927. Wegens groot succes van het centrale thema werd het gekopieerd door Nestor Martin en gelanceerd als model 1739 met als afmetingen 1.344 mm op 690 mm. De oudste teruggevonden versie hiervan dateert van 1896. Het heeft geen figuren in de zij-armen. 
Andere verwijzingen naar de Bijbel zijn : Jezus als kind bij Maria en Elisabeth (Luc. 1: 39-56); Jezus als kind op schoot bij zijn moeder Maria die op een stoel zit: een model van Alfred Corneau; Jezus als leerling met een boek; Jezus met een lange stok, blijkbaar als rondtrekkend leraar, de Verrezen Christus, Christus die na de Verrijzenis zijn hart toont (Joh. 20: 24-29), een zegenende Christus  enz.
Als tweede belangrijkste figuur treedt uiteraard Maria naar voor: afzonderlijk in een bloemenkrans bij het model 1738 van Nestor Martin, in de fase van Maria Hemelvaart, al dan niet omringd door twee (Nestor Martin model 1712) of zes engelen. Verder Maria als kind met gevouwen handen, maar zoals hoger vermeld ook met haar zus Elisabeth, met het kind Jezus op schoot, of met de hele Heilige Familie. Behalve in het centrum komt Maria ook voor aan de voet van het kruis (samen met Johannes), en gekroond met twee engeltjes (Westkapelle). Tenslotte komt het  ‘Ave Maria’  meermaals voor als ineengevlochten initialen. De letter M komt ook alléén voor.
De H. Jozef komt uiterst zelden voor: een enkele keer met de obligate lelie in de rechterhand.
Engelen daarentegen zijn er in overvloed, maar zelden of nooit in het centrum van het kruis, tenzij als randfiguren bij Maria Hemelvaart. Maar wel aan de voet van het kruis (o.a. bij model Nestor Martin 1712 en 1713) of in de zijarmen van het kruis als gevleugelde puttihoofdjes, geknield, met een zwaard in de hand, of zelfs met een vlag.
Ook de vier evangelisten blijken enkel voor te komen in de zijarmen van de kruisen, en dan nog onder de vorm van hun apocalyptische dierensymbolen: de arend (Johannes), de leeuw (Marcus), de stier (Lucas) en de mens (Mathëus) ,verwijzend naar het Boek der Openbaring 4: 7-8.
Tenslotte zijn er de apostelen Petrus en Paulus die meermaals  het onderste gedeelte van het kruis flankeren rond een ciborie met een stralenkrans: een verwijzing naar de stichters van de Kerk.
Zoals gezegd komen de ‘klassieke’ funeraire symbolen bij gietijzeren kruisen niet zo frequent voor. Meest van al misschien nog het ‘vanitas’-symbool met doodshoofd en tibia’s en verder de Golgotha-symbolen: lans, ladder, spons, nagels.
Klassiek onder de dierensymbolen zijn de pelikaan en de duif, symbool van de H. Geest. Dit laatste o.m. als model N op plaat 349 van de catalogus van gieterij Barbezat uit Parijs. Het is –soms in bedenkelijke staat – terug te vinden op de begraafplaatsen van Bertrix, Charleville, Orgéo, Neufchâteau, Saint Hubert, Rochefort en Elby. Dit is een eerder klein model van slechts 483 mm hoog en 300 mm breed. Dat het hier om de H. Geest gaat kunnen we afleiden uit de aanwezigheid van een aureool (Math. 4:16) en de kleine vlammetjes eronder die verwijzen naar Pinksteren (Hand.9: 3). Sporadisch komt ook de slang rond de urne voor.
Ook de klassiekers uit de flora komen uiteraard voor: klimop, viooltjes, rozen in de knop, druivenranken, immortellen, korenaren, lisdodde.
Op te merken valt dat ook hier wel eens het funerair symbool van de ineengeslagen handen gebruikt wordt  als centraal thema, zelfs met een klein kruisje erboven en een krans er rond .
Tenslotte komt ook het alziend oog van God de Vader in beeld , gesymboliseerd als een driehoek met stralen: een vertrouwd beeld in vele huiskamers van toen…In dezelfde lijn ligt een model met alleen een ster in het midden omgeven door een stralenkrans .
Op te merken valt dat ook hier wel eens het funerair symbool van de ineengeslagen handen gebruikt wordt  als centraal thema, zelfs met een klein kruisje erboven en een krans er rond.
Tenslotte komt ook het alziend oog van God de Vader in beeld, gesymboliseerd als een driehoek met stralen: een vertrouwd beeld in vele huiskamers van toen…In dezelfde lijn ligt een model met alleen een ster in het midden omgeven door een stralenkrans.
Uiterst ongewoon is een gietijzeren grafteken voor een vrijmetselaar, nl. op de (overigens lelijke) begraafplaats van Bogny (Fr). Het heeft uiteraard geen zijarmen maar enkel een vertikaal opengewerkte vorm, en in de top de klassieke vrijmetselaarssymbolen, o.m. een ster met stralen en het opschrift ‘Libre Pensée’. Daaronder zijn twee fasces-bundels te zien en helemaal onderaan viooltjes: een merkwaardige verschijning !
Opschriften

Een aparte studie zou kunnen gewijd worden aan de ijzeren platen met persoonsgegevens die zich gewoonlijk in de onderste helft van de kruisen bevinden. Ze zijn meestal rechthoekig, ovaal, of een gefestonneerde combinatie van beide, met als afmetingen 50 x 25 cm. Aparte studies hierover zijn vooral van lokaal belang. Alhoewel ze dikwijls een aanduiding kunnen geven over het oprichten van het grafkruis, zijn ook voorbeelden bekend waarbij ze gewoon zijn uitgeschroefd en vervangen door een recenter opschrift.

Besluit
Het laatste woord over dit onderwerp is zeker niet gezegd. Erosie, vernielingen, roestschade en niet het minst het onverdroten ‘ruimen’ door de gemeenten maken deze studie dringend.
Sommige symbolen zijn nu al niet meer leesbaar.
Wie eens met het onderzoek begonnen is, besluit steevast met een bezorgde oproep tot zorg voor dit bijzonder stuk patrimonium. Terecht.
''Met dank aan de Grafzerkjes die informatie over dit onderwerp aanbrachten”.
Cis Kennes

Saint-Dénis. Le roi est mort, vive le roi voor onze An Hernalsteen een ietwat ontgoochelende necropool.


De basiliek van Saint-Denis, laatste rustplaats van de Franse monarchie. De verkwistende Franse koningen indachtig, droom ik al eeuwen van het laatste stulpje waar ze het einde der tijden liggen af te wachten; een bombastische schittering van marmer, goud, zilver, halfedelstenen en aanverwante troep waarbij een mens het staat aan te staren met steeds verder open vallende mond. Maar, en dat weet het kleinste kind, dromen zijn bedrog.
Pracht van een kerk, daar niet van, maar ik ga eerlijk zijn, de koninklijke necropool is mij ferm tegengevallen: zo, een dooie boel. Er zit geen fut in, ze liggen daar maar allemaal gezamenlijk te liggen, de vadsige koningen.
Ik wist dat mijn idolaat gedweep met Westminster mij ooit zuur zou opbreken maar dat het hier in Saint-Denis zou gebeuren, had ik niet verwacht. Foeterend en godverend (en dat in een kerk) vervloek ik de verlichte geesten van de Franse revolutie die de boel vakkundig gesloopt hebben.
De Merovingische koning Dagobert, overleden in 639, was de eerste vorst die er zijn stek kreeg. Omdat de hemelse sfeer van de heilige Denijs een beetje op hem zou afstralen, mocht hij zijn hoofd pal naast zijn idool neervlijen. Het oorspronkelijke graf zal waarschijnlijk veel kleurrijker geweest zijn want onze voorouders hielden wel van bonte dingen. Maar sedert Viollet-Le-Duc er rond 1859 zijn restauratiedrift mocht op botvieren, oogt het heel wat soberder.
Marguerite de France (1310-1382) werd op zeer jonge leeftijd gekoppeld aan de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers en is bijgevolg de mama van Lodewijk van Male.
Louis XII (1462-1515) de vader van het volk, beklom de troon in 1498. Door zijn honger naar steeds meer land en steeds meer onderdanen schoof hij zijn eerste echtgenote Jeanne, dochter van Louis XI, resoluut aan de kant om in 1499 te huwen met Anne de Bretagne (1477-1514).
Bretagne viel als een zoet broodje in zijn schoot. Na haar dood sloeg hij nog een derde vrouw aan de haak: Maria Tudor, zus van Henry VIII. Lang kon hij niet genieten van zijn nieuwe, veel jongere, stoeipoes. Een leeftijdsverschil van 35 jaar deed hem de das om. Hij slaapt nu braafjes naast Anne.
François I (1494-1547), volgde in 1515 zijn neef Louis XII op. Om hetzelfde genetisch materiaal goed te mengen, sloot hij Claude de France, de dochter van Louis XII, in zijn armen. Aartsvijand van Karel V, bewonderaar van de Italiaanse renaissance, mecenas en bon-vivant. Maar aardse genoegens blijven niet duren. Elf jaar na het overlijden van onze vrolijke Frans werd zijn mausoleum opgericht. Hier ligt hij verenigd met Claude en 3 van zijn kinderen.
Henri II (1519-1559) zoon van onze vrolijke Frans en zijn Claude. Hij besteeg de troon na het overlijden van pa lief. Huwde in 1533 de Italiaanse matrone Catharina de Medici (1519-1589) Hij kwam op een rare manier aan zijn einde want tijdens een toernooi peuterde een lans zijn oog uit.
Gemeentelijke begraafplaats
 
Na de verwennerij van de laatste dagen was dit huilen met de pet op. Een mooi anoniem graf, de laatste rustplaats van burgemeester Connoy, de familie Giot en enkele gastjes van de grote oorlog. 
Louis Lenoble gesneuveld in Lombardsijde op 11 november 1914 en René Vandendaele (1881-1914).
An Hernalsteen
 
Foto’s: Ria Vaes en Dirk Joos

Eerbetoon aan Hendrik Conscience prachtig werk geleverd door Levanto.


Het was 26 januari dus gedichtendag. Het was 2012 en dus 200 jaar geleden dat Hendrik Conscience, de man die zijn volk leerde lezen, het levenslicht zag.
 
Een hele tijd geleden kwam ons lid Christiaan Ketele, voorzitter en drijvende kracht, achter de vzw Wijkvereniging Klein Antwerpen (een gebied gelegen tussen de Lange Leemstraat, de Belgiëlei en het stadspark in  Antwerpen) op het idee om, als wijkvereniging, het grafmonument voor Hendrik Conscience in peterschap te nemen. De nodige paperassen werden getekend en de vzw kon het grafmonument opkuisen. Dat was buiten de waard gerekend: de lat voor het herstel van het grafmonument werd zo hoog gelegd dat Christiaan het even niet meer zag zitten. Maar Christiaan is een doorzetter en hij kreeg de steun van de heer Hendrik De Bouvre die aan Levanto, een sociaal tewerkstellingsproject, vroeg om het grafmonument op te kuisen (zie ook Nieuwsbrief 65). Het resultaat mag gezien worden. Leuk detail (alhoewel ik het geen detail zou durven noemen): na de opknap van Consience vond Hendrik De Bouvre dat de twee monumenten aan weerszijde van de grote schrijver er toch wat belabberd bijlagen en hij vroeg aan de mensen van Levanto om ook het grafmonument voor Herman Van den Reeck en dit voor Edward Coremans onder handen te nemen. Bij dit laatste graf had onze Marc Coremans, die zijn naamgenoot in peterschap had genomen, chance. Hij was op weg om “zijne Coremans” te fatsoeneren toen hij daar de mensen van Levanto met grote middelen zag staan. Marc maakte rechtsomkeer en kwam later het werk van de mensen van Levanto bewonderen.
 
Om 14 uur troepten een dertigtal geïnteresseerden samen aan het monument voor “Rik Goedgeweten”. Ik moet eerlijkheidshalve zeggen dat de Grafzerkjes voor meer dan de helft van de aanwezigen zorgden. Christiaan mocht de heer Guy Lauwers, schepen voor begraafplaatsen, en de heer Hendrik De Bouvre, afdelingshoofd begraafplaatsen, verwelkomen. Het was wel eigenaardig: het was gedichtendag en die organisatie blonk uit door hun afwezigheid. In zijn toespraak verwees Christiaan Ketele naar de inspanningen die zijn wijkvereniging en ook de mensen van de naburige vereniging Kunstkoffer deden om grafmonumenten in peterschap te nemen. Bert Bevers, dichter en lid van onze vzw, werd aangezocht om enkele gedichten van Hendrik Conscience te brengen. Bert vertelde dat het niet zo’n eenvoudige opgave was want er is weinig om geen dichtwerk van Conscience te vinden. Uiteindelijk vond hij twee gedichten uit 1837 en hij droeg die voor er bij vertellend dat hij vond dat er aan Hendrik Conscience niet echt een groot dichter verloren gegaan is. Zijn “gehoor” kon een glimlach niet onderdrukken bij zulke “gedateerde” gedichten. Natuurlijk is de schrijver Conscience wel gerenommeerder. Schepen Lauwers nam kort het woord en na de “officiële foto” met Christiaan Ketele, Bert Bevers en schepen Guy Lauwers zakte het gezelschap af naar het kasteel waar een receptie werd aangeboden. 
Daar ging Christiaan nog dieper in over het peterschap en het waarom de wijkvereniging (gevestigd in de … Consciencestraat) dit grafmonument overnam. Hij dankte ook schepen Lauwers, de heer De Bouvre en de mensen van Levanto. 
Op zijn beurt wist schepen Lauwers het werk van de wijkvereniging Klein Antwerpen te waarderen én het werk dat door onze vzw Grafzerkje geleverd werd. Het doet fijn om te horen dat de beleidsmensen toch hun appreciatie uiten voor hetgeen onze vzw Grafzerkje betekend. Er werd nog gezellig nagekaart bij een drankje en een versnapering.
 
Jacques Buermans

Funeraire vondsten in Sint Kruis ons lid Johan Duyck was nauw betrokken bij de restauratie.


In mei 2011 ging in Sint-Kruis de restauratie van een aantal waardevolle graven van start. Het restaureren van de geselecteerde monumenten vergt niet alleen deskundig vakwerk ter plaatse, ook voorafgaand studie- en opzoekingswerk bleek noodzakelijk om de aangetaste of beschadigde delen zo getrouw mogelijk te kunnen restaureren volgens het origineel model. Tijdens de eerste funeraire restauratieperiode heeft dergelijk begeleidend werk belangrijke vondsten opgeleverd o.a. bij twee zeer waardevolle 19e eeuwse monumenten. Het betreft vooreerst het grafteken van de familie Dezitter-Pottevyn dat in 1847 ontworpen werd door Jean Baptiste Bethune. Omdat het hier gaat om het eerste neogotische pinakelgraf in België is dit graf bijzonder waardevol. Daarnaast is ook het graf van De Carnin et Staeden erg belangrijk. Jean Charles de Carnin et Staeden (+1826) was de laatste baron van de heerlijkheid Male op het einde van het Ancien Regime. 
Op twee prachtige kerkhofaquarellen d.d. 1856 en 1862 van Auguste  de Peellaert (1793-1876) konden verschillen tussen de originele uitvoering en de huidige toestand van deze monumenten worden geconstateerd.
                         
Voor het graf van De Carnin et Staeden is dat het ontbreken van “de olielamp” die op de aquarel van 1862 nog bovenop het graf prijkt. Voor het neogotische pinakelgraf van Dezitter-Pottevyn zijn dat meerdere ontbrekende attributen zoals verschillende panelen van het gietijzeren afsluitingshek, het kruis op de spits en het Mariabeeld in de nis van het graf. Het beeld is van de hand van de Leuvense beeldhouwer Karel Geerts (1807-1855), één van de belangrijkste neogotische beeldhouwers. De olielamp en het Mariabeeld zijn al vele decennia “verdwenen” en het vervangen van deze grafsymbolen door replica’s is, om budgettaire en ethische redenen, niet in de huidige restauratieplanning  opgenomen.
Een bijzondere uitdaging voor het restauratieteam vormde het “ontcijferen” van de nog zichtbare maar nauwelijks leesbare drieregelige tekst in de kleine nis boven het wijwatervat van het graf Dezitter-Pottevyn. Er werd een beroep gedaan op enkele vrijwillige medewerkers “latinisten” en na vele uren speurwerk kon de originele tekst “ Lavabis me, et super nivem dealbabor” worden gereconstrueerd. Het betreft de tweede regel van Psalm 50, het bekende “Asperges me”. Vrij vertaald betekent de Latijnse tekst: “Was mij, zodat ik witter word dan sneeuw”. Deze smeekbede wordt gericht tot (de verdwenen) Maria en werd gepast geplaatst boven een zuivere waterbron.
Omdat de basis van dit graf jarenlang door ongewenste wortelvorming van hardnekkig struikgewas was aangetast, werden bijkomende funderingswerken uitgevoerd waardoor de omliggende grond werd omgewoeld. Bij de latere opkuis- en egaliseringswerken ontdekte ondergetekende  in de grond onder een struik aan de voet van het nabij gelegen graf van Anselme van den Bogaerde een kuil  die stenen grafrestanten bleek te bevatten. Het reeds lang verdwenen kruis op het monument van A. van den Bogaerde – zichtbaar op de Peellaert-ets van 1862 – kwam, weliswaar gebroken, te voorschijn. In de kuil werd ook de licht beschadigde olielamp van het tien meter verderop gelegen graf van De Carnin et Staeden aangetroffen: voorwaar een funerair archeologische vondst van formaat! Tijdens de restauratiecampagne van 2012 zal dit funerair symbool van eeuwig licht en onsterfelijkheid terug op zijn oorspronkelijke plaats verankerd worden.
En ook bovengronds zorgde de neoclassicistische vierkante pijler van dit Van den Bogaerde-graf voor een merkwaardige ontdekking: ontdaan van de jarenlange overwoekerende klimop verscheen op de verweerde blauwe hardsteen onder de guirlande  een ingebeitelde schedel  en gekruiste tibia met daaronder het Latijnse epitaaf “ Siste gratum id quod es antea/ Fui. Quid sim post funera, quaeris?/ Putredo, pulvis, Quod tu quoque/ Cras forsitan eris.  Si sapis: hic/ Vive Deo et morere mundo. Vale/ et pro anima mea, dic Pater et ave/R.I.P./”.
Vertaald geeft A. van den Bogaerde - een celibataire Bruggeling die in 1866 stierf op negentigjarige leeftijd - zijn familie en kennissen postuum volgende overwegingen mee: “ Beschouw als dierbaar hetgeen je bent en wat ik voorheen/ geweest ben. Je vraagt je af wat ik zou zijn na de dood?/ Stank en stof, wat ook jij wellicht weldra/ zult zijn. Als je wijs bent: leef hier/ voor God en sterf voor de wereld. Vaarwel/ en zeg voor mijn ziel een Onzevader en een Weesgegroet/.                                                                                  
 
Johan Duyck

Schoonselhof : wonderbare vangst dodenmasker teruggevonden.


Enkele weken geleden kreeg ik goed nieuws: tijdens werken nabij de vijver van de begraafplaats Schoonselhof ontdekte hovenier Louis het sinds 2008 verdwenen dodenmasker van Piet Janssens. Piet Janssens was acteur die schitterde in de grote karakterrollen van Shakespeare, vooral Shylock, Ibsen en Heijermans in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg te Antwerpen. Later speelde hij spektakelstukken in de Antwerpse Hippodroom. Van 1912 tot 1915 was Piet Janssens directeur van de Volksschouwburg. In 1915 keerde hij terug naar de Koninklijke Nederlandse Schouwburg, waarna hij in 1924 het Hippodroomtheater leidde. Piet Janssens was een zeer populaire figuur en kreeg een vorstelijke begrafenis. Zijn zoon was niemand minder dan Charel Janssens. Het dodenmasker van Piet Janssens is een ontwerp van beeldhouwer Karel Schuermans. 
Ik ben ervan overtuigd dat er zich nog bronzen voorwerpen in de vijvers of in de grachten van de begraafplaats bevinden. Ik ben er bijna zeker van dat enkele voorwerpen (ik denk dan aan de bronzen trompet op het grafmonument voor burgemeester De Wael) niet gestolen werden door professionelen maar eerder door jonge gasten die zich verveelden. Ze prutsten wat aan het monument, hadden plots de bronzen trompet en de hand en  omdat ze er geen blijf mee wisten dumpten ze die in een van de grachten. Misschien kan er eens grondig gedregd worden hopelijk met gunstig resultaat.
 
Jacques Buermans