Nieuwsbrief Nr. 60 - maart 2011

Genoten van de gastvrijheid van het VVV Tessenderlo onze algemene vergadering was een succes dankzij de mensen van het VVV Tessenderlo.


De mensen van het VVV van Tessenderlo nodigden ons begin 2010 al uit om onze algemene vergadering van 2011 in Tessenderlo te houden. Uitnodiging die we niet afsloegen. De mensen vonden het normaal omdat we in het verleden al eens advies gaven met betrekking tot hun oud kerkhof.

Om 9.30 uur werden we in het ontmoetingscentrum ’t Goor reeds vergast op koffie met een koekje. Stipt 10 uur begaven we ons naar Schoot. Volgens François Van Gehuchten, onze gids voor die dag was Schoot vroeger het rijkste gehucht van Tessenderlo en is het nu het kleinste gehucht. François poneerde onmiddellijk dat men hier geen Limburgs maar Brabants spreekt want op wenkbrauwengefrons van onze Limburgers van dienst onthaald werd. Slechts enkele grafzerken bevinden er zich nu nog rond de kerk waaronder die voor vrederechter Vaes die zich de status van adel aanmatigde door met iemand van adel te huwen. De vrederechter sprak een historicus aan die ervoor zorgde dat hij, op een dubieuze wijze, een adellijke titel, die van baron, kreeg. Bij het kruis voor Karel Huybrechts ontstond een discussie: er stond overleden 30 9ber en François vroeg zich af of wij wisten in welke maand hij overleed. Een aantal onder ons hielden het op “november” andere, onder leiding van An zegden dat het “september” moest zijn.

De bouw van de kerk had ook heel wat voeten in de aarde. De liberale burgemeester De Leeuw hield meer dan 10 jaar de bouw tegen. De achterliggende reden was de vrees van de burgemeester dat Schoot een afzonderlijke gemeente zou worden. Aan de kerk een medaillon voor pastoor Van Aelst. Medaillon van de hand van ene Fischweiler – op vraag van An: Gustave Fischweiler nam deel aan de Olympische Spelen van Berlijn in 1936 in de discipline “mixed sculpture”!. Op de nabijgelegen begraafplaats was er een mooi perk voor een Indonesische mevrouw Thoeng.

De “Norgafanclub”, Marcel en Lieve zoeken overal werk van de medailleursfamilie Norga, raakte euforisch want ook hier was de familie Norga vertegenwoordigd. Vandaar met de wagen terug naar Engsbergen. In de kerk, waar vroeger enkel een kapel stond, bewonderden we het orgel afkomstig van de begijnhofkerk van Aarschot, gebouwd door Verbuecken, en buiten zagen we de zerk voor Benedictus Sannen die sneuvelde tijdens de slag der zilveren helmen, de laatste cavalerieaanval in West Europa, in Halen. In die strijd werd Jef Van Leeuw, grootvader van een van onze leden, laffelijk neergeschoten door de Duitsers omdat hij het uniform van postbode droeg.
Bij Van den Hove, directeur in Kasaï, vertelde François dat hij in 1830 naar Nederland trok om te vragen aan Willem I om diens zoon op de Belgische troon te zetten. Nadien genoten we van een broodjesmaaltijd aangeboden door de VVV van Tessenderlo.

Na de middag trokken we naar Tessenderlo waar François ons wees op het huis van burgemeester De Leeuw die in 1851 een begraafplaats liet oprichten. Blijkbaar rustte er een vloek want de eerste grafmaker stierf reeds na 3 maand, de tweede hield het amper één jaar oud en nummer drie leefde ook maar enkele maanden na zijn aanstelling. We stonden stil bij de woning van pastoor Keesen, de haringpastoor genaamd, omdat hij eerst zorgde voor de tewerkstelling door een mandenmakerij op te richten. In zijn zoektocht naar iets voedzaams voor de arbeiders kweekte hij haringen. Hij is ook de man achter Tessenderlo chemie. In de Sint Martinuskerk bewonderden we het prachtige laatgotische koordoksaal. Indertijd diende het als preekstoel, werd er ook een orgel geplaatst welk drie maal gerestaureerd werd en uiteindelijk vakkundig verknoeid werd door ene Geurts, uit Berchem, vulde François nog aan.
 
De begraafplaats, uit 1902, stond als laatste op het programma. We zagen er het graf voor de katholieke burgemeester Schoonbroodt. Wat verder lag de liberale burgemeester De Leeuw. Hij bleef 60 jaar ongehuwd en huwde dan met iemand van 19 jaar oud. Een groot monument herdacht de ramp van 1942. François eindigde zijn felgesmaakt betoog met het verhaal van oorlogsburgemeester Ariën, wiens graf niet meer bestaat.

Vandaar trokken we naar het ontmoetingscentrum ’t Goor waar we nog vergast werden op koffie en taart. Nadien begon onze algemene vergadering waar ondergetekende zijn traditionele “nieuwjaarsbrief” voorlas maar waar nog enkele verrassingen uit de bus kwamen, zoals een driedaagse trip naar Parijs (zie verder in deze Nieuwsbrief).
Jacques Buermans
Foto’s Ria Vaes en René Mertens

Begraafplaats Sint-Margriete-Houtem (Tienen) Ons lid Mia Verbanck ging in om de oproep naar artikels en stuurde het volgende door


Geschiedenis: Het 3de Duitse legercorps en een deel van het 9de rukten onder bevel van generaal von Kluck op naar de Grote Gete tussen Halen en Tienen. Het Belgische 22ste linieregiment was in Sint-Margriete-Houtem ingekwartierd, rond Grimde werd de linie bezet door het 3de linieregiment. De 3de Gemengde Brigade beschutte de zuidwest- tot zuidoostkant van Tienen. Ze hadden als taak om de Getelinie te verdedigen, de aftocht van het Belgische leger te dekken en het van een omsingeling te behoeden. In de ochtend van 18 augustus hadden Belgische eenheden de Getelinie in Geetbets al moeten prijsgeven aan de Duitse overmacht. Kort na de middag barstten de gevechten bij Grimde en Sint-Margriete-Houtem volop los. De overmacht was te groot. De Belgische legerleiding gaf om 14u het bevel om terug te trekken naar Leuven, maar dit bevel kwam te laat. De troepen waren tegen die tijd in bijzonder bloedige gevechten verwikkeld. Aan beide zijden vielen vele slachtoffers. Van het 22ste linieregiment, dat 2400 manschappen telde, waren 1.250 militairen buiten strijd. Maar liefst 585 onder hen lieten hier het leven.

Op initiatief van de ‘Société du Souvenir du Soldat’ werd met de Duitse bezetter onderhandeld om de vele graven van Belgische soldaten, die overal omheen de stad begraven lagen, her op te graven, te identificeren en te groeperen. De bezetter stelde als voorwaarde dat ze dat werk dan ook voor de Duitse doden moesten doen. De ‘Souvenir du Soldat’ had tussen 12 november 1914 en 7 juli 1916 in de wijde omgeving van Tienen 544 Belgische, 12 Franse en 151 Duitse soldaten opgegraven en op gemeentelijke kerkhoven herbegraven. 141 soldaten kregen een rustplaats in de (ondertussen als monument beschermde) Sint-Pieterskerk van Grimde. Dankzij financiële steun van de stad en private donateurs kon ook grond in Sint-Margriete-Houtem aangekocht en ingericht worden. De aanleg van deze begraafplaats zou gestart zijn op 11 mei 1916. Op de begraafplaats van Sint-Margriete-Houtem werden tijdens de oorlog zowel Duitse als Belgische en Franse doden begraven. De 77 Duitse doden behoorden hoofdzakelijk tot het 12de regiment Hussaren, het 75ste Infanterieregiment en het 86ste 'Fußregiment', en waren omgekomen tijdens de gevechten van 10 en 18 augustus 1914. Hun graven werden achteraan op het verhoog geplaatst, met centraal het gedenkteken van Renée Baronin von Vraniczani (1930). Onder meer de natuurstenen ommuring getuigt nog van de oorspronkelijk Duitse aanleg.
Het beeldhouwwerk bestaat uit een bijna naakte jongeman met gesloten ogen, op een sokkel met "AUGUST 1914". Dit alles in grijze hardsteen uitgevoerd en geplaatst tegen een hogere en bredere pijler uit natuurstenen blokken, die bovenaan bekroond wordt met een kruis uit breuksteen. Het beeldhouwwerk werd door omwonenden ‘August’ geheten, naar het opschrift "AUGUST 1914". Nadat de kop van de gebeeldhouwde jongeman met Duitse helm door vandalisme vernield werd, werd hij vervangen door een kop zonder hoofddeksel. De Duitse graven werden na de Tweede Wereldoorlog naar de verzamelbegraafplaats van Vladslo overgebracht.


Er werden hier tijdens de oorlog ook 216 Belgen en 12 Fransen begraven. Vandaag de dag liggen er – na repatriëringen – nog 173 Belgen van wie er 4 niet meer geïdentificeerd konden worden.
De meeste doden behoorden tot het 22ste Linieregiment en zijn gestorven ten gevolge van de gevechten van 18 augustus 1914 bij Sint-Margriete-Houtem en Grimde. De haagjes, die achter de rijen graven werden aangeplant, zijn ondertussen verdwenen. Naar verluidt stond er na de oorlog een buitgemaakt kanon op de begraafplaats opgesteld, maar dit werd verwijderd in 1937 omdat het volledig verroest was.
Beschrijving: Begraafplaats met toegangsweg. Het grondplan is rechthoekig en is ca. 22 are groot, het genivelleerd terrein is in 2 niveaus aangelegd. De begraafplaats wordt volledig omgeven door een natuurstenen muur. Het meerledig zwart geschilderd ijzeren toegangshekken wordt geflankeerd door 2 natuurstenen pijlers, met witgeschilderde bolbekroning. Vanaf de toegang leidt een centraal middenpad naar de trap, die geflankeerd wordt door natuurstenen pijlers, bekroond met een witgeschilderde vaas resp. bol.
Centraal op het verhoog staat het beeldhouwwerk van Baronin von Vraniczani, bestaande uit een bijna naakte jongeman met gesloten ogen, op een sokkel met "AUGUST 1914". Dit alles in grijze hardsteen uitgevoerd en geplaatst tegen een hogere en bredere pijler uit natuurstenen blokken, die bovenaan bekroond wordt met een kruis uit breuksteen. Meer naar rechts op het verhoog staat een vlaggemast met de Belgische driekleur. De rijen graven staan op graspartijen opgesteld, van mekaar gescheiden door paden uit rode steenslag. Rechts vooraan het houten schuilgebouwtje met grondplan, register en bezoekersboek. De aanplanting bestaat onder meer uit een taxushaag (tegen de voorste muur), coniferen (op het verhoog tegen de achterste muur), Japanse kerselaars, berken en esdoorns. 
Bron: http://inventaris.vioe.be/dibe/relict/201112
http://forumeerstewereldoorlog.nl/viewtopic.php?t=12885

Bijkomende info van het stadsarchief Tienen: Na herhaald aandringen van Le Souvenir du Soldat Belge gaf de Zivilkommissär in september 1915 aan het stadsbestuur kennis van het feit dat op het grondgebied van Sint-Margriete-Houtem een militaire begraafplaats zou aangelegd worden en dit naar het model van soortgelijke kerkhoven in Haacht, Veltem en Wespelaar. Bedoeling was om hier alle Belgische, Duitse en Franse gesneuvelden te begraven die om het leven kwamen bij de schermutselingen in Attenrode-Wever, Bunsbeek, Geest-Gerompont, Glabbeek, Grand-Rosière, Oplinter, Orbais-les-Perwez, Neerlinter, Ramillies, Roosbeek, St.-Margriete-Houtem, Vissenaken en Wommersom. Reynaerts kreeg de opdracht de architect Jacob Erkelenz te vergezellen naar de gelijkaardige begraafplaatsen (p. 34) Op 20 april 1916 stemde de Tiense Gemeenteraad erin toe om over te gaan tot de aankoop van twee percelen land, gelegen op de 'Wijngaardberg' aan de grens tussen de stad Tienen en de gemeente St.-Margriete-Houtem[1]. De stad zou oorspronkelijk de aankoop doen en de kosten terugvorderen uit private giften. De koop vond plaats op 26 december 1916 en werd betekend bij notaris Oscar Brion te Leuven. De aankoopsom, die 2630,40 frank bedroeg, werd samen met de notariële kosten voorgeschoten door de Tiense Suikerraffinaderij. Na de oorlog werd de militaire begraafplaat opgeëist door het departement Landsverdediging. Hoewel de officiële verkoop toen nog niet plaatsgevonden had, schreef het college van burgemeester en schepenen op 7 augustus 1916 een commodo en incommodo uit voor de aanleg van een soldatenkerkhof op het 'Windmolenveld'. Volgens L. Reynaerts werd op 18 augustus 1916 de eerste steen gelegd van het gedenkteken van de wakende soldaat. Dit gebeurde in aanwezigheid van verschillende hooggeplaatste Duitse officieren. Nog volgens Reynaerts werd in de sokkel van het standbeeld een document ingemetseld met daarop de doelstelling van de oprichting van het kerkhof en de opsomming van de namen van de landen waarmee keizer Wilhelm II in oorlog was. De eerste opzichter van de begraafplaats werd Gustave Appeltans. Het monument met het beeld van de wakende soldaat, dat de begraafplaats domineert, verraadt een onmiskenbare Duitse oorsprong. Het is te bereiken via een trap met zes treden met aan weerszijde een urn (het symbool van de dood). De sokkel en zuil, bekroond met een kruis, zijn net als de ommuring opgetrokken in kwartsiet. Het kalkstenen beeld dat een - op een riem na - naakte mannenfiguur voorstelt, staat op een sokkel in hetzelfde materiaal. Op het voetstuk bevindt zich het Duitse opschrift: August 1914. Een poging om dit monument door een Belgisch gedenkteken te vervangen mislukte. Op 2 oktober 1922 drukte de Tiense gemeenteraad de wens uit dat het Duitse monument zou verdwijnen. Volgens burgemeester Charles De Jaegher zetten de expliciete Germaanse symboliek van het beeld kwaad bloed bij de goegemeente en werd het in 1919 zwaar beschadigd. Welke beschadigingen hij hier bedoelde is niet duidelijk. Opmerkelijk is wel dat het hoofd vervangen werd. Op 12 oktober werden deze bezwaren aan de Dienst Militaire Begraafplaatsen van het Ministerie van Landsverdediging kenbaar gemaakt. De dienst antwoordde in een brief van 21 oktober dat er een principiële goedkeuring bestond om het beeld te verwijderen, maar dat dit bij gebrek aan financiële middelen nog niet uitgevoerd werd. Deze beslissing zou uiteindelijk nooit uitgevoerd worden. Momenteel is dit ereperk exclusief Belgisch. Wanneer men uiteindelijk is overgegaan tot de overbrenging van de Duitsers gesneuvelden naar de Duitse militaire begraafplaats in het West-Vlaamse Vladslo, kon uit onze bronnen niet opgemaakt worden. Volgens getuigen gebeurde dit in de jaren vijftig. Zeker is dat er in 1922, toen er druk plannen gemaakt werden voor de oprichting van het monument op de Kabbeekvest, nog steeds Duitse militairen begraven lagen.  

L. Vrancken – stadsarchief Tienen
Foto’s: Mia Verbanck

Maanmonument een bijdrage van ons lid Ivo Bovend’aerde


Een transi - tombe of memento mori - tombe is een grafmonument. Dat als verheven beeldhouwwerk naast een gisant (liggende figuur) of adorant (met gevouwen handen in aanbidding) kon voorkomen. Het stelde een skelet voor met lichaamsdelen in ontbinding. Reeds van in de 15de eeuw kwam dit soort beeldhouwkunst voor. Het had alles te maken met een allegorische voorstelling van de vergankelijkheid van het aardse leven.

Skelet van de eerste Oranje
In de St Etienne kerk van het Lotharingse Bar – le – Duc staat vooraan rechts boven een zijaltaar het indrukwekkende monument voor René van Châlons. Hij sneuvelde in 1544 in dienst van keizer Karel V niet al te ver uit de buurt in St Dizier. Werd in de Grote Kerk van Breda begraven. Maar zijn hart en ingewanden bleven in Bar – le – Duc. Daar kreeg hij in opdracht van zijn vrouw Anna van Lotharingen dit indrukwekkend monument. Ook zijn moeder Claudia van Châlons was een Lotharingse. Via haar broer Philibert van Châlons had René de titel ‘prins van Oranje’ geërfd. René was vijf en twintig toen hij sneuvelde. Behalve een dochtertje, dat als baby overleed en ook in de Grote Kerk te Breda begraven ligt, had René geen afstammelingen. Zijn titel ging over naar een elfjarige neef Willem van Nassau, de latere ‘Willem de Zwijger’. Die werd aan het hof van Karel V te Brussel opgevoed.


Landspreuk
‘Je maintiendrai Châlons’ was de strijdkreet van Philibert van Châlons en later ook van René van Châlons. Willem de Zwijger hechtte ‘Je maintiendrai’ aan zijn titel van prins van Oranje. En zodoende is het de nationale spreuk van Nederland geworden. Vreemd voor een land waar het Nederlands de hoofdtaal is.

Ivo Bovend’aerde  

Van het Gentse front: niets dan fantastisch goed nieuws of ik ben een gelukkig mens ons An Hernalsteen is tevreden en laat dat blijken


Eerst en vooral gaat de stad Gent subsidies toekennen aan de concessiehouders die merkwaardige of belangrijke grafmonumenten (dit zijn graven met een historische of kunsthistorische waarde) willen restaureren. Deze subsidie bedraagt 50 procent van de totale kostprijs van de werken  met een maximaal bedrag van 2500 euro. De subsidie moet aangevraagd worden bij de dienst monumentenzorg en architectuur VOOR de start van de werken.

Er is ook een budget voorzien voor de restauratie van waardevolle grafmonumenten waar ofwel geen familiekat nog naar omkijkt, of/en die eigendom zijn van de stad.
Jan Oscar de Gruyter op Gentbrugge beet de spits af.


Wie was Jan Oscar de Gruyter?
Geboren in Gent op 10 maart 1885, studeerde hij aanvankelijk Germaanse filologie aan de Gentse Universiteit. Toen het Algemeen Nederlands Verbond de Nederlandse regisseur Arie van den Heuvel (die tussen haakjes in mijnen hof ligt) opdracht gaf declamatielessen te organiseren, schreef de Gruyter zich voor deze cursus in.
In 1908 stichtte hij te Gent de “Vlaamsche vereeniging voor toneel en voordrachtkunst” en tijdens de eerste wereldoorlog was hij als medeoprichter actief in het Fronttoneel. Hij leidde het Vlaamsche Volkstoneel tussen 1920-1922. In 1922 zond Gent haar zoon uit richting Antwerpen waar hij tot 1929 directeur was van de KNS.
De Gruyter overleed te Nice op 27 februari 1929.
Andere monumenten zullen volgen, ik hou jullie op de hoogte.

An Hernalsteen

Grafzerkje gaat naar Parijs in 2011 driedaagse trip naar top drie van Parijse dodenakkers


Onze driedaagse start op vrijdag 7 oktober met de begraafplaats Montmartre. Onze Martin Demedts schreef bij een eerder bezoek een verslag waarbij ik volgende distilleerde:
Montmartre is geen afgesloten ruimte. Door de beperkte oppervlakte (10 ha) en de heuvelachtige omgeving behoudt de bezoeker het overzicht. De dodentuin ligt in het hart van de stad, - de hoofdingang ligt op loopafstand van de Moulin Rouge en Pigalle - soms alleen afgesloten door een traliehek of een haag. Het jachtige leven van de stad Parijs raast over Montmartre. Het viaduct van de rue Caulaincourt doorkruist de begraafplaats. Vergankelijke drukte en eeuwige rust een paar meter boven mekaar, het was even wennen.
De gegoede burgerij wilde haar prestige vereeuwigen in grafmonumenten die de tijd moesten weerstaan. Op de begraafplaats van Père Lachaise zijn sommige monumenten hallucinant hoog. Montmartre is kleiner, soberder, harmonieuzer.
Aan ronkende namen is er nochtans geen gebrek. Emile Zola, Hector Berlioz, Alexandre Dumas, Edgard Degas, de Goncourts, Stendhal, Ampère rusten hier. Een paar graven zijn me speciaal bijgebleven. Het monument van Dalida. Als een ster staat ze in het zonlicht, maar heel breekbaar. De sobere grafplaat van de cineast François Truffaut. Er liggen enkele losse bloemen op, en kaarsen, en briefjes met steentjes erop zodat de wind de woorden voor François niet laat vervliegen. Nijinsky, sterdanser van de Ballet Russe van Diaghilev, kijkt ons als dwerg of nar weemoedig onderzoekend aan. Voeg daarbij de stalen stembanden van Jacques die zijn uitleg drie gangen ver dragen, fotografen op jacht naar het mooiste kiekje en een stralende zon, u zal begrepen hebben dat het bezoek aan Montmartre zeer de moeite was.


Martin Demedts


Op zaterdagvoormiddag 8 oktober staat Montparnasse op het programma:
Montparnasse is uiteraard geen Père Lachaise: veel kleiner maar wel veel ordelijker. Het merendeel van de deelnemers vond het mooie rechtlijnige wel iets hebben. Een bloemlezing uit de “fine fleur” die Montparnasse bevolkt. Jean Paul Sartre, filosoof en zijn levensgezellin Simonne de Beauvoir filosoof en feministe. Een eenvoudig graf voor de in Roemenië geboren toneelschrijver Eugène Ionescu. Wat Jim Morrison is voor Père Lachaise is Serge Gainsbourg voor Montparnasse alleen hebben zijn bewonderaars veel meer respect. De bloemen en de talrijke foto’s op zijn graf blijven gelukkig maar onaangeroerd. Samuel Beckett de uit Ierland afkomstige schrijver schreef in de Franse taal en kreeg in 1969 de Nobelprijs voor letterkunde. Een prachtige marmeren beeldengroep “La Séparation du couple”. Een wenende man wiens vrouw, reeds half in het graf, hem een ultiem afscheid toestuurt. Dit beeldhouwwerk van Alix is geen grafmonument, maar werd uit de stad geweerd wegens te obsceen. Een eenvoudig graf voor Constantin Brancusi de uit Roemenië afkomstige beeldhouwer. De cenotaaf voor dichter Charles Pierre Baudelaire. Het is een gisant in de vorm van een Egyptische mummie en zijn buste boven een enorme vleermuis.
De begraafplaats wordt doormidden gesneden door een straat. Hier treffen we een van de meest gefotografeerde graven aan: dit voor Charles Pigeon, de uitvinder van de anti-explosielamp. “Le Lit Conjugal" stelt Pigeon voor half opgericht naast zijn rustende vrouw. Eindigen doen we met “Le Baiser”, de kus, een der eerste werken van de Roemeense kunstenaar Constantin Brancusi. Het bevindt zich op de laatste rustplaats voor een paar dat samen zelfmoord pleegde.
Jacques Buermans
Op zondagvoormiddag 9 oktober sluiten we af met de moeder van alle begraafplaatsen: Père Lachaise:
Père Lachaise biedt voor 1,3 miljoen mensen de laatste rustplaats. Tijdens onze rondgang komen we langs dichter Alfred de Musset. Wat verder het monument voor de doden. Hier bevindt zich het ossuarium van Père Lachaise, de naamloze resten. Een van de meest bebloemde en de meest bezochte grafmonumenten is dit voor Fréderic Chopin, de romantische componist bij uitstek. Tijdens onze rondleiding komen we ook Belgen tegen zoals componist André - Ernest - Modeste Grétry. Een mooi grafmonument voor schilder Théodore Géricault. Schilder Jacques - Louis David ligt zo wel op Père Lachaise als op de begraafplaats van Evere. Hoe het juist in mekaar zit komt u te weten tijdens de rondleiding. Een eenvoudig monument voor componist George Bizet. Een sarcofaag kreeg schilder Eugène Delacroix. Vlakbij Honoré de Balzac, een der grootste vertegenwoordigers van de Franse literatuur. Deze eeuw overleden Marie Trintignant, actrice en zanger Gilbert Becaud. Het echtpaar Yves Montand en Simone Signoret ligt samen nabij een berk afkomstig van hun huis. Via het crematorium gaan we naar een van de toppers van deze dodenakker: Oscar Wilde, een der meest toonaangevende Europese dichters en schrijvers. We ontmoeten nog een Belg: Zénobe Gramme, uitvinder van de dynamo om zo langs de laatste rustplaats van Edith Piaf te gaan. Haar grootste nummers zijn Milord, La vie en rose en Non je ne regrette rien.
Jean de la Fontaine, schrijver ligt vlakbij zijn collega schrijver Jean Baptiste Molière. Aan de avenue des Maréchaux ontmoeten we veel generaals die onder Napoleon dienden. Het meeste bezochte grafmonumenten is dit voor Jim Morrison, zanger van de rockgroep The Doors. Vooraleer Père Lachaise te verlaten komen we nog voorbij “Belg” Georges Rodenbach, niet de man van de Blauwvoet of die van de drank. Na nog een laatste “triestig” verhaal bij neogotische grafmonument voor Abélard & Heloïse zit ons bezoek er op.
Jacques Buermans

Vlaamse figuren op het Schoonselhof, Wandelen langs Vlaams funerair erfgoed een nieuwe publicatie over Schoonselhof


Op de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof hebben heel wat Vlamingen, bekende en minder bekende, een laatste rustplaats gevonden. Schoonselhof behoort samen met het Gentse Campo Santo tot de ‘heilige plaatsen’ van de Vlaamse beweging.
Aan deze Vlaamse figuren, die op een of andere manier van betekenis waren voor de ontwikkeling van Vlaanderen en de Vlaamse Beweging, besteedt het Bormshuis aandacht in zijn nieuwste publicatie Vlaamse figuren op het Schoonselhof. Wandelen langs Vlaams funerair erfgoed. De publicatie is opgezet als een wandelgids langs een hele rits graven van deze markante figuren.
Het leeuwenaandeel van de publicatie vormt de beschrijving van een uitgestippelde wandeling langs de graven van Vlaamse figuren, met korte biografische schetsen en een beschrijving van de graven. Hierbij komen zowel schrijvers, dichters en componisten, en personen uit de politieke Vlaamse Beweging aan bod. Slechts enkele namen: Peter Benoit, Frans Daels, Willem de Meyer, Berten Fermont, Armand Preud’homme, Paul van Ostayen, pater Desiderius Stracke, Herman van den Reeck, Jef Van Hoof en Lode Craeybeckx.
Het geheel wordt geïllustreerd met kleurenfoto’s die het de gebruiker makkelijker maken de graven snel terug te vinden. Na de beschrijving van de wandeling volgen nog enkele korte biografische schetsen van andere Vlaamse figuren die elders op Schoonselhof begraven liggen.
De wandelgids is bestemd voor al wie belangstelling heeft voor het Vlaams funerair erfgoed. De wandeling duurt ongeveer 2,5 tot 3 uur en is een activiteit die men zowel individueel als in groep kan doen. Waterdicht schoeisel wordt wel aangeraden.
Tot zover de persmededeling.
Ik mocht een exemplaar inkijken en was aangenaam verrast. Wat in de eerste plaats opviel is de kwaliteit die aan de foto’s besteed werd. Naast enkele foto’s van de hand van C. Beringer nam Gaby Rosci het merendeel van de afbeeldingen voor zijn rekening. Een tweede pluspunt is de kwaliteit van de publicatie en teksten die zeer duidelijk leesbaar zijn. In de publicatie passeren een aantal prominente bewoners de revue plus een aantal mensen die belangrijk waren voor de Vlaamse Beweging. De publicatie neemt een plaats is tussen het lijvige werk “Schoonselhof nu!” van Anne Mie Havermans en het wandelboekje “Wandelen van Scoonsele tot Schoonselhof” waar naast Anne Mie en mezelf ook Walter De Backer en Swa Dielen hun medewerking aan verleenden. Aan Vlaamse figuren op het Schoonselhof. Wandelen langs Vlaams funerair erfgoed werd de nodige zorg besteed wat zeker niet gezegd kan worden van een aantal boeken, buiten voornoemde publicaties, die mijns inziens “tussen de soep en de patatten” klaargestoomd werden (let op de geslaagde woordkeuze – grapje) - Jacques Buermans
De wandelgids kan besteld worden door overschrijving van € 11 (verzending inbegrepen) op rekening IBAN BE19 4198 0452 6112 BIC: KREDBEBB van Bormshuis vzw, 2000 Antwerpen, met vermelding van bestelcode SCHO. ([email protected] - www.bormshuis.org). De wandelgids kan ook gekocht worden aan € 9 euro in het Bormshuis, Volkstraat 30, 2000 Antwerpen tijdens de openingsuren (dins-, woens- en vrijdag van 14 tot 17 u., zaterdag van 10 tot 16 u.).


Kerkhof wordt park, werken zullen een half jaar duren vzw Grafzerkje gaf advies


De oude begraafplaats aan de Collegestraat in Mol wordt weldra omgevormd tot een groen wandelpark, dat de naam Boulevardpark meekrijgt. De werken zullen een half jaar duren. De gemeente Mol wilde al langer iets doen met de oude begraafplaats aan de Collegestraat. De begraafplaats wordt al sinds de jaren zeventig, toen de nieuwe begraafplaats aan Kruisven werd ingericht, niet meer gebruikt. Er liggen hier meer dan 1000 graven die soms nog dateren van vóór W. O. I en zelfs uit de 19de eeuw. De site wordt vanaf deze maand volledig heringericht. En omgevormd tot een groen wandelpark dat “Boulevardpark” zal heten, naar de nabijgelegen Jakob Smitslaan en Adolf Reydamslaan. Daarvoor zullen wel het merendeel van de graven verwijderd worden. Zo’n 80 graven worden op vraag van de nabestaanden niet verwijderd. Daarnaast worden er nog eens 60 graven niet verwijderd omwille van cultuurhistorische redenen. De andere overlevenden worden in één graf ondergebracht, met een gedenkmonument waarop alle namen worden geplaatst. Het verwijderen van de graven start in januari. Daarna wordt de begraafplaats omgevormd tot een gezellig groen park.
Om mensen uit te nodigen om het park te bezoeken  werd een deel van de bestaande muur langs de Collegestraat en de Asstraat afgebroken en wordt de toegang verbreed. De bomen van het park worden zoveel mogelijk geïntegreerd en de buxusplanten worden gegroepeerd. Al de andere beplanting verdwijnt. De open ruimte wordt ingevuld met wandelpaden en strakke driehoekige heuvels bedekt met gras en sneeuwklokjes. Banken en stoelen vormen punten om uit te rusten. Voor de kinderen wordt een waarnemingsruimte met klank-, licht-, speel- en ervaringstuigen gecreëerd en voor dieren komt er een soort van prairietuin waarin allerlei diertjes kunnen schuilen of nest kunnen maken. Inbouwverlichting zorgt voor een bijzondere sfeer.
Vzw Grafzerkje gaf advies:
In april 2009 werden we aangezocht om advies te geven aan de gemeente Mol. Onze technische adviseur Christiaan Ketele en ikzelf trachten de heer August Robijns, landschapsarchitect, en mensen van de archiefdienst en van de gemeente te overtuigen dat het beter was om het voetpad een beetje om te leiden dan om grafzerken te verplaatsen en om zo veel mogelijk grafmonumenten te behouden daar waar de architect zo wat de volledige dodenakker wou kaalplukken. De opmerking van Christiaan om niet de volledige muur van de begraafplaats te slopen maar deze enkel te verlagen werd opgenomen. Ook het idee om het dodenhuisje te bezigen als tentoonstellingsruimte en de buitenzijde te bezigen als een “mini-lapidaruim” stond in de notulen. Ik ben eens curieus wat er van al ons advies is overgebleven.

Jacques Buermans


Tante Kato ging op reis en zag het graf van Canova weer een nieuwe ontdekking van tante Kato


Antonio Canova * 1757-1822 * Possagno en Venetië, Italië
Enkele jaren geleden maakten we een mini-giro in Noord-Oost-Italië met logies in agriturismo’s, waar we genoten van rijkelijke boerenmaaltijden, en in kleine hotelletjes, die dan weer de weg wezen naar het fijnere Italiaanse werk.  Culturele hoogtepunten op onze ronde waren : De fresco’s van Giotto in La Cappella degli Scrovegni in Padua; de gebouwen van Paladio in en rond Vicenza; op zoek naar Joyce in Trieste; de vierde eeuwse vloermozaïek (760 vierkante meter) in de basiliek van Aquileia; de Venetiaanse buitenverblijven aan de Riviera del Brenta en uiteraard la Serenissima zelf.
We hadden een specifieke reden om Bassano del Grappa aan te doen.  Fout : niet voor de grappa, hoewel ... Via-via waren we te weten gekomen dat er in een privéwoning een muurschildering met een afbeelding van Keizer Frederick II (regeerde 1212-1250) ontdekt was.  Vermoedelijk dateerde die van 1234, namelijk het jaar dat hij op doorreis was in Bassano.  Frederick, Friedrich, Federico of Stupor Mundi reisde (on)regelmatig van Sicilië naar Duitsland en op die route lag Bassano.  Het statige palazzo was nu opgedeeld in flats en tijdens de restauratie was men op het vernoemde fresco gestoten.  Dankzij de Toeristische Dienst en het Museo Civico kregen we een persoonlijke rondleiding van de architect.  Nu genieten alleen nog de jonge eigenaars en hun gasten van deze schoonheid.  Ik hoorde mijn man luidop denken “Wat als ze de hele muur voor boeken voorzien hadden.  Serieus probleem.”
In die periode liep in Bassano del Grappa een tentoonstelling met werken van Canova.  De affiche was uiterst opvallend in het straatbeeld aanwezig en zo kreeg Antonio Canova, een kind van de streek, méér aandacht dan voorzien.
Possagno ligt op een kleine twintig kilometer van Bassano del Grappa.  Men kan er Canova’s geboortehuis bezoeken, nu een aan hem gewijd museum.  Iets verder, buiten de dorpskom, een door Canova ontworpen en gefinancierde kerk.  Een brede laan leidt naar de heuvel waar de Tempio di Canova staat, feitelijk dè parochiekerk.  De achterliggende Grappa (berg) accentueert het dramatische effect.  Een goed uitgekozen decor.  Canova was de belangrijkste vertegenwoordiger van het Italiaanse neoclassicisme, een stroming met een open blik op de antieke Grieks-Romeinse kunst.  Zoals de Grieken de plekken voor hun theaters wisten uit te kiezen, zo deed Canova voor zijn kerk.  Het Romeinse pantheon was de inspiratiebron voor het ronde kerkgebouw en de statige colonnade (twee rijen van acht zuilen) roept het Atheense parthenon op.  Eigenlijk zijn hier drie elementen verenigd : Grieks, Romeins en het christendom in volle grandeur.  Binnen enkele werken van de hand van Possagno’s beroemdste inwoner : een bronzen piëta, twee bas-reliëfs en een schilderij, één van de weinige doeken ooit door hem gerealiseerd.  In de centrale nis het graf van Canova en zijn stiefbroer.


De kleine Antonio groeide op met beeldhouwkunst.  Grootvader en vader Canova waren gewaardeerde steenkappers en het lag voor de hand dat Antonio de stiel zou leren.  Er wordt verteld dat de kleine Antonio tijdens een diner een leeuw uit boter boetseerde en daarmee de aandacht trok van kunstzinnige edelen.  Possagno was te klein voor zijn talent, hij vervolmaakte zijn studies en kreeg opdrachten in Venetië, Rome, Napels, Parijs, Wenen, Firenze en Londen.  Om even in de geest van die tijd te blijven : Canova had het voorrecht de beroemde Elgin Marbles te bewonderen die nog maar pas van het parthenon naar Londen getransporteerd waren. 
Canova werkte tussendoor (1804 tot 1818) aan het ontwerp van de kerk van Possagno en de eerste steenlegging (1819) ging gepaard met een groot feest.  Hij overleed enkele jaren later in Venetië : sinds zijn jonge jaren had hij gehouwen in Carrara marmer, koninklijk maar hard en dat zorgde voor een vervormde ribbenkast.  En zijn kerk, die werd tien jaar na zijn dood ingewijd.
Venetië werd de kroon op het werk, als je dat van een reis mag zeggen.  De Basilica Santa Maria Gloriosa dei Frari, door iedereen kortweg dé Frari genoemd, mag men niet missen.  De enorme Ten Hemelopneming van Maria, geschilderd door Titiaan (1490-1576; overleden aan de pest) is er achter het altaar te zien.  Ik blijf mij dat schilderij herinneren als een lichtgloed.  Titiaan ligt begraven in een enorm 18de eeuws mausoleum.    Maar er recht tegenover vindt men een marmeren piramide en dàt is het graf dat Canova voor Titiaan ontwierp.  De toenmalige Oostenrijkse heersers van Venetië hadden Canova die opdracht gegeven.  Na de dood van Canova realiseerden zijn leerlingen deze monumentale tombe.  Jammer voor Titiaan, die kwam er niet in terecht.  Wél Canova’s hart, dat bevindt zich in de vaas gedragen door een gedrapeerde vrouwenfiguur die op het punt staat de piramide binnen te gaan.  Aan de andere kant van de toegangsdeur ligt een treurende leeuw (H. Marcus), hij vertegenwoordigt het verdriet van heel Venetië om het verlies van ... Titiaan, uiteraard.  En Titiaan die al bijna 280 jaar geen graf gekregen had, die naam waardig, kreeg in 1853 uiteindelijk de imposante tombe tegenover Canova’s hart, een realisatie van Canova’s leerlingen.
Canova’s beeldhouwwerken zijn te bewonderen in de belangrijkste Europese en Amerikaanse musea.  Het mausoleum (1805) voor Aartshertogin Maria Christina (1742-1798) In de Augustinerkirche, Wenen is eigenlijk een model voor Titiaans (nu dus Canova’s) graf in Venetië.  Even vermelden dat Maria-Christina, de dochter van keizerin Maria-Theresia en landvoogdes van de Zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden, de opdrachtgever was voor het koninklijk kasteel van Laken.
Ik kan hier niet naast tijdgenoot Napoleon.  Canova had een beeld van Napoleon moeten maken.  Het werd een drie meter hoog beeld “Napoleon als Mars, de Vredebrenger”.  De keizer wou uiteraard nooit poseren, wat bij andere artiesten ook gebeurde en hij weigerde het beeld want hij hield niet van die naaktheid.  Hij gruwelde bij de gedachte dat bezoekers aan het Musée Napoleon (Louvre) hem in zijn blootje zouden zien.  Toen Napoleon zijn Waterloo tegengekomen was gaf Paus Pius VII (1800-1823) opdracht de geconfisqueerde Vaticaanse kunstschatten terug te brengen.  Dit alles onder toezicht van Canova, die als speciale gezant van de paus optrad en daarmee een zoete wraak had.  En het naakte beeld dat Canova van Napoleon maakte ?  Dàt gaf Koning Louis XVIII cadeau aan de Hertog van Wellington.  Het beeld is nu te zien in Apsley House, Londen.
Canova, een merkwaardig artiest in boeiende tijden.  Hij kreeg een speciaal plaatsje in mijn hart.

Tante Kato

Enkele funeraire hoogtepunten van Berlijn neerslag van een citytrip


Met een gedeelte van mijn Haremm op citytrip naar Berlijn. Tijd om een aantal funeraire dingen te bezoeken. In de eerste plaats de Berliner Dom. Boven in de Dom de pronksarcofaag voor keurvorst Frederik Wilhelm (1620-1688). Daarnaast Frederik III (1831-1888), een ontwerp van beeldhouwer Reinhold Begas. Hier liggen ook Frederik I (1657-1713) en zijn gemalin Sophie Charlotte. Beiden liggen in een prachtige sarcofaag van de hand van Andreas Schlüter. Dan naar de eigenlijke crypte. Koning Frederik Wilhelm II (1744-1797) en zijn echtgenote Frederike Louise (1751-1805). Frederik Christian Ludwig (1772-1806) en Frederik Ludwig (1707-1708), kindergraf. Eindigen deden we de eigenlijke graftombes voor Frederik Wilhelm (1620-1688) en zijn echtgenote Dorethea.
Tijdens een uitstapje naar Potsdam, met schloss Sanssoucci, ontdekte ik dat Friedrich in de tuin naast zijn honden begraven was. De nabijgelegen Friedrichskerk waar Frederik IV en zijn echtgenote begraven liggen was gesloten.

In Berlijn is het Französischer Friedhof met enkele kanjers van grafmonumenten zoals dit voor Pierre Louis Ravenné en Pommrich een must. Daarnaast lag het Dorotheer Kirchhof. Dit is echt een juweeltje. Toppers hier zijn de schrijvers Berthold Brecht en Heinrich Mann. Verder beeldhouwer Christian Daniel Rauch, architecten Schadow en Schinkel en bundespresident Johannes Rau.


In Berlijn is het Französischer Friedhof met enkele kanjers van grafmonumenten zoals dit voor Pierre Louis Ravenné en Pommrich een must. Daarnaast lag het Dorotheer Kirchhof. Dit is echt een juweeltje. Toppers hier zijn de schrijvers Berthold Brecht en Heinrich Mann. Verder beeldhouwer Christian Daniel Rauch, architecten Schadow en Schinkel en bundespresident Johannes Rau.
Vlakbij is het Invalidenfriedhof. De muur liep door de begraafplaats heen wat veel imposante grafmonumenten in containers deed belanden. Nu werden een aantal monumenten teruggeplaatst en ook kan men hier gedeelten van de muur bewonderen. Graf voor von Winterberg en een gigantische leeuw op het graf voor Wilhelm von Zastrow en het monument met zuilen voor Hermann von Boyen met voor hem het veel bescheidener graf van Hans von Seeckt.
In de wijk Prenzlau is er een Joods kerkhof uit 1827. Meer dan 20000 graven maar enkel onder begeleiding te bezoeken. Maar ook Weissensee, een van de mooiste Joodse dodenakkers die ik tot op heden mocht bezoeken en misschien wel de grootste die ik ontdekte. Veel monumenten zijn beschadigd maar ik zie dat er, tegenover mijn vorig bezoek, veel gerestaureerd wordt.
Veel idyllischer, als ge dat al van een begraafplaats kunt zeggen, is het Schöneberg Friedhof. Hier ligt Marlene Dietrich, de filmster begraven. Ook de Italiaanse componist Busoni en de fotograaf Helmut Newton liggen hier.
Een van de toppers is Sankt Matthäus. Het eerste dat we zagen was een meer dan origineel grafmonument. Massaal waren er witte draden aan een grafmonument aangebracht. Enkele kanjers van grafmonumenten en een opvallend grafmonument voor personen overleden aan HIV, opgericht door de vereniging “Denk mal positHIV”. De bankiersfamilie Hansemann en de gebroeders Grimm van de sprookjes. We hadden ook nog tijd om het oudste neogotische graf van de begraafplaats, voor Ferdinand Streichenberg, en de in Antwerpen bekende pedagoog Diesterweg te bewonderen.
Jacques Buermans - Foto’s Ria Vaes

Sri Lanka, deel I ons bestuurslid An Hernalsteen pende de neerslag van haar bezoek neer


Zerkjes die ooit in deze verre contreien belanden, kunnen ook hier hun hartje ophalen en massa’s tijd besteden aan hun favoriete bezigheid.

Vroeger reisde men naar Ceylon om er op jonge leeftijd te sterven. Mannen kwamen meestal gewelddadig aan hun einde; worstelen met wilde olifanten was een geliefkoosd tijdverdrijf. Overleefde men dit stoeipartijtje met de dikhuiden dan was er nog altijd een allegaartje van verterende koortsen die ook van vrouwen hielden. De meeste dames verkozen evenwel het kinderbed om het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen; miskramen, stuitliggingen, kraamkoorts, het aanbod was onuitputtelijk.

De fragielste kasplantjes waren de kinderen die zich gelukkig mochten noemen als ze de eerste pasjes leerden zetten.


KANDY – British Garrison Cemetery

Ligt op een heuvel nabij het nationaal museum. Driekwart are groot herbergt de begraafplaats ongeveer 195 graven. Een 500 onfortuinlijken werden hier begraven tussen 1822 en midden de jaren 1870 toen de begraafplaats sloot. Voor families met een grafkelder maakte men een uitzondering zodat de laatste overledene hier in 1951 werd bijgezet.

Sri Lanka’s weelderige plantengroei overwoekerde dit vredig oord. Met Britse steun restaureerde men in 1997-98. Op 1 november 1998 konden toeristen opnieuw deze oase van rust bezoeken. In een klein museum tonen foto’s de toestand voor en na. Twaalf jaar na het opkalefateren ligt alles er nog steeds bijzonder netjes bij; een paard als ecologische grasmachine ingezet, steekt hierbij een handje toe.

Een greep uit het aanbod.

Graf 66: John Spottiswood Robertson 1832-1856
De zevende (en meteen de laatste die men in de statistieken stak want men kon de tel niet meer bijhouden) Europeaan  die in Kandy een gevecht met wilde olifanten verloor.

Graf 90: Luitenant-generaal John Fraser die de hoge leeftijd van 72 jaar bereikte. Zonder één enkele nagel, vijs of moer bouwde hij een houten brug die het uithield van 1853 tot 1905. Een wonder als je weet wat het regenseizoen daar kan aanrichten. Hij voorzag Ceylon van wegen en bracht hiervoor een groot deel van het land in kaart.

Graf 11: Sir John D’Oyly (6 juni 1774-25 mei 1824); eerste en enige baronet van Kandy.
Sir John taterde Sinhala zoals een autochtoon. Toen de lokale leiders in 1815 in opstand kwamen tegen hun koning Sri Vikrama Rajasinha speelde John de rol van bemiddelaar tussen de Britse gouverneur en de rebellen waardoor Kandy kon opgenomen worden in het grote Britse rijk. Als beloning kreeg John in 1821 de titel van Baronet opgespeld.

Graf 88: David Findlay (1823-1861) werd geplet onder de brokstukken van een ingestort huis.

Graf 110: William Watson Mackwood (1847-1867) kwam op een vreemde, weinig elegante manier aan zijn vroegtijdig eind. Toen hij afsteeg van zijn paard, bemerkte hij niet dat er op die plaats een scherpe paal stond. Hij werd levend gespietst. Waarschijnlijk zat het overmatig genot van glaasjes whisky hier voor iets tussen.

Graf 123: Lady Elizabeth Gregory (1817-1873) geboren Elizabeth Clay. Als weduwe van James Temple Bowdoin huwde zij op 11 januari 1872 de Britse gouverneur William Henry Gregory.

Graf 1: kapitein James Mc Glashan (1791-1817), warempel daar hebben we opnieuw een oudgediende van Waterloo. Deze militair die ons klimaat had overleefd, dacht dat de voettocht van Trincomalee naar Kandy in een plassende regen een peulschilletje was. Zo nat als een niet uitgewrongen schotelvod bereikte hij zijn doel. Een paar dagen later overleed hij, ijlend van de koorts. Pas in de jaren 1890 werden zijn stoffelijke resten van Lady Longden’s Drive naar deze begraafplaats overgebracht.

KANDY: begraafplaats op Cemetery Road of de Mahaiyawa Cemetery

Deze begraafplaats werd opengesteld midden de jaren 1870 en heeft meer het uitzicht van een onverzorgd bonenveld dan van een dodenakker. De twee ecologische grasmaaiers van dienst, in dit geval twee koeien, doen wel hun uiterste best maar strijden een op voorhand verloren veldslag uit met de woekerende vegetatie.

Er staan pareltjes maar door het struikgewas baggeren, dreigt schuchtere slangen te storen.

Meneer Lipton is de beroemdste maar James Taylor (29/3/1835 – 2/5/1892) zette in 1852 de eerste voet op Sri Lankaanse bodemen vestigde zich op de Loolecondera Estate. Hij was volgens de inscriptie op het graf de pionier van de thee- en cinchonaplantages op het eiland. Beide teelten waren enorm winstgevend want uit de cinchona werd de anti-malariadrug kinine gehaald. (Iedereen die een shwepske drinkt, mag dus aan hem denken). Goed bestand tegen malaria stierf James Taylor op 57 jarige leeftijd aan dysenterie.

Mooie Keltische kruisen proberen hun kopje boven het plantendek te steken. Onder andere dat  gerealiseerd door Raymond & Co voor Jeannie, de lieftallige echtgenote van H.F. Drummond, die haar man voor altijd verliet op 9 december 1891.
An Hernalsteen

De Nationale Schietbaan ons lid Johan Moeys keek naar “Publiek geheim” en trok zelf op onderzoek uit


Achter in de tuin van de VRT in Brussel ligt een kleine begraafplaats verborgen. Vroeger was hier de Nationale Schietbaan. Ze is nog vrij recent, maar met een trieste geschiedenis. Het is namelijk de plaats waar de Duitse bezetter tijdens beide wereldoorlogen verzetslieden executeerden. De geëxecuteerden liggen er begraven, hoewel niet iedereen een zerk heeft. Ook zijn niet alle namen van slachtoffers bekend. Het Ereveld der Gefusilleerden, tussen de parkeerterreinen en de crèche van de RTBF, is een stille herinnering aan de executies.

Tijdens de Groten Oorlog werden Edith Cavell en Gabrielle Petit gefusilleerd. Hun namen staan op het grote monument in het begin van de begraafplaats. Zij zijn slechts enkelen van een hele reeks terechtgestelden. Edith Cavell (4 dec 1865 – 12 okt 1915) was een Britse verpleegster. Zij hielp dienstplichtige Belgen onderduiken, smokkelde Britse en Franse soldaten over de Nederlandse grens. Na haar dood werd ze gerepatrieerd naar Westminster Abbey voor een plechtigheid Nadien kreeg ze een begraafplaats in de kathedraal van Norwich. Gabrielle Petit (1893 – 1 april 1916) was verloofd met een militair. Zij wou samen met hem strijden. Ze werd vrijwilligster bij het Rode Kruis. Nadien spioneerde ze voor de Britse Inlichtingendienst. Door de Duitse bezetter werd ze ter dood veroordeeld voor het vuurpeleton om krijgsverraad bestaande uit verspieding.

Jean Burgers is beter gekend als Commandant Jean van de verzetsgroep “Groep G”. De “Groupe Générale de Sabotage” werd in 1941 onder impuls van Jean Burgers aan de ULB gevormd. Choura (Alexander) Livchitz, lid van Groupe G werd hier geëxecuteerd.

Eén van de stoutmoedigste verzetsdaden is het stoppen van het XXste Konvooi op 19 april 1943. Vanuit Mechelen, Dossinkazerne vertrokken regelmatig treinen met joden naar Auschwitz. Drie verzetsleden durfden het aan om met één revolver, één stormlamp en één rood papier de zwaar bewaakte trein in Boortmeerbeek tegen te houden. 231 joden konden van de trein ontsnappen. Velen werden neergeschoten of opnieuw gevangen door de Duitsers. Toch konden 115 joden van een geslaagde ontsnapping spreken. De groep bestond uit Youra (Georges) Livchitz, Robert Maistra en Jean Franklemon.

In het Canvasprogramma “Publiek Geheim” reconstrueerde men het verhaal van Constant Van daelen aan de hand van gesprekken met zijn dochter. Hij zat mee in het verzet. Zijn opdracht bestond er o.a. in om wapens te vervoeren met zijn fiets.

Johan Moeys

Temse gebeten om te weten ons lid Mieke Versées zat na haar bezoek aan de begraafplaats van Temse nog met enkele vragen


Na onze rondleiding op de begraafplaats van Temse, blijven twee vragen mij kwellen.
Hoe ziet de buste van Wilford eruit én hoe raak ik in de grafkelder van Janssens De Varebeke?
Ik trek mijn stoute schoenen aan en mail burgemeester Luc De Ryck die mij zonder dralen de contactgegevens bezorgt.
Mijn eerste bezoek, het kabinet van de burgemeester waar de buste zich bevindt. Qua decor niet echt een droom maar ik kreeg William Wilford toch deftig in beeld.
Mijn volgende bestemming : de grafkelder, de eerste in mijn leven. Verbaasd zie ik weg naar beneden! Geen trappen zoals ik het me voorstelde maar een smal, roest ladderke naar een donker gat. Van bovenaf bemerk ik ook een plas water en  bereid me voor op een spreidstand. De waarschuwing van Frank dat er 10 cm water in de grafkelder staat, komt te laat. Het koude water gulpt mijn linkerschoen binnen. Dan volgt nog behoorlijk wat kunst -en vliegwerk om te fotograferen maar ik val niet in ’t water en houd toch enkele geslaagde foto’s over van mijn ontdekkingsreis.
Het interieur ziet er wel erbarmelijk uit. Een dossier werd reeds ingediend om de grafkelder te erkennen als beschermd monument. Subsidies voor restauratie zijn dan beschikbaar.
Al zag het er minder paradijselijk uit dan ik me voorstelde toch is mijn nieuwsgierigheid bevredigd.

Alhoewel, ik blijf achter met een volgende kwelling: wat doen de kinderen Ortegat in die kelder?????? Bij die naam, denk ik automatisch aan het kasteel Ortegat te Waasmunster.
Een volgend mysterie om op te lossen wenkt.
Ondanks mijn natte voeten dwaal ik nog verder rond op de begraafplaats. Ik ontdek wat interessante details en het perk opgedragen aan mensen zonder laatste rustplaats. Armand, collega van Frank, legt me uit dat het gaat om personen die hun lichaam aan de wetenschap schenken. Mooi initiatief, vind ik het.
Dan jaagt kou,de natte voet en honger me toch naar huis.
Met dank aan de heer burgemeester, Frank en Armand voor de aangename samenwerking.

Mieke Versées, ook foto's