Nieuwsbrief Nr. 58 - november 2010

Begraafplaats Temse ons lid Mieke Versées maakte een verslag en samen met Ria Vaes illustreerden ze dat met foto’s.


De morgen begon veelbelovend, blauwe hemel, prachtige zon, ideaal om een begraafplaats te bezoeken. Mijn vreugde bleek van korte duur. Tijdens de rondleiding moesten meermaals paraplu’s de lucht in. Fotograferen of noteren of paraplu vasthouden. Een mens moet keuzes maken. 
Ann Depestel en de burgemeester van Temse, Luc De Ryck, zullen ons rondleiden.

Een toemaatje voor dag van de klant?

De inleiding over de rijken die in kerken begraven werden, het verbod daarop, de kerkhovenoorlog, het klinkt vertrouwd in onze oren. In Temse ging het niet anders. Bij gebrek aan plaats rondom de kerk legde men een kerkhof buiten de dorpskom aan. Het oude werd later geruimd en er kwam een nieuwe begraafplaats in de Gasthuisstraat. Op 05/05/1820 vond de wijding plaats en de eerste persoon begroef men er op17/05/1820. Amedée de Schouteete maakte de eerste inventaris op. De begraafplaats werd geometrisch aangelegd volgens dambordpatroon. Zij is eveneens de spiegel van de maatschappij in de 19e eeuw. De meest imposante zerken vindt men langs de omtrek muren .Hoe groter het aanzien van de overledene hoe imposanter het grafmonument. Textiel, scheepsbouw, pottenbakkerijen  waren de pijlers van de industriële welvaart in Temse. Opmerkelijk is tevens dat de begraafplaats volledig ommuurd is. Dan nu op stap (003b).

Sloor-Lesseliers

Monument met sarcofaag, opgericht in 1912 door architect Triphon De Smet uit Puurs . Hij won in 1902 de prijs van Rome en liet pareltjes van de Belle Epoque na. Het reliëf, gemaakt door Van De Velde, stelt de opwekking van Lazarus voor. De familie Sloor waren renteniers die zich inzetten voor goede werken. Hij was tevens voorzitter van de godshuizen.

Van Os

Napolitaan, stichtte de Gazet Van Antwerpen. Tony, kunstschilder en flamingant. Zat tevens gevangen in Lokerenkamp. Op het monument zien we het schilderspalet.

Amelinckx -  Hulin

Het art deco grafmonument bestaat uit arduin, graniet en cararamarmer met pleurante. Het is van de hand van onze Victor Pateet. Vooraan de foto van een kind, Amaray Amelinckx , 1932-1936. Het jongetje verdronk in een waskuip loog op een schip waar zijn vader bakker was. Het vervolgverhaal vergat ik te noteren.

Van De Perre – Joos

Grafmonument met obelisk en knielbankje. Deze notarisfamilie was streng katholiek en Vlaamsgezind. Zowel vader als zoon bekleedden het notarisambt.

Lejeune

Een familie van wijnhandelaars en koffiebranders. De zoon van August Lejeune, sneuvelde als eerste oorlogsslachtoffer in België.

Orlay – De Rijck

Grafmonument met sarcofaag en verroeste smeedijzeren omheining. De familie Orlay, was een zéér belangrijke familie. Nicolas ,zoon van Eduard Orlay, een zeer  verstandig en vooruitstrevend man. Zijn textielbedrijf omvatte voorzieningen voor de arbeiders zoals bibliotheek, ziekenkas en onderwijs. In 1885 beschikte hij over de eerste telefoonverbinding.

Van Der Schueren – Heye

Paul Van Der Schueren bezat zes grote textielbedrijven. Hij behoorde tot de top van de liberalen in het Waasland.

Familie Aubroeck

Het is een eenvoudig nieuw grafmonument. Hier ligt onder andere  Karel Aubroeck, beeldhouwer en oorlogsveteraan W.O.I. Het Koning Albert I monument te Nieuwpoort en het oorlogsmonument te Diksmuide, zijn van zijn hand. Het gaf aanleiding tot controversie vanwege tegengestelde ideologie, royalisten versus flaminganten. Hij werd een éénzaat. Een mooi beeld van hem is de Scheldame aan de brug te Temse.

Poppe Desideer

Eenvoudig graf met houten kruis. Hij was bakker en tijdens de overstroming van 1906 liep de kelder onder. Bij een poging om zijn waren te redden, viel hij in het water. Hij werd ziek en overleed in 1906. Hij was de vader van priester Poppe die men later zalig verklaarde.

Van Der Gucht

Merkwaardig grafmonument met een ruwe steenmassa onderaan . Het lijken net plakken klei. Bovenaan ziet men een kruis in mozaïek. Mooi of niet, de meningen waren verdeeld. Mij lijkt het zeer passend gezien het beroep. Van Der Gucht kwam uit een pottenbakkersfamilie en kenden decennia lang hoogbloei.

Janssens de Varebeke

Neoromaanse grafkapel met kelder opgericht in 1884. Het relïef stelt de opwekking van Lazarus voor. Gelukkig kent ons An haar nieuw testament

Louis Janssens was textielbaron en bezat ooit een kasteel dat later gesloopt werd. Varebeke was in 1912 een heerlijkheid in Belsele.  Hij was flamingant en senator. Zijn geloofsbrieven waren dan ook in het Nederlands. Bij zijn begrafenis waren 6 van de 7 speeches in het Nederlands, nooit gehoord!

Jammer genoeg bleef de sleutelbewaarder van de grafkapel onbereikbaar zodat we er niet in l konden. En wij maar doen watertanden…

Wauters – Braeckman

Grafkapel = eigen kerk opgetrokken in neoromaanse stijl. Steenhouwer is Edmond Paternotte uit Gent. Rijkelijk versierd en neen, het is geen papaverkrans maar imortellekes zo weet ons An.  Imortellekes? Het zijn strooien bloemekes en je ziet het verschil aan de puttekes erin..

Wauters - Braeckman behoorden tot de 2 meest prominente families van Temse. Zij waren actief in de textielsector en telden tal van burgemeesters waaronder  Wauters en Braeckman

Ik vond het vooral lekker warm binnenin de grafkapel.

Familie D’Hooghe

Zeer eenvoudig grafmonument met lieren als symbool. De familie was generaties lang gekend in de muzikale wereld. Frans was koster en stichter van harmonie in 1794. Clement was directeur aan de muziekacademie in Berchem. Zij leerden Temse muziek!

De families Wilford liggen in mekaars buurt, ik zet ze dus ook bij mekaar.

Wilford – Bosteels het indrukwekkend grafmonument ligt er in zeer erbarmelijke staat bij. De mozaïeksteentjes  vielen bijna allemaal van de hellende vlakken. beneden. Paul en Albert Wilford, kleinzonen van William.Paul was pionier in de Belgische automobielindustrie. Albert, burgemeester van Temse van 1932 tot1936. William lag aan de basis van de zeildoekweverij.

Om de hoek vinden we het grafmonument van familie Wilford-Mesot, een eenvoudig monument. Ernest Wilford ligt er begraven met vrouw en kind. Hij was industrieel en burgemeester van Temse. Hij overleed in 1962 op 92-jarige leeftijd.

Daarnaast, in een hoek het grafperceel van WilliamWilford. We vinden er op het bas relïef symbolen terug die verwijzen naar de scheepsbouw, het anker en tandwiel. De papieren rol staat voor ontwerpen. De buste van William Wilford werd gestolen. Een kopie bevindt zich in het archief.



Zij behoorden tot de Verscheidene muurplaten verwijzen verder naar meerdere familieleden die er begraven liggen. Eén van hen, Arthur was toondichter en bevriend met Peter Benoit.

De familie Wilford was Brits, anglicaans en behoorde tot de hogere klasse.

Anekdote : de burgemeester kwam als kind op het kerkhof spelen. Op het perceel van Wilford bevond zich een gat mat daarop een zinken hoed. Daardoor zagen zij in het water lijkkisten drijven! Waar of niet? Herinneringen zijn soms bedrieglijk.

Een andere belangrijke familie: Boel.

Boel – de Valck en Boel-Roobroeck

Praalgraf met  reliëf  van de hand  Van De Velde, dat graflegging van Christus voorstelt.



Zoon van Bernard  Boel, stichter van boelwerf in 1828. Gedurende bijna 50 jaar blijft het een éénmanszaak. Met kleinzoon van Jozef Boel komt er op nationaal en internationaal vlak uitbreiding van de werf. Hij behoorde tot de liberale partij maar stapte over naar de katholieke en werd burgemeester. Hij was een man met ijzeren wilskracht maar ook een dictator met enorm gezag. Onder de oorlog bleef de werf open en werkte hij voor de Duitsers. Hij overleed in 1943. Van Damme en Saverijs zetten de boelwerf verder.

Het grafmonument, een zeer groot perceel met grasveld, herbergt slechts 3 personen.

Andries – Van Bergen

De steenhouwer van dit monument is Edmond Paternotte. Familie Andries was zéér katholiek. Hij was een textielbaron en oprichter van de firma Dacca dat in 1974 ophield te bestaan.  Ook hij werd burgemeester van Temse. Zijn schoonbroer was Brijs.


Brijs – Van Bergen

Neogotisch praalgraf. Bénedict Brijs, textielbaron, medeoprichter van Dacca en stichter van F.C.Temsica in 1908.

Familie Verbruggen- Nol

Grafmonument met pleurante steunend op een afgebroken zuil. Uitvoerder Clement Jonckheer van het Kiel. Het waren uitvinders van machines voor de verwerking van haar.

Van Overschelde – Bressinck

Obelisk als grafmonument voor de gesneuvelden van de genie.  Hier ligt ondermeer luitenant Albertus Dive. Symbolen in overvloed : het Romeins harnas met gekruiste bijl en zwaard = Belgische genie. Verder zien we nog een leeuwenkop, legerhelm, wegvloeiend water uit een vaas, de omgekeerde fakkel en de lauwerkrans.

Sloor

Grafmonument met sarcofaag van steenhouwer De Bruyne uit Temse.

August, rentenier en kunstschilder, bezat 2 kasteeltjes “landhuizen”. In zijn kasteel toverde hij door zijn schilderkunst één van de zalen om tot Egyptische zaal.

We trokken langs een “symbolenmuur en zagen het grafmonument van Permentier met het symbool van de ijdelheid: slang met spiegel. Op een naamloos grafmonument bemerkten we bovenop een gesluierde urne. Onderaan de gevleugelde zandloper met zeis. Het neogotische monument van priester Cornelis Buysrogge door de gebroeders Parmentier uit Gent. Het half afgebroken grafmonument van burgemeester Van Strijdonk kreeg een relïef waarop een geknakte boom en een pleurante met urne.

Op onze weg kwamen we voorbij De Graeve en Smet,twee honderdjarigen.

En dan nu tijd voor lichte paniek. In mijn nota’s zit tweemaal Van Raemdonck-Vijdt!

Eerst bij de oude stèle met lijkwade op altaar en een tweede maal bij het nieuwe monument van de hand van Dubois uit Gent. Foto’s vergroot bekeken en ja in het oude graf ligt wel degelijk Charles Van Raemdonck, vrederechter en oud burgemeester van Temse Polydoor Van Raemdonck.

Bij het nieuwe onthield ik, géén familie van de gebroeders Van Raemdonck. Die stierven trouwens niet in mekaars armen. Het is in elk geval een imposant praalgraf met bovenop het kruis met Christuskop een engelenhoofdjes. Miste ik iets???

Om te eindigen nog een tweede mysterie : wie kent de betekenis van een gevleugelde fakkel?

Ondanks de buien werd een boeiende namiddag met dank aan onze gidsen.

Nog een tip voor de grafzerkjes : nieuw testament beginnen lezen aub.

Mieke Versées, foto’s Mieke Versées + Ria Vaes + George Beliën

Fietsexcursie Epe de Terebinth organiseerde een fietsexcursie met deelname van enkele leden van vzw Grafzerkje.


Verslag fietsexcursie Epe dd zaterdag 28 augustus

Deelnemers: 10, uit alle delen van het land en zelfs onze Belgische collega van het Grafzerkje. En verder natuurlijk de onovertroffen organisatoren Jan Mulder en Wim Vlaanderen.

Op de verzamelplaats te uitvaartcentrum Yarden te Epe werden we onthaald met koffie en een verrassingspakket. Daarin zaten folders, sleutelhangers, een antistressbal (zouden we die nodig hebben?) de routebeschrijving van de fietstocht en een lunchpakket.

We hadden maar liefst twee gidsen tot onze beschikking, de begraafplaatsbeheerders Ton Overmars en Gerrit van Vemde, die ons via fraaie routes naar ons doel zouden leiden.

Geheel tegen de sombere weersvooruitzichten in fietsten we droog naar begraafplaats Norelbos en liepen in de stralende zon over een fraaie, weidse en monumentale dodenakker, prachtig gelegen in de Veluwse bossen. Een uitgestrekt gras- en mosveld met strakke hagen waarachter de grafzerken zonder poespas lagen. Helaas ook hier en daar voor de hagen, wat vooral Wim erg jammer vond. In het begin van de historie van de begraafplaats was er een strak regiem, later meer vrijgegeven en duiken de beeldjes, kunstwerkjes, potjes, vaasjes en andere herdenkingsprullaria op.

Wim geeft een klein college steensoorten. Er blijken er enkele bijzondere bij te zijn zoals fraai geslepen leisteen en drie vogelbadjes van diabaas, gemaakt door steenhouwer Henk Beernink.

Het katholiek gedeelte ligt in gewijde grond apart gelegen in een ongemaaid grasveldje en dus bezaaid met prachtige ‘wilde’ bloemen.

Bijzondere graven:

Graf voor een mollenvanger, graf van een soldaat van de vredesmacht gesneuveld in Afghanistan, een graf van een jager met een zeer fraai bronzen beeld van twee vluchtende hazen, een graf van een jeu de boulesspeler, een van een bergbeklimmer met rotsblok en zijn bergbeklimmersuitrusting en een graf omringd met genummerd hekwerk als bij een hoefslag van een manege.

Wim wijst ons nog op een grafzerk met uitgehakte, verheven letters, veel mooier dan verzonken en beter tegen de tand des tijds bestand. Dan trekt de lucht zwart en dreigend dicht en vluchten we net voor het neerdalen van een giga-bui de aula in voor onze picnic.

Na een half uur is het droog en via een mountainbiketocht door het fraaie bos gaan we naar de particuliere begraafplaats op het Landgoed Tongeren. Daarbij komen we langs het graf van  Cornelis Sebastiaan Buys Ballot, landheer van De Dellen (onderdeel van Tongeren) van 1890 tot 1928, zoon van de oprichter van het KNMI,  Christophorus Henricus Didericus  Buys Ballot (1817- 1890) een Nederlandse meteroloog, scheikundige en natuurkundige) met fraaie Art Deco belettering en een spreuk “le sage espère en Dieu” (de verstandige hoopt op God?) We rusten ook even uit op het bankje bij een 260 jaar oude “Terebinth”eik, ideale plek voor de groepsfoto.

Bij de begraafplaats Tongeren worden we hartelijk onthaald door mw Rauwenhoff die ons kort de historie van het Landgoed en de begraafplaats vertelt.

In 1768 begonnen Jan Hendrik Rauwenhoff en zijn vrouw Maria de Meester het landgoed te ontwikkelen en zij legden de begraafplaats aan waar op dit moment 75 afstammelingen van de familie liggen. De begraafplaats is een oase van rust en eenheid. In een bos van beuken, sparren en rododendrons liggen de identieke graven, een steen met daarvoor een verhoogd bed van sterremos.

Gedicht op het toegangshek:

Betreed, O Wandelaar met eerbied dezen grond

Aan dooden toegewijd ter rustplaats; ’t graf is heilig

En zij wier asch hier rust zijn voor all’ onrust veilig

Schoon hen geen marmer dekt, maar heide groei’ in ‘t rond

De familie betaalt geen grafkosten, zij zijn allen aandeelhouder en in plaats van dividend te verkrijgen, liggen zij eeuwig gratis te rusten in een prachtomgeving.

Aangezien een graf te Epe € 2500,- kost voor 50 jaar, een mooie deal.

Hierna besluiten we in verband met de tijd om begraafplaats te Emst over te slaan en scheuren door het bos naar de Algemene begraafplaats aan de Tongerse weg. Ook weer een mooi en sober aangelegde begraafplaats met grasvelden en een beukenlaan als hoofdas. Veel ruimte over lijkt het, maar het blijkt dat de graven zijn geruimd, dat wil zeggen, de zerken zijn weg, maar de doden liggen er nog te rusten en mogen niet gestoord door nieuwe graven.

Aan de overzijde bekijken we nog even snel de rooms-katholieke begraafplaats, met een mooi houten beeld van een volgens Wim “foute” Jezus want hij kijkt de verkeerde kant op.

Er is ook een oorlogsgravendeel, van enkele soldiers van the USA Army Force.

Om half 5 leveren we de fietsen weer in en gaan zeer tevreden huiswaarts. Wim en Jan bedankt!!

Namens allen,

Mariet Dekking

 

York en Hubberholme onze An Hernalsteen maakte een verslag van haar tocht doorheen Engeland.


Met de helft van onze huisraad in een rugzak gepropt, op stap van Helmsley (North York Moors) naar de Lake District. Een akkefietje van pakweg 240 km. Af en toe het pad verlaten en een funerair zijsprongetje maken, mijn trouwe tweevoeter achter mij aan sleurend, moet kunnen.

York Minster

Te veel om allemaal te beschrijven maar wat mij in Groot-Brittannië altijd vertederd zijn de knielende, biddende Renaissance-poppetjes in hun kijkkastjes (Whittam; Ingram; Swinburn; Miles). Zie eens hoe devoot ik ben en hoe ik mijn biddende best doe om in de hemel te geraken.

Hier en daar zit er een klepper tussen waar je iets meer informatie over vindt. Zoals Matthew Hutton (1529-1606) aartsbisschop van York (1595-1606) die van de vrouwtjes hield en achtereenvolgens Catherine Fulmesby (1565), Beatrice Fincham (1567) en Frances, weduwe van Martin Bowes (1582) versleet, met een gans nest kinderen als kroostrijk resultaat.

John Dolben (1625-1686) aartsbisschop vanaf 1683, ligt in zijn corpulente zelf, bombastisch zwaarwichtig te doen.

Hubberholme

Een godvergeten boerengat ergens in de Yorkshire Dales. Een kerk, een pub, enkele boerderijen en dat is het. Maar volgens John Boyton Priestley (1894-1984), JB Priestley voor de vrienden, de mooiste plek op deze wereldbol. Zijn “An inspector calls” behoorde ooit tot mijn verplichte Engelse schoolliteratuur. Ik ga eerlijk zijn, van die “inspector” kan ik mij na al die jaren nog bitter weinig herinneren (dringend eens herlezen dat boekje) maar de naam van de auteur JB Priestley is blijven hangen.

In het kerkje van Hubberholme hangt een plaat waarop duidelijk te lezen staat dat zijn asse ergens in de nabijheid werd bijgezet. Wij dus in de gietende regen het kerkhof op, op zoek naar de eeuwige stek voor JB. We vinden niets en denken dat we door het water in onze ogen erover gekeken hebben. We beslissen om de troepen, bestaande uit 2 zielig kletsnatte figuren, op te splitsen en de techniek van “verdeel en heers” toe te passen. Elk zal de helft van het kerkhofje opnieuw minutieus onderzoeken want vinden zullen we hem. Nog altijd niets. We overvallen een autochtoon op een tractor. Wat volgt is een toneelstuk JB waardig.

Boer (met zwaar York’s accent): Asse werd uitgestrooid, niets verwijst nog naar die man.

Sterreporter (Engels met Vlaams accent): Hoezo, in de kerk op die plaat staat…….

Boer: Ik weet het, maar ik was erbij, bij die uitstrooiing, deed veel stof opwaaien. Elke dag zien we hier in het dorp bewonderaars van JB’s werk, als dolende zielen over het kerkhof dwalen, zoekenden in de woestijn zijn het (schudt het hoofd bij zoveel idioot gedrag).

Sterreporter: Bedankt, we gaan er in de pub een “pint” op pakken.

Moraal van deze komedie, vraag altijd eerst aan een autochtoon op een tractor hoe de vork in de aardappel steekt, je komt vlugger aan je “pint” toe.

Toch hebben we Hubberholme niet zonder een speciaal graf, een ware schat, verlaten. Een hazelaar (hazel) voor Hazel met daarbij een prachtig gedicht.

I love to plant a growing thing-

A tree, a shrub a vine.

And know it will for years and years

Keep growing there, a sign-

To children, who come after

That someone thought of them,

And left behind a living friend

More precious than a gem.

-- For Hazel 1920-2006

Ook voor Hazel hebben we er enen gedronken.

An Hernalsteen, foto’s An Hernalsteen en Dirk Joos

Begraafplaats Tienen, sfeerbeelden ons lid Mia Verbanck ging in op de oproep naar artikels.


Ons lid Mia Verbanck ging in om de oproep naar artikels en stuurde een aantal dingen door. In deze Nieuwsbrief enkele sfeerbeelden van de begraafplaats Tienen, vooral van het nieuwe gedeelte.

Foto’s: Mia Verbanck

Danse Macabre en dodencultus in de veertiende eeuw ons lid Johan Moeys bericht.


( © “De Waanzinnige veertiende eeuw”, Barbara Tuchman)

Het woord macabre is van onbekende herkomst en betekenis en verscheen voor het eerst in 1376 in een gedicht van Anjous kanselier, Jean le Fèvre, dat deze zin bevatte : “Je fis de macabré le danse” (ik dans de danse macabre). Het kan ontleend zijn aan een oudere danse machabreus, wat wil zeggen “van de Maccabeeën”, of aan het overeenkomstige Hebreeuwse woord voor grafdelvers en aan het feit dat in het middeleeuwse Frankrijk joden als grafdelvers werkten. De dans zelf ontwikkelde zich, waarschijnlijk onder invloed van de pest die opnieuw de kop opstak, als een soort straatvoorstelling waarmee men preken over het onderwerp dat alle mensen in de dood gelijk zijn, wilde illustreren. De dans werd op muurschilderingen in de kerk van de Onnozele Kinderen in Parijs weergegeven en waarop een stoet, gevormd door vijftien paren, geestelijken en niet-geestelijken, beginnend met de paus en de keizer en eindigend met een monnik en een boer, een frater en een kind te zien waren.

Kom naderbij, herken uzelf in ons,” zeiden zij in de dichtregels die aan de schildering waren toegevoegd, “we zijn dood, naakt, rottend en stinkend. Zo zal het ook u vergaan… Als u hier niet bij stilstaat tijdens uw leven, loopt u het risico verdoemd te worden… Macht, roem en rijkdom betekenen niets; in het stervensuur tellen alleen de goede werken… Ieder mens behoort ten minste eenmaal per dag te denken aan zijn walgelijk einde”, wat hem eraan zal herinneren dat hij goed moet leven en de mis moet bijwonen als hij verlost wil worden en wil ontkomen aan het “eindeloze, verschrikkelijke en onvoorstelbare lijden in de hel”.
Elke figuur zegt het zijne: de connétable weet dat de dood ook de dappersten meeneemt, zelfs Karel de Grote; de ridder, die eens door de dames werd bemind, weet dat hij hen nooit meer zal laten dansen; de dikke abt, dat de “vetsten het eerst zullen wegrotten”; de astroloog, dat zijn kennis hem niet kan redden; de boer die zijn hele leven heeft doorgebracht met zorgen en ploeteren en die dikwijls naar de dood heeft verlangd zou, nu zijn laatste uur geslagen heeft, veel liever wijngaarden omspitten “zelfs in regen en wind”. Er werd voortdurend op gehamerd dat het u aangaat, en u en u. De skeletachtige figuur die aan het hoofd van de stoet liep, was niet de dood, maar een dode. “U bent het zelf,” vertelt het opschrift onder de muurschildering van de dans in La Chaise-Dieu in Auvergne.
De dodencultus zou in de vijftiende eeuw zijn hoogtepunt beleven, maar stamde uit de veertiende eeuw. Men had kunnen verwachten dat de dood, die in deze tijd elke dag en op elke straathoek op de loer lag, banaal zou zijn geweest, maar men werd er daarentegen geweldig door geboeid. De nadruk kwam te liggen op wormen, ontbindingsprocessen en huiveringwekkende lichamelijke details. Terwijl voorheen bij de dood in de eerste plaats werd gedacht aan de reis van de ziel, scheen nu het ontbindende lichaam op de voorgrond te komen. In vroeger eeuwen waren de afbeeldingen van stervenden sereen geweest, met handen die gevouwen waren in gebed en met open ogen, in afwachting van het eeuwige leven. De grote prelaten lieten zich in deze tijd, naar het voorbeeld van Harsigny, dikwijls uitbeelden als kadaver met alle daarbij behorende realistische bijzonderheden. Van was werden dodenmaskers en mallen van lichaamsdelen gemaakt en dat had een verbetering van de portretkunst ten gevolge omdat de schilders meer oog kregen voor individuele trekken. De boodschap die men met deze grafbeelden wilde brengen was dezelfde als van de danse macabre. Het opschrift boven het broodmagere, onbedekte lijk van kardinaal Jean de la Grange, die in 1402 in Avignon zou sterven, stelt aan de toeschouwers de vraag: “En ellendige, welke reden hebt gij om trots op uzelf te zijn?”

Deze verering van het lugubere was er de oorzaak van dat de begraafplaats van de kerk van de Onnozele Kinderen in Parijs, waar de danse macabre als muurschildering was aangebracht, in de eerstvolgende tientallen jaren de meest geliefde begraafplaats en ontmoetingsplaats van de hoofdstad zou worden. Rijke burgers en edelen – onder wie Boucicaut en Berry – lieten onder de achtenveertig bogen van de kloostergang knekelhuizen bouwen voor hun stoffelijke resten. Omdat twintig parochies het recht hadden hun doden op deze begraafplaats ter aarde te bestellen, moesten er voortdurende oude lijken worden opgegraven en de bijbehorende grafzerken worden verkocht om plaats te maken voor nieuwe. Schedels en beenderen hoopten zich op onder de bogen van de kloostergang en vormden een attractie voor de nieuwsgierigen en een griezelig bewijs van het feit dat iedereen uiteindelijk gelijk werd. Allerlei winkels vonden in en om het klooster onderdak; prostituees zochten er klandizie, alchemisten vonden er een markt, gelieven maakten er hun afspraakjes en honden liepen er in en uit. De Parijzenaars kwamen er speciaal naartoe om de knekelhuizen te bezoeken, begrafenissen en opgravingen te zien, de muurschilderingen te bekijken en de opschriften te lezen. Zij hoorden er dagenlange preken aan en huiverden als de dode, op zijn hoorn blazend, uit de rue Saint-Denis te voorschijn kwam aan het hoofd van zijn stoet afzichtelijke dansers.

Al dat vertoon van het lugubere vond navolging in de kunst. De doornenkroon die tot dusverre zelden was geschilderd, werd nu een realistisch martelwerktuig dat in de tweede helft van de eeuw heel wat bloed op de schilderijen veroorzaakte. De Heilige Maagd kreeg zeven smarten toebedeeld, van de vlucht naar Egypte tot de piëta – met het slappe, dode lichaam van haar Zoon op haar knieën. Claus Sluter, de beeldhouwer van de hertog van Bourgondië, maakte zijn eerste in Frankrijk bekende piëta in 1390 voor het klooster van Champmol in Dijon. In dezelfde tijd verschijnen te midden van al die droefgeestigheid ook de speels glimlachende gezichten van de zogenaamde “mooie Madonna’s”, in hun bevallig gedrapeerde gewaden en met hun vrolijke kleuter op de arm. De wereldse schilderkunst is in die tijd vrolijk en verfijnd; de lyrische picknicks aan de voet van verrukkelijke torens worden nimmer verstoord door de Dood.

Johan Moeys

Stampe en Ivanow: 75 jaar na datum plechtigheid voor gevallen vliegeniers.


Op 5 oktober 2010 was het juist 75 jaar geleden dat George Ivanow en Leon Stampe omkwamen in een vliegtuigcrash boven te Borsbeek. Leon Stampe was de zoon van Jean Stampe, eigenaar van een vliegtuigfabriek. In oktober 1935 werd een nieuw type, de SV-10, ontwikkeld. Leon Stampe was testpiloot. De eerste start op 4 oktober verliep vlekkeloos maar Stampe had een aantal opmerkingen. George Ivanow en zijn ploeg werkten de hele nacht door. (George Ivanow was de zoon van een Russisch generaal en hij had zijn studies aan de universiteit van Odessa succesvol beëindigd. Door de Russische revolutie week de familie uit naar Parijs. Op vraag van Jean Stampe belandde de vliegtuigontwerper in 1929 in Antwerpen.) De volgende dag ging Ivanow mee met Leon Stampe op de testvlucht die fataal afliep.

Het grafmonument voor George Ivanow en Leon Stampe bevond zich op perk A - 30. Toen de plannen bekend raakten dat het Sint-Rochuskerkhof opgeruimd zou worden verkreeg het Stampe & Vertongen museum dat ze de grafstenen in beheer kregen. Ze worden in het museum tentoongesteld. In 2010 lieten, na onderhandelingen tussen de stad Antwerpen en het Stampe & Vertongen museum, de mensen van het Stampe & Vertongen museum nieuwe grafstenen vervaardigen. De mensen van Levanto metselden de basis en plaatsen de grafstenen.   

Zo’n dertig personen onder wie enkele leden van vzw Grafzerkje waren aanwezig op de herdenking. Niet onterecht want het waren enkele van onze leden die, naar aanleiding van het feit dat het Sint-Rochuskerkhof een parkbegraafplaats werd, het idee opperden om de originele grafplaten terug op hun oorspronkelijke plaats te krijgen. Toen dat niet lukte legde één van onze leden, Leo Spiessens, de nodige contacten, gaf die door aan het afdelingshoofd van de begraafplaatsen, Hendrik De Bouvre, die op zijn beurt aan Levanto vroeg om kopijen te maken van de grafplaten. Ook aan aantal mensen die interesse betonen in de luchtvaart en zijn pioniers waren aanwezig. Schepen voor begraafplaatsen Guy Lauwers was vergezeld van de heer Cabooter, verantwoordelijke van het het Stampe & Vertongen museum en Wim Verbist, de Deurnese luchthavencommandant. Hendrik De Bouvre heette het gezelschap welkom.

In zijn toespraak wees de schepen op het belang van het instandhouden van funerair erfgoed onder meer door inventarisatie van lokaal bekende personen en dankte onze vzw Grafzerkje voor de inspanningen die zij doen om de stad Antwerpen daarbij behulpzaam te zijn.
Guy Lauwers schetste ook de vier mogelijkheden om grafmonument zoals deze van de ondergang te redden door middel van peterschap, sponsoring, bruikleen en sociale tewerkstellingsprojecten zoals Levanto. De heer Cabooter ging nog even dieper in op die fatale 5 oktober 1935 die hij benoemde als een zwarte dag voor de Belgische luchtvaart. Hij zegde ook dat de begrafenis een bijeenkomst was van alle luchtvaartpioniers uit die tijd, sommigen deden zelfs een verre verplaatsing om aanwezig te kunnen zijn.
Door de heren Lauwers en Cabooter werd een bloemenkrans neergelegd waarna één minuut stilte in acht genomen werd. Een kleine receptie besloot de bijeenkomst.

Jacques Buermans.  Foto’s: Jacques Buermans en Ludo Dieltiens

Tante Kato ging op reis en zag de cenotaaf van Gaius Caesar weer een nieuwe ontdekking van tante Kato.


Gaius Caesar * 20 BC - 4 AD * Limyra, Turkije

Eind jaren zeventig was ik stapelzot van I, Claudius, een BBC-productie die dateert van 1976 en de toenmalige BRT kocht de serie vrij snel aan.  In de eerste plaats ging mijn liefde naar het sublieme acteerwerk maar daarbovenop kreeg ik de intrigerende geschiedenis van de Julio-Claudische dynastie.  Ook al kon ik toen niet altijd volgen ... geef toe, er kwamen véél personages in en hun namen trokken begot sterk op elkaar.

Deze zomer was er bij Knack een DVD te koop met de volledige dertiendelige serie.  Ja, we wilden die topserie -terecht gebruik van het woord- terug zien.  We wachtten tot de Ronde van Frankrijk achter de rug was, want we hielden wel van Vive le Vélo.  Na de Canvascrack zagen we elke avond een aflevering van I, Claudius.  Voorwaar ... een boeiende televisieavond.  Op de salontafel lagen : stambomen én het originele boek van Robert Graves, om goed te kunnen volgen, om zeker niets te missen.  Na elke aflevering kaartten we nog even na over de familiebanden en we roemden zeven afleveringen lang de actrice Siân Phillips, die het keizerlijke serpent Livia op een meesterlijke wijze gestalte gaf.

In het midden van deze serie kijkavonden viel het reisprogramma van onze korte trip naar Antalya -met Sagalassos als hoogtepunt- in de brievenbus.  Ja, we zijn dit jaar maar liefst drie keer naar Turkije geweest.  ‘t Is ook zo’n groot land.  Wat zag mijn oog ?  We zouden de cenotaaf van Gaius Caesar, kleinzoon en adoptiefzoon van Augustus, in Limyra zien.  Zou daar een Tante Kato inzitten ?  Vòòr we vertrokken had ik alvast de belangrijkste gegevens over de jongeling genoteerd :

Gaius Caesar was de oudste zoon van Julia (de dochter van keizer Augustus) en haar tweede echtgenoot Marcus Vipsanius Agrippa.  Gaius Caesar wordt vaak in één adem genoemd met zijn broer Lucius Caesar.  Beide werden in 17 BC door Augustus geadopteerd en werden daarmee rechtstreekse erfgenamen voor de keizerstitel.  La Maison Carrée in Nîmes, Frankrijk werd hen trouwens toegewijd.

In 2 BC trouwde Gaius Caesar met Livilla, de zuster van de hoger vernoemde Claudius en een jaar later werd hij benoemd tot aanvoerder van het oostelijk leger.  Gaius Caesar raakte gewond in het Midden-oosten, kreeg een verkeerde medische behandeling en overleed in Limyra, Lycië, zo’n 130 kilometer ten zuidoosten van het huidige Antalya.  Zijn lichaam werd naar Rome verscheept en zijn asresten werden bijgezet in het mausoleum van Augustus, die zelf pas tien jaar later overleed.  De bewoners van Limyra bouwden voor hun geëerde maar schielijk overleden gast een monumentale cenotaaf.

Dit enorme bouwwerk stond op een platform dat met mozaiëken bekleed was.  Eigenlijk waren het drie trapsgewijze opgestelde terrassen.  Origineel was de constructie 18 m hoog.  Het vierkante gebouw werd bekroond met een piramidaal dak.  De muren waren bekleed met marmer en een ornamenten-fries roemde de grootse daden van Gaius Caesar in het oosten.  Bovenop het dak stond een beeld van de te vroeg overleden keizer-in-spe. 

Eind augustus was het bloedheet in Limyra en schaduw was uiterst schaars. Onze aandacht ging vooral naar dit symbolische graf.  Of beter : naar de trieste hoop stenen die er nog van overblijft. 

Verder in de oude stad (Zemuri in het Lycisch) : stadswallen, een antiek theater, verschillende rotsgraven en grafmonumenten (uit de 5de eeuw BC), een dynastiek monument voor de Egyptische Ptolemaeën en een badcomplex.  Dat complex wordt gevoed door een bron die overgaat in een klaterend beekje en iets verderop overstroomt het de antieke weg en enkele oude monumenten.  Water op oude stenen, het heeft voorwaar iets idyllisch, iets zuiverends. 

Iedere keer ik naar de oudheid terugkeer wil ik weten in welk jaar zij zichzelf plaatsten.  Ik heb er even mijn rekenmachine bijgehaald en de in ondertitel vermelde data omgezet in AUC : ab urbe condita; sinds de stichting van de stad; want zo telden de Romeinen (volgens onze tiijdrekening werd Rome in 753 BC gesticht).  Gaius Caesar werd dus geboren in 733 AUC en overleed in 757 AUC. 

En ter vervollediging : we zijn nu in het jaar 2763 AUC.  Rekenwonder ?  Nee : speelvogel.  Dat zei men op school ook al.

Tante Kato 

Allerheiligen zoals steeds rond deze periode bedenkt ons lid Matilde Goelen ons met een passend gedicht.


Een ritselend blad
valt op een ijskoud graf
roerloos kwam het neer
op de stille steen 

Bloemen die er staan
in ons aller naam
voor geliefden, uit eerbied
want vergeten doen wij nie 

Ingetogen bidden wij
voor hun ziele zaligheid
nemen afscheid met een groet
en keren weer huiswaarts toe.

Mathilde Goelen

Monument voor gevallen piloten ons lid Ivo Bovend’aerde was aanwezig bij de inhuldiging van een monument.


Als medelid van de vzw 'Erfgoed Hoogstraten – werkgroep Op het oorlogspad' nam ik vrijdagnamiddag 22 oktober 2010 deel aan de inauguratie van een monument. Nabij de plaats te Rijkevorsel, gehucht Bolk, waar 22 oktober 1943 een Halifax neerstortte. De 7 bemanningsleden liggen bijgezet in de Militaire Ereperken WO II Schoonselhof; Brits Gemenebest perk 4. Het zijn Howard, Denton, Beyak, Chorneyko, King, Smith en Fournier.

De oudste neef en naamgenoot van Roger Fournier was vrijdag laatstleden te Rijkevorsel aanwezig plus een Canadese afvaardiging met hun verbindingsofficier bij het NATO hoofdkwartier en een onderofficier van het betrokken Squadron. Ook Belgische vaderlandse afvaardigingen met hun vlaggen, de burgemeester van Rijkevorsel en enkele schepenen waren aanwezig. De heemkundige kring van Rijkevorsel was mede initiatiefnemer. Een old timer vliegtuig vloog een paar keren laag over. Er was heel wat volk; ook veel kleine kinderen in hun fluo jasjes. Dat viel op. Ze waren onder begeleiding van hun leerkrachten per fiets afgezakt naar de plaats. Het waren twee klasjes 4de studiejaar lager onderwijs van Rijkevorsel, gehucht Sint Jozef, het meest nabij gelegen die een oorkonde ondertekenden waarin ze het onderhoud (peterschap) van het monument overnamen. Iedereen vond het jeugdgebeuren een bijzonder initiatief. Maar het blijkt hier niet nieuw te zijn. Dat alleszins bevestigde mij Francis Huijbrechts, medeorganisator van dit en veel meer herdenkingen in de streek.

Het idee van die jongeren is toch wel een mooi initiatief, dat navolging verdient. Zij leren er over in de klas jaarlijks rond 22 oktober en geven de opdracht elk schooljaar door aan volgende klasjes.

In de nacht van 22 op 23 oktober 1943 stuurde Bomber Command 569 zware bommenwerpers uit naar de Duitse industriestad Kassel. Niet minder dan 43 geallieerde toestellen werden die nacht door geschut en nachtjagers neergehaald. Drie hiervan vielen in de Kempen: een te Zundert, een te Retie en een bij Rijkevorsel. Op het gehucht Bolk, Rijkevorsel, sloeg de Handley Page Halifax MkII JD363 van 429 Squadron Royal Canadian Air Forse te pletter. Het toestel was om 17.30 uur opgestegen te Leeming in Yorkshire. Aan boord een zevenkoppige bemanning. De Halifax zou zijn neergeschoten door luchtafweergeschut. Vast staat dat het toestel boven het toenmalige bos van Van den Kieboom uiteen is gespat. Hierbij kwam de voltallige crew om het leven. De bemanning bestond uit:

Graham Wilson Howard (1921 / 22 - 10 – 1943) Flight Sergeant Graham Wilson Howard was een Canadees piloot.

Albert Henry Denton (1924 / 22 - 10 – 1943) Sergeant Albert Henry Denton was een Brits boordwerktuigkundige.

Alexander Edward Beyak ( / 22 - 10 – 1943) Flying Officer Alexander Edward Beyak was een Canadees navigator.

Athanazie Chorneyko (1918 / 22 - 10 – 1943) Flying Officer Athanazie Chorneyko was een Canadees bommenrichter.

Georges Charles King (1918 / 22 - 10 – 1943) Sergeant Georges Charles King was een Brits radio-operator.

Charles Chester Smith (1923 / 22 - 10 – 1943) Sergeant Charles Chester Smith was een Canadees schutter rugkoepel.

Roger Moise Fournier (1925 / 22 - 10 – 1943) Sergeant Roger Moise Fournier was een Canadees schutter staartkoepel.

Het grafmonument voor de bemanning bevindt zich op perk IVA, rij B, graf 6 tot 12 op Schoonselhof. De bemanning werd eerst begraven op een, tijdelijke, Britse begraafplaats die zich bevond op de terreinen van Fort III te Borsbeek. Later werd hun lichaam naar Schoonselhof overgebracht. Voorafgaand aan de ceremonie te Rijkevorsel werd door een kleine delegatie een bezoek gebracht aan de laatste rustplaats van de bemanning op het Schoonselhof. V.l.n.r. Jozef Boeckx (Schepen Rijkevorsel), Roger Fournier (neef van de gelijknamige Canadese boordschutter), Richard Lees (sergeant, 429 Squadron RCAF) en Luc Cox (WG Op het Oorlogspad, Erfgoed Hoogstraten).
Ivo Bovend’aerde, foto’s Francis Huijbrechts

Allerzielen zoals steeds rond deze periode bedenkt ons lid Louis Van Dyck ons met een passende impressie.


Een zachte zonneglans weemoedigt tegen de kerkmuur. Het werkwoord “weemoedigen” heeft een dichter eens gebruikt en ik heb mij toen voorgenomen het bij gelegenheid over te nemen. Dat moment is er nu omdat het zo vaak de sfeer van het najaar weergeeft. Op de foto zie je naast enkele opstaande kruisen een gesplitste knotwilg. Hij staat op het kerkhof van Poelkapelle in de frontstreek van de 1e wereldoorlog. Omdat hij officieel beschermd is wordt hij ondersteund door staven en samengehouden met plastiekband. Heel symbolisch voor meerderen die hier liggen, wellicht jarenlang met zorgen omringd, maar uiteindelijk begeven. Eens de herfst in het leven binnenkomt verdorren de mogelijkheden en talenten tot er niets meer overblijft. Doden blijven veelal duidelijk aanwezig in afwezigheid, dat merk je aan de vele foto’s op de graven.

We naderen de dagen van ingetogenheid. Het opfrissen van zerken werkt dat gevoel nog meer in de hand. Later in de week kom ik bij valavond vóór het graf van mijn zoon Luk (1961 – 2005). Hier voel ik wat Alice Nahon kan bedoeld hebben met: “het deemstert in mijn ogen, het deemstert in mijn hart …”. Bij een kindergraf prijkt een reuze-vlinder. Hij verwijst naar de rups die verpopt tot vlinder en zo tot nieuw leven komt.

Een speciaal graf wil ik nog graag vermelden. Gewoon een arduinen plaat, waarop een bronzen muziekboek, dirigeerstokje erbij: “De dirigent speelt met het orkest, ’t orkest speelt met hem …”.

Allerzielen 2010

Louis Van Dyck

Nabestaanden van Elsschot kunnen blijkbaar niet lezen en nog minder kuisen! heel veel drukte om niets rond het graf van deze schrijver.


Begin november een artikel in Gazet van Antwerpen: “Heibel rond het graf van Willem Elsschot”. Daarin uit Willem Dolphyn, kleinzoon van de schrijver, zijn verbazing dat de concessie van Elsschot’s graf dit jaar afloopt … uitgerekend in het jaar dat de schrijver gevierd wordt naar aanleiding van zijn overlijden in 1960, nu 50 jaar geleden (wel dat heb je nu eenmaal met grafconcessies van 50 jaar – JB). Verder in het artikel “Door de tussenkomst van uw krant werd een akkoord bereikt over de verlenging van de grafconcessie”. (Wat de tussenkomst van Gazet van Antwerpen betreft stel ik mij ook de nodige vragen: Welke tussenkomst? Dat zij de nabestaanden aangezet hebben om te leren lezen? – JB) Verder zegt kleinzoon Jan Maniewski "We zijn niet gewaarschuwd dat de concessie verlopen zou zijn. En zelf waren we ervan overtuigd dat zo'n verlening automatisch zou verlopen. Hij ligt toch niet voor niets in het ereperk?". En dan passeert ook nog Cyriel van Tilborgh, van het Willem Elsschotgenootschap, de revue die zich de 11-juliviering herinnert met alle notabelen en zelfs de fanfare (de stadstrommelaars zullen het tof vinden dat ze een “fanfare” genoemd worden - JB) en nu die kennisgeving als totaal laagtepunt. Willem Dolphyn durft dan nog zonder blozen (kan die man dat wel? - JB) zeggen dat het graf drie à vier keer per jaar onderhouden wordt! Door er van op een afstand naar te kijken zeker? Als onze leden zo met hun peterschap zouden omgaan het zou er stuiven maar de nazaten van schrijver Willem Elsschot vinden blijkbaar dat anderen hun zaakjes maar dienen op te knappen.

Gelukkig weerlegde schepen Guy Lauwers in een telefonische reactie die kritiek zeggende dat volgens een decreet de stad verplicht is op deze wijze, aanplakken van een lijst aan de ingang van de begraafplaats en een plakkaat aan het graf, aan de nabestaanden kenbaar te maken dat deze de grafconcessie kunnen laten verlengen.

Blijkbaar kunnen nabestaanden van de grote schrijver niet lezen want op de plakkaat staat klaar en duidelijk niets over een verdwijnen van het graf. Maar direct naar de media stappen in de hoop op nog wat meer media-aandacht is natuurlijk meegenomen. En dat diezelfde nabestaanden ook nog nooit gehoord hebben van onderhouden van een grafmonument vind ik niet alleen. Een aantal van de reacties op het krantenartikel liegen er niet om: “Als het graf zo nauw aan het hart ligt van de familie , dan kunnen ze misschien eens een schuurborstel nemen en het graf even afschuren.” Of “Als deze persoon dan toch zo belangrijk is, waarom is het ten eerste dan niet wat beter onderhouden en zijn er geen maatregelen getroffen om die concessie vroeger in orde te krijgen. De " storm in een glas water "publiciteit via de media is weer meegenomen om nog wat aandacht te krijgen.” Of “De familie Elsschot had misschien een frankske meer mogen uitgeven voor de be-zerking van hun gefortuneerde afgestorvene en het graf wat beter hebben kunnen onderhouden”.

Dus bij deze een oproep aan Willem Dolphyn, Jan Maniewski en andere Cyriel Van Tilborghen: gelieve eens uit jullie ivoren toren te stappen en met borstel en spons het o zo noodzakelijke te doen.

Jacques Buermans


Eenzame uitvaart, een balans een fototentoonstelling met gedichten is te bekijken op de begraafplaats Schoonselhof.


Dichter Maarten Inghels maakte, naar aanleiding van de opening van een fototentoonstelling met foto’s van Judith Dekker aan de hoofddreef van de begraafplaats Schoonselhof, een balans op van dit literair project.

 

Hij schetste het idee van de “eenzame uitvaart” waarbij niemand buiten de dragers en de dichter de overleden vergezeld naar diens laatste rustplaats. De dichter richt zich persoonlijk tot de overledene. Hij leeft zich in om zo een goed mogelijk beeld van de overledene te krijgen. Hoe meer de dichter weet, hoe persoonlijker het verhaal. Soms komt hij “iets” te weten over de levensloop van de overledene maar meestal ontbreekt ook dat. De overledene wordt gevonden op een bank, thuis gevonden met een spinnende kat bij het lichaam of in een kamer waar de televisie al dagen aan één stuk speelt.

In Antwerpen duurt zo’n eenzame uitvaart 12 minuten. In Amsterdam, waar het idee zijn oorsprong vond, is het iets uitgebreider: drie muziekstukken, het “persoonlijke” gedicht en nadien koffie met gebak gedeeld door de dichter en de dragers. Hier in Antwerpen dus veel soberder: van aan de ingang van de dodenakker tot aan perk U, dan het gedicht in een poging om toch het nodige respect te geven en terug naar de uitgang. Maarten Inghels schetste een ervaring die hij tijdens zo’n eenzame uitvaart meemaakte: twee bezoekers van de begraafplaats zaten op een bankje. Toen de kleine stoet voorbijkwam stonden zij recht, vouwden de handen in bidhouding en bogen het hoofd. “Ik was tevreden over het respect dat mevrouw C. P. U. kreeg op haar laatste reis.” Zo stelde de dichter.

Nadien was het de beurt aan oud-stadsdichter Joke Van Leeuwen die een gedicht murmelde. Het konden ook twee gedichten geweest zijn. Stijn Vranken deed beter, kon moeilijk slechter. Hij droeg een gedicht voor “En verder” voor Marcel Van den Broeck. Geniet mee:

En verder
Voor M.V.d.B. (1936 – 2010)

Zoals de stilte hier staat, netjes en gepast
tussen hemel en aarde, zo stamelde zij jaren
door je kamer. Althans dat dacht ik
alvast wat onhandig om je naam heen.

En verder? Vroeg ik.
Niets. O ja, en ook: Niemand.

Zoals wij hier staan, ongepast in onszelf.
Het had niet dunnen gekund. Zelfs de dood
vindt hier niet veel aan. Alleen het vel
moet nog geruimd.

Zo wankelt het woord aan de einder.
Te laat als nooit tevoren.

-- Stijn Vranken

Als laatste was de huidige stadsdichter Peter Holvoet – Hanssen aan de beurt. Hij begon met te zeggen dat de toehoorders zijn bundel Navagio zeker niet moeten aanschaffen wegens “té sober”. Anders dan vorige sprekerds zegde Peter dat hij verschillende begrafenissen meemaakte waar enorm veel volk bij aanwezig was. Maar zo stelde de stadsdichter: nadien keek er geen mens meer om naar het graf. Peter Holvoet – Hanssen droeg een kort gedicht voor zijn overleden moeder voor. Ten slotte konden we genieten van de première van zijn laatste stadsgedicht: de eerste strofe van zijn gedicht naar aanleiding van wapenstilstand.

Op de hoofddreef staan op een aantal panelen met aan de voorzijde foto’s van de Nederlandse Judith Dekker en op de achterzijde een aantal gedichten. Ik snap niet zo direct de link tussen de foto’s, volgens mij hebben ze in de verste verte niets te maken met een eenzame uitvaart, laat staan met de gedichten. Ik denk dat een aantal van onze leden veel betere dingen kunnen produceren.


Jacques Buermans

Marcel Celis, voorzitter Epitaaf vzw, neemt afscheid boegbeeld van Epitaaf trekt naar het hoge Noorden.


Twintig jaar lang was Marcel Celis voorzitter en boegbeeld van Epitaaf vzw. In november ging hij met pensioen en vertrekt hij naar het hoge Noorden. In het atelier Salu vond een receptie plaats waar een aantal van onze leden aanwezig waren. In naam van vzw Grafzerkje werd een kleine attentie aan Marcel overhandigd.

Ons lid Philippe Theys maakte enkele sfeerbeelden van de huldiging van Marcel Celis: de overhandiging van een geschenk, een aantal van de aanwezigen en de tafel met daarop de geschenken met in het midden de, ludieke, kaart van vzw Grafzerkje.

Jacques Buermans, foto’s: Philippe Theys