Nieuwsbrief Nr. 41 - mei 2008

Een tevreden voorzitter is soms toch nog ontgoocheld geen vuiltje aan de lucht binnen vzw Grafzerkje maar toch enkele dingen op mijn lever


Het gaat goed met onze vzw Grafzerkje. We hebben momenteel 203 leden wat bijna een record is. We eindigden het jaar 2007 met 204 leden, wat zeker voor een vereniging met de doelstellingen die wij nastreven bijzonder is. De vzw Grafzerkje kan verder bogen op een meer dan gezonde financiële toestand en er wordt voortreffelijk samengewerkt binnen de schoot van het Grafzerkjesbestuur. Dankzij de samenwerking tussen vzw Grafzerkje en de stad Antwerpen kon vorig jaar een meer dan geslaagde “voordrachtdag” georganiseerd worden en samen organiseerden we de Europese Week van de Begraafplaatsen waar jullie in de nabije toekomst ook nog wat zullen over vernemen. Dezelfde samenwerking resulteerde in de herinhuldiging van een “eilandje” op de begraafplaats Schoonselhof, tevens de aanzet van voornoemde Week.
 
Ook in andere provincies “roert ent wat”. Een project op de Gentse Westerbegraafplaats hopen we dit jaar nog, dankzij onze financiële inzet, te kunnen finaliseren. Voor Brugge zijn er plannen om ook daar een (financieel) steentje bij te dragen in het herstel van funerair erfgoed en ook andere gemeentes doen meer en meer een beroep de adviezen van vzw Grafzerkje.
 
“Wat hoeft die dan te klagen?”, hoor ik jullie al zeggen. Naast het feit dat dit misschien wel in mijn aard zit, moeten er mij toch een aantal dingen van het hart. In mijn verslag van het bezoek aan Court Saint Etienne liet ik al uitschijnen dat ik het “niet kunnen” vond dat wanneer een van de eigen leden, geen gids, zich bereid verklaarde om een rondleiding te verzorgen en daar enorm veel tijd in stak, er slechts een minieme belangstelling uitging was van die leden.
 
Maar er is meer dat op mijn lever ligt en neen, het gaat niet over drank. Een aantal leden stelden tijdens de nieuwjaarsreceptie de vraag om zelf eens een verlanglijstje op te stellen van begraafplaatsen die zij in de toekomst wensten te bezoeken. Wel … er kwamen welgeteld twee reacties op deze vraag. Eén had dan nog onrechtstreeks te maken met de Europese Week van de Begraafplaatsen, de tweede reactie kwam van een van onze trouwste leden die momenteel zelf in de onmogelijkheid verkeert om een rondleiding bij te wonen wegens andere activiteiten op zaterdag. Reacties mogen nog altijd naar onze verantwoordelijke An Hernalsteen gestuurd worden [email protected] of op 09/231 97 14.
 
Leden vroegen om nog eens een buitenlandse trip te organiseren. Londen, Amsterdam en Den Haag waren meevallers en dit jaar werd eerst voorgenomen om iets rond Rotterdam of Utrecht te doen. Blijkbaar is niet elke Nederlander zoals onze Piet Vernimmen en stond er niemand te springen om in Rotterdam of Utrecht iets op poten te zetten. Vanuit Nederland kwam een helpende hand in de vorm van Rindert Brouwer. Die stelde voor om “zijn” reis naar Aken, Keulen en Dusseldorf eens dunnetjes over te doen. Rindert verkeert in de onmogelijkheid om dit jaar de organisatie op zich te nemen. Ikzelf wilde dan de organisatie op mij nemen maar om zeker geen onnodige voorbereidingen te doen, er dient – naast de “thuisvoorbereiding” – ook enkele keren ter plaatse gegaan te worden, stuurde ik een mail met de vraag of er voldoende interesse bestaat. Ook hier … weinig of geen interesse. In dit geval geen nood, in 2009 kan er misschien nog eens een oproep gedaan worden die misschien op meer belangstelling kan rekenen en dan kan Rindert onze gids zijn.
 
De Nieuwsbrief dan. Ik denk dat een aantal van jullie denken dat de “kabouterkens” die maken. Wel, niets is minder waar. Het samenstellen van die Nieuwsbrief is eerst het verzamelen van artikelen, die dan in een degelijke vorm gieten met enkele foto’s voor de gedrukte Nieuwsbrief, die Nieuwsbrief laten drukken, het geheel dan, fotoloos, doormailen naar alle leden, de belangrijkste artikels mail ik door met aanzienlijk veel foto’s naar onze webmasterin Erika Raven die daar ook meer dan haar handen mee vol heeft. Ik heb daar geen probleem mee en doe dat graag. Maar de Nieuwsbrief dient “gevuld” te worden en daar nijpt het schoentje. Dat “vullen” gebeurt ook niet door de “kabouterkens”. Maar ik zie de laatste tijd dat die meer en meer volgeschreven wordt door mezelf. Natuurlijk kan ik rekenen op tante Kato en Anneke Haasnoot die in elke Nieuwsbrief zorgen voor hun bijdrage en zijn er ook nog wat losse artikels die de Nieuwsbrief opfleuren maar toch.  Regelmatig verneem ik dat leden op reis trekken, heel dikwijls worden de lokale funeraria bezocht maar een artikel maken voor de Nieuwsbrief … neen, dat zit er niet in. Het is toch maar dankzij jullie bijdragen dat de Nieuwsbrief iets meer wordt dan “de gazet van Jacques”.
 
Komt dat ooit nog goed? Natuurlijk, wanneer jullie zelf eens wat artikels aanbrengen voor de Nieuwsbrief. Ik weet ook wel dat niet iedereen over een even vlotte pen beschikt maar een kort artikel, geïllustreerd met enkele foto’s moet toch kunnen?  Het dienen niet altijd reisverslagen te zijn, alles wat zich in de funeraire sfeer bevindt behoort tot de mogelijkheden wanneer het bestuur er zich kan achterscharen. Ook mag een deelnemer aan de tweemaandelijkse rondleiding al eens een verslag maken (de verslagen in het verleden waren voor 90% getekend Jacques Buermans) en met het oog op de Europese Week van de Begraafplaatsen van volgende week mogen leden die aan een van de activiteiten deelnemen hun kijk eens geven door middel van een artikeltje.
 
Als dit allemaal lukt wordt de volgende Nieuwsbrief misschien wel de dikste Nieuwsbrief aller tijden. Een enorme klus maar nog altijd met graagte samengesteld indien er maar voldoende inbreng is van de leden.
 
Jacques Buermans

Court Saint Etienne had op meer belangstelling mogen rekenen Philippe Theys verzorgde niet één maar twee rondleidingen


Alles behalve goed gezind trok ik naar Court Saint Etienne. Een aantal van de, weinig ingeschreven, deelnemers haakten nog af zodat er uiteindelijk slechts 13 opdaagden. Ik vind dit niet kunnen. Natuurlijk heb ik alle begrip voor mensen die naar een begrafenis moeten of mensen die in het buitenland vertoeven maar toch … . En dan zeker niet wanneer er voor het eerst in de geschiedenis van vzw Grafzerkje één van de leden, geen gids, zich bereid verklaarde om zich te documenteren en om voor de vereniging een rondleiding te verzorgen. Leden die niet met de materie van het gidsen begaan zijn beseffen misschien niet wat voor inspanningen en tijd er in het voorbereiden van een rondleiding steekt. En waar doet men het dan voor … voor de waardering en die waardering gaat in de eerste plaats uit van de interesse van de deelnemers. En als dan die interesse bestaat uit een handvol deelnemers ja, dat vind ik dit niet kunnen. Ik vind dit triestig. Niet voor mezelf want ik ben al blij dat ik dat even van me af kon schrijven maar voor onze Philippe Theys. Ik hoop dat Marie Claire in juli op meer belangstelling mag rekenen.
Onder een stralende zon vertelde Philippe de geschiedenis de gemeentelijke begraafplaats die in 1885 in gebruik werd genomen. In 1886 vroeg Eugène Félicien Albert graaf Goblet d’Alviella een toelating voor het bouwen van een mausoleum van 5 op 5 meter en met een hoogte van 12 meter, waarvan hij de realisatie toevertrouwde aan de bekende Brusselse architect Adolphe Samyn en de beeldhouwer Houtstont. Deze Eugène Goblet (1846-1925) was liberaal senator van de Belgische Regering en protestants hoogleraar in de godsdienstgeschiedenis. Hij was tevens een tijd Grootmeester van het Grootoosten van België en Soeverein Grootcommandeur van de Opperraad van België. Deze Opperraad was de hoogste consistorie voor de Schotse Ritus, de graden vier tot en met drieëndertig. Hij was ook gedurende de jaren 1896 tot 1898 rector aan de U.L.B. (Université Libre de la Belgique). Op het kerkhof van Court-Saint-Etienne liet Goblet d’Alviella zijn eigen mausoleum bouwen door de architect Adolphe Samyn. Het groots monument kent naast een duidelijk Oosters geïnspireerde symboliek een verzameling van talrijke symbolen uit vele wereldreligies en de Vrijmetselarij. Op 8 september 1925 werd hij het slachtoffer van een verkeersongeluk en sterft de dag nadien.
Het basisconcept van het mausoleum is een vierkant dat toegang geeft langs de Westelijke zijde door een gang langs twee hagen geflankeerd met twee sfinx. Het geheel werd geïnspireerd op het model van een Indische tempel. Het eerste platform wordt ondersteund door 16 pilaren. De meeste van deze pilaren zijn versierd met talrijke symbolen uit verschillende culturen. Aan de westzijde staat op het platform ‘L’Etre unique a plus d’un nom’. Dezelfde zin vinden we op de drie andere zijden in andere talen. Aan de oostzijde vinden we in de deur, die toegang geeft tot de eigenlijke crypte, een smeedijzeren Rozenkruis welke herinnert aan de 18° graad uit de Aloude Aangenomen Schotse Ritus. Bovenaan de deur werd een gevleugelde Zonneschijf gebeiteld. Links van de deur vinden we de volgende inscripties: ‘Aime l’humanité ; suis Dieu’ (Marc Aurelius, Gedachten), ‘Ma loi est une loi de grâce pour tous’ (Boeddha), ‘Aux bonnes pensées, aux bonnes paroles, aux bonnes actions appartient le paradis’ (Avesta) en ‘O mon coeur, ne me charge pas devant le Dieu du jugement’ (Egyptisch Dodenboek). Aan de rechterzijde van de deur staan volgende teksten gegraveerd: ‘Tu aimeras Dieu de toutes tes forces, et ton prochain comme toi-même ; il n’y a pas de commandement plus grand’ (Marcus), ‘Quelle est la loi suprême ? C’est la tendresse envers tous les êtres’ (Vishnu Sarman, Hitopadeïka), ‘Ma doctrine consiste dans la droiture du coeur et dans l’amour du prochain’ (Confucius)
De zuilen die zich aan de buitenzijde van de graftombe bevinden zijn voorstellingen van essentiële begrippen uit de godsdiensten van vele culturen telkens in hun eigen taal: Jodendom, Christendom, Confucianisme en de Sumerische traditie. Het stelt de ‘An’ voor. ‘An’ staat voor het symbool van het Opperste Wezen. De zuilen aan de oostelijke ligging geeft ons een symbool uit het Zoroastrisme, het Boeddhisme, de Germaanse mythologie en het Romeinse symbool van Jupiter. De zuilen aan de zuidkant zijn de voorstelling van de naam van Odin uit de Scandinavische religie, de naam van Allah in het Arabisch schrift en het Sanskriet. Aan de binnenzijde van het mausoleum twaalf symbolen terug te vinden in de esoterische cultuur: de Feniks, de Lotus en de Swastika; de Ouroboros, een Sarcofaag met Acaciatak en een Zeis; de Ankh en twee Toortsen waarvan een met de vlam naar beneden en een met de vlam naar boven en de voorstelling van de Maan, de Vlinder en het Graan.
Daarna stapten we nog een tijd over deze begraafplaats. Onder een stevig rotsblok rust de familie Boël, u weet wel van Delphine van onze koning … . En ook hier troffen we, sommigen onder ons ondergaan eerstdaags een ontwenningskuur, werk van onze vriend Norga aan. 
Het merendeel van de groep trok nog naar een door Philippe uitgekozen restaurant waar nog meer dan gezellig nagepraat werd. Een aantal “die hards” trokken na de maaltijd nog naar de begraafplaats van Waver om de laatste eer te bewijzen aan Soeur Sourire. Philippe loodste ons eerst nog langs wat men hier een mausoleum bleek te noemen voor schrijver en dichter Maurice Carême.
Onder het zingen van “Dominique, nique, nique” werd de begraafplaats aan een grondig onderzoek onderworpen. We vonden nog een monument voor een dappere strijder van de “Grande Armée” van Napoleon en een prachtig vrijmetselaarsmonument met het alziend oog. Voor de sportliefhebber: hier ligt ook wielrenner George Van Coningsloo. De weergoden waren ons meer dan goed gezind, Philippe Theys deed meer dan van hem verlangt werd en bood niet één maar twee rondleidingen aan en de, weinige, leden van vzw Grafzerkje waren meer dan tevreden.
Jacques Buermans
 
Foto’s: Rina Reniers en Jacques Buermans

Westhoek, wat een gids en wat een meevaller gids Dominiek Dendooven maakte zijn reputatie meer dan waar


Goed op tijd vertrokken we naar Ieper. Onze gids Dominiek Dendooven stond ons op te wachten om een inleiding te geven waarna gestart werd met een bezoek aan het “In Flanders Field” museum. Om 13.30 uur stond onze gids ons op te wachten aan de Menenpoort. Hij vertelde onder andere dat de Britten de enigen waren die nagedacht hadden over hun doden maar zeker ook wat betreft hun vermisten. Op de “Menenpoort” worden nu nog namen van “vermisten” bijgeschreven en anderen, waarvan het lichaam geïdentificeerd werd, verwijderd. Dikwijls schuilt achter een naam een noodlottig verhaal. Wat te denken van ene Van Gheluwe, afkomstig uit Roeselare die dienst nam in het Canadese leger. Tijdens de oorlog wordt hij naar de Westhoek gestuurd en hij overlijdt in Passendale … amper tien kilometer van zijn woonplaats.
Vandaar ging het naar de gemeentelijke begraafplaats van Ieper daterend van 1791 die zwaar beschoten werd tijdens de 1e Wereldoorlog. Dominiek wees ons op de afgeknotte boom van de hand van beeldhouwer Thoris die een grafmonument maakte voor zijn in het kraambed overleden echtgenote. 
Doordat al het beeldhouwwerk van Thoris tijdens de oorlog beschadigd werd is dit het enige overgebleven werk van de kunstenaar. Arthur Stoffels was vrijmetselaar, geen vrijmetselaarssymboliek op het graf omdat in die tijd Ieper heel katholiek was. Alfons Van den Peereboom was eerste minister.
Vandenbraambussche was de stichter van de Last Post Foundation, de plechtigheid die nog altijd dagelijks plaats heeft. Duruttegeneraal van Napoleon, kreeg een monumentaal grafmonument. Verder een feniks die uit zijn as verrijst van de hand van Lucien Degeus op het graf van Marc Delfosse die in zijn garage ontplofte. Van “lugubere” symboliek gesproken. Hier ook het graf voor prins Maurice von Battenberg, afstammeling van de Britste koningin-moeder.
Langs de Franse militaire begraafplaats Saint-Charles-de-Potyze ging het naar Zonnebeke. Daar ontdekten we de crypte met de kisten van oudstrijders van 1914-1918 en een oudstrijder van 1830. De kisten liggen bloot, wat normaal gezien illegaal is.
Viaene, vrijwilligster in Guatemala, daar overleden, kreeg een origineel grafmonument. Werner Lagae, beeldhouwer en directeur van de Kunstacademie van Tielt kreeg een monument, gemaakt door een Brugs kunstenaar, uit resten van een oud en vervallen graf waarvan de concessie verstreken was. Hier ligt ook dokter Berten Pil, scheikundige en Vlaams strijder. Ooit was hij begraven op de begraafplaats van Mortsel, Oude God, maar wegens de ontruiming van deze dodenakker aan de Edegemsestraat werd het graf in 1996 naar hier overgebracht. Een van onze aandachtige medereizigers wees op een eigenaardigheidje: een aantal graven die bij nader toezien bestonden uit … gerecupereerde graven van het Belgisch kleerkastmodel.
Dan kwamen we aan de Britse kers op de taart: Tyne Cot Cemetery.
De begraafplaats werd aangelegd door de Engelse architect Baker op de plaats waar tijdens de oorlog een kleine schuur stond wat nog te zien is aan het dak van de poort. “Cot” is een afkorting van “cottage”, het Engelse woord voor schuur en de Tyne is een rivier in Noord-Engeland. De grootste Britse begraafplaats bevat 11 856 graven. Duitse bunkers werden in het ontwerp geïntegreerd.
Hier kregen ook enkele Duitse soldaten hun laatste rustplaats. Men wou hierbij aantonen dat in de dood iedereen gelijk is zonder onderscheid van ras, geloof of afkomst. Dominiek wees ons op het graf van Jeffries “captain” omgekomen vlakbij een van de Duitse bunkers. Bleek dat de man eigenlijk sergeant was en later “acting lieutenant” (dienstdoende luitenant), omdat de luitenant van zijn compagnie omgekomen was. Later “acting captain”, omdat ook de bevelvoerende kapitein sneuvelde. Ook wees onze gids op enkele graven van Zuid Afrikanen. De tekst op hun graf was tweetalig: Engels en … Nederlands. Zuid Afrikaans werd toen nog niet erkend als taal.
We hielden even halt bij het monument “Le Canadien”, opgericht ter nagedachtenis van de 3000 doden van de eerste Canadese Divisie die vielen tijdens de tegenaanvallen na de Duitse gasaanval van 22 april 1915. Het monument is van F.C. Clemeshaw.
Dan was het de hoogste tijd om even halt te houden voor een drankje.
 
De laatste halte was aan het “Deutsche Soldatenfriedhof Langemark”. Deze Duitse oorlogsbegraafplaats met 44 294 graven is een ontwerp van Tischler. Een bebloemd massagraf vooraan en achteraan vier indrukwekkende figuren. Het werk is van professor Emil Krieger uit München en moest oproepen tot bezinning. Op het “Langemarkse Friedhof” bevindt zich ook nog een “studentenkerkhof” waar 3 000 studenten-vrijwilligers begraven liggen die sneuvelden bij de stormloop op Langemark in oktober 1914. De begraafplaats is ontstaan uit een Britse begraafplaats. Het poortgebouw werd opgetrokken in rode zandsteen van de Weser en was bedoeld om de overgang te maken van het dagelijkse leven naar de begraafplaats. De namen van de geïdentificeerde gesneuvelden staan gebeiteld in eikenhouten panelen, die de muren bekleden van de ruimte, rechts bij de ingang. De bunkers, rechts, waren vroeger klaprozenvelden. Hier staan de namen van de verenigingen die de begraafplaats hielpen aanleggen, zowel financieel als manueel. Na W.O. I waren er Duitse soldatengraven in heel wat Belgische gemeenten. Kort na de oorlog werden deze graven bijeengebracht op 184 Duitse begraafplaatsen, het merendeel in de Ieperse frontstreek. Op het grondgebied van Langemark alleen al waren er 17 Duitse begraafplaatsen. Na W. O. II werden de Duitse gesneuvelden samengebracht op vier begraafplaatsen: Menen, Hooglede, Langemark en Vladslo.
Iets na 18.30 uur eindigde onze tocht vlakbij Grote Markt van Ieper. Woorden van lof voor Dominiek Dendooven waren legio. En niet ten onrechte want iedereen was het erover eens dat ze dankzij hem toch veel informatie hadden opgestoken. Bewijs daarvan de vele mails die ik na onze tocht van tevreden Grafzerkjes mocht ontvangen.
 
Een groot deel van onze groep woonde, om 20 uur, de Last Post nog bij. Dat was spijtig genoeg voor velen een afknapper. Veel te veel volk en de plechtigheid werd opgeluisterd door een doedelzakspeler die er maar niet in slaagde om één enkel deuntje foutloos te spelen. Blijkbaar hadden ze man veel dienen te betalen want hij mocht zes nummers op rij spelen terwijl aan de andere zijde van de Menenpoort een Britse muziekkapel werkeloos stond toe te kijken. Wanneer die dan eindelijk iets mocht spelen bleek dit het einde van de plechtigheid te zijn. Maar zij speelden tenminste foutloos.
Jacques Buermans

Beeld van Oscar Jespers in de kijker ons lid Geert Janssens trok naar Laken en pende een verslag neer


De vzw Epitaaf kwam tijdens de erfgoeddag naar buiten met een tentoonstelling rond het grafmonument van Paul Van Ostayen. Ons lid Geert Janssens trok naar Laken en maakte volgend verslag.
 
Tentoonstelling Epitaaf : de verhuispolemiek rond het graf van Van Ostayen en het monument Oscar Jespers
 
In de bovenruimte van het funerair kunstenaarsatelier Salu te Laken loopt een tentoonstelling rondom het grafmonument van Paul Van Ostayen. Aan de hand van het schaalmodel uit de collectie Jespers , foto’s , tekstbegeleiding en goede gidsen worden de bezoekers ingelicht over hoe Paul Van Ostayen zijn uiteindelijke rustplaats kreeg en de polemieken omtrent het werk van Oscar Jespers.
In 1928 overleed de bekende dichter in Miavoye-Anthée. Hij werd daar begraven in een eenvoudig graf. Een paar vrienden wilden deze letterkunstenaar een rustplaats geven die hem zou eren. Er werd een comité opgericht en een paar jaar later werd hij overgebracht en herbegraven op Schoonselhof. Er werd gevraagd aan Oscar Jespers om zijn grafmonument te maken.  Jespers begon met veel vlijt aan zijn “rustende engel”. Doordat de gelden niet binnenkwamen zoals men wilde en het beeld op tijd klaar was,  liet Jespers het afgewerkte model in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten tijdelijk opstallen. In 1937 was alles rond en werd het grafmonument onthuld. Door de toenemende belangrijkheid van Van Ostayen en zijn werk in de literatuur besloot de stad Antwerpen om graf naar de ereperken te brengen.  Maar daarmee was de kous nog niet af. In 1958 ter gelegenheid van de Expo werd Jespers verzocht om deel  te nemen aan een grote tentoonstelling voor moderne kunst.  Men verzocht hem een werk voor te dragen en hij koos voor het grafmonument.  Wederom haalde men de “Engel” van het graf en werd het tentoongesteld te Brussel. Na enkele maanden kwam het terug.
Hoe Van Ostayen hierop zou gereageerd hebben, zullen we niet weten maar gezien zijn expressionistische  kunststijl zal hij hierom een mooie tekst  van op zijn wolk geschreven hebben.
 
Geert Janssens

Tante Kato ging op reis en ze zag Oradour-sur-Glane


10 juni 1944 * departement Haute-Vienne, Frankrijk

“Hoort dit onderwerp wel thuis in de Tante Kato stukjes?” Dat heb ik mij dikwijls afgevraagd. Strikt genomen gaat het hier niet over een speciale begraafplaats of een merkwaardige tombe van een excentriekeling op een eigenaardige locatie.  Dit gaat over een uitgemoord dorp en op de gemeentelijke begraafplaats liggen de asresten van 642 slachtoffers begraven. Maar Oradour laat mij niet los. Wie er ooit geweest is, zal begrijpen dat ik er iets over moest schrijven, dat ik wil vertellen wat er die zaterdag 10 juni 1944, vier dagen na de landing in Normandië, gebeurde in dit rustige, vredige, onschuldige dorp.

Tot die dag was Oradour, 23 km ten noorden van Limoges, gespaard gebleven van alle oorlogsgeweld.  In 1940 waren er vluchtelingen uit het Moezelbekken neergestreken, maar in vier jaar tijd had men zo goed als geen Duitse soldaat gezien. De dag na de landing in Normandië had de Résistance een spoorwegbrug tot ontploffing gebracht, waarbij twee Duitse doden vielen. De SSers wilden alle verzet lamleggen door een voorbeeld te stellen:

Die lentedag arriveerde om 14.00 uur een Duitse legermacht die alle inwoners bijeendreef op het jaarmarktplein. ‘t Was een efficiënte, gecontroleerde actie zonder geweld. Het leek om een routine-passencontrole te gaan. Iedereen was wel nieuwsgierig maar niemand maakte zich ongerust. Alleen de moeders waren bang dat hun zonen zouden opgeëist worden voor de werkkampen van de nazi’s. Toen het dorp volledig omsingeld was door een cordon soldaten werd de mannelijke bevolking verdeeld over zes schuren en garages. De vrouwen en kinderen werden naar de kerk gedreven. Alles gebeurde beheerst, zonder emoties, zonder weerstand, maar wel onder muzikale begeleiding. Om 16.00 uur ontplofte een granaat, het signaal om naar de volgende fase over te gaan. Gelijktijdig werd het vuur geopend op de zes schuren waar de mannen zaten. In de kerk waar zo’n 250 vrouwen en 247 kinderen ondergebracht waren, ontplofte een bom en om 17.00 uur stond heel Oradour in lichterlaaie. Het dorp brandde en bleef branden. Tot het ochtendgloren was er alleen nog de geur van brandend vlees. Slechts zes mensen, vijf mannen en een vrouw, konden ontsnappen om het gruwelijke verhaal verder te vertellen.

Vrij snel besliste generaal de Gaulle dat dit martelarendorp nooit heropgebouwd zou worden.  Men zou de vernietigde huizen laten zoals ze waren, opdat de komende generaties het nooit zouden vergeten. Jaarlijks trekt Oradour honderdduizenden bezoekers die allemaal in stilte door de straten van dit spookstadje trekken... Ooit moet het er gezellig en levendig geweest zijn. Een boerentram verbond Oradour met Limoges. Elke straat had een café en een bakker.  Er waren garages, handelszaken, een tandarts. Nog nooit zag ik een gemeenschap waar de band met het leven zo bruusk doorgesneden werd.

De begraafplaats ziet er uit als elke Franse begraafplaats. Op de grafstenen veel kleine gedenktabletten en namaakbloemen. Er is een groot memoriaal met oa grote glazen stolpen waarin beenderrestjes opgeborgen liggen. Als je terugwandelt naar het dorp richting jaarmarktplein blijkt er nog een tweede (ondergrondse) memoriaal te zijn. Achter deze twee gedenktekens ligt weer een ander verhaal. Toen in 1953 bleek dat de beulen, verantwoordelijk voor het “asbad”, hun straf zouden ontlopen, verbrak Oradour alle banden met de Franse staat. Deze onmin duurde 17 jaren. De families van de overledenen weigerden de asresten over te brengen naar het staatsmemoriaal, dat opgericht was tussen het jaarmarktplein en de begraafplaats. Daarom bekostigden zij zelf het grote ossuarium op de begraafplaats. Toen in 1970 weer vrede gesloten werd met de Franse staat werd het officiële memoriaal getransformeerd in een museum waar dagelijkse voorwerpen (gebroken borden, een reiskoffertje, enz..) en documenten gevonden tussen de verbrande huizen ondergebracht werden.

Waarmee kan ik beter besluiten dan met enkele woorden uit het “Chanson de la Caravane d’Oradour” van Louis Aragon van 12 juni 1949:

“... ce lieu marqué par le sang.  Une plaie au coeur de la France ...”

Op de voorgrond het ondergrondse staatsmemoriaal. Op de achtergrond de toren van het ossuarium dat door de bevolking van Oradour bekostigd werd.

Tante Kato

Reisverslag Wenen funerair ons lid Johan Moeys ontdekte in Wenen weer enkele knappe funeraire dingen


Onze Johan Moeys zal vernomen hebben dat ik, zie elders, een oproep deed om wat meer inbreng van de leden en bezorgde volgend verslag. Waarvoor onze hartelijke dank. (J. B.)

Op speedtempo door Wenen om op enkele dagen een punkfestival te combineren met enkele bijzondere funeraire bezienswaardigheden.

Wenen, al veel van gehoord. Een must voor de funeraire liefhebber. Wenen: de dood moet een Wener zijn. Wenen, Rebellionfest, twee dagen punkfestival. Twee liefhebberijen die raar maar waar te combineren zijn. Goed voorbereid vetrok ik naar Wenen. De afspraak met het Bestattungsmuseum lag vast. Met een spiksplinternieuw stadsplan en een uitgewerkt activiteitenplan kom ik aan in het hotel. Daar moet ik noodzakelijkerwijze enige aanpassingen doen: het weer zit de eerste dag niet mee, bepaalde plaatsen zijn moeilijker bereikbaar dan ingeschat. De Michaelerkirche is vlot bereikbaar. In de kerk zelf zijn mooie sarcofagen. De crypte is alleen met gids toegankelijk. Blijkbaar is dit niet zo bekend want slechts twee toeristen nemen deel aan de rondleiding. Je voelt onmiddellijk een andere sfeer: intiemer, echt geïnteresseerden. In de hoogdagen kwam zelfs Andy Warhol er een bezoekje afleggen. Minpuntje: fotograferen niet toegelaten. 

 

De crypte werd gebruikt tussen 1631 en1784 (bekend jaartal voor de doorwinterde Grafzerkjes: Decreet van keizer Jozef II op het begraven in kerken). Zo leerden we dat zijde en leder bijna niet vergaat, maar wol wel. De kisten liet men vanuit de kerk in de crypte zakken. Omdat er uiteindelijk toch geurtjes vrijkwamen, probeerde men de gangen de ventileren. Daardoor ontstonden er in wat kisten mummies. Sommigen nog met hun prachtige kleren aan. De vrouwen werden kaalgeschoren en kregen dan een pruik op. De mannen droegen meestal een muts. Vocht vreet nu de houten kisten aan, zodat men nu volop bezig te redden wat er nog te redden valt. Houtwormen hebben ook hun best gedaan. Ze letten er wel op niet in de giftige verflagen te bijten. Slimme houtwormen. Wat je mooi kan zien: vermemeld hout waar dan nog een stuk onaangeroerde verf op staat. Bij de inventaris ontdekte men nog een urne (koperen pot), die men tevoren niet gezien had. Wellicht omdat deze ergens tussen of in een kist moet gezeten hebben. De gids was zeer blij toen ik mijn zaklamp bovenhaalde. Handig om bepaalde delen van mummies onder de aandacht te brengen. Ze wees ons ook op de “graffiti” op de muren. De werkmannen vroeger noteerden de plaatsen van de kerk waaronder ze zich bevonden, als oriëntatiepunt. Met alleen fakkels als verlichting, kan je er snel verdwalen. Ondertussen zijn er al vele zaken verdwenen, meegenomen door bezoekers die hun handen niet konden thuishouden.
De gietende regen deed me besluiten om toch maar niet naar het Sanct Marx Friedhof te gaan. De Stephansdom leek ideaal om te gaan schuilen. Vonden nogal veel toeristen ook. De catacomben zijn ook hier alleen met gids te bezoeken. In het oudste gedeelte uit de 14de eeuw liggen de bisschoppen begraven. Er is nog plaats genoeg voor enkele meer. Wat verder vind je de zerken van Rudolf IV (1339-1365) en zijn vrouw Catharina. Hertog Rudolf werd ook bekend als De Stichter maar ook wel als De Fraudeur. De praalgraftombe kan je boven in de kerk bekijken. De Habsburgers hebben er ook hun plaatsje gevonden. In de urnen liggen hun ingewanden. Het was de gewoonte bij de Habsburgers om hun ingewanden, na hun dood weliswaar, te bewaren in koperen potten. Zo kan het lichaam langer geconserveerd worden. Het was even slikken toen we de put zagen waarin de pestlijders terechtkwamen. Teveel om individueel te begraven, dus samen de put in. Je kan letterlijk de botten aanraken. Wenen, waar men grote begrafenisrituelen heeft? Dat idee kreeg nu toch een flinke deuk. Deze pestlijders worden wel herdacht in de grote wandelstraat in het centrum. Een enorm groot monument: de Pestzuil. Je moet al blind zijn om hem niet te zien. Destijds opgericht door Leopold I in 1679.
’s Anderendaags waren de weergoden wat beter gehumeurd zodat het festival onder een lekker zonnetje kon plaatsvinden. Na wat puzzelen en vergelijken van stadsplannen, metrolijnen, weergoden kwam ik tot de lumineuze vaststelling dat het festival en het Sanct Marx Friedhof feitelijk niet zo ver van elkaar verwijderd lagen. Zelfde metrolijn, enkele haltes verder en dan nog een kleine wandeling. Aha, het behoort toch nog tot de mogelijkheden. De Sanct Marxbegraafplaats is een Biedermeierbegraafplaats uit 1784. Vroeger ver buiten de stad, nu omringd door een lawaaierige verkeersweg die over de begraafplaatsmuur loopt, en een spoorweg. “Rust in stilte” is hier met een korrel zout te nemen. Aan de ingang staat een enorm bord met al de beroemdheden die hier begraven liggen. Zoals Jozef Strauss (zoon van de walskoning) en zijn moeder Anna Streim. Destijds begroef men hier Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). De precieze plaats is niet bekend. Wel staat er een monument waar men vermoed dat hij begraven werd. Men heeft er blijkbaar voor gekozen om de begraafplaats onverzorgd verzorgd te houden. De paden, het gras, de netheid: piekfijn in orde. Bomen en struiken daarentegen overwoekeren de stèles. Met risico voor eigen leven (grapje) zocht ik bewust die rijen op waar op het eerste zicht niets te vinden was, alleen wildgroei van planten. En daar vind je dan zeer mooie monumenten. Ondertussen vermijd je een zonneslag door uit de blakende zon te blijven. Het Servisch gedeelte is zo mogelijk nog desolater.
Op de laatste dag van mijn welverdiende vakantie trok ik naar het Bestattungsmuseum. Een goed teken was dat de portier al afwist van mijn afspraak met de curator. Hij verwees me naar het museum. Daar vond ik een enthousiaste Herr Keller, curator van het museum. Die sprak, gelukkig voor mij met mijn beperkte kennis van de Duitse taal, vloeiend Engels. Hij gaf een persoonlijke rondleiding met de hele geschiedenis van de begrafeniscultuur in Wenen. Daarna kreeg ik de kans om het hele museum op eigen tempo te bestuderen. Ze bezitten er echte pareltjes uit de funeraire geschiedenis. De angst om levend begraven te worden leidde tot de uitvinding van de alarmbel. Men bevestigde een touw aan de overledene. Indien hij nog leefde, kon hij aan dit touw trekken, zodat er een schelle bel begon te rinkelen. Teken voor de begrafenisondernemer om te komen kijken. Spijtig genoeg had men geen rekening gehouden met de natuurlijke ontbindingsprocessen (gasophopingen die zorgen voor spiertrekkingen enz) waardoor er wel veel gebeld werd, maar zelden door een levende. Een andere methode om te voorkomen dat men levend begraven werd, was het tweezijdig mes. Dit stak men in het hart van de overledene. Indien nog niet dood, was men het dan zeker. Een echte vernieuwing van recente datum is het laten maken van een diamant uit de asse van de overledene. Je kan zelf het karaat kiezen. Voor de luttele som van € 4680 heb je al een diamant van 0,4 karaat. En eentje van 1,0 karaat kost € 13.440. Voor sommigen de kans om na de dood meer waard te zijn dan tijdens hun leven? Ein schones leich, inderdaad.
 
Johan Moeys
 
Foto’s van Johan Moeys

Enkele in het oog springende grafmonumenten niet alleen in het buitenland maar ook in het Antwerpse staan originele grafmonumenten


Regelmatig krijg ik grappige, leuke of in het oog springende grafmonumenten toegestuurd waarvoor mijn dank. Ik wil jullie de volgenden toch niet onthouden.  Ik wil wel zeggen dat ik geen boodschap heb aan de “Mexicaanse epitafen” die mij om de week toegezonden worden. Ze zijn zeer leuk maar ze hebben al in onze Nieuwsbrief 16 van maart … 2004 gestaan. Ook het Oost-Vlaamse grafmonument met de bierkranen dat een echtpaar herbergiers herbergt (let op de woordkeuze) ken ik nu stilaan wel. Maar andere originele dingen zijn meer dan welkom.
 
Ons lid Luk Dieudonné stuurde een “grafzerk van de maand” door. Deze computerfanaat  woonde denkelijk in een Oost Europees land aan het opschrift te zien. Veel dichter bij huis ontdekte ons lid Luc Van Hees op de begraafplaats van Berchem een monument met een deur.
Volgens ingewonnen inlichtingen regende het al “reclamaties” op de begraafplaats. Persoonlijk vind ik het geslaagd. Heel origineel en tenminste iets anders dan de granieten “eenheidsworst” die nu op graven geplaatst wordt. Denkelijk wordt hier zelfs verwezen naar de eeuwenoude symboliek van de deur die op een kier staat en die de grens vormt tussen de wereld van de levenden en die van de doden.
 
Jacques Buermans.
 
Foto’s Luk Dieudonné, Stannie Geuens en Luc Van Hees

Voorzitter “voor” en “na” sommige leden kunnen het niet laten om mij in een slecht daglicht te zetten


Sommige van onze leden zitten toch vol deugnietenstreken. Zo onze François Philibert. Hij trof in de vorige Nieuwsbrief een foto aan van ondergetekende in het gezelschap van onze webmasterin Erika Raven. Tot daar aan toe maar dan krijg je volgende mail: “ Jacques, bij zo’n schoon slank meisje hoort een even knappe slanke man, vind je niet? Uitdaging: je durft deze vergelijkende foto’s niet publiceren in de Nieuwsbrief van vzw Grafzerkje?” Dat had hij natuurlijk niet moeten zeggen.  Daarom beide foto’s met links, volgens François, Jacques voor “zijn” behandeling en rechts Jacques “na” de behandeling van François.
Natuurlijk weten jullie allemaal dat dit niet met de werkelijkheid overeenstemt en dat de “slanke Jacques”, de originele foto was en dat van die “dikke” daar heeft François zich mee bezig gehouden om mij in een, nog slechter, daglicht te zetten.
 
Ik kon heel hartelijk lachen met de grap en ging bij deze de uitdaging aan.
 
Jacques Buermans

Anneke Haasnoot “Gebed van een knotwilg”, nieuw gedicht


GEBED VAN EEN KNOTWILG

Ach, Grote Snoeischaar, ga aan mij voorbij
Laat mij wat langer met mijn haardos pronken
De handen van de wind maken me dronken
Van laat geluk, haal mij niet uit de rij

Ach, Grote Snoeischaar, mij alleen tenzij
U Die mij toch het leven heeft geschonken
Vindt dat ik onvoldoende ben geslonken
Mijn bede ziet als milde muiterij

De amputatie, kort onder de schouder
Die is nog niet bedekt met ritselkrullen
Het duurde lang voordat mijn kapsel groeide

Sla mij nu over, want ik word al ouder
Wil toch mijn allergrootste wens vervullen
Want terugkijken wil ik op wat mij boeide

Maak mij daarna maar met de grond gelijk
En zet mij zacht uit in het hemelrijk
 
Anneke Haasnoot

Figurant voor Grafzerkje Ons lid Bert Bevers “figureerde” voor het ATV promotiefilmpje en maakte volgende impressie


Ons lid Bert Bevers ging in op de oproep tot “figuranten voor een promotiefilmpje” en maakte er het volgende verslagje van.
 
Van niet veel verenigingen ben ik lid, maar wél van de vzw Grafzerkje. Dat is een club die zich inzet voor het adopteren en restaureren van funerair erfgoed. Jacques Buermans is er de drijvende kracht van. Hij mailde leden van Grafzerkje met de vraag of ze wilden figureren in een kleine reportage van Den Antwerpenaar, die op 24 en 27 mei op ATV komt. Een cameraman wilde daarvoor wat sfeerbeelden schieten tijdens een ‘excursie’. En daar stonden we dan, toch wel met zijn vijftienen.  En Jacques zijn verhalen maar opdissen. En wij maar geboeid luisteren. Leuke ervaring. 
Bert Bevers
 
Foto’s Modest Van Camp

Dode reus ons lid Marc Vos stuurde een “passende” foto door


Ons lid Marc Vos stuurde op de valreep nog een foto toe. Marc is al jaren actief rond “De Reuzen van Deurne”. Daarom was hij aanwezig op de recordpoging op 18 mei te Beveren. Men verbeterende het record met 184 reuzen. Eén “funeraire” reus viel op. Het bleek een reus naar het evenbeeld van wijlen deken Sturm, 32 jaar deken van Beveren. Het werd en dode liggende reus. De reus wordt getrokken door een oude lijkwagen uit 1979 ter beschikking gesteld door de firma Wase Begrafenissen te Beveren.
* Voor alle informatie slechts één adres:
 
Jacques Buermans
Frieslandstraat 4, bus 6
2660 HOBOKEN
 
telefoon + antwoordapparaat: 03/829 16 03 (vanuit Nederland 00/32/3/829 16 03)
GSM: 0494/47 37 46.
E-mail: [email protected]
www.grafzerkje.be