Nieuwsbrief Nr. 37 - september 2007

Schaarbeek toont zijn funeraire schatten een kerk en twee begraafplaatsen op één voormiddag


Zaterdagmorgen. Gids Cecilia Van der Velde had het voor de 24 deelnemers voor mekaar gekregen dat de sympathieke pastoor zijn kerk speciaal voor ons opende. In de Sint Vincentiuskerk zagen we enkele dekstenen, dekstieren volgens enkelen die nog niet helemaal wakker waren. 
Naast polychrome beelden bewonderden we ook de glasramen  uit 1985 die de Apocalyps voorstelden. Rond de kerk de grafsteen voor pastoor Joannes Aerts en die voor de adellijke familie de Janti.
Vandaar trokken we naar de begraafplaats van Evere. Wat onmiddellijk opviel was dat de begraafplaats, uit 1868, er keurig bij lag. Cecilia vermeldde dat het dodenhuisje, nu bureel, prachtig gerestaureerd werd. Langsheen rijen oud-strijders zagen we in het midden van de dodenakker een obelisk voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog, later aangevuld met die van 1940 - 1945, van de hand van beeldhouwer Jules Reinaert. Bovenaan troont “victorie” met lauwerkrans die de loftrompet over de heldendaden van de soldaten blaast. 
In een apart veldje het monument voor de Everse soldaten die sneuvelden tijdens Frans - Pruisische oorlog van 1870 – 1871.  De lichamen werden overgebracht van het kerkhof rond Sint-Vincentius. Wat op deze begraafplaats ook opviel, naast de vele Nederlandstalige grafmonumenten, was de zorg die hier besteed werd aan de foto’s op de grafmonumenten. Vele kregen een bronzen omlijsting die er mocht wezen. 
De nabijheid van een vliegveld heeft er mee te maken dat enkele piloten hier hun laatste rustplaats kregen. Vliegenier Guy Paquay stierf in dienst. Zijn vliegtuig stortte neer in Perk. Een afbeelding van het vliegtuig, met gebarsten vleugel, siert het monument. Ook enkele notabelen waaronder burgemeester Dekoster en pastoor Juliaan Hermans.
Laatste stop was de begraafplaats van Schaarbeek. We werden er verwelkomd door het beeld van Gabrielle Petit. Deze heldin gaf haar leven voor het vaderland. Links naast de ingang Louis Bertrand, medestichter van het dagblad “Le Peuple, stichter van de Werkliedenpartij en minister. 
De familie Van Anderlecht, waarom ligt die in Evere ?, kreeg een mooie pleureuse van de hand van beeldhouwer Bataille, die hier nog met veel werk vertegenwoordigd is. De familie Krumme kreeg een beeld van Roger Van den Velde. De families Dreymann – Druart – Pourbaix en Ozeray kregen een kopie van een werk van de Florentijnse beeldhouwer Luca della Robbia genaamd “Cantoria, volwassenen die zingen”. Aquarellist Henri Stacquet kreeg een medaillon van Godried Devreese. 
Bij de laatste rustplaats van dichter Emmanuel Hiel droeg Cecilia Van der Velden een van diens gedichten voor. Wat opviel is dat Cecilia de achterzijde van haar rekeninguittreksels niet meer bezigt om haar informatie op te zetten, maar ze gebruikt, zoals ondergetekende, nog steeds alreeds gebezigd papier. Zeg nu nog niet dat we niet milieubewust zijn. Een eenvoudig graf voor surrealistisch schilder René Magritte. Ik zag ook enkele prachtige art nouveau-monumenten, ondermeer voor Elsa De Bock en Cambier.
Een kanjer van een monument voor de gesneuvelden is van de hand van Desmare. Cecilia zegde dat het beeld in het midden haar deed denken aan de piëta maar ik dacht eerder aan een mislukte poging om deel te nemen aan “sterren op de dansvloer”, of is het in dit geval eerder “sterven op de dansvloer” ? Oorspronkelijk was het de bedoeling om rij per rij te begraven zonder  onderscheid van de verschillende ideologieën en religies. 
Wegens de enorme ruimte die men hier had en de opkomst van crematie met uitstrooien kregen de moslims enkele aparte perken, die toch een heel andere begraaf-cultuur laten zien. In onze ogen misschien wat te kitcherig, maar alleszins multicultureel interessant.
 
Jacques Buermans
 
Foto’s: Ria Vaes en Marc Coremans

Anneke Haasnoot “Het laatste lied”, nieuw gedicht


Anneke Haasnoot zorgt steeds voor de poëtische noot in onze Nieuwsbrief.
 
HET LAATSTE LIED

De dichter in mij soest,
Hij wordt steeds zwakker
Ooit was zijn geest zo sprankelend en wakker
Nu houdt hij zich gedeisd, afzijdig, koest

Dat oude liefde op zijn tijd verroest
Gods water niet bezoekt de dodenakker
Dat het gedicht niet langer trouwe makker
Maar vijand is, gemeen, vol haat en woest

Op hongerige, hunkerende ogen
Die zuigzoenen in zwanenhalzen zogen
De dichter slaapt, zijn ziel wordt al gewogen

Zijn laatste vers komt buiten adem binnen
De monitor zet juist een groene streep
Onder onuitgesproken afscheidszinnen

Anneke Haasnoot

Het oudste protestants kerkhof van België in Horebeke Johan Moeys ging eens op bezoek


Bij het lezen van de boeken van Lucien De Cock denk je regelmatig “daar wil ik ook eens naar toe”. Een daguitstapje valt nog binnen mijn mogelijkheden. De wagen buitengezet, navigatietoestel ingeschakeld naar Horebeke, Korsele. Daar woont in het gehucht Korsele de langstbestaande protestantse gemeenschap van België. Een protestantse gemeenschap had het niet gemakkelijk tussen de overwegend rooms-katholieke omgeving, zeker niet in de 16de eeuw. Ze kregen veel steun uit het Noorden, waar men dreigde met vergeldingsmaatregelen tegen de rooms-katholieken die daar leefden, als ze de protestanten in het zuiden zouden lastigvallen.  In de Geuzenhoek in Korsele leeft sinds 1554 onafgebroken de enige Belgische protestantse gemeenschap. De straten in het gehucht zijn zo smal dat er maar één rijbaan is, en parkeren is even zoeken. Gelukkig is er aan de kerk een kleine “parking” voorzien. Toegegeven, zonder navigatietoestel had ik het wellicht niet gevonden. Qua afgelegen en geïsoleerd wonen kan het tellen. Het eerste dat je opvalt als je de smalle straatjes inrijdt is de kerk. Rij langzaam of je bent er zo voorbij. Links van de kerk is de Koning Willemstraat, en daar vind je wat verder de ingang van het kerkhof.
In de kerkhofmuur staat een herinneringsplaat aan koning Willem I. Deze speelde een beschermende rol voor deze protestantse gemeenschap. Van hem kregen ze toestemming voor het bouwen van een eigen school en een eigen kerkhof. Daarvoor moesten ze hun doden in hun eigen tuin begraven. Voor het bouwen van hun kerk, de Nieuwe Kerk, moesten ze nog wachten tot 1872.  Op het kerkhof valt het ontbreken van kruistekens en engeltjes en dergelijke onmiddellijk op. De graven met stèle zijn eenvoudig. Verwijzingen en citaten uit de bijbel zijn schering en inslag. Je leert er de connecties lezen met hun geloofsgenoten uit Walcheren en Sas van Gent. Tussen de graven staan bomen, of beter gezegd: de graven liggen tussen de bomen.
Voor de liefhebbers is er nog een protestants museum, de openingsuren en gegevens staan op een bordje bij de kerk.
 
Johan Moeys

Tante Kato ging op reis en zag het graf van l‘ Abbé François Bérenger Saunière


1852-1917 * Rennes le Château, 40 km ten zuiden van Carcassonne, Frankrijk

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw gaf een vriend me "The Holy Blood and the Holy Grail" van drie Angelsaksische schrijvers-documentairemakers te lezen. Al vanaf het eerste hoofdstuk begint je fantasie op hol te slaan : een dorpspastoor van min of meer gewone afkomst spendeerde op een gegeven moment een fortuin. Veel te veel geld om normaal te zijn. Die moest voorzeker een schat gevonden hebben! En dan volgde een hele hoop theorieën, zeg maar fantasieën. Toen het boek uit was, werd Rennes le Château begraven bij de afgelegen plekken waar een mens toch nooit komt. Tot we jaren later een reis maakten door de katharenstreek en we vonden dat we toch even moesten stoppen in dat godvergeten gat en dat we het graf van de bijna beroemdste Franse pastoor met een bezoek moesten vereren.

Eerst de mens zelf voorstellen. In 1885 werd de drieëndertigjarige François Bérenger Saunière pastoor in een dorp met zo'n tweehonderd inwoners. In ver vervlogen tijden (5de-6de eeuw) was het gehucht de noordelijke Wisigothische hoofdstad. Zes jaar na zijn aanstelling vroeg de dorpspastoor aan een min of meer vooraanstaand architect zijn ruïne-van-een-kerk herop te bouwen en te decoreren. Het resultaat was een suikerzoete merkwaardige kitch, zeker niet mijn dada. Men begon direct esoterische en diabolische dingen in de ornamenten te zien. De kerk volstond niet en vanaf 1896 ging de goede herder nog meer geld uitgeven. Hij kocht op naam van zijn huishoudster de aanpalende terreinen en bouwde er de villa Béthania (afgeleid van Bethlehem). De pastoor-miljardair hield van grote sier. Zo liet hij een terras bouwen met aan beide zijden een gebouwtje: links een "boekentoren" met naam Magdala (ja, ja Magdalena) en rechts een glazen serre. Tussen die twee ligt een terras met panoramisch uitzicht over de Languedoc, een belvédère om "VOUS" tegen te zeggen. Van het een kwam het ander; de pastoor werd geschorst en hij mocht geen missen meer lezen. Daarom liet hij zijn volgelingen naar zijn villa Béthania komen, waar hij zijn rituelen verderzette. Nu moet u niet denken dat zijn volgelingen gewone dorpelingen waren. Niets daarvan. De Europese aristocratie met enige hang naar occultisme stond bij de gewezen pastoor aan te schuiven.

L'Abbé Saunière had dus een trouwe meid: Marie Denarnaud, Alexandrine genoemd. Zij was als achttienjarige bij hem in dienst gekomen en had hem gedurende tweeëndertig jaar bijgestaan. De pastoor overleed aan een beroerte en Marie / Alexandrine was zijn enige erfgename. Na zijn dood heeft zij alle documenten verbrand, waardoor de mythe nog meer aangewakkerd werd. Ik wil heel graag enkele fantastische, zelfs waanzinnige stellingen voor u opsommen:
* In een holle Wisigothische zuil zaten vier perkamenten. Heeft hij nog méér gevonden? De schat van de Wisigothen bijvoorbeeld?
* Nee, hij heeft de spaarpot van de katharen gevonden. Voor die op de brandstapel belandden hadden zij hun centjes goed verstopt!
* De tempeliers hadden hier een en ander van Jeruzalem verborgen. Er was zelfs sprake van dé zevenarmige kandelaar, en waarom niet de Ark des Verbonds?
* Wat als de dorpspastoor iets gevonden had, waarmee de kerk van Rome op zijn grondvesten zou beginnen daveren. Heeft Rome bijgevolg zwijggeld betaald?
* De meest nuchteren zeggen dat de pastoor een schandalig hoge prijs voor zijn missen vroeg en op die manier een goeie zwarte kous vulde. Men schat dat hij dagelijks geld voor honderd à honderdvijftig missen inde en deze inkomsten kwamen uit alle hoeken van Europa. Nogal wiedes dat meneer pastoor per dag geen honderd missen opdroeg. Of ’t moeten wreed korte geweest zijn.

U weet het niet. Ik ook niet. Zijn meid misschien. Zij overleed in 1953 en werd begraven bij haar pastoor. U fronst de wenkbrauwen zoals ik deed?  In 2004 vond een ver familielid dat François Bérenger Saunière weg moest van die dorpsbegraafplaats - en die meid, veronderstel ik- en hij of zij liet de stoffelijke resten overbrengen naar de tuin van zijn villa. Sindsdien rust onze pastoor in een modern marmeren graf, in zijnen hof!

Het dorp heeft een grote aantrekkingskracht. Nieuwsgierige toeristen zoals wij. Recent is l'Abbé Saunière nog eens in de mode gekomen bij iedereen die Dan Browns "Da Vinci Code" gelezen heeft. En dat zijn er veel. Ik nog steeds niet. In ieder geval, de bezoeker krijgt een
serieuze waarschuwing van de burgemeester: in dit dorp mag niet gegraven worden! Een aantal gebouwen begon namelijk te wankelen. Schattenjagers, laat uw spade dus thuis.

Tante Kato

Minister Van Mechelen beschermt 15 Belgische militaire begraafplaatsen uit de toegestuurde persnota halen we een aantal interessante weetjes


Een eerste stap die de Vlaamse minister bevoegd voor het onroerend erfgoed zette was de bescherming van militaire begraafplaatsen met Belgische militaire begraafplaatsen als eerste in de rij. Niet minder dan 15 werden door minister Van Mechelen als monument beschermd.
 
Een toe te juichen initiatief van minister Van Mechelen. Uit de persnota die ons bezorgd werd wil ik toch enkele dingen uithalen omdat dit toch een aantal van onze leden zou kunnen interesseren, dingen die soms helemaal niet of onvoldoende gekend zijn.
 
Belgische militaire begraafplaatsen hebben doorgaans een strak symmetrisch aanlegpatroon, met een bakstenen voormuur afgewerkt met natuursteen en sierelementen, een vlaggenmast met driekleur, (meestal) een gedenkkruis of religieus symbool en een houten schuilhuisje waarin zich ook het grondplan, het register en het bezoekersboek bevindt. Vanaf 1925 werd een standaard grafsteen, naar ontwerp van architect Fernand Symons, veralgemeend: arduinen stenen versierd met krullen met een bronzen grafplaat met de gegevens van de overledene. De plaats waar de verschillende militaire begraafplaatsen zijn ontstaan verwijzen doorgaans naar de krijgsverrichtingen, zoals Halen, Lier, Sint-Margriete-Houtem, Veltem-Beisem, Eppegem, Ramskapelle, Keiem en Houthulst, of naar de plaats waar medische posten of hospitalen werden uitgebouwd, zoals Westvleteren, Hoogstade, Oeren, Steenkerke, Adinkerke en De Panne. In het geval van Leopoldsburg betreft het vooral graven van krijgsgevangen, politieke gevangenen, gefusilleerden die hier werden gegroepeerd.
 
De persnota geeft ook een korte beschrijving van de verschillende begraafplaatsen.
 
Lier: Hier liggen vooral Belgische militairen die omgekomen zijn tijdens de gevechten rond Antwerpen in september en oktober 1914. Oorspronkelijk lagen hier ook Duitse soldaten begraven, maar in de jaren '50 werden die naar elders overgebracht. Vandaag verwijst hier nog altijd een beeldhouwwerk van de Duitse kunstenaar Georg Kolbe naar. Oorspronkelijk stond dit beeldhouwwerk op het Duits gedeelte van de begraafplaats van Eppegem. Behalve de 450 Belgen uit de Eerste Wereldoorlog, liggen hier ook 42 soldaten van het Britse Gemenebest uit de Tweede Wereldoorlog.
 
Halen: Op 12 augustus 1914 vond het laatste grote cavaleriegevecht (op divisieniveau) plaats uit de oorlogsgeschiedenis. Tijdens wat later bekend werd als de 'Slag der Zilveren Helmen', verwijzend naar de punthelmen van de deelnemende Duitse cavaleristen, konden de Belgische troepen verschillende aanvallen van de Duitsers afslaan en ze tegenhouden aan de Gete. Aan de rand van het slagveld ligt vandaag de Belgische militaire begraafplaats, waar de doden van dit gevecht hun laatste rustplaats vonden.
 
Leopoldsburg: De Belgische militaire begraafplaats van Leopoldsburg bevindt zich in de omgeving van het militaire kamp van Beverlo. Al tijdens de Eerste Wereldoorlog, had de Duitse bezetter, die het militaire kamp gebruikte, er een begraafplaats aangelegd. Na de oorlog werden er nog Duitse en Belgische graven toegevoegd, waaronder Belgen die in Duitsland als krijgsgevangene waren omgekomen. Na de Tweede Wereldoorlog werden de meer dan 500 Duitse graven overgebracht naar de grote Duitse verzamelbegraafplaats van Lommel. Op de vrijgekomen plek werden omgekomen Belgische militairen, politieke gevangenen, gedeporteerden en gefusilleerde Belgen van de Tweede Wereldoorlog begraven. De begraafplaats ligt in het ‘Nieuw Park’, dat deel uitmaakt van het militair domein.
 
Eppegem: Tijdens de hevige gevechten n.a.v. de Eerste en Tweede Uitval uit Antwerpen (resp. 24-26 augustus en 9-13 september 1914) sneuvelden heel wat Belgische en Duitse soldaten. Zij werden bijgezet op de begraafplaats van Eppegem. In 1939 werd het Duitse gedeelte opgedoekt. Het beeldhouwwerk van Georg Kolbe werd overgebracht naar Lier, waar het nu nog altijd staat.
 
Sint-Margriete-Houtem: Op 18 augustus 1914 vonden in Sint-Margriete-Houtem, vlakbij Tienen, bloedige gevechten plaats. Nog tijdens de Duitse bezetting werd deze begraafplaats op een hoogte aangelegd. Dat zorgt voor een schitterende panoramische kijk. Die Duitse oorsprong is nog merkbaar aan het beeldhouwwerk dat hier staat en dat door de omwonenden 'August' wordt genoemd verwijzend naar augustus 1914.
 
Veltem-Beisem: Ook op de begraafplaats van Veltem-Beisem liggen vooral slachtoffers van de Eerste en Tweede Uitval uit Antwerpen (resp. 24-26 augustus en 9-13 september 1914). Het is een verzamelbegraafplaats met doden die van verschillende plaatsen werden samengebracht en die werd aangelegd in 1925-1926. Vandaag liggen er 904 Belgen begraven, waarvan er 239 niet meer geïdentificeerd konden worden.
Houthulst: De begraafplaats van Houthulst heeft de vorm van een zespuntige ster en is prachtig gelegen met het Vrijbos in de achtergrond. Het Vrijbos was tijdens de oorlog een quasi oninneembare Duitse positie. Op 28 september 1918, tijdens de eerste dag van het Geallieerde Bevrijdingsoffensief slaagden Belgische eenheden er toch in de stelling te veroveren. Bijna 1200 van de 1723 doden op deze verzamelbegraafplaats zijn toen omgekomen. Opvallend is ook dat er 81 Italianen begraven liggen. Zij waren door de Duitsers krijgsgevangenen genomen en werden als werkkracht ingezet.
 
 
Adinkerke: Tijdens de Eerste Wereldoorlog lag Adinkerke achter het front. In de omgeving bevonden zich verschillende belangrijke medische inrichtingen, zoals het militaire veldhospitaal in het domein Cabour en het grote hospitaal van het Rode Kruis in Hotel L’Océan in De Panne. Velen van hen vonden hier hun laatste rustplaats. Naast de Belgen liggen er ook 67 Britten begraven, waarvan de meeste in 1917 in de sector bij Nieuwpoort gesneuveld zijn.
De Panne: De grootste Belgische militaire begraafplaats ligt in De Panne. Met de aanleg werd gestart in januari 1918. Net zoals dat voor de begraafplaats van Adinkerke het geval was, werden er veel soldaten begraven die overleden waren in het militaire veldhospitaal in het domein Cabour en het grote hospitaal van het Rode Kruis in Hotel L’Océan in De Panne. De meeste graven werden echter na de oorlog naar hier overgebracht. In totaal liggen hier 3366 Belgen (waarvan er 136 herdacht worden) en 36 Franse doden uit de Eerste Wereldoorlog, naast 342 Belgen uit de Tweede Wereldoorlog.
 
Hoogstade: In Hoogstade bouwden de Britten een militair hospitaal uit. Vanaf mei 1916 werd deze instelling Belgisch en omgebouwd tot het rustoord 'Clep'. De meeste graven zijn dan ook van Belgische soldaten die in het rustoord gestorven zijn. In 1968 werden er nog 117 graven toegevoegd uit de toen opgedoekte Belgische militaire begraafplaats van Reninge, zodat er nu 805 Belgen en 20 Britten begraven liggen.
 
Keiem: Ook de Belgische militaire begraafplaats van Keiem (omgeving Diksmuide) is een verzamelbegraafplaats, waar na de Eerste Wereldoorlog alle graven uit de nabije omgeving werden samengebracht. Het merendeel van hen is wellicht omgekomen tijdens de Slag aan de IJzer, en dan vooral tijdens de gevechten rond Keiem op 18 en 19 oktober 1914. Van de 590 doden konden er 394 (meer dan 60% !) niet meer geïdentificeerd worden.
 
Oeren: Oeren is wellicht de meest pittoreske Belgische militaire begraafplaats. Ze is immers gelegen rond het kerkje uit de 16de eeuw. In Oeren richtte het Belgische leger tijdens de oorlog kantonnementen in voor troepen op halve rust. Vermoedelijk werden de eerste doden er begraven vanaf 1915. De begraafplaats van Oeren wordt ook gekenmerkt door de aanwezigheid van enkele heldenhuldezerkjes die als het ware verwijzen naar enkele episodes in de ontstaansgeschiedenis van de Vlaamse Beweging. De 4de IJzerbedevaart in 1923 trok naar deze begraafplaats.
 
Ramskapelle: De begraafplaats van Ramskapelle is aangelegd tegen de 'Frontzate', dat is de voormalige spoorwegbedding Nieuwpoort-Diksmuide, die tijdens de oorlog fungeerde als Belgische Eerste Linie. Opnieuw gaat het om een verzamelbegraafplaats, voornamelijk van soldaten die omkwamen tijdens de Slag aan de Ijzer in 1914. Graven uit het onderwater gezette gebied en uit de sectoren Nieuwpoort en Ramskapelle werden hier geconcentreerd. Van de 635 doden die hier begraven liggen, konden er 404 (meer dan 60% !) niet meer geïdentificeerd worden.
 
Steenkerke: In Steenkerke waren tijdens de jarenlange stellingenoorlog typische installaties van een legerdivisie ingericht, waaronder een divisionaire infirmerie. De begraafplaats die er noodzakelijkerwijze ontstond, getuigt dus van de organisatie van medische evacuatielijnen achter het front. De eerste ‘Bedevaart naar de Graven van de IJzer’ trok in 1920 naar deze begraafplaats, omdat Joe English hier toen begraven lag. Joe English was de ontwerper van de zgn. ‘heldenhuldezerkjes’.
 
Westvleteren: Westvleteren was tijdens de oorlog achter het front gelegen. In de herfst van 1914 begroeven Franse troepen er hun doden uit de sector Boezinge. Vanaf 1915 werden er ook Belgen begraven, die gestorven waren in de vlakbij ingerichte medische post. Oorspronkelijk lagen hier een aantal belangrijke symbolen van de Vlaamse Beweging zoals Renaat De Rudder en de gebroeders Van Raemdonck. 

De Karmelieten van Gent en hun crypte Johan Moeys ging op onderzoek en ontdekte dingen die de paters zelf niet kenden


Weerom geïnspireerd door een van de boeken van Lucien De Cock trok ik op pad. In het centrum van Gent bevindt zich het klooster en de kerk van de karmelieten, de ongeschoeide paters met bruine pij. Het Leeuwenmeers, een deel van het vroegere Prinsenhof van keizer Karel werd door hen in 1651 gekocht en omgebouwd tot klooster. Om de overleden paters te begraven voorzagen ze een crypte. Vroeger was deze crypte bereikbaar vanuit de kerk, via een steile trap in het sanctuarium. Nu is deze toegang afgesloten en kan je alleen nog via de kloostertuin de crypte bezoeken. Een mailtje en een telefoontje naar de juiste pater-karmeliet bezorgden me een concrete afspraak om deze intrigerende crypte eens van naderbij te bezoeken. Spijtig genoeg kon de pater weinig gegevens aanbrengen, hoe behulpzaam hij ook was.
In de periode 1667-1784 werden de paters in hun bruine pij, overtrokken met een wit kleed, ongekist in een nis geplaatst. Deze nis werd dichtgemetseld. Je vindt nu nog aan elke kant een viertal rijen nissen. Slechts eentje is nog open, en toont enkele grafgiften. De deur links is in gebruik als opstapelruimte en vermoedelijk vroeger als voorbereidingskamer. Achteraan in de crypte is een mooie gisant van een onbekende vrouw. De kans is groot dat zij een van de milde weldoensters was, want ook dezen kregen een plaatsje in de crypte. Links achteraan is een donkere gang, die halverwege afgesloten is met een hek. Bij gebrek aan een zaklamp (mea culpa) en de beperkte hulp van de verlichting van m’n fototoestel heb ik daar de ontdekkingstocht moeten staken. Voor de pater was dit ook allemaal nieuw, want de donkere gang kende hij niet, en dan ontdekte hij nog de zijdeur van de stapelruimte. Spijtig dat zij hun eigen gebouw en geschiedenis niet kennen.
 
Johan Moeys

De dood Willem Houbrechts stelt “de dood” van Armando voor


Willem Houbrechts is door zijn voorraad gedichten maar wil ons toch niet op onze honger laten zitten. Vandaag stelt hij “de dood” van Armando voor.
 
Armando is een Nederlands dichter en schilder (°1929) die vooral in de jaren 50 en 60 furore maakte met harde, agressieve, no-nonsense poëzie en dito schilderijen. Hij was in die tijd ook bij ons in artistieke kringen erg bekend: hij was lid van de plastische groep G58 rond het Hessenhuis en hij publiceerde in het literaire tijdschrift gard sivik dat Vlaams was voor de Nederlanders het ergens midden jaren 60 overnamen. Het volgende gedicht komt uit zijn “levenscyclus” en werd gepubliceerd in 1966.

de dood

een broeder liet 'm zien toen hij opgebaard was.
moest m'n handen wassen.

hij was heel mooi opgebaard. kost allemaal geld.
toen zijn zij nog in de rondte gereden. en maar betalen.
en een weer. het goot.

als er 2 ogen sluiten komt er een heleboel kijken.

Zelfs een halve An doet het nog goed, met of zonder kleren een zieke An Hernalsteen is nog altijd “top”


Consternatie alom op zondagmorgen. De fanclub van An stond er aangeslagen bij. Onze onvolprezen gids was één hoopje miserie. Niet te wijten aan de Gentse feesten maar An Hernalsteen was echt ziek. Een normaal mens zou dan de opdracht afzeggen maar dat was zonder An gerekend. Ze zegde aan haar gehoor dat ze ging proberen om toch iets van de rondleiding “met of zonder kleren op de Westerbegraafplaats” te maken. Moest het niet lukken moesten we haar maar verontschuldigen. Tijdens de inleiding was An nog maar magertjes maar nadat ze het door iedereen gekende maar steeds gesmaakte verhaal van “haren goeden vriend bisschop Bracq” vertelde kwam ze er door. Ze vertelde dat er op de begraafplaats drie soorten vrouwenbeelden te zien waren: “de liggers”, die eigenlijk “sta an”, An bedoelde dat gisanten indertijd werden afgebeeld als een staande figuur die gewoon neergelegd werd, “de bidders”, in oorsprong een afbeelding van de overledene, en “de bleiters”, bij ons gekend als pleureuses.
In tegenstelling tot alle andere rondleidingen van An begon ze deze keer in tegenovergestelde richting. Gestart werd bij het grafmonument voor Joannes Spilthoorn, bouwkundige met een beeld van G. Kasteleyn. Julien Van der Syppen en Van der Straeten kregen beiden een beeld Domien Van den Bossche. Het grafmonument Baert werd door An zelf geadopteerd. Het grafmonument voor de negenjarige zoon van Jacques Coppieters bevat een beeld van Pallas Athena, een figuur in klassiek gewaad met de medusakop op de riem en de uil op de helm. Charles Gevaert stierf toen zijn dochter zes jaar oud was. Zijn dochtertje stond dan ook model voor het beeld van Hyppolythe Le Roy. Mijnheer Gallet liet voor zijn echtgenote een beeld maken door Geo Verbanck. Hier ziet men de vrouw in haar meer natuurlijke vorm. Volgens onze gids is dit, terecht, veel minder sensueel dan de vaak voorkomende gesluierde vrouw die veel meer erotiek uitstraalt. De “badkuip” voor Hyppolythe Metdepenningen kreeg een beeld van Paul De Vigne. De beeldhouwer ging blijkbaar “leentje-buur” spelen bij Antopine Chapu met diens beeld voor schilder Henri Regnault. Hier stelde An dat funeraire kunst zeker niet altijd als “minderwaardige” kunst beschouwd mag worden. Van Heuverswyn kreeg een beeld van de hand van Olivier Piette. Edmond De Schampelaere kreeg een levensgroot bronzen beeld. Vandaar ging het naar het monument voor socialistisch voorman Edmond Van Beveren en dit voor schilder Jozef Vermeulen (volgende bladzijde links boven). Jozef Vermeulen volgde 13 jaar les “naar levend model” maar schilderde enkel … bloemen. Jozef De Vos kreeg een beeld van De Decker terwijl Rudolphe Velghe het moest stellen met een beeld van Norga, door bijna alle leden van de vzw Grafzerkje meer dan bekend. Edmond Paternotte, (volgende bladzijde rechts boven) steenkapper en protestant kreeg op de Westerbegraafplaats zijn  laatste rustplaats. Toneelcriticus Henri De Gezelle (volgende bladzijde links onder) kreeg een beeld van Jos Antheunis. Edward Nevejans ligt onder een werk van een vrouw in lang gewaad van de hand van Bruggeling Gustave Pickery. Het enige werk van Pieter Heckers staat op het graf voor Joseph Heckers (volgende bladzijde rechts onder). Het enige grafmonument van Antwerpenaar Clement Jonckheer vindt men hier op het graf voor Jos Medo en Maria Vankan. Jan Foucaert, stuwende kracht achter de socialistische arbeidersbeweging kreeg een werk van Jules Pierre Van Biesbroeck. Bij het beeld op het grafmonument voor Fernand Scribe van de hand van Jacques de Lalaing, bewierrookt voor zijn “naturel” door de kunstcritici van die tijd, had An de proef op de som genomen om tot de conclusie te komen dat er weinig “naturel” aan was. Zij nam dezelfde pose aan als de vrouwenfiguur en kreeg na amper tien minuten de nodige krampen. Ten slotte zagen we het beeld voor Vermeire van de hand van Olivier Piette. Seeuws kreeg een gestileerd arduinen beeld van Antoine Van Parijs. Zelfs een “halve” An kon haar gehoor bekoren.

Jacques Buermans

Bobbie ging Kuifje achterna in Madrid nadat An Hernalsteen eerder in Madrid was, ging Jacques Buermans in goed gezelschap naar ginder


In de sporen van onze An Hernalsteen, die zich Kuifje noemt, toog ik naar Madrid en maakte wat aanvullingen op haar verslag dat verscheen in de vorige Nieuwsbrief, vulde aan met informatie bekomen van ons lid Rindert Brouwer en kon tenslotte zelf nog een en ander toevoegen. Vooraleer het funeraire te bespreken wil ik wel het volgende kwijt over Madrid. Het is een propere stad met ontelbare prachtige gebouwen en veel parken. Het openbaar vervoer functioneert prima, is spotgoedkoop en wordt goed bewaakt zodat zwartrijden quasi onbestaand is en eten kun je er voor een prikje (voorgerecht, brood, hoofdschotel, dessert, drankje bij de maaltijd en dan nog een prima bediening, dat alles voor nog geen € 10). Zijn er dan geen minpunten? Jawel: op enkele uitzonderingen na, Prado en Escorial, zijn alle aanduidingen in musea en andere eentalig Spaans en hun informatie aangaande openingsdagen en openingsuren is chaotisch. De Toeristische Dienst geeft andere informatie dan de reisgidsen en ter plaatse blijkt dit alles dan nog niet te kloppen. Tip 1, indien intussen niet gewijzigd: Prado is zondag gratis toegankelijk.
 
In de Calle Juliàn Gayarre bevindt zich het Pantheon (dichtstbijzijnde metro: Atocha-Renfe; open maandag tot zaterdag tussen 9.30 en 18 uur, zon- en feestdagen tussen 9 en 15 uur, gratis inkom). Slechts enkele “hombrès illustrès” liggen hier begraven maar hun grafmonumenten zijn om duimen en vingers bij af te likken. We konden daar volgende prachtige dingen bewonderen: Praxedes Matteo Sagasta, liberaal politicus; eerste minister Eduardo Dato die vermoord werd; parlementair Antonio de Rios Rosas; Antonio Canovas del Castillo, Manuel Guttierrez marques del Duero en Jose Canalejas Mendez, liberaal politicus die eveneens vermoord werd.
 
In de Ermitage van San Antonio de la Florida aan de Paseo de la Florida (dichtstbijzijnde metro: Principe Pio; volgens de “boekskens” en de toeristische dienst open van dinsdag tot vrijdag tussen 9.30 en 20 uur, zaterdag en zondag tussen 10 en 14 uur – toen ik er was open van dinsdag tot vrijdag tussen 9.30 en 14.30 uur, zaterdag en zondag tussen 10.30 en 14 uur, gratis inkom) mocht Goya zijn frescotalenten botvieren op de koepel. Het fresco werd recent keurig gerestaureerd en Goya kan dit zelf bewonderen. Aan de overzijde van de spoorweg ligt het, gesloten, Cementerio de las Victimas del Dos de Mayo. Hier zijn de door een Napoleontisch peloton op 3 mei 1808 geëxecuteerden begraven. Het bestaat enkel uit een door cipressen omzoomd pad.
 
Een daguitstap naar het Escorial, zo’n 50 kilometer buiten Madrid gemaakt. Tip 2 en 3: doe dit op een woensdag, zo vroeg mogelijk. De busrit vanaf metrostation Moncloa kost amper € 3,20 en de ingang is dan gratis voor burgers van de Europese Unie. Slechts een handvol bezoekers zo vroeg op de dag (toen we buitenkwamen stonden ze kilometers ver aan te schuiven). In het Panteon de los Reyes liggen op twee na alle Spaanse koningen begraven. In het Panteones de los Infantes liggen de leden van de koninklijke familie die niet regeerden. In een soort suikertaart liggen de jonggestorven kinderen. Hier valt ook op dat de Madrilenen op toeristisch gebied nog heel wat te leren hebben. Audiotoestellen, om de rondleiding zonder gids te volgen, waren na amper een half uur allemaal uitgeleend. Gidsen denken ook dat ze hier het alleenrecht op praten hebben en de niet-Spaanssprekende toerist wordt eens te meer aan zijn lot overgelaten en is aangewezen op de summiere Engelse vertalingen in de zalen. Om 15.15 uur vertrekt de enige bus van de dag naar de Valle de los Caidos, zo’n 10 kilometer hier vandaan. Ook hier is de inkom gratis op woensdag. Het is een imposant geheel met bovenop een rots, te bereiken via een tandradbaantje, een gigantisch kruis.
Een ondergrondse basiliek van 260 meter diep werd uitgehouwen om de slachtoffers van de burgeroorlog 1936 / 1939 te gedenken. Bitter is wel dat er slechts twee namen te ontdekken vallen en dat dit NIET die van de slachtoffers van de burgeroorlog zijn maar wel Jose Antonio Primo de Rivera, oprichter van het ultra-rechtse Falange en generaal Franco, de fascistische dictator die Spanje 40 jaar in een ijzeren greep hield.       
 
Dit programma haspelde ik af als voorzitter van de door mij opgerichte vereniging HAREMM (Heer Alleen Reist Enkel Met Meisjes). Met vier dames ontdekte ik al voornoemd moois. Donderdag maakte ik, in het gezelschap van twee van onze leden van vzw Grafzerkje, een funeraire tocht langs enkele begraafplaatsen van Madrid. In de omgeving van metro Marqués de Vadillo bevindt zich het Cementerio de San Isidro, de oudste begraafplaats van Madrid. In 1811 werd dit buiten de stadsgrenzen aangelegd toen ook hier begraven in en rond kerken in steden verboden werd. We hadden ons al verkneukeld op de talrijke boekenwinkels met informatie, bloemenstalletjes en drankgelegenheden maar niets van dit alles. Geen levende ziel te bespeuren in of op de begraafplaats. Maar dat kon de funeraire pret niet drukken. Gotische minikathedralen, familie Calvo, vlakbij de ingang. Op het oudste gedeelte een enorm spectrum aan mausolea, hier panteones genoemd, tonen dat de rijke families elkaar trachten te overtroeven in grootheid. Heel veel grafkelders staan open zodat de bezoeker er een blik in kan werpen.  Zonder informatie ziet iedereen dezelfde funeraire “hoogstandjes” want wij ontdekten de “toppers” die Rindert Brouwer mij meldde in zijn toelichting. We zagen het Jugendstilmonument voor Luisa Sanchomata en het grafmonument Godia waar vier engelen vanuit het plafond via kettingen een loodzware doodskist naar boven trekken. Een bloemlezing uit het andere fraais dat we op San Isidro zagen: een prachtige grafkapel voor de familie Gandara; Pilar Dotres en Perinaf kregen gigantische grafkapellen; grafkelders waren er voor de markies Jimenez, Fernandez de Villota en Munoz – Armagnac. Een monument met daarop de beeltenis van Goya, Moratin, Donoso Cortes en Melendez Valdes.
 
Vlakbij, zo wist Rindert ons te vertellen, liggen nog meer begraafplaatsen. Cementerio de Santa Maria, vlakbij een fonkelnieuw funerarium, bevat monumenten in een meer gematigde stijl. Een mooie kapel en enkele grafmonumenten die de moeite waren zoals het monument Mario en Puez. Cementerio de San Lorenzo y San José is inderdaad blijkbaar een onneembare vesting. Na enkele keren vragen wees men ons het enige poortje aan. Daarop stond dat de begraafplaats open was tot 17 uur maar om 16.50 uur was hier zelfs in het poortje geen leven meer te krijgen wat ons deed vermoeden dat Rindert het eens te meer bij het rechte eind had waar hij stelde dat de begraafplaats buiten gebruik was.
 
Mijn laatste voormiddag toog ik alleen op zoek naar de nog ontbrekende funeraire dingen op mijn verlanglijstje. Ik moest en zou terug naar het bewuste poortje van het Cementerio de San Lorenzo y San José. Pech voor Rindert maar deze keer was het poortje wijd open. Via een oprijlaan kwam ik in een mooie begraafplaats die volgens mij een verzameling was van verschillende begraafplaatsen van verschillende Madrileense parochies. Niet zo indrukwekkend dat San Isidro maar toch een aantal dingen om duimen en vingers af te likken: Garcia Nieto, Suarez Abarca, Juan Correchez, Gasso met vooraan José Garcia Panizo, Leonarda Barba en Almansa Rodriguez. Dit gaf me de moed om door te stoten naar het British Cemetery, volgens bekomen informatie open op maandag, woensdag en vrijdag. Na een aantal keren de weg gevraagd te hebben stond ik eindelijk voor de begraafplaats, Calle Commandante Fontanes. Wat bleek: open op dinsdag, donderdag en zaterdag tussen 10.30 en 13 uur. Een lokale bereidwillige dame deed me nog teken om op de deur te bonzen maar “hoor wie klopt daar” kreeg hier geen gunstig gevolg.
Half tevreden (begraafplaats gevonden maar niet open) bezocht ik Cementerio de Neustro Senora de la Almudena, metro La Elipa. Een kanjer van een begraafplaats. Alleen al de ingang was adembenemend. Hier zou ik wel de nodige informatie kunnen bekomen. Aan de ingang de onvermijdelijke “security”. Ik vroeg hem een plan en hij overhandigde er mij een. Toen ik vroeg of er geen boekjes of dies meer beschikbaar waren verwees hij mij naar de administratie van de begraafplaats, maar ik diende wel mijn zo juist bekomen plannetje terug af te geven. Op het kantoor kreeg ik dan een plannetje en een boekje over Madrileense begraafplaatsen. Vlakbij de ingang liggen een aantal “alcada’s”, burgemeesters. Ik ontdekte Yiyo (links onder), een stierenvechter in vol ornaat en een kapel in modernistische stijl om “U” tegen te zeggen (rechts onder). In de omgeving enkele mausolea. Vlakbij, dat wil hier zeggen na een kilometer stappen, ligt het cementerio civil, de burgerlijke begraafplaats, met een aantal lokaal bekende personen onder mooie grafmonumenten. Met een goede impressie van het funerair schoons dat Madrid te bieden heeft toog ik terug naar mijn hotel. Mijn “Haremm” had intussen mijn valies gemaakt en weg konden we.
Jacques Buermans

Funeraire reis naar Duitsland (Aken, Keulen en Düsseldorf) Lin Verbeemen ging mee met de Terebinth en maakte volgend verslag


Donderdagmorgen was ik aangenaam verrast dat ik blijkbaar een onuitgesproken jaarlijkse afspraak heb met 2/3 van de deelnemers. Na een korte rit van Eindhoven naar Aken beginnen we onze funeraire reis  met het Ostfriedhof.
 
Met behoorlijke richtlijnen worden we door Rindert en Jeannette losgelaten op de mooie, soms overwoekerde graven. Maar toch geeft de begraafplaats een verzorgde indruk met de mooie aangelegde lanen. Voor mezelf begin ik met mijn plannetje in de hand op zoek naar de kruisweg (opgericht in 1877) en slaag ik erin zes kruiswegstaties of kapelletjes te vinden. Deze staties werden oorspronkelijk zo opgesteld dat ze later als grafplaatsen konden worden benut, wat uiteindelijk maar bij vijf staties is gebeurd. Daarna ga ik naar de nabijgelegen Grabeskirche St. Jozef en kom tot de ontdekking dat de Duitse stiptheid wel zéér degelijk is! Stipt 12 uur en geen minuut vroeger of later werd de deur voor mijn ogen gesloten voor het middaguur.  Volgens medereizigers die wel binnengeraakt waren moet het binnenin een prachtige samensmelting zijn van oud en nieuw en hoe deze kerk een nieuwe bestemming gekregen heeft als columbarium. Ook de lichtinval door de hedendaagse glasramen moet bijzonder modern zijn, maar dat heb ik maar van horen zeggen.
 
In de namiddag gaan we op bezoek bij Karel de Grote in de Dom van Aken. Twee gidsen leiden ons langs alle schatten en het imposante borstbeeld van Karel in de schattenkamer. Prachtig vakwerk, en als ik dan begin te tellen wat de waarde van zijn kroon moet zijn, kom ik tot de slotsom dat ik waarschijnlijk met de waarde van één steen mezelf een klein appartementje aan onze Belgische kust kan aanschaffen. Ik zucht even en loop verder. En in tegenstelling tot alle tentoongestelde schatten is zijn troon dan ongelooflijk eenvoudig. Hij staat weliswaar op de bovenste verdieping zodat hij kon neerkijken op het ‘gewone’ volk maar is vervaardigd uit marmeren platen die waarschijnlijk eerder als vloerplaten gebruikt geweest zijn. Je kan namelijk nog steeds de inscripties van een molenbordteken zien, een oeroud machtssymbool. 
 
Vrijdag gaat het richting Keulen naar het Melatenfriedhof, het eerste buiten de Middeleeuwse stadmuren aangelegde begraafplaats van deze stad. We beginnen onze wandeling aan de “Millionen-Allee” (die zijn naam alle eer aandoet), de hoofdweg van de begraafplaats. Een overdaad aan etalering van de betere Keulse burgers, fantastisch om te wandelen, prachtig verzorgd en veel groen. Liefhebbers van barok en classicisme weten niet waar eerst te kijken.
Op de tweede rotonde van de laan kan je niet naast een kanjer van een granieten tandrad kijken en oogt bijzonder modern. Het blijkt het graf te zijn van een vakbondsleider, Hans Böckler gestorven in 1906. Daartegenover in een zijweggetje van de Millionen- Allee vinden we een klein houten kruisje met een verzorgde bloemenperkje waar de schrijver Konsalik begraven ligt. Daarna gaat het hele gezelschap richting “Sensenmann” of “Man met de zeis” de toeristische griezel van de begraafplaats.  Na voldoende foto’s zwermt iedereen uit om de begraafplaats naar eigen interesse verder te verkennen.
Het beeld dat me bij deze wandeling het meest is bijgebleven is het graf van een voor mij onbekende meneer Franz Leuffen, een medicus. Eigenlijk een vrij eenvoudige sokkel of stèle met een overdaad aan symboliek. Met name een slang, olijftak, een stralenkrans rond het teken van de Drie-eenheid met het alziend oog en aan de voet van de sokkel nog een sfinx met cirkel.
  
Het tweede evenement die ochtend is het bezoek aan de Ursula Kirche. Je weet wel die maagd met haar zogenaamde 11.000 maagden… De kerk op zichzelf is zeer sober maar in een zijkamertje hebben ze de vier muren versiert met de beenderen die men ooit in een massagraf ontdekte waarvan men veronderstelde dat deze overblijfselen waarschijnlijk van deze jonge dames moeten geweest zijn (!?).
’s Middags nuttigen we met ons allen in het oudste Brauhaus (1318) van Keulen en eten braadworst aan de lopende meter.
Na enig overleg besluiten we met enkelen om de Dom te laten voor wat hij is en gaan naar het Käthe Kollwitz museum, welbekend om haar “Treurend Echtpaar” dat op het soldatenfriedhof in Vladslo hier in België een ereplaats gekregen heeft.
Na een ommetje bij 4711 en een ijsje slenteren we via de terrasjes langs de Rijn terug naar het hotel.
Zaterdag gaan we naar het Nordfriedhof in Düsseldorf ons enige funeraire bezoek van die dag. Deze begraafplaats heeft niet een Millionen-Allee maar een Millionenhügel wat ook veelzeggend is. Bij het binnenkomen leek het me echter een vrij oninteressante begraafplaats maar het saaie maakt snel plaats voor veel groen en inderdaad gaat de wandeling snel bergopwaarts.
Voor ik het besef ben ik al voorbij een beeld van de hand van Alberto Giacometti, een beeldhouwer beroemd om zijn lange dunne figuren.
Bovenop de heuvel valt vooral een monumentaal familiegraf van een staalmagnaat Robert Zapp op. (vorige bladzijde rechts onder) Een monument waarin alles van Grieks tot gotisch en een mix van christelijke en klassieke symboliek terug te vinden is. En in schril kontrast wat verderop een eveneens monumentaal maar moderne granieten blok voor de familie Andres geplaatst in 1995. Prachtig door zijn eenvoud. 
In de namiddag krijgen we de nodige vrije tijd voor een stadsbezoek en gaan we met een drietal naar de tentoonstelling “Die kunst zu sammeln” in het Kulturzentrum Ehrenhof. Kunstverzamelaars die hun kunst aan het grote publiek willen tonen.
Na een terrasje is het tijd om terug richting Eindhoven te vertrekken.
Voor mij een heel geslaagde driedaagse omdat er naast het funeraire toch veel mogelijk was om de steden zelf te ontdekken.
Alvast bedankt en tot volgend jaar in Dresden.

Lin Verbeemen

Westhoekbezoek met inhuldiging Schots monument Rina Reniers & Marc Van Bouwelen waren onze ooggetuigen


Westhoek 25 augustus 2007


Een tripje naar de Westhoek gemaakt naar aanleiding van de inhuldiging van het Schotse herdenkingsmonument op de Frezenberg, waar Schotse troepen heldhaftig streden. We koppelden dit evenement aan een paar funeraire bezoeken. Op de Duitse militaire begraafplaats in Menen ontdekten we toch wel enkele merkwaardige, nooit eerder geziene, grafstenen. Hier rusten bijna 48.000 gesneuvelde Duitse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog waarmee deze dodenakker de grootste is van Vlaanderen. Het kerkhof is een groot groen gazon met daarin de vele kleine liggende grafstenen met de namen van de soldaten, meestal meerdere per steen. Daartussen staan enkele kruisjes. In het midden staat een achthoekige herdenkingskapel. Het kerkhof werd oorspronkelijk reeds in 1917 aangelegd. In de periode 1956-1958 werden de 128 kleine Duitse militaire begraafplaatsen die verspreid lagen over Vlaanderen teruggebracht tot vier. De stoffelijke resten van de kerkhoven werden overgeplaatst naar de begraafplaatsen van Langemark, Vladslo, Hooglede en die van Menen. In Menen kwamen gesneuvelden uit 53 kleinere begraafplaatsen terecht. In die periode werden er ook zerkjes geplaatst en werd het achthoekige mausoleum en een ontvangstgebouwtje opgetrokken. Rond de kapel liggen acht zerken, waarop de namen en plaatsen van de 53 kerkhoven staan vanwaar de gesneuvelden waren overgebracht.  Vandaar naar de Engelse militaire begraafplaats Lyssenthoek, nabij Poperinge. 

Tijdens W.O. I  lag Poperinge achter het front, het was de uitvalsbasis van het Britse leger in de Westhoek. Dus stonden er fronthospitalen. En bij een hospitaal hoort een begraafplaats. Lyssenthoek Cemetery is, na Tyne Cot, de tweede grootste begraafplaats van het Commonwealth in Vlaanderen. Voor wie eerst Tyne Cot bezocht, is dit misschien minder indrukwekkend, maar een bezoek laat nog steeds een diepe indruk. De graven worden gesierd met meer groen en bloemen, maar staan wel dichter bij elkaar. Een bewijs dat hier in de eerste plaats zoveel mogelijk doden dienden begraven en dat toen nog minder gedacht werd aan een erepark.

Daarna bezochten we de begraafplaats van Zonnebeke met de crypte. In het midden van deze klassieke Vlaamse begraafplaats ligt inderdaad een halfopen crypte met gesneuvelden uit de gemeente. Hier ligt een oudstrijder van de onafhankelijkheidsstrijd van België (1830) samen met de kisten van oudstrijders van 1914-1918. De kisten liggen bloot, wat normaal gezien onwettelijk is. Op de begraafplaats vinden we het eregraf van Berten Pil (de Vlaamse dichter van de woorden “Hier liggen hun lijken als zaden in ’t zand...”). Aan de rand van de begraafplaats liggen modernere graven. Hilde Viaene, vrijwilligster in Guatemala en aldaar overleden kreeg een origineel grafmonument. Het moderne monument van hout en staal vormt wel een schril contrast op deze eerder traditionele begraafplaats.

Om 16.30 uur was er voornoemde plechtigheid op de Frezenberg (zie hiernaast). In augustus 1917, tijdens de slag om Passendale, liep de opmars van de geallieerden vast aan de Frezenberg in Zonnebeke. Vooral de 9de en de 15de Schotse Divisie leden daar grote verliezen. Ook de 51ste Highland Divisie kreeg in de frontstreek bij Poelkapelle zware klappen te verduren. Daarom de oprichting van een nieuw Schots monument ter herdenking van alle soldaten van Schotse afkomst die in de Eerste Wereldoorlog gevochten hebben. Dit monument wordt een unicum aangezien er nog geen monument opgericht werd dat alle Schotten herdenkt. Er werd gekozen voor een “High Cross” of “Keltisch kruis” in Schots graniet, opgericht op een basis van bunkerstenen. De hoogte van het kruis is ongeveer vier meter, de basis ruim drie meter. Op die manier moet het kruis naar vorm- en materiaalkeuze een symbolische link met het thuisland vormen. Ook qua inplanting is de Frezenberg de ideale keuze. De site biedt een perfect zicht op het voormalige slagveld waarin de acties plaatsgrepen. Vanaf de hoogte is de kerk van Passendale, het eindpunt van de drie maanden durende campagne, duidelijk zichtbaar. Aan de andere kant doemen de torens van Ieper op, de stad waar veel troepen doortrokken op weg naar het front. Tevens staat het kruis bijna pal op de startlijn van een reeks aanvallen die tot ver in september 1917 doorgingen. In dit gebied leefden Britse troepen bijna vijf weken lang ingegraven in een lijn die amper bewoog.

Om de Schotse herdenking af te ronden was er 's avonds nog een fel gesmaakte taptoe in het Kasteelpark van Zonnebeke.

Rina Reniers & Marc Van Bouwelen

Schilderijen met funeraire inslag Andreas van Poucke levert werk af met funeraire inslag


Op zeven september 2007 opende in Art Gallery 100 aan de Mechelsesteenweg 100 te Antwerpen een tentoonstelling “Antwerpen op de rug gezien” met werk van Andreas Vanpoucke. We konden Andreas Vanpoucke enkele maanden geleden ontmoeten toen hij, met een aantal van zijn leerlingen van Sint Lucas van de Karel de Grote Hogeschool, een aantal keren op de begraafplaats Schoonselhof vertoefde om daar te werken.

José Masschelin lichtte de schilder en zijn werk toe. Hij had het over het ontdekken van boeiende stadsdelen door Vanpoucke en het maken van eigentijdse beelden van de stad Antwerpen en de mensen die de metropool bevolken, betrapt en van op de rug gezien terwijl ze in zichzelf gekeerd nar een beeld staan te kijken, verliefd door de straat slenteren, van elkaar afscheid nemen in een nachtelijk portaal of met lood in de schoenen naar het justitiegebouw stappen. Het zijn mensen van alle huidskleuren en pluimage, jong en oud, in gezelschap en eenzaam. 
Andreas Vanpoucke zelf stelde dat zijn expositie in Antwerpen een eerste aanzet is met de betrachting de metropool in beeld te brengen. “Deze stad heeft veel te bieden, onze tijd is even fascinerend om schilderen als alle voorgaande.” Zegt de kunstenaar over “zijn” tentoonstelling.
 
Op de tentoonstelling troffen we ook een aantal funeraire werken aan. Zij maakten deel uit van een grote muur met 98 schilderijtjes van ongeveer 40 centimeter op 30 die de “Antwerpenmozaïek” genoemd werd. Voor de “kenners” van Schoonselhof: de grafmonumenten voor Paul Van Ostaijen, Leopold De Wael, Evert Larock (zie hiernaast) en andere Gossen’s passeerden de revue in een eigen kijk van Andreas Vanpoucke. Informatie over deze kunstenaar: www.andreasvanpoucke.com.

Begrafenis in stijl een begrafenis met een door paarden getrokken lijkwagen


Sommige mensen grijpen toch nog terug naar “die goede oude tijd” en wensen zich naar hun laatste rustplaats gevoerd te zien met een, door paarden getrokken, lijkwagen. Het heeft toch wel iets. Enkele weken geleden had zulk een teraardebestelling plaats op de begraafplaats van Hoboken. Stannie Geuens schoot toen enkele mooie beelden.  Hierna een voorbeeldje :
Mijn lijkwagen is reeds besteld.
 
Jacques Buermans.

Tentoonstelling “Vers l’ Avenir” vzw Epitaaf toonde een onbekend aspect van het funeraire


De Open Monumentdagen die in Brussel op 15 & 16 september plaatsvonden organiseerde vzw Epitaaf een tentoonstelling “vers l’ avenir”, van fotografie tot grafkunst, het artistieke proces belicht. Tevens een gelegenheid om het Museum voor Grafkunst in het voormalig atelier Ernest Salu met een hernieuwd bezoek te vereren. Het geheel werd door vzw Epitaaf keurig gerestaureerd. Bij het binnenkomen viel de wintertuin op met een lichtkoepel die het daglicht optimaal doorlaat zodat het tentoongestelde optimaal tot zijn recht komt. In een tweede zaal stonden een eveneens een aantal gips- en andere modellen opgesteld. Het eigenlijke atelier, waar op een bepaald moment niet minder dan 40 vakmensen aan het werk waren, ziet er uit alsof het gisteren voor het laatst in gebruik was. Op de bovenverdieping stonden, afgesloten, een groot aantal gipsen opgesteld. In de tentoonstellingsruimte werden een aantal voorbeelden aangehaald van het tot stand komen van een funerair beeldhouwwerk. Op keurige “affiches” werd telkens de nodige informatie verstrekt. Daarnaast een aantal foto’s uit het belangrijke fotoarchief dat in het atelier Salu bewaard wordt. Men start van een “levend” model, dikwijls gebruik makend van de nodige “hulpstukken” om de exacte positie te verkrijgen. Eens dit geklaard is wordt gestart met een volgende fase: het eigenlijke beeld wordt eerst op schaal gemaakt in was en klei dan op ware grootte dikwijls in gips waarna het uiteindelijk in steen en brons vervaardigd wordt. Er was zelfs een voorbeeld bij waar een grafmonument, in gips, op ware grootte op de begraafplaats geplaatst werd om aan te tonen aan de opdrachtgevers dat het monument beter aan de overzijde van de weg zou kunnen staan wegens: minder in de schaduw staand en minder last van de bomen. Deze tentoonstelling maakte ons toch weer heel wat wijzer van een facet van de grafkunst dat ons toch om zo te stellen onbekend was of toch onvoldoende gekend was.
 
Ria Vaes & Jacques Buermans