Nieuwsbrief Nr. 36 - juli 2007

Massale belangstelling voor Oostendse begraafplaats(en) Dankzij beheerder Koen Verwaerde en stad Oostende


Dankzij de inspanning die de heer Koen Verwaerde, lid van vzw Grafzerkje en beheerder van de Oostendse begraafplaatsen, zich getrooste om onze activiteit kenbaar te maken het feit dat hij ons ook de gegevens van de lokale media bezorgde kende onze tweemaandelijkse trip een enorm succes. Er werd afgesloten op 25 deelnemers voor de voormiddag maar toch kwamen er nog zes “lokale mensen” opduiken. In de namiddag mocht onze, kersverse (zie elders), penningmeester Martin Demedts nog eens tien deelnemers begroeten. Onze gids voor de dag was mevrouw Rita Werbrouck en zij kweet zich meer dan voortreffelijk van haar taak. Op geregelde tijdstippen kon Koen Verwaerde nog aanvullingen verstrekken bij de door ons, funeraire wijsneuzen, gevraagde details.
 
Na het verhaal van “onze” Jozef II en zijn verbod om nog verder in en rond kerken te begraven (zouden we die man geen “erelid van onze vzw kunnen maken?) waarover Rita Werbrouck nog vertelde dat het allereerste kerkhof gelegen was in Oostende-ter-Streep en dat dit reeds in zee verdween in de 14e eeuw door de zeevloed. Nadien kende Oostende een kerkhof rond de “Peperbusse”. Het kerkhof rond het Leopold I-plein was het laatste binnen de stadgrenzen. Later werd een kerkhof aangelegd op het prinses Clementinaplein. Het hek rond de begraafplaats waar we ons nu bevonden, aan de Nieuwpoortsesteenweg, is een replica van het Clementinakerkhof.
De eerste bekende persoon die we tegenkwamen was pastoor Pype, een van de grote figuren uit de Oostendse visserijwereld. De “vader der vissers” was de eerste aalmoezenier ter zee. Pype stichtte een vissersschool en voor de meisjes een naai- en kookschool. Hij schreef ook verschillende boeken waaronder bijdragen over de visserij. Iets verder lag Alice tegen de grond gesmakt. Verschillende delen van het marmeren beeld verdwenen in de loop der jaren. Eenzelfde lot waren de vleugels van een naburige engelfiguur beschoren. Jules Davelly, drukker en lithograaf aan het Hof, kreeg een imposant grafmonument. Rita Werbrouck stond stil bij de familie Halewyck, een familie van oesterkwekers. Michel Halewyck verkocht in 1895 zijn oesterput aan koning Leopold II en legde nieuwe oesterparken aan te Nieuwpoort. “Les Ostendaises”, oesters van Oostendse kweek, waren wereldberoemd. 
De heer De Graeve was kapitein der lange omvaart en werd vereeuwigd met een kanjer van een grafmonument. We troffen hier ook een soort “dolmen” aan. De “petities soeurs des pauvres”, een  kloostergemeenschap afkomstig uit Rennes en die zich bezighield met armenzorg kregen hier ook hun laatste rustplaats. Iets verder een mooi vanitassymbool. 
Seynaeve, stichters van een cinema, kregen op hun graf een mooi beeld en een treurende vrouw. Iets verder troffen we een pleurante aan, afgekeken van het grafmonument voor Jan zonder Vrees. 
We zagen een triomferende engel met, volgens een aantal van de deelnemers, een veel te klein trompet. Deman was de stichter van het achturenhuis. Met Andreas Panesi, afkomstig uit Genua, was de stamvader van verschillende generaties scheepsbouwers. De naam Spilliaert kende iedereen. Het ging hier evenwel om de vader van kunstschilder Leon die zelf een parfumeriezaak uitbaatte. 
Op het graf van de advocatenfamilie Staesens troffen we een aantal zuilen aan. Iets verder Bondue, een kindergraf. De familie Eduard Jean was een familie van brouwers. Bouchery liet het eerste appartementsgebouw in Oostende bouwen. Notaris Felix Van Caillie kreeg in een graf in de vorm van de rots van Golgotha. Hij had liefst 10 kinderen. “Te wijten aan de zeelucht”, volgens een van de lokale deelnemers aan de tocht. Thomas Van Iseghem ligt onder een prachtig maar erg verwaarloosd grafmonument. Bij het graf van scheepssmid Jan Baptiste Valcke las Rita Werbrouck de enorme tekst voor die nu praktisch onleesbaar is. Iets verder een gigantische gevleugelde zandloper met de twee, verschillende, vleugels. 
Een prachtig uitgewerkt “volute” sierelement afkomstig uit Florence kruiste onze blikken. Van der Meersch kreeg ook een tempeltje als laatste rustplaats. “To our darling Maggie” stond te lezen op een grafconcessie voor Maggie Bothwick die volgens onze gids nog niet zo heel lang geleden verlengd werd. Op het eind van de dodenakker lag Hendrik Baels, flamingant en auteur van het “visserslied”. Hij was ook eventjes gouverneur voor West Vlaanderen en vader van Liliane Baels, u weet wel van Leopold III. Bij Orlandi waren we bij een familie van reders aanbelandt. Marie Haegheman was de moeder van James Ensor. 
Geëindigd werd bij het graf voor Evans. Postmeester, scheepsvaartdeskundige, hij vond een drielichtensysteem uit want de scheepvaart aanzienlijk veiliger maakte, en een verwoed schaker. De “Evans Gambit” opening werd naar hem genoemd en is, blijkbaar, een manier om iemand in enkele zetten schaakmat te zetten. Koen Verwaerde zegde dat hier recent door de inspanningen van de stad Oostende en nabestaanden (en wij zijn er van overtuigd: zijn persoonlijke inspanningen) een nieuw grafmonument kwam, identiek aan een aanpalend graf. Schaakmat door de kundige informatie die ons verstrekt werd door gids Rita Werbrouck en beheerder Koen Verwaerde verlieten we de begraafplaats. Dat “schaakmat” was maar voor eventjes want na een kleine versterking in de nabijgelegen, recent prachtig gerestaureerde golfclub, trokken een aantal onder ons nog elders naartoe op zoek naar nog meer funerairs moois met een zeeluchtje.

Funeraria die ikzelf nog bezocht of trachtte te bezoeken

De laatste rustplaats voor James Ensor had ik nog nooit bezocht. Ensor ligt aan het stemmige kerkje van Onze Lieve Vrouw ter Duinen. Het is echt mooi, vele grafmonumenten hebben het niet overleefd maar hetgeen er overblijft is knap opgesteld.
 
Met enkele “die hards” werd de begraafplaats aan de Stuiversstraat bezocht. Aan de ingang zagen we de naamzuilen van op zee verongelukte vissers. Adolf Van Glabbeke was burgemeester van Oostende. Rechts ervan een bescheiden graf voor dichter Henri Vandeputte. 
Leandre Vilain was organist en verzorgde regelmatig recitals in de Sint Pieter en Pauluskerk te Oostende maar ook in het kursaal. Hier ligt kunstschilder Leon Spilliaert onder een eenvoudig graf. Via een toegangspoort met Davidster komt men op de Joodse begraafplaats terecht. In Oostende leeft nog een, kleine, Joodse gemeenschap. Op verschillende van de monumenten de jaartallen in onze maar ook in de Joodse jaartelling.  Terug op de gewone begraafplaats een opmerkelijk monument met treden als symbool voor onsterfelijkheid, resurrectie, opstanding van de dood en het leven na de dood. Het aantal treden wijst op het aantal mensen welke in de vergunning dienen bijgezet. 
Maurice Seys was politiecommissaris. Hij stierf in een concentratiekamp. Op het Britse ereperk liggen ook enkele Franse soldaten, Polen en zelfs een Nederlander begraven. Op deze dodenakker liggen Kamiel Jonckheere en Victorine Declercq, de ouders van schrijver Karel Jonckheere. De tekening op het grafmonument is van de hand Jozef Cantré. Holmens een monument met een tekst “leven is zich klaarmaken om te sterven zonder spijt”. Het werk van schoonzoon Gerard Holmens wordt in de volksmond “de V 1” genoemd. Gustaaf en Gaston Van Yper. Gustaaf was jarenlang de trouwe knecht van James Ensor. Bij het buitengaan zagen we de prachtige pleureuses van beeldhouwer Geo Verbanck.
Voor de hoeveelste maal weet ik niet meer eens getracht om in de Sint Pieters en Pauluskerk het praalgraf voor koningin Louise Marie te kunnen bewonderen. De nodige voorzorgen genomen en voor alle zekerheid geïnformeerd naar de bezoekuren. De kerk én het praalgraf was “zekers”, dixit een werkneemster van de parochie tijdens een telefoontje op vrijdag, te bezoeken tussen 15 en 17 uur.
Onze gids van de voormiddag betwijfelde dat maar zegde dat de koster, indien aanwezig, wel bereid was om het praalgraf te tonen. Om 16.20 uur tevergeefs gezocht naar het praalgraf: gesloten. Niet getreurd: de koster was er. Vriendelijke man en vriendelijk gevraagd om, mijnheer wij komen speciaal van Antwerpen, het praalgraf te mogen bezichtigen. Antwoord: niet mogelijk, ge had maar op voorhand moeten informeren naar de openingsuren. Toen ik hem zegde dat ik dat de dag voorheen deed wuifde hij dat weg met “die toeristische dienst toch”. Toen ik hem zegde dat ik “via die toeristische dienst toch” een telefoonnummer had gekregen van de parochie Sint Pieters en Paulus en mij op “zijn” parochie verzekerde dat bezoek “zekers” mogelijk was tussen 15 en 17 uur was het van “een dame zeker? Ja die is niet op de hoogte”. Intussen was het na 16.30 uur geworden en kon de koster de deur niet meer openen wegens: een dienst om 17 uur en nog veel werk. Ja wadde. Ik kom “zekers” nog eens terug.
Jacques Buermans.

Anneke Haasnoot “Donar”, nieuw gedicht van Anneke Haasnoot


Anneke Haasnoot zorgt steeds voor de poëtische noot in onze Nieuwsbrief.
 
DONAR


De kraai, ekster en zij die koeren
Er zit weer onweer in de lucht
Hoogzomer slaakt een diepe zucht
De donderbeitels gaan zich roeren

Nog even en de bliksemschichten
Zullen het kwade bruusk verjagen
De kinderen stellen alweer vragen
Lukt het de huislook pais te stichten

De huisbezems het vuur te weren
Zal donderbaard het dak maskeren
Op deze warme donderdag

Of zal men huis en boom bewenen
Als Donars scherpe donderstenen
Doen wat geen amulet voorzag
 
Anneke Haasnoot

Europese week van begraafplaatsen onverdeeld succes in Gent An Hernalsteen zorgde voor massale toeloop


Vorig jaar deed mocht ons lid Rudy D’Hooghe de opening voor de “Europese week van begraafplaatsen” verzorgen. Rudy stak daar enorm veel tijd en werk in maar de belangstelling was maar matig te noemen. Dit jaar opteerde Rudy om vijf rondleiding te laten verzorgen door onze An Hernalsteen. Resultaat: voor elk bezoek waren er wachtlijsten en moesten er mensen geweigerd worden. (Een vogeltje vertelde mij dat er 255 inschrijvingen waren voor slechts 125 gegadigden) Op Campo Santo verzamelden zo’n 25 geïnteresseerden, heel veel jonge mensen betoonden interesse, om de rondleiding van de “Gentse kerkhofblomme”, zoals An hier al genoemd wordt, mee te maken. Je kunt zeker niet zeggen dat er geen hond op de uitnodiging afkwam. Ik ga hier geen volledig verslag maken van wat de deelnemers konden bekijken maar wel enkele dingen die ikzelf nog niet ontdekte en wat “weetjes”.

Over de geschiedenis onthoud ik dat in 630 Amandus hier komt preken. In 1720 laat bisschop Van der Noot hier de, huidige, kapel bouwen en in 1847 komt het kerkhof hier onder proost Van Damme. An, die het zo niet heeft op “beroemde beentjes”, ging toch langs enkele mooie grafmonumenten zoals dit voor architect Van Overstraete, bouwheer van de Mariakerk te Schaarbeek die tegenover zijn schoonvader Lodewijk Roelandt, Gents stadsarchitect van onder andere de opera en het gerechtsgebouw, ligt. Bij Karel Ledeganck, de man van de drie zustersteden, kreeg An gelijk over het relatieve van “beroemde beentjes”: een aantal van de deelnemers hoorden het in Keulen donderen wanneer de naam Ledeganck viel. Natuurlijk kon An het niet laten om te zeggen dat “mevrouw” Ledeganck in An’s biotoop, de Westerbegraafplaats, ligt. Marie de Hemptinne is niet de “Gentse kerkhofblomme” maar wel de “engel van Gent”. Zij zette zich in voor de werklieden van de katoenfabriek van haar vader. Zij stierf zelf aan cholera. In haar omgeving ligt dokter Guislain, stichter van het krankzinnigengesticht en in Gent “de zottekensdokter” genoemd. Guislain overleed … op één april. 
Bij het graf voor Jan Frans Willems diste An het verhaal op van een Duitse dame die Nederlands leerde om een literaire soirée te kunnen bijwonen. Zij werd uitgenodigd maar wat bleek .. de soirée was eentalig Frans. Hier vertelde An dat het Campo Santo onterecht zo genoemd wordt. Schuld van dat alles is, hoe zou het anders kunnen, een Antwerpenaar: Hendrik Conscience. Tijdens een plechtigheid voor Jan Frans Willems dichtte hij over de Vlaamse heldenheuvel. Onterecht volgens onze gids want Mariakerke is de enige dodenakker die de titel Campo Santo mag dragen. Veel symboliek bij het graf voor dokter Snellaert. Naast arts was hij ook schrijver en een aantal symbolen wijzen in die richtingen. Jules de Saint Genois verdient volgens Hernalsteen de eretitel van “Grafzerkje avant la lettre”: hij inventariseerde alle Oost Vlaamse begraafplaatsen. We stonden stil bij het schandaal van de begraafplaats: de kapel voor Hyppolyte Lammens. Deze advocaat stierf kinderloos en legateerde enorme sommen geld voor de armen. Zijn kapel ziet er niet uit. We gingen nog langs het graf voor militair Veesaert, met kanonnen als symbolen. 
Via het heilig begijntje kwamen we bij organist Franz De Vos terecht. Persoonlijk was ik enorm getroffen door het prachtige art nouveaumonument van de hand van niemand minder dan Victor Horta op het graf Huybrechts – Coppejans. Hier zegde een dame uit het gezelschap dat ze niet graag op begraafplaatsen komt omdat het er “naar lijken stinkt”. An probeerde tevergeefs de dame diets te maken dat dit onmogelijk was. Als er dan al iets stinkt zijn het de bomen. Ik zegde toch altijd dat bomen de schuld van alles zijn. Geëindigd werd bij de laatste rustplaats voor rechter Martens. De man had schrik om levend begraven te worden en legde bij testament vast dat zijn grafkelder steeds open moest zijn. Wat ook geschiedde. Tevens nam de man een abonnement op de krant. Zo was hij ervan verzekerd dat er dagelijks iemand langskwam. An Hernalsteen maakte eens te meer haar rol van “meest gedreven gids” waar.
In de namiddag was de Westerbegraafplaats aan de beurt. Hier waren we in de natuurlijke biotoop van An. Hoewel ik het verhaal al tientallen keren hoorde kon An mij weer boeien met haar introductie over het ontstaan van het “geuzenkerkhof”. Zeker wanneer het ging over “haar goede vriend bisschop Bracq die van op zijn kansel de banbliksems uitsprak over de Westerbegraafplaats omdat hij, door de liberale bewindvoerders van die tijd, verplicht werd om elk graf van een katholiek individueel in te zegenen” sprak haar gezicht boekdelen. Ik denk dat bisschop Bracq zich gelukkig mag prijzen dat An niet in diens tijd leefde.

Gestart werd bij De Stanberg, dichter. Hier aanhoorden we het verhaal van de weduwe van Pieter Rotthier dame die aan de dichter vroeg om een versje te maken om op het graf te zetten met als opdracht: “zijn naam dient vermeldt te worden en ook wat hij deed”. De dame vulde aan met “het mag niet te veel kosten”. Toen de dichter zegde dat hij gratis werkte voor arme mensen, repliceerde de weduwe “jij wel, maar de steenkapper niet”. De Stanberg maakte volgend vers dat aan alle vereisten voldeed “Pier rot hier”. De Keghel was vrijmetselaar en dat was ook te zien aan de symbolen op zijn monument. Na Euphrosine Spanoghe die met een legaat een jongensschool liet oprichten was An weer in haar element. Voituron, was vrijmetselaar en het alziend oog van de oppermeester was op het monument te bewonderen naast de vlinder die de verschillende levensfases symboliseert. An deed een hele uitleg over engeltjes maar geen mens zag ze .. ze waren gestolen. An verzekerde dat wanneer ze de “engeltjesdief” te pakken zou krijgen die er niet goed van zou zijn. Niemand die daar aan durfde te twijfelen. De familie Van Schoote zocht en vond een beeldhouwer uit Genua. Ulric Wild was nijveraar. Zijn kapel in Egyptiserende stijl van architect Dierkens bevat zelfs een “schoenenschraper”. Hier fulmineerde An dat de werklieden indertijd de kapel te lijf gingen met de hoge druk. Gevolg het voegwerk is onherstelbaar verloren. Antoon Buzzeo en Jeanne Krieger kregen een mooi monument. Blijkbaar is er veel geld te verdienen met het bakken van pannenkoeken want ze hadden een zaak in het Gentse. Fernand Scribé, oudheidkundige en mecenas, ligt onder een werk van beeldhouwer Jacques de Lalaing. Dit werk werd ooit tentoongesteld en geroemd om zijn “naturel”. An moest zich er toch proefondervindelijk van overtuigen of dit wel “naturel” was. Zij nam plaats op een krukje in dezelfde houding als de dame. Na amper vijf minuten kreeg An de kramp. Dus volgens haar: niks naturel. 

Fritz Van den Berghe, kunstschilder, kreeg een modern werk. Een echt “socialistisch” werk was dit voor Jan Samijn, vlasbewerker. Een reproductie van een schilderij over de achturendag sierde het monument. Terug op de hoofdweg zagen we het grote monument voor Charles de Kerckhove de Denterghem, burgemeester en volksvertegenwoordiger. Hij had laten vastleggen dat niet de prominenten maar wel “zijn” weeskinderen hem mochten vergezellen op zijn laatste tocht. Zo geschiedde. Via Julien Santens, notaris, en Junius Massau, hoogleraar, ontmoetten we weer “beroemde beentjes”: die van Virginie Loveling, schrijfster. Zij was, dixit An, veel slimmer dan haar zuster die op het Campo Santo lag. 
Virginie ligt naast haar oom schrijver Cyriel Buysse. Omdat mensen indertijd schrik hadden om levend begraven te worden toonde An ons een buis waardoor de, eventuele, schijndode om hulp kon roepen. Een mooi monument voor een aantal Franse gesneuvelden kreeg alle waardering van onze gids want het wordt keurig onderhouden door de Franse ambassade. Edmond Van Beveren, socialist voorman, ligt onder een romantisch-realistisch werk van de hand van beeldhouwer Jules-Pierre Van Biesbroeck. Een aantal omstaanders vonden het een “zielig” monument. Smaken verschillen dus. Het grafmonument voor hondenkweker Beernaerts met een prachtige Salukiwindhond van beeldhouwer Domien Ingels kon op meer waardering rekenen van de toehoorders. We gingen nog langs de “badkuip” voor Hyppolythe Metdepenningen, advocaat en politicus. Eindigen deden we bij “Miele zoetekoeke”, burgemeester Emiel Braun. Vol van “zoete” herinneringen aan de Gentse dodenakkers en aan An “de zoete kerkhofblomme” toog ik huiswaarts. 
Jacques Buermans

Vader en zoon Janssens knappen begraafplaats Silsburg op Aantal graven lokale bekendheden vakkundig gerestaureerd


Er roert een en ander op de Borgerhoutse dodenakker Silsburg. Sinds enige tijd zijn onze leden Jan en Geert Janssens daar actief bezig. Nadat ik eerst van hen veel informatie verkreeg over welke lokale bekendheden hier liggen, en dat zijn er heel wat, vonden ze de tijd rijp om de handen eens uit de mouwen te steken. Samen met bestuurslid en “huisfotograaf” van de vzw Grafzerkje gingen we eens ter plaatse kijken. Op de hoofdlaan troffen we Jan, zoon Geert is een werkend mens dus tijdens de week niet aanwezig, aan heftig schurend op het prachtige grafmonument voor Jules Van Beylen, aannemer en schepen te Borgerhout. Het grafmonument van de hand van Arthur Pierre zag er prachtig uit. Volgens een “vogeltje” dat ons iets in het oor fluisterde, en die later sterk op ene Staf – verantwoordelijke voor de begraafplaats – leek, bleek dat vader en zoon wedijveren om het achterste van de dame op het grafmonument op te poetsen. 
Iets verder toonde Jan ons het door hem gereinigde grafmonument voor raadslid en Vlaams voorman Karel Cools. Door het reinigen kwam zelfs de Vlaamse leeuw die de vlag tooide tevoorschijn. Het meeste eer haalde Jan Janssens uit het opkuisen, samen met zijn zoon Geert, van het grafmonument voor burgemeester Arthur Matthijs. Het is werkelijk een juweeltje daar waar het vroeger niet om aan te zien was. Jozef Nuyts zijn grafmonument was indertijd al “ingekort” door de verantwoordelijken van de begraafplaats omdat het voorste stuk erg verwaarloosd was. Deze ingreep kunnen we toejuichen: liever dan het monument in een container te kieperen wordt hier gered wat er nog te redden valt. Het rechtopstaande gedeelte van het graf voor deze, door Jan zo genoemde, “held van Borgerhout”, Nuyts was bevelhebber van het pompierskorps van de Genie en raadslid te Borgerhout werd vakkundig gereinigd. Tot slot toonde Jan ons nog het opgekuiste graf van twee pastoors: De Bruyn en Van Opstal die op de hoofdlaan hun laatste rustplaats deelden.
Bedankt Jan en Geert Janssens voor het prachtige werk dat jullie doen, doe zo voort.
 
Aan de leden van de vzw Grafzerkje: indien er onder jullie zijn die onbaatzuchtig iets doen rond de begraafplaats (het moet niet alleen opknappen van grafmonumenten zijn, inventarisatie of gelijk wat funerairs) wij willen het altijd een plaatsje geven in onze Nieuwsbrief. Aarzel niet om ons te contacteren. De Nieuwsbrief is voor iedereen.
 
Jacques Buermans

Asnières, waar dieren hun laatste rustplaats hebben Christiaan & Vera Ketele bezochten de dierenbegraafplaats


Ons lid Christiaan Ketele toog met zijn echtgenote Vera naar Parijs en maakte volgend verslag:
 
Net terug uit Parijs. Vijf dagen genieten van een nog steeds boeiende stad. Zoals elke goede geïnteresseerde graf- en monumentenfreak wilde ik en mijn echtgenote Vera ook deze keer een van de vele begraafplaatsen in en rond deze stad bezoeken. Het kon deze keer niets anders zijn dan het hondenkerkhof op de rand van Parijs.
 
Dus op weg naar "Le Cimetiere des chiens" wat ik later zeer bedenkelijk vind want er liggen ook andere dieren maar niet getreurd na raadpleging van stads en metroplan blijkt dat deze begraafplaats zich buiten de toeristenplannetjes bevind namelijk voorbij porte De Clichy en dan nog voorbij de Seine. (lijkt ver maar met de metro is dat niet zo) Je neemt dus metro nr.13 richting Gabriel Péri - Asniéres Gennevillers. Je hebt twee mogelijkheden: je rijdt tot de eindhalte en dan moet je een stuk terug of je stapt af op de voorlaatste  halte Mairie de Clichy en dan ben je er bijna onmiddellijk. De begraafplaats is zich bij wijze van spreken geprangd tussen de Seine aan de zijkant en de invalsbaan van de stad met zijn bovengrondse metro aan de voorkant. Wanneer je de oprijlaan op komt krijg je zicht op een schitterende muur met 19de eeuwse poort in baksteen met zandstenen ornamenten.
Aan de zijkant via een klein controlepoortje, waar twee gemeenteambtenaren zitten, moet je € 2,79 per persoon inkom betalen. Je zal het niet geloven maar toen we met een briefje van € 10 wilden betalen moest het wisselgeld nog uit de kluis gehaald worden, wij zijn altijd ZEER vroege vogels, de kluis wilde niet open en, na enig beraad onder de twee bedienden, konden we “for free” binnen.
 
Als dierenliefhebbers was dit soms een zeer gevoelige ervaring. Zeer mooie oud zerkjes en ook de meest kitscherige die denkbaar zijn. Zo heb je de filmvedette Rintintin, Mémère de mascottehond van de Jagers te paard, de Sint Bernardshond Barry, het 40.000ste dier begraven op dit kerkhof, Drac de hond van prinses Elisabeth van Roemenie, Dick een hond die zijn diensten heeft bewezen in de loopgraven en voor het vaderland, Marquise & Tony de honden van prinses Lobanof, het huis van de poezen, het paard Masseraaux, Drapeau een hond en vriend van de oorlog, renpaard Troytown, het schaap Faust, de hond van de gravin van de graaf en de gravin Alexandre Dumas, het paard van Marguerite Dumas, een monument voor alle politiehonden en last but not least poule Cocotte.
Dit alles is maar een klein overzicht van wat je er allemaal kan vinden mits een klein beetje zoeken. Het is er mooi, een beetje een sprookje en ook wat kinderlijk, maar zeker ook heel gevoelig, bijvoorbeeld de tennisballen waar de hond ooit mee gespeeld heeft in de glazen bol.
 
Indien je nog eens naar Parijs gaat en je hebt een voormiddag vrij mag je dit zeker niet overslaan. Een dingetje wil ik nog even zeggen: deze begraafplaats is nooit voor honden alleen geweest: je vindt er papegaaien, peruches, katten en paarden, niettegenstaande de hond, in tweevoud op de muur aanwezig, in de meerderheid is.
 
Het is mooi rustgevend en inspirerend en misschien een idee om hier bij ons ook wel zo iets op te starten. Voor al diegene die naar Parijs gaan en nog zullen gaan: ZEKER DOEN.
 
Groetjes van Vera en Christiaan.
Foto’s van de hand van Vera en Christiaan

Kuifje in Madrid An Hernalsteen bezocht enkele funeraire dingen in Madrid


Onze An Hernalsteen, die zichzelf Kuifje noemt, toog naar Madrid en maakte volgend verslag. Ze start met een “verontschuldiging”: Ik ben nog altijd geen digitaal fototoestel rijk maar in augustus gaat iemand van het voetvolk richting Madrid en die zal wel de plaatjes schieten.
 
PANTEON DE HOMBRES ILUSTRES
 
Naast de Basilica de Atocha (Paseo de la Reina Christina) De toegang tot het pantheon bevindt zich in de Calle Juliàn Gayarre.
Het Pantheon werd opgericht tussen 1892-1899 naar een ontwerp van Fernando Arbòs. De oorspronkelijke intentie, nl. vereerde en belangrijke Spaanse historische figuren samen brengen in één mausoleum, zag er op papier misschien fantastisch en rooskleurig uit, de realiteit was grauwer. Slechts een handjevol “beroemde beentjes” liggen er verzameld. De monumenten zijn echter om er duimen en vingers bij af te likken. Een funerair, culinair genoegen voor lekkerbekken. En wat meer is, je hebt het kot voor jou alleen want dit ding staat in geen enkele reisgids. Die toeristenloze rust maakt het verorberen en genieten van al dat moois alleen maar intenser.
 
ZEULEN MET HET LIJK VAN SCHILDER FRANCISCO DE GOYA Y LUCIENTES. (GOYA VOOR DE VRIENDEN) - (Fuendetodos 1746-Bordeaux 1828)
Het kerkje van de Ermitage van San Antonio de la Florida (Paseo de la Florida) werd in 1797 door de Italiaanse bouwmeester Francesco Fontana afgewerkt. In opdracht van koning Carlos IV mocht Goya zijn frescotalenten botvieren op de koepel. Tussen 1 augustus en 20 december 1798 deed onze vriend wat hem opgedragen was.
Koningen komen, koningen gaan. De absolutistische monarch Ferdinand VII zwierde met zijn tirannieke plak. De Madrileense bodem werd Goya te heet onder de voeten. Hij koos voor een vrijwillig ballingschap in Frankrijk en vervoegde gelijkgestemde Spaanse zielen in Bordeaux.
De nacht van 15 op 16 april 1828 blaast hij er zijn laatste adem uit en vindt er zijn eerste rustplaats op het kerkhof van La Grande Chartreuse waar hij wordt bijgezet in het graf van een banneling-familielid.
Maar het vaderland roept en in 1888 beslist men om de verloren zoon naar Spanje terug te laten keren. Om zeker te zijn dat men de juiste huiswaarts stuurt, worden beide skeletten ontgraven. Pas in 1899 worden de twee op transport gezet.( Het Franse openbaar transport is traag maar 11 jaar wachten op de diligence is van het goede te veel).
Tot grote verwondering van de geestdriftige Spanjaarden is Goya bij aankomst zijn hoofd kwijtgespeeld. Een snode Franse wetenschapper heeft de schedel achterover geslagen om er allerlei gekke dingen mee uit te voeren.
De hoofdloze wordt in 1900 begraven op de San Isidro begraafplaats van Madrid. Geen al te geschikte stek zo blijkt want op 29 november wordt hij opnieuw uit de grond gehaald en mag hij voor altijd gaan kijken hoe op zijn koepelbeschildering in de Ermitage de H. Antonius een vermoorde man weer springlevend maakt.
Kwade tongen beweren dat Goya in 1927 het beu werd om altijd maar naar hetzelfde prentje te liggen staren en dat men hem overgebracht heeft naar Zaragossa.
Vraag hierbij is: ligt hij nog altijd in zijn monument in de Ermitage ? En waar is in godsnaam zijn hoofd gebleven?
 
ZEULEN MET HET LIJK VAN EEN KEIZER
 
Als ingeweken, maar volledig ingeburgerde Strop (alhoewel dat Gents taaltje) stond de laatste rustplaats van de man die de Gentenaren zo de duivel had aangedaan, bovenaan mijn verlanglijstje van zeker te bezoeken spullen.
In het San Jerònimoklooster te Yuste velde op 21 september 1558, een fatale aanval van malaria (of hoe een onnozele muggensteek iemand de das kan omdoen) de keizer, die voor velen het licht had uitgedaan maar in wiens rijk de zon nooit onderging. Helemaal volgens zijn eigen wil werd het lijk gebalsemd, gekist en in een eenvoudige nis in de kloosterkapel bijgezet.
Zoonlief, Filips II, die ervan droomde zijn familieleden, levend of dood rondom zich te scharen liet op 14 januari 1573 de stoffelijke resten van zijn teerbeminde vader overbrengen naar het Escorial (1563-1584). Veel te voorbarig want noch de nieuwe kerk, laat staan het pantheon onder het kerkkoor waren afgewerkt. Pa kreeg dan maar een voorlopig plaatsje in het kloostergedeelte dat tussen 1571-1586 als kerk fungeerde. De nieuwe kerk werd uiteindelijk dan toch in 1595 ingezegend. Beeldhouwer Pompeo Leoni had die inwijding niet afgewacht. Naarstig sleutelde hij aan een cenotaaf van de familie Klepkes in het hoogkoor. Braafjes knielend, devoot biddend, zitten ze op een rijtje de komst van hun Verlosser af te wachten.
In 1598 deed Filips II zelf de boeken toe, de werken aan het pantheon sleepten aan. Pa lag nog altijd onder de vloer van het klooster.
In 1664 brak het ultieme moment dan toch aan. De mummie van Keizer Karel werd plechtig bijgezet in het Pantheon.
In 1872 wou men eens piepen of Karel comfortabel lag. Men gooide de tombe open. Fotograaf C. Huerto vereeuwigde dit intieme gebeuren. Rico de Ortega tekende wat hij zag: kromme tenen, een kinnebak om U tegen te zeggen, 2 tanden kwijt door van zijn paard te donderen. De mummie werd betast en bepoteld en elk detail werd minutieus voor het nageslacht geregistreerd. Na al dit gefriemel mocht de oude keizer opnieuw bezit nemen van zijn tombe.
Het pantheon schittert, glinstert en glanst. Grandeur en rijkdom druipen er van af. Het spreekt vanzelf dat elke nieuwe bijzetting geurhinder zou opleveren. De koninklijke, tere neuzen van de reeds aanwezige familieleden vonden deze stank onaanvaardbaar. Een “Pudridero” bood de oplossing. Hier konden overledenen een tijdje naar hartelust gisten, sudderen en rotten.
 
Het pantheon van de infantes is minder luisterrijk. Koningin Isabel II contacteerde als initiatiefneemster de bouwmeester José Segundo de Lema. Hier vallen o.a. de tombe van Doña Luisa Carlotta de Borbòn, het graf voor Don Juan van Oostenrijk  en de roomtaart voor de klein mannen te bewonderen.
 
TIP
Het paleis van de Bourbons (deel van het Escorial) is alleen op aanvraag en in groep te bezichtigen ( rondleiding in het Spaans). Vraag aan de kassa of er die dag een groep geboekt is, laat je registreren in het administratiebureel en ga als vreemde eend in de bijt mee op verkenning. Voor wie van wandtapijten houdt, is dit een echte aanrader.
 
Kuifje

Tante Kato ging op reis En ze zag het graf van Sinan


Koca Mimar Sinan *1489-1588 * Istanbul, Turkije

Istanbul, Constantinopel, Byzantium. Namen die iedereen kent voor een en dezelfde bruisende stad. Vanaf de 15de eeuw wordt het stadsbeeld bepaald door minaretten en daarvoor is de 16de eeuwse bouwmeester Sinan mee verantwoordelijk. Ook al is de man bij ons vrij onbekend, hij is een grote naam uit de archictectuurgeschiedenis en ik wou het deze keer over hem hebben.

Over Sinans herkomst is weinig geweten, behalve dat hij ergens in Klein-Azië geboren werd en vermoedelijk uit een Grieks-orthodox midden kwam. Sinan is zijn Turks-islamitische naam, zijn echte doopnaam is onbekend. Zijn geboortejaar is trouwens ook bij benadering. Sinan was als 22-jarige het slachtoffer van de zogeheten “knapenvordering” of “jongensoogst”, een belastingsysteem geïntroduceerd door de Osmaanse sultan Murad II (r. 1421-1451). Christenen werden verplicht hun fysiek en mentaal goed ontwikkelde zonen af te staan aan de sultan. Alle negatieve dingen hebben ergens een positief aspect : de gekaapte knapen -slaven dus- konden opklimmen op de militaire en sociale ladder, iets waarvoor zij anders nooit in aanmerking zouden gekomen zijn. De jongemannen kwamen terecht in paleisscholen en konden de hoogste staatsambten bekleden. Sinan leerde het vak van schrijnwerker-architect en toen de Osmanen in 1517 Caïro veroverden moest hij gevaarlijke steegjes zò herplannen dat ze meer geopend waren voor de doortocht van de keizerlijke troepen. Zeg maar huizen afbreken en nieuwe wijken ontwerpen. Met het Janitsarenleger trok hij op veldtocht naar Belgrado en Rhodos en in 1534 was hij aanwezig bij de verovering van Bagdad. Als bouwkundig ingenieur -als we die term mogen gebruiken- loste hij problemen in de wegen- en bruggenbouw op. Ook scheepsbouw was hem niet vreemd. Na de belegering van Bagdad vroeg Sinan eervol ontslag. Vier jaar later kreeg hij een gunstig gevolg toen sultan Suleyman de Prachtlievende (r. 1520-1566) hem benoemde tot opperhofarchitect (Mimar in zijn volledige naam is Turks voor architect). U heeft zich misschien afgevraagd waarom ik steevast de benaming Osmanen gebruik en niet de algemeen gebruikte term Ottomanen. Weet dat een streng maar rechtvaardig leraar ooit zei : “De nakomelingen van Otto moet je in Duitsland zoeken en niet in Turkije.” De telgen uit het Turkse geslacht van stamvader Uthman moet men dus Uthmanli, Uthmanen of Osmanen noemen. Dit even tzijde. Ik heb blijkbaar toch iets onthouden ...Terug naar Sinan : we kennen hem al als geniaal stadsplanner en in 1548 begon hij aan een lange rij niet-militaire bouwwerken. Hij wordt terecht beschouwd als de grootste Osmaanse architect. Al zijn realisaties worden gekenmerkt door originaliteit, een bouwkundige elegantie en een vaardigheid om lokaties optimaal te benutten. Hij hield rekening met aardbevingen, waarmee hij op zijn tijd vooruit was. Sinan was geobsedeerd door de koepel en hij wilde de duizend jaar oude koepel van de Byzantijnse Hagia Sophia kost wat kost overtreffen. Hij slaagde in zijn opzet en de ronde koepel steunend op een vierkante basis werd zijn pronkstuk. Zelf noemde hij de Prinsenmoskee (1543) in Istanbul, ontworpen voor Suleymans overleden lievelingszoon, zijn proefstuk als leerling. Zijn beroemdste werk is Istanbuls enorme Süleymaniye-moskee (1550-1557), wat zijn proefstuk als gezel of afstudeerproject was. Uiteindelijk werd de Selimiye-moskee (1566) van Edirne, gebouwd voor sultan Selim II (r. 1566-1574), zijn absolute meesterwerk. Sinan ontwierp in totaal 357 gebouwen, waaronder 136 moskeeën, 57 koranscholen en verder badhuizen, paleizen, mausolea, karavanserais en armenkeukens, waaronder een in Mekka.
De bijna honderdjarige Sinan -hij heeft voor vier opeenvolgende sultans gewerkt- werd begraven tegenover de Süleymaniye. Hij had al 22 mausolea ontworpen en zijn graf, op een spietje tussen twee straten, is eveneens van zijn hand. Een van de twee straten draagt trouwens zijn naam. Specialisten in islamitische architectuur noemen het “een pareltje van een graf”. Het ontwerp is gebaseerd op de türbe, een bouwstijl geïnspireerd op de opgehoogde grafheuvels van de steppen. Op Sinans graf staat een gedicht van zijn vriend Mustafa Saïd, die een opsomming geeft van al zijn verwezenlijkingen.

Oh ja, dankzij Wikipedia (maar men mag niet alles geloven wat daar gepubliceerd wordt) kwam ik te weten dat een inslagkrater op de planeet Mercurius naar Sinan genoemd is. Mooi, een krater is tenslotte een omgekeerde koepel.
Mocht u naar Istanbul willen reizen, weet dan dat er bij de Franse Spoorwegen momenteel een reklamecampagne loopt om hun verkoop van vliegtuigtickets te promoten. Om te laten zien dat zij Frankrijk echt ontgroeid zijn, verkopen ze nu tickets naar Yste-en-Boule. Of gaat u liever naar Nouillorc, Losse-en-Gelaisse of Mique-aux-Noces ? Gewoon even luidop lezen alvorens uw keuze te maken.
 
Tante Kato

Ecuador, Guayaquil: de Witte Stad Vrienden bezorgden deze fotoreportage


Vrienden van me bezochten Ecuador. In Guayaquil bezochten ze de Witte Stad. Vermits Guyaquil een miljoenenstad is, is ook de begraafplaats enorm groot en dus eigenlijk een stad op zich (meer dan 3 miljoen "inwonenden"). Omdat er veel grootse monumentale graftomben zijn, meestal in witte steen of wit geschilderd, wordt dat de Witte Stad genoemd. Een impressie. 

   
  
Jacques Buermans. Foto’s van de hand van Marie Louise Franken & Leo Serneels

Gentse beheerder komt voor de dag met innovatie die kan tellen Rudy D’Hooghe komt met innovatie


Elders in deze Nieuwsbrief kunt u zien dat eind mei de Europese week van begraafplaatsen plaatsvond. Gent speelde daarin een vooraanstaande rol met een aantal rondleidingen op Campo Santo en op de Westerbegraafplaats. Dat de heer Rudy D’Hooghe, beheerder van de Gentse begraafplaatsen, zijn sporen reeds verdiende op funerair gebied staat als een paal boven water. Maar wat hij nu uit zijn hoed toverde gaat mijn petje te boven. Om ervoor te zorgen dat er geen onnodige tijd verloren gaat dokterde de heer Rudy D’Hooghe een systeem uit, dat ik nog nergens te lande zag, om ervoor te zorgen dat zijn personeel na een weekeinde of na een feestdag zonder dralen aan het werk kan. Het is natuurlijk een werkwijze die overal te lande navolging verdiend: Op vrijdagavond laat de beheerder de kist voor de eerste begrafenis van de daaropvolgende werkdag met een enorme kraan de hoogte inbrengen. De eerstvolgende werkdag dienen de arbeiders van de begraafplaats enkel aan de hendel te trekken om zo de kist in één keer in de reeds gegraven sleuf te kunnen inbrengen. Het systeem is zo eenvoudig, maar je dient er maar op te komen. Een dikke pluim op de hoed van Rudy D’Hooghe.

Jacques Buermans
 
P. S.: moesten er personen zijn die het niet doorhebben: het artikel is sarcastisch bedoeld en de kraan bevindt zich op een werf NAAST de begraafplaats. De kist bevat, zo durf ik te verhopen, GEEN lichaam. (Jacques Buermans)

Charleroi heeft ook mooie dodenakkers Ook geleide bezoeken aan begraafplaatsen in Charleroi


Een dagje uitgetrokken om enkele begraafplaatsen te bezoeken in Charleroi. Aanleiding een geleid bezoek aan de begraafplaats van Lodelinsart ingericht door de Société Royale d’ Archéologie, d’ Histoire et de Paléontologie de Charleroi. In de voormiddag op eigen kracht  een bezoek gebracht aan de Cimetière du Nord te Charleroi, rue Bethléem. Bij de hoofdingang viel al direct een groot monument op voor Poolse piloten die omkwamen tijdens de oorlog. Vlakbij een crypte voor de martelaren. Iets verder kwam een bezoekster aan de begraafplaats ons vertellen dat hier de laatste rustplaats was voor Kristoff Suain, een pompier die omkwam tijdens zijn eerste interventie bij een brand in de Spaanse ambassade Op een perk voor Britse soldaten troffen we ook enkele Duitse grafzerken aan. Een rotonde vormde het ereperk van de begraafplaats. Een aantal burgemeesters kregen hier hun laatste rustplaats. Onder hen Gustave Nalinne (1795 – 1851) liberaal die ook deel uitmaakte van het Nationaal Congres. Hier lagen ook Franse gesneuvelden, onder een werk van Jules Lague. De familie Françoisse kreeg een mooi interbellum grafsteen. Bij Gilles zag ik art nouveauelementen, maar mijn probleem is – volgens sommige « specialisten-leden » dat ik veel te veel art nouveau zie waar er geen is, Christian Gillain overleed op tienjarige leeftijd. Hier troffen we een bordje met vraag tot overname van de concessie aan. Wat opviel is dat de tekst hier veel uitnodigender is dan de ambtelijke taal die bij ons nog steeds gebezigd wordt. Men nodigt hier alle geïnteresseerden vriendelijk uit om deze concessie over te nemen en vermeldt het telefoonnummer waar men daarvoor terecht kan. Hier kregen we weer een bereidwillige dame die ons meldde dat hier politieagent François Tonnelier lad. De man liet het leven toen hij met een bom een cinema in Marcinelle buitenliep om zo het leven van honderden cinemabezoekers te redden. Victor Deman maakte een beeld voor een perk Franse gesneuvelden. Probleem van vzw Grafzerkje is dat zo stilaan iedereen aangetast wordt door wat ik het Norgasyndroom zou durven noemen. Ook hier ook enkele beelden van de hand van Norga, onder meer op het graf van Helene Fontaine.

Na de middag boden zich een 15 tal mensen aan op de begraafplaats van Lodelinsart. Onder hen blijkbaar een aantal fanatieke leden van de Société Royale d’ Archéologie, d’ Histoire et de Paléontologie de Charleroi. De voorzitter heette ons welkom en ik moet zeggen dat ik meer dan gecharmeerd was van de man zijn outfit: keurig wit hemd, gilet met gouddraad doorregen en aangepaste das. Maar er was meer: de man kende zijn vak. Hij bleek zeer bevlogen te zijn en schetste eerst de geschiedenis van Lodelinsart vroeger een kleine landbouwersgemeente en met de komst van eerst de steenkool en later de glasnijverheid een gemeente van meer dan 11000 zielen. Lodelinsart was ook een voorloper in de industriële revolutie door de bouw van een stoommachine. Als ik dan toch kritiek mag geven is het feit dat de gehele geschiedenis van Lodelinsart uit de doeken werd gedaan maar wel bijna één uur in beslag nam, ook omdat enkele van de aanwezige leden van de vereniging ook hun zegje wenste te doen en dit ons soms wel eens iets te ver leidde. Maar kom, de voorzitter wist met elke vraag raad. Burgemeester Jules Frison maakte nagels. Wat verder een aantal graven van eigenaars van diverse glasfabrieken uit de omgeving. Opvallend was dat er veel Duitse namen tussenzaten: Andris en Holguemiller. Een van de weinige medaillons op de begraafplaats was van de hand van Darville en stond op het art décograf van René Esgain, schilder. In het graf van glasbaas Leopold Delbauvre lag ook Marguerite die maar liefst 103 jaar oud werd. Burgemeester glazenier de Dorlodot lag in de omgeving van het graf van de familie Huart – Castiau, met een aantal schepenen onder hen. Lefevre – Bougé was een architect die veel art nouveauhuizen bouwde in Charleroi. Hier een hemelsblauw bloembakkengraf. Edmond Gilles bekleedde een belangrijke functie in het glazenierssyndicaat en hij werd vermoord. Zijn moordenaars werden nooit gevat. Hij kreeg een art nouveaugraf.

Iets verder zagen we twee monumenten van de hand van de eerder genoemde Lefevre – Bougé voor de laatste rustplaats van de familie Schmidt – Cornil en François. Na twee uur en half zat de rondleiding van de begraafplaats er op. Maar wat bleek: het gedeelte dat we bezochten was het kleinste. Aan de overzijde was een nog grotere begraafplaats. Hier beperkte de gids zich tot een van de weinige bronzen grafmonumenten die hier te zien waren. Een medaillon en een pleureuse op het graf De Middelaer. 

Wil je nog verder kennismaken met een andere begraafplaats die Charleroi rijk is dan kun je terecht op de “agenda”. Ik wens toch bezoekers mede te delen dat de stad Charleroi een van de vuilste steden is die ik ooit bezocht, met rijbanen die bezaait zijn met vuilnis en overblijfselen van auto-onderdelen wegens de zo slechte staat van voornoemde rijbanen, of zijn het heirbanen? Parkeren in de stad is daarenboven een hopeloze zaak met enorme ondergrondse parkings die op zondag, wanneer het er markt is, gesloten zijn.
Jacques Buermans

Levanto wil zich inzetten voor grafmonumenten Activiteiten van Levanto breiden zich uit tot begraafplaatsen


Levanto kreeg lucht van het bestaan van vzw Grafzerkje en vroeg om eens aan tafel te gaan zitten om te zien in hoeverre samenwerking mogelijk is. Dirk Lauwers, bedrijfsleider – coördinator, zegde waar Levanto, patrimoniumzorg, onderhoud van kerken, monumenten en waardevolle gebouwen voor staat. “Wij zijn een door het Vlaamse Gewest erkende sociale werkplaats en werden in het leven geroepen in het kader van de sociale tewerkstelling voor hen die geen hoger secundair onderwijs hebben genoten en die de laatste vijf jaren geen plaats hebben kunnen vinden in het reguliere arbeidscircuit. Onze arbeiders worden deskundig opgeleid in onderhoudstechnieken, conform de regels van Monumentenwacht en worden op de werkvloer bijgestaan door ervaren instructeurs. Zo kunnen ze ingezet worden om hun steentje bij te dragen aan het vrijwaren van ons religieus en cultureel patrimonium.”
 
Ondergetekende vroeg Dirk op welke domeinen ze reeds actief zijn: “Indertijd deden we het onderhoud van de schuilhuisjes van De Lijn en de Antwerpse metrostations. Schilder- en renovatieopdrachten voor scholen en sociale woningmaatschappijen behoren ook tot het takenpakket van Levanto.”, aldus Dirk Lauwers.
Hier kon instructeur Luc Heirbaut wat aanvullende informatie verstrekken. De man deed ervaring op in het steenkappersatelier van zijn broer en was onder meer actief bij de restauratie van Sint Pauluskerk te Antwerpen: “Naar de toekomst toe zoeken we onze activiteiten uit te breiden. Momenteel doen we het onderhoud van kerkinterieurs. Ook dit heeft een hele evolutie doorgemaakt. Eerst was onze taak enkel het poetsen van beelden en dergelijke maar naarmate we meer bevlogen werden in de materie werd de opdracht uitgebreid. Nu doen we kleine restauraties en melden we aan Monumentenwacht indien er ernstige gebreken zijn. Op hun beurt geeft Monumentenwacht ons opdrachten. Onderhoud van kerken en monumenten is nu echt onze hoofdactiviteit.”
Ondergetekende vroeg zich af of de mensen die zulke opdrachten doen bijgeschoold worden. Luc Heirbaut: “Group Monument MRT uit Deinze is een partner in de opleiding van onze mensen inzake restauratieopdrachten van gebouwen inzonderheid de gevels. Een eerste “samenwerking” met Group Monument was de renovatie van de Bourlaschouwburg. Naast het schoonmaken van het theatergebouw konden we ook helpen om de brandwerende behandeling uit te voeren.”
 
Waarom dan zich inzetten van grafmonumenten wilde ondergetekende weten? “Onderhoud van begraafplaatsen is een nieuwe stap die we willen ontwikkelen als verlengstuk van onze activiteiten inzake onderhoud van kerken en monumenten. In nauwe samenwerking en met ondersteuning van Monumentenzorg gaan we mensen opleiden in kleine restauratiewerken en onderhoud van grafmonumenten.”
 
Ten slotte vroeg ik me af wat Levanto bedoelde met “samenwerking”? “Heel eenvoudig, we proberen contacten te leggen met funeraire organisaties die zoals wij het funerair erfgoed in ere willen houden. En dat “samenwerken” dat is nu al geschiedt. vzw Grafzerkje gaf ons allereerst een luisterend oor en wij kregen van u reeds de nodige tips aangereikt zodat we nu al een zicht hebben op wat we aankunnen en wat niet. Ook gaven jullie ons informatie over hoe we te werk dienen te gaan om bijvoorbeeld in eerste instantie stadsgrafmonumenten te restaureren. Dankzij jullie staan we al een grote stap verder. Als dat geen “samenwerking” is? We stelden de vraag aan enkele andere vzw’s die op dit terrein actief zijn en wachten nog steeds op hun reactie.” aldus Dirk Lauwers.
 
Jacques Buermans

Moscou heeft ook funerair iets te bieden zelfs niet leden weten ons te vinden om funeraire wetenswaardigheden mee te delen


Xtine Mässer, iemand die weet wat wij uitspoken, bezocht de Russische hoofdstad en was zo vriendelijk om een aantal afbeeldingen van haar bezoek aan Novodevitsji door te geven en ons toelating tot publicatie te verlenen.
 
Moscou telt 56 begraafplaatsen met elk tientallen overleden coryfeeën. Van Chroesjtsjov tot Vysotski, van Boelgakov tot Molotov. Men dient wel wat tijd uit te trekken want de begraafplaatsen mijlenver van elkaar. Wat Pére Lachaise is voor Parijs, is Novodevitsji (metrostation Sportivnaja) voor Moscou. Officieel aangelegd voor de adel en hoge geestelijkheid van Moscou in de zestiende eeuw, kwamen daar in de negentiende eeuw prominenten uit de cultuur en wetenschap bij. De top van de Russische literaire wereld rust hier: Gogol, Boelgakov, Tsjechov en Majakovski. Voorts beroemde filmers als Eisenstein en Stanislavski en componisten als Prokofjev, Sjostakovitsj en Skrjabin.
In de sovjetperiode kwamen daar minder intellectuele doden bij. Stalins tweede vrouw, Nadezjda Aliloejeva, en zijn zoon Vasili liggen er en de naamgever van de beruchte dodelijke cocktail: Molotov. Het graf van Nikita Chroesjtsjov is te vinden in sectie zeven. Het gedenkteken erop is gemaakt door avant-garde kunstenaar Ernst Neïzvestni. Fascinerender zijn de graven van de uitvinders van technologische hoogstandjes. De enorme granieten waaier met de kop van vliegtuigbouwer Toepolev steekt in sectie 8 uit de grond. Een blok verderop glimt een stenen buis. Daaronder ligt Sergej Iljoesjin, de bekende bouwer van bommenwerpers en het robuuste passagiersvliegtuig, de IL-62. Maar ook nieuwelingen vinden hier hun plaats zoals Raïsa Gorbatsjova en Boris Jeltsjin en cellist Rostropovitsch.
 
Foto’s van de hand van Xtine Mässer en Lieve Wouters

Krakau, niet de top maar toch geen flop Kort bezoek aan Krakau met toch wat funerairs op het programma


Citytrip naar Krakau geboekt met vriendin. Indien dit geschiedt met een funerair geïnteresseerde vriendin zoals in dit geval staan er natuurlijk een aantal begraafplaatsen op het programma. Naast een stadsbezoek diende de crypte van de kathedraal aangedaan te worden. Spijtig genoeg mag hier niet gefotografeerd worden. Ladislas Jagiello II kreeg een gothisch grafmonument met baldakijn. Koning Ladislas Warnenczyk, overleden in 1444, kreeg in 1906 een graf uit verschillende kleuren marmer en brons. De oudste sarcofaag is die voor Ladislas de Dwerg, uit 1333. Achteraan de kathedraal stonden, volgens mij, de mooiste grafmonumenten voor koningen Michel Korybut Wisniowiecki en Jan III Sobieski vervaardigd tussen 1753 en 1760. Koningin Hedwige stierf in 1399. In 1902 werd voor haar een sarcofaag in carraramarmer vervaardigd in Rome. Het is een prachtige gisant geworden met de koningin in bidhouding met de hond, teken van trouw, aan haar voeteneind. Een bezoek aan de kathedraal moet zeker op het programma van bezoekers aan Krakau staan. 
In de namiddag vonden we het toch nodig om een bezoek te brengen aan Auschwitz. In de bus, Auschwitz ligt 60 kilometer van Krakau, kregen we een film voorgeschoteld over het kamp en zijn geschiedenis. In Auschwitz aangekomen kregen we een rondleiding door het kamp van een Engelssprekende gids. Natuurlijk is een bezoek aan een concentratiekamp geen opbeurende gebeurtenis en totaal iets anders dan een begraafplaats maar als men verneemt hoeveel mensen hier het leven lieten is het toch een, zwarte, bladzijde die toch niet vergeten mag worden. Ook hier mag niet gefotografeerd worden in de gebouwen. Dan maar een beeld van de “beruchte” ingangspoort. Ook de wachttorens en de alomtegenwoordige prikkeldraad zijn pakkend. Om maar te zwijgen over de “doucheruimten” waarin ontelbare slachtoffers aan hun eind kwamen. Al hun bezittingen werden afgenomen. Vandaar naar Birkenau. Tien keer groter dan Auschwitz en met de treinsporen die als stille getuige van al dat leed te bezichtigen waren en een aantal houten barakken. Die werden allemaal heropgebouwd om getuige te zijn van al het leed dat ontelbare personen aangedaan werd.
Zondag, in een verstikkende hitte, was het dan de beurt om Krakau en zijn begraafplaatsen te bezoeken. We startten met Rakowicki, de grootste begraafplaats. Wat onmiddellijk opviel was de massa die op de begraafplaats aanwezig was. Dikwijls waren drie generaties bezig met het opkuisen van het grafmonument van hun voorvaderen. In het midden van de dodenakker bevond zich een kerk maar zeker tien keer meer personen volgden de zondagsmis van op het graf van hun dierbaren. Een kleine bloemlezing van het moois dat we daar mochten aanschouwen. In de uiterste hoek van de begraafplaats een monument voor de gesneuvelden 1939 – 1945. In het midden een grafkapel voor historieschilder Jan Matejko. Professor Jan Gwiazdomorski, stichter van de eerste infirmerie in Krakau, ligt in een groot grafmonument waar nog steeds familie bijgezet wordt. Wat hier ook opviel is dat talrijke grafmonumenten gerestaureerd werden en dat dit steeds vermeldt wordt aan de hand van een plakkaatje op het gerestaureerde grafmonument. Jozef Mehoffer was schilder en vervaardigde ook glas in loodramen. Een mooi beeld met twee pleuranten zagen we op het graf Grodkowa. Erazm Jerzmanowski kreeg een beeld van twee zittende figuren die een sarcofaag tillen. Architect Talowski bouwde talrijke huizen in Krakau waarbij hij zijn fantasie de gang liet gaan. Ook zijn grafmonument mag er zijn. Op de stele een sfinx, zijn ene poot op een schedel en met zin andere poot een slang vertrappelend. Baronne de Werny Geraud kreeg naast een treurende vrouwenfiguur een urne met slang inclusief appel op het grafmonument. Een van de weinige bronzen stond op de laatste rustplaats Grobowiec. Documentatie over de begraafplaats is hier nergens te vinden.
Krakau is ook in het bezit van een Joodse wijk. Een zestal synagogen bewijzen dat indertijd hier een grote Joodse gemeenschap actief was. De oude Joodse begraafplaats stamt uit 1552. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de begraafplaats grotendeels vernield.  Hier zagen we iets dat, voor ons, nieuw was. Het gebruik van steentjes die op de graven gelegd werden als teken van bezoek kenden we reeds alsook het leggen van briefjes met boodschappen erop. Voor het eerst zag ik hier, voor de grafmonumenten, een soort brievenbussen waarin ook briefjes gedeponeerd werden. In de aluminium bussen brandden ook kaarsen zodat de brieven opbrandden. Van dan af letten we op en zagen we ontelbare van deze dingen. Van de oude begraafplaats trokken we naar de nieuwe Joodse begraafplaats. Deze dodenakker dateert uit 1800. Deze begraafplaats had ook te lijden onder de Tweede Wereldoorlog. Vlakbij de ingang troffen we een monument aan voor de slachtoffers van het naziregime. Het monument is samengesteld uit delen van oude, beschadigde grafmonumenten. Toch zagen we hier dat er verschillende grafmonumenten gerestaureerd worden. 
Tot slot van onze funeraire dag brachten we bezoek aan de begraafplaats Podgorski. Vlakbij de ingang een monument voor militairen. Iets verder een treurende vrouwenfiguur op het graf Matlak en een engel op het graf Miczezynski. De redemptoristen kregen een enorme grafkapel. Hier viel toch ook op dat graven veel meer bebloemd waren dan in onze contreien het geval is.

Jacques Buermans