Nieuwsbrief Nr. 35 - mei 2007

An Hernalsteen gidst op haar verjaardag, en hoe Meer dan gewone belangstelling voor rondleidingen Westerbegraafplaats


In de voormiddag waren 22 personen paraat voor de rondleiding van ons bestuurslid An Hernalsteen. Pittig detail: 24 maart werd onze An 50 jaar jong. Leo, een van onze leden vond het dan ook meer dan gepast om het idee te lanceren om haar met een geschenkje te bedenken. Het geluk stond aan onze zijde want An had zich door omstandigheden het tweedelige boek van ons lid dokter De Cock nog niet kunnen aanschaffen dus was dit een geschikt geschenk. In de voormiddag werd deel één van het boek overhandigd aan een compleet verraste An. (Indien ze verast was had ze niet kunnen gidsen). Onder de deelnemers heel veel niet-leden dankzij de reklame die An zelf had gemaakt tijdens een eerdere rondleiding in Gent én dankzij ons lid Rudy D’Hooghe die ervoor zorgde dat de nodige reklame op begraafplaatsen werd gemaakt. 
De deelnemers wisten al onmiddellijk welk vlees ze in de kuip hadden met An als gids toen ze van wal stak met haar verhaal over haar goede vriend bisschop Bracq. Met de gebruikelijke veeg uit de pan “men denkt dat er alleen maar op Campo Santo bekende Gentenaars liggen, ik zal jullie van het tegendeel overtuigen” togen we op weg. Eerste stopplaats dichter Destanberg. De man maakte ook grafschriften. Hij deed dit gratis voor hulpbehoevenden. De begoeden dienden er voor te betalen. Op een zeker moment was Petrus Rotthier overleden. De rijke weduwe, die op haar centen zat, vroeg Destanberg een zo kort mogelijk grafschrift te verzorgen waar zijn naam en waar hij voor stond op stond. Destanberg repliceerde dat zij dat toch ruimschoots kon betalen maar de weduwe zegde “weet je wel hoeveel één letter kappen kost?” Waarop Destanberg  “Pier rot hier” maakte. 
Historieschilder De Keghel werd bewierookt door middel van lauriertakken. Hier ook vrijmetselaarssymbolen: een bijbel, de loge zweert de eed op de bijbel, en de olielamp, verwijzend naar het eeuwig leven. Jean Mahu was steenkapper en liet een grafmonument neerpoten waarop reklame werd gemaakt voor zijn bedrijf door het bezigen van verschillende soorten materiaal. Vrijmetselaar Edward Preys werd door de Duitsers gefusilleerd vandaar het omgekeerde zwaard en de vlam van de vrijzinnigheid. Van Schoote ging een kunstenaar zoeken in Genua. Het grafmonument werd gemaakt door Luigi Orengo. 
Voituron heeft ook niet te klagen van de aanwezige symboliek: de ourobouros, het leven gaat steeds verder, met de vijfpuntige ster, vrijmetselarij, het alziend oog van de oppermeester en de vlinder die als rups verpopt naar nieuw leven. Euphrosine Spanoghe gaf een groot deel van haar fortuin uit voor het oprichten van een jongensschool zonder geestelijken als lesgevers. Op het grafmonument staat Pallas Athena maar ook vrijmetselaarssymbolen. Katoenhandelaar Ulric Wild, die volgens An stierf in Louise Marie (slechte geest zoals ik dacht: dit is toch niet zo slecht om zo aan je eind te komen – maar het zal wel een ziekenhuis geweest zijn) kreeg een kapel van Dierkens met alles er op en eraan. Zelfs het schraapijzer om de schoenen proper te maken werd niet vergeten. Van het monument Buzzeo – Krieger ontdekte An dat de eigenaars een fortuin verdienden met verkoop van wafels en pannenkoeken. 
Dat onze gids niet van een kleintje vervaard is bleek bij het grafmonument Fernand Scribé, oudheidkundige en mecenas. Een dame leunt op een vaas, de asurne, en het beeld van Jacques de Lalaing bleek volgens de “experts” van die tijd een voorbeeld van naturalisme te zijn. An deed de proef en ging op dezelfde wijze op een krukje zitten om dit aan den lijve te testen: het lukte niet. Na amper vijf minuten kreeg ze krampen. Ik zie het beeld zo voor mij! Een voorbeeld van “socialistische” kunst: Jan Samyn, vlasbewerker. Het grootste monument kreeg Charles de Kerckhove de Denterghemburgemeester en volksvertegenwoordiger. Hij zette zich in voor de weeskinderen van Gent en liet noteren dat het enkel “zijn” weeskinderen waren die hem bij zijn laatste tocht op de Westerbegraafplaats mochten vergezellen. Zo geschiedde: de notabelen dienden te wachten aan de ingang enkel de weesjes gingen mee de dodenakker op. 
We zagen een prachtig onderhouden monument voor de Franse gesneuvelden. Op het graf Edmond Van Beveren, socialistisch voorman, een treurende vrouw met een uitgemergelde figuur, Van Beveren voorstellend, van beeldhouwer Van Biesbroeck. Politicus Hyppolythe Metdepenningen’s monument wordt in de volksmond “de badkuip” genoemd om zijn vorm en grootte. Een bad nemen zal moeilijk zijn: het monument is zo lek als een zeef door kogelinslagen. 
De levensgrote salukihond van beeldhouwer Domien Ingels sierde het graf voor Beernaerts. We passeerden langs An’s zorgenkind: de tempelportiek met obelisk voor de familie Vercauter – Hoste. De toestand van het monument oogt elke keer ik er passeer slechter en slechter. De lokale grafmaker doet al jaren, loze, beloftes om het te restaureren. An nam een wijs besluit en ging bij een andere steenkapper te rade. Hopelijk komt er vlug schot in de zaak want anders vrees ik dat het wel eens te laat zou kunnen zijn voor het monument. Kunstschilder Lieven De Winne kreeg een monument van Edmond De Vigne met een beeld van Paul De Vigne. We zagen ook een Joods hoekje met een graf voor Levison en een voor Gondry. 
In de namiddag waren er opnieuw 22 geïnteresseerden en weer zaten er heel veel niet-leden tussen. An, die dacht dat de cadeautjestijd nu wel voorbij was, schrok niet weinig toe haar het tweede deel van het boek van dokter De Cock aangeboden werd. Maar ja, An verdiend dat. Zij is nu eenmaal een van de meest gedreven funeraire gidsen en weet als geen ander haar gehoor te boeien door interessante verhalen gebracht op een wijze die weinigen haar nadoen. Proficiat An en doe er gerust nog 50 jaar bij.
Jacques Buermans

Anneke Haasnoot “Byron aan het gevleugelde paard”, nieuw gedicht


Anneke Haasnoot zorgt steeds voor de poëtische noot in onze Nieuwsbrief.
 
BYRON AAN HET
GEVLEUGELDE PAARD


Ik walg van vrouwen die geletterd zijn
Mijn eerste huwelijksnacht; een ware ramp
Ik had een nachtmerrie, gilde, kreeg kramp
Pijn in mijn vrijheidsdrang, ik wilde wijn

Het eerste wat ik deed toen zij er was
Was kijken naar de beentjes van het wicht
Goddank, gelijke lengte, uit het zicht
En snel op zoek naar een die nooit iets las

Die mij mijn lief Augusta doet vergeten
Naar een die het verlangen wat verzacht
Want zeker is dat ik zal moeten vluchten

Nu mij mijn grote liefde wordt verweten
Vaarwel, bekrompen volk, dat mij veracht
Vaarwel en,Venice, na je brug der zuchten

Zou ik vergeefs in Griekenland mij meten
Met koorts en Shelley weerzien, ongeacht
Ons atheïsme

Anneke Haasnoot

Van kerkhof naar begraafplaats: makkelijker gezegd dan gedaan Cis Kennes pleegde volgend artikel


Elke geleide kerkhofwandeling die zich respecteert, begint met de vermelding van de maatregelen van Jozef II en Napoleon (23 prairial jaar XII), waardoor steden en gemeenten op zoek moesten gaan naar begraafplaatsen buiten de stad. En dat was niet zo simpel, alleen al omwille van de onbereikbaarheid ervan voor de diepgelovige jan-met-de-pet: we zijn tenslotte nog niet in 1900 ! Een tweede probleem was om grond te vinden die niet te nat en niet te droog was waardoor de  termijn van ontbinding (5 j.) mogelijk zou verlengd worden : in het polderlandschap niet zo eenvoudig om het drijven van  kisten te vermijden! (Vandaar de optie om dan maar boven de grond te gaan in Oostende) .Maar ook andere factoren speelden een rol. Ik geef het voorbeeld van twee steden aan de kust: Blankenberge en Oostende.
Die moesten nog met een bijkomende factor rekening houden: de opkomst van het toerisme dat toen nog in volle expansie was. Geef toe: wanneer je in leuke vakantiestemming van de trein stapt en het eerste wat je ziet is een kerkhof (vb.Sint Antonius in Blankenberge) dan weet je dat zo iets “impressionne désagréablement l’étranger dès son arrivée”. Bovendien: hoe verder van de kerk gelegen, hoe groter de afstand werd die de zwarte snikkende rouwstoet voor het oog van de toeristen moest afleggen!
Bovendien had men in die tijd net enkele verwoestende epidemieën (in Blankenberge de pokken) achter de rug en werd hygiëne, lucht en licht een topprioriteit. Kerkhoven werden algemeen aanzien als een belangrijke oorzaak van ziekten of minstens van bezoedeling, zowel van het grondwater (en zo van het putwater) als van de gezonde zeelucht. In Blankenberge zou een pomp van het Slachthuis (ironisch genoeg gelegen vlak bij het kerkhof) door organische resten verstopt zijn geraakt…
In de discussie met de randgemeenten naar waar men wilde uitwijken, werd met dat soort bekommernissen over en weer geslingerd. Zo argumenteert het gemeentebestuur van Uitkerke (waar Blankenberge zijn oog op had laten vallen voor de nieuwe Begraafplaats):” Voegt daarbij dat wij…nog bijzonderlijk ten gevolge van de noordwestenwinden die alhier om zo te zeggen voortdurend heerschen de eerste slachtoffers zijn der vuile en besmettende dampen die ons zullen tegenwaaien”. Er wordt dan ook prompt een “Comite local de salubrité” opgericht en een wetenschappelijk onderzoek gevraagd bij M.Rutot, “géologue et conservateur au Musée royal d’histoire naturelle à Bruxelles”.Oostende pakt het nog wetenschappelijker aan: daar kennen ze zelfs de chemische samenstelling van de gevaarlijke dampen :”La putréfaction d’un cadavre a pour résultat immédiat la formation de gaz, tels que l’acide carbonnique, l’ hydrogène phosphorique, l’ammoniaque ,l’hydrogène sulfure etc.; de plus, des exhalaisons d’une nature spéciale ,qui ne se soumettent à aucune analyse chimique…,d’une perfidie qui leur est propre. » En dat is niet alles: er is ook brandgevaar door « l’exhalation du gaz (hydrogène phosphoré) dont nous avons parlé et qui, arrivant à l’air dans des conditions déterminées, s’enflamme spontanément ». Het was dus toen met de begraafplaatsen  zoals nu met de stortplaatsen voor nucleair afval : Oké, maar niet in mijn achtertuin!…

Tenslotte was er nog het niet te onderschatten economisch argument :de winkeliers, handelaars en neringdoeners van Uitkerke vrezen in 1895 zwaar inkomensverlies door de rondtrekkende lijkstoeten en eisen van Blankenberge compensaties. Maar nog belangrijker is de invloed van de grondspeculanten (toen ook al ! ).De nabijheid van een begraafplaats kan de prijs van de omliggende grond doen dalen. En om een begraafplaats in duinenzand aan te leggen zouden bij onteigening exuberante bedragen moeten  neergeteld worden aan de grootgrondbezitters (die meestal uit het binnenland kwamen) (1).
Om maar te zeggen dat het soms letterlijk heel wat voeten in de aarde had vooraleer ook effectief tot de verhuis werd overgegaan…
 
Cis Kennes
Bronnen :
-  Verslag van het college van Burgemeester en Schepenen over het Bestuur en den Toestand der Zaken van de Stad Blankenberge gedurende de dienstjaren 1893-1898.
(1)   p. 326 :”Un cimetière ne pouvant être une cause de dépréciation pour les terrains à bâtir environnants, aucun de ces  spéculateurs ne consentirait à nous vendre à l’aimable un emplacement. Nous serions obligés d’exproprier judiciairement et comme il s’ agit de terrains de grand avenir, nous serions condamné à les payer un prix insense… »
-  Ville de Blankenberghe. Règlement concernant la police de la voirie (…) des inhumations, des bains de mer, des bâtisses etc., 25 janvier 1882., p. 32, Titre IV : Inhumations.
-  Ostendiana 1907, Tome Troisième ,par Robert de Beaucourt de Noortvelde.
 
Foto’s bekomen van Cis Kennes

Ootmarsum en Zutphen in beeld Alberta Van Asbroeck gaf de neerslag van haar bezoek aan Zutphen en Ootmarsum


Ons lid Alberta Van Asbroeck ging als eerste in op ons verzoek naar artikels en dies meer. Van haar trip naar Nederland met de Joodse begraafplaats van Ootmarsum en Zutphen maakte zij een aantal mooie foto’s. Een bloemlezing. De foto’s en de bijhorende teksten zijn van de hand van Alberta Van Asbroeck.
   

Tante Kato ging op reis En ze zag het graf van Amália Rodrigues


* 1920-1999 * Nationaal Pantheon Lissabon, Portugal *

Ze is de Portugese Maria Callas (1923-1977). Wat Billie Holiday (1915-1959) voor de blues betekende, was Amália voor de fado. Vergelijkingen met andere grandes dames is voor de hand liggend maar weinig origineel. Feit is dat de Rainha do Fado (koningin van de fado)
het symbool is van de Portugese culturele heropstanding. Wie zoals ik midden de twintigste eeuw geboren werd, leerde de fado via haar kennen. Amália Rodrigues was méér dan vijftig jaar de belangrijkste fadista en dankzij haar kreeg dit muziekgenre wereldwijde bekendheid.  Een reisje naar Lissabon is niet compleet zonder het graf van Amália Rodrigues met een bezoek te vereren.

De exacte origine van de fado (van het Latijnse fatum, het lot) is nog niet achterhaald. Volgens een bepaalde interpretatie gaat de zang terug tot de eerste zeevaarders, die met heimwee aan hun land dachten. De fado kan ontstaan zijn in Brazilië, waar de zwarte slaven hun lot betreurden. Zoals de blues is de fado een uiting van ellende, hoop, leed, liefde, passie, pijn, verdriet, verlangen en zorgen. Fado is een schreeuw, een sfeer, een gemoedsgesteldheid.  Noch vrolijk noch triestig. Rond 1822, in de periode dat Portugal de kolonie Brazilië verloor, kwam de fado naar Lissabon. Daar werd de muziek vermengd met de nog steeds aanwezige eeuwenoude Arabische invloeden. Bij alle miserie voegde men de treurnis om de vergankelijkheid van Portugals glorieuze verleden en het heimwee naar vervlogen heldenmoed. Rond de tijd dat Amália geboren werd, had de fado zich in heel Portugal verspreid.

De ouders van Amália migreerden van de westelijke provincie Beira Alta naar de hoofdstad.  Amália werd dus aan de oevers van de Taag in Oost-Lissabon geboren, in het oude stadsdeel Alfama. Die naam is afgeleid van het Arabische Al-Hama  en betekent Warm Water, naar de op deze heuvel gelegen bronnen. De hele wijk leefde van de haven en haar producten en de kleine Amália moest een centje bijverdienen door langs de straten te leuren met vis en fruit. ‘s Avonds na een dag hard labeur kwam de hele wijk samen om te luisteren naar de fado vadio, de reizende fado of volksfado, vaak zonder begeleiding van instrumenten. In 1935 kon de jonge Amália voor het eerst optreden begeleid door een gitaar. In 1940 huwde zij met Francisco da Cruz, een draaier-mecanicien maar ook amateur gitarist. Het huwelijk duurde maar twee jaar. In 1943 trad zij voor het eerst buiten de landsgrenzen op, met name in Spanje en Brazilië. Na de Tweede Wereldoorlog raakte de fado over de hele wereld bekend. Vanaf 1947 trad Amália ook in een aantal films op. In 1961 vond zij het huwelijksgeluk aan de zijde van César Seabra, een ingenieur met wie ze in Copacabana woonde. Ze hadden drie kinderen.
Amália is opgegroeid onder de dictatuur van Antonio Salazar (1933-1968) en dit zorgde voor een wrang aspect van haar leven. Salazar, die de grootheid van Portugal maar al te graag hoorde bezingen, bracht de fado tot het niveau van nationale kunst. Amália genoot dus in een zekere zin de bescherming van het fascistische regime. Op onze Expo 58 kreeg ze van Portugal een eremedaille en in 1966 zong ze bij de inauguratie van de Salazar-brug (nu 25 April-brug). Na de Anjer-revolutie (1974) kwam de muziek, die zo intens door de dictatuur omarmd was, in diskrediet. Amália koos de zijde van de revolutionairen waarna haar verweten werd een vermomde fascist, een collaboratrice en een opportunist te zijn. Laat ons aannemen dat Amália nooit aan politiek gedaan heeft en dat ze zich alleen maar met haar kunst bezig hield. 
Amália Rodrigues trok zich een tijdje terug uit de schijnwerpers maar uiteindelijk was de fado sterker. Twee jaar voor haar dood verscheen “Segredo”, haar laatste CD.
Amália werd eerst begraven op het Cemitério Dos Prazeres. Kort daarop werd ze als een nationale heldin bijgezet in de Santa Engrácia-kerk, die in 1916 de bestemming van Nationaal Pantheon gekregen had. Dit gebouw heeft een merkwaardige geschiedenis: een eerste kerk dateert van ca. 1570 maar die werd op een koude winternacht van 1630 ontheiligd. Iemand had het tabernakel stukgeslagen en de hosties ontwijd. Als zondebok werd een jood aangeduid, die onschuldig was maar niet voor een alibi kon zorgen. De man had namelijk een geheime verhouding met een kloosterlinge. Om haar en haar klooster niet in verlegenheid te brengen, zweeg hij als de dood, tot op de brandstapel.  In de kerk mocht wegens die heiligschennis geen mis meer opgedragen worden. Gelukkig zorgde een storm in 1681 voor de oplossing. De oude kerk stortte in en men was eindelijk verlost van alle miserie. Nu kon
een nieuwe kerk gebouwd worden. Groter, prachtiger en hoger dan de vorige.  De bouw van de mastodont duurde maar liefst 284 jaar. Eigenlijk moest in 1916 alleen nog de koepel geplaatst worden, maar de architecten en bouwkundigen vreesden dat de muren nooit het gewicht van de koepel zouden kunnen torsen. Een “werk van Santa Engrácia” betekent in Portugal dan ook “een werk van lange adem”. In 1966 werd het Pantheon eindelijk ingehuldigd.


Het witte gebouw torent boven de rode daken van Alfama uit. Van op het terras op de zesde verdieping (gelukkig is er een lift) heeft men een schitterend panorama over oostelijk Lissabon. Het is een van de weinige plekken waar men Lissabons twee bruggen kan zien. Het grondplan van het gebouw is een Grieks kruis met verkorte armen. Onder de koepel is de centrale ruimte, uitgevoerd in kleurige koele marmer. Hier staan onder meer cenotafen voor Hendrik de Zeevaarder en Vasco da Gama. In de vierkante hoektorens zijn vier zijkamers ondergebracht. Zo is een kamer gereserveerd voor politiekers en een voor de Lusiphonos, de
verspreiders van de Portugese taal. Hier vinden we de tombe van Amália Rodrigues, de ambassadrice van de fado.

Haar huis in de Rua Sao Bento werd een museum. Wij hebben het jammer genoeg niet gezien. Manlief, we zullen toch nog eens terug naar Lissabon moeten !
Tante Kato

Het kerkhof, een leerschool voor burgerzin een opmerkelijk initiatief Cis Kennes bezorgde artikels, Jacques Buermans maakte samenvatting met persoonlijke bedenkingen


Sociale omkadering als mogelijkheid tot behoud van het oud funerair patrimonium.
 
Ons lid Cis Kennes bezorgde mij enkele artikelen en ik geef daar de neerslag van.
 
Bescherming, behoud en onderhoud van historische graven lijkt, wanneer ze aan de zorgen van de gemeentelijke diensten overgelaten worden, te zien aan de materiële staat waarin ze zich bevinden een onmogelijke zaak. Klasseren van een oud kerkhof biedt weinig echte oplossingen indien men vooraf niet de kiemen van een plaatselijke motivatie ontwikkeld heeft. Klassering lost niets op zonder plaatselijke en vrijwillige maatregelen. Sinds jaren bekostigd de directie van de lokale overheid van het Ministerie van de Waalse gemeenschap “Eté solidaire – je suis partenaire”, tijdelijke projecten gericht tot de plaatselijke jeugd. De jongeren krijgen de kans om een centje bij te verdienen. De stad Aarlen had in de voorbijgaande jaren met dit project het kerkhof van Thermes laten opkuisen. In 2003 werd dit project verder uitgewerkt om een gedeelte van de begraafplaats van Aarlen te laten opkuisen door adolescenten met sociale en schoolse moeilijkheden. Met gaf alzo een professionele opening naar beroepen uit de erfgoedrestauratie. Naast gemeenteverantwoordelijken die voor de materiële uitvoering van het project zorgden (maaltijden) en de dienst Werken die werktuigen ter beschikking stelde (borstels, emmers, water (?)) en een gepassioneerd werknemer werd een structurele omkadering gevormd. Het theoretische en historische luik werd toevertrouwd aan specialisten: Carlo Kockerols, historicus, begeleidde een bezoek aan de begraafplaats; Jacky Legge, coördinator van de commissie ter bescherming van het funerair patrimonium in de streek van Doornik, hield een voordracht rond kerkhofsymboliek en de Beheerscel van het funerair patrimonium gaf een algemene inleiding tot de kerkhofcultuur en zorgde voor dagelijkse aanwezigheid op de site. Het technische luik werd overgelaten aan twee organisaties. Eén leverde uitstekende informatie over de onderhoudskenmerken van de materialen die verwerkt dienden te worden en stuurde geregeld iemand naar de werf. Het Insitut du Patrimoine organiseerde een praktijkdag rond de bewerking van steen. Het project kreeg de financiële steun van de provinciegouverneur en de deelnemers aan de stage kregen een attest van de verworven kennis. In 2004 werd het project herhaald. Het geheel heeft een verbazend beschermingsproces in beweging gezet: die jongeren gaan zich opnieuw en tastbaar hun “historische wortels” toe-eigenen er wordt een kans gegeven én aan de adolescenten én aan het lokaal erfgoed. De jongeren krijgen een andere kijk op begraafplaatsen en zullen het niet in hun hoofd halen om een kerkhof te beschadigen. Het proces is in beweging gezet en kan alleen maar vooruitgaan. Het gemeentepersoneel belast met de begraafplaatsen spendeert de beschikbare tijd aan het opkuisen van grafstenen en het herstellen van afsluitingen in gietijzer. Meer nog: de stad laat alle graven restaureren van personen die met een straatnaam bedacht werden.
 
Enkele jaren later blijkt dat het project, gestart in Aarlen, navolging kreeg. In Comines-Warneton werden jongeren ingezet om een ruimte voor rouwbetuigingen te herstellen; Viroinval liet al de gietijzeren kruisen herstellen door jongeren; Spa ten slotte zette jongeren in om de “Engelse” zone, funerair spoor van de grote 19de eeuwse Engelse gemeenschap, te laten herstellen. Aan de hand van deze voorbeelden ziet men dat er nog ontelbare mogelijkheden open liggen.
 
Artikel van de hand van Xavier Deflorenne, coördinator van de beheerscel van het funerair patrimonium.
 
Jacques Buermans zorgde voor de korte inhoud
Het Waalse initiatief is uiteraard lovenswaardig te noemen. En het is misschien niet onverstandig om deze zomer eens ter plaatse te gaan kijken hoe een en ander daar concreet verloopt. Toch ben ik wel een beetje voorzichtig om meteen te juichen “dat kunnen wij ook!” In de eerste plaats is Xavier Deflorenne niet de eerste de beste. Die man heeft zijn sporen op funerair gebeid reeds jarenlang verdiend. Hij was jaren geleden misschien de eerste en ook de enige die zich het lot van begraafplaatsen en kerkhoven aantrok. Hij bezocht alle Waalse begraafplaatsen en documenteerde zich in deze materie. Als we dan zien dat voor de uitvoering een beroep wordt gedaan op mensen zoals Carlo Kockerols en Jacky Legge, dit zijn Waalse funeraire iconen, alhoewel Carlo van Antwaarepe is. En wat is er in Vlaanderen: noppes. Natuurlijk zijn er lokale initiatieven, zijn er mensen die het goed voorhebben met onze dodenakkers (zijn wij dat niet allemaal?) maar hetgeen Wallonië heeft is één overkoepelend orgaan. Eén organisatie die overal te lande en waar ze gevraagd worden deskundigen kan afvaardigen om de initiatiefnemers met raad en daad bij te staan. Indien men overkoepelend werkt kan men met enkele specialisten het gehele gebied bestrijken.
 
Natuurlijk zijn er hier in Vlaanderen al initiatieven geweest. Rudy D’Hooghe, lid van onze vzw Grafzerkje maar bovenal beheerder van de Gentse begraafplaatsen, ging ooit eens aan tafel zitten met de leerkrachten van een vakschool om een muur van de begraafplaats te laten herstellen. Rudy, lees: de stad Gent, zorgde voor de aanvoer van materiaal en voor maaltijden en de leerlingen konden veel ervaring op doen. Maar ik blijf toch voorzichtig. De stad Antwerpen zette ooit Witte Tornado’s, zo genoemd naar de witte kledij die ze droegen, in om de hoveniers op Schoonselhof bij te staan. Wel, mijn doden waren actiever dan het merendeel van die mensen. Er zaten natuurlijk enkele jongens bij die het goed meenden (ik meen zelfs te weten dat een ervan vast benoemd werd op de begraafplaats) maar het merendeel kwam er maar om op hun, gekregen, borstel te leunen. Dit werkte dan nog in de verkeerde richting want de hoveniers moesten voor twee werken. In Haarlem vertelde de beheerder mij dat er ooit een project opgestart werd om jonge drugsverslaafden te laten werken op de algemene begraafplaats: binnen de kortste keren zaten de hoveniers aan de drugs? Het klinkt allemaal mooi “jongeren aan het werk houden” maar dan dienen die jongeren ook de nodige motivatie aan de dag te leggen. Ooit leidde ik een volledige klas van de afdeling restauraties van de Antwerpse academie rond. Ze vonden dat best leuk een halve dag in open lucht. Toen ik enige tijd later een summiere restauratie aan een grafmonument wenste te laten uitvoeren dacht ik dat dit misschien iets was voor enkele van deze jongeren: een project voor enkele leerlingen die zich zo konden bekwamen en dan nog, tijdens het zomerverlof, een cent konden bijverdienen. Ik contacteerde de prof en twee “dapperen” kwamen af. Ik zie ze nog zo van de tram stappen: iemand die naar het schavot gevoerd wordt loopt sneller. Vandaar ging het op een drafje, lees: 15 minuten voor enkele honderden meters, naar de “plaats des delicts”. Beiden keken gebiologeerd naar het grafmonument, ik zegde hen dat indien dit niet tot hun vakgebied behoorde ze dit maar dienden te zeggen, de snuggerste van de twee haalde een fototoestel boven, fotografeerde het monument enkele keren, ging zich bij de prof informeren en … dat was het laatste dat ik van hen of van hun prof vernomen heb.
 
Ik schiet zulk een initiatieven zeker niet af maar de kandidaten dienen professioneel begeleid te worden en vooral ze dienen dit te doen omdat ze dat graag doen niet omdat ze “moeten”. Ik zie veel meer heil in hetgeen de stad Hasselt doet: enkele oudere, gemotiveerde, laaggeschoolde langdurig werklozen een korte opleiding geven en hen dan kleine restauraties laten uitvoeren. Op het oude kerkhof van Hasselt kun je zien dat dit werkt: het resultaat is zichtbaar en die mensen zijn fier over hun verwezenlijkingen.
Jacques Buermans

Voordracht door ons lid dokter De Cock Een namiddag over het overschrijden van de grens tussen leven en dood


In het kader van de Week van de Liefhebber die in Hoboken in het teken stond van “over de grenzen van dood naar leven” organiseerde Haki van ons lid Leo D’Heu een ganse middag over dat onderwerp. Ondergetekende mocht een rondleiding verzorgen op de begraafplaats en die sloot perfect aan bij het onderwerp want hier werd de grens tussen leven en dood overschreden. Later werden in het lokaal van Haki twee voordrachten gegeven. Professor Adriaan Van Zelst had het over “Leven tussen dood en geboorte, een esoterische visie”. Deze voordracht deed een aantal emoties sterk opleven maar de spreker kweet zich meer dan voortreffelijk van zijn taak om op de meeste prangende vragen een antwoord te verstrekken. Ons lid, dokter Lucien De Cock, had het in zijn betoog over “Rituelen en gewoonten”. Een kleine bloemlezing uit deze voordracht.
 
Het eerste deel van de uiteenzetting ging over het “dode lichaam”. Op de vraag “wat blijft er over van een menselijk lichaam” antwoordde de spreker dat alles afgebroken wordt door de natuur. De schedel en de dijbeenderen blijven als laatste over. De dokter ging ook dieper in op gebruiken die wij niet kennen. Zo blijven in Thailand lichamen gewoon liggen tot ze opgegeten worden door de gieren. Blikbaar schept zich hier een probleem want de gieren zijn onvoldoende in aantal. Verbranden is in Europa gekend sinds 1867 maar was 1000 jaar voor onze tijdsrekening die meest verspreidde vorm. Lucien De Cock had het dan over wat er ook nog met lichamen, of delen ervan, kan gebeuren. Sommigen worden herbegraven. Denken we hierbij aan de verdienstelijke Fransen die een, tweede, laatste rustplaats kregen in het Pantheon. Lichamen worden ook bewaard. In een knekelhuis, in catacomben of zoals de Kapucijnermonniken in Palermo. Maar ook Lenin in zijn mausoleum en Jeremy Bentham in zijn Londense kast zijn voorbeelden. Lichaamsdelen worden ook bewaard. Naast de schedels die in “beinhaüser” te bezichtigen zijn kennen we ook de Habsburgers wiens vorsten in drie Weense kerken bewonderd kunnen worden: de gemummificeerde lichamen in de Kapuzinergruft, de harten in de Herzgruft en hun ingewanden in de Stephansdom. Ook is er het gebruik om haren te bewaren van een geliefkoosd overledene. Maar ook bloed, relikwieën, tongen en zelfs de penis (Napoleon en Rasputin) werd soms bewaard. Ten slotte kent men nu het afstaan van een lichaam ten voordele van de wetenschap om DNA-onderzoek op te doen of voor orgaantransplantaties.
 
In een tweede deel ging dokter De Cock dieper in over waar er begraven werd. Onze begraafplaatsfanaten kennen allemaal 1784 en Jozef II die verplichte om begraafplaatsen in te richten maar dit was volgens de spreker het eindpunt. Reeds van in de préhistorie werd er begraven. In het steentijdperk, Karnak, kende men menhirs, dolmen en catacomben. In het bronstijdperk waren er de grafheuvels en werd er gecremeerd en begraven in urnenvelden. In het ijzertijdperk kende men crematie en begravingen. In het begin van onze tijdrekening werd men begraven en kende men de catacomben. Vanaf 313 werd en bovengronds begraven en in kathedralen. Tegen de “idealen van de Romeinen” in werd er begraven buiten de stad, de via Appia. Na Karel De Grote kende men alleen nog begraven. Na, niet zo vredelievende, contacten met de vikings kende men Runenstenen, bootgraven en grafheuvels. Vanaf het jaar 1000 werd en begraven. In de kerken voor de bisschoppen, de koninklijke families en de “groten der aarde”, Rubens. De “gewone” man kreeg zijn laatste rustplaats op het kerkhof. En toen was er, waar wij altijd ons verhaal beginnen, 1784 en onze Jozef II.
 
Een massa informatie wijzer en, zeker voor wat de voordracht door professor Adriaan Van Zelst betreft, met een zicht op een visie die mij voorheen volledig onbekend was toog ik huiswaarts. 
Jacques Buermans

Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie Een laatste gedicht uit de dichtbundel van Rudy Witse, ofte Willem Houbrechts


De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een tiende en laatste gedicht.

 

schoonselhof (exit)

 

teveel begraafplaatsen

liep ik in. en uit. teveel

doden heb ik in verzen

begraven. niet herdacht.

 

het moet maar eens gedaan zijn.

er moet maar eens de moed zijn om

de sprong te wagen. om te gaan kijken

hoe dan andere heelal

behangen en beschilderd is.

 

of dààr misschien iets

aan de wanden hangt, entwat tegen de muren

leunt, de moeite van het bekijken waard

tot het einde der tijden.

 

twijfel heerst,

en niemand geeft een antwoord.

 

Rudy Witse

 

Wie de dichtbundel, niet verkrijgbaar in de boekhandel, wenst aan te schaffen, prijs € 20 – verzendingskosten NIET inbegrepen, kan dit doen bij Houbrechts Willem, 03/230 49 26, E-mail: [email protected]De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een tiende en laatste gedicht.

Den Haag een meevaller op alle gebied Verslag van de driedaagse


Nadat we enkele jaren geleden Amsterdam bezochten was nu Den Haag aan de beurt. We mochten ook rekenen op onze Nederlandse vrienden van de Terebinth om deze trip “bij het grote publiek” bekend te maken. Gestart werd te Delft met vier Nederlandse mensen, acht Vlamingen. Vier Vlamingen werden toen al als vermist opgegeven, Leo & Christine uit Brugge zaten vast met wagenpech in … Antwerpen.
 
In de Oude Kerk, gebouwd tussen 1240 en 1540, had de gids het over de nieuwe leer. Het protestantisme is bij ons zeker niet zo verspreid als hier. Het graf voor zeevaarder Piet Hein werd in de Franse tijd verwijderd. Piet, let wel Hein niet onze organisator Piet Vernimmen, rust met zijn hoofd op een kussen. Onze gids wist te vertellen dat dit kwam omdat hij in zijn bedstee en niet in de strijd het leven liet. Elisabeth Morgan, dochter van Marnix van Sint Aldegonde, stierf in het kraambed. We stonden ook bij de laatste rustplaats voor schilder Joannes Vermeer: een eenvoudige kerktegel. De mensen van de kerk hadden er een kopij van een schilderij van de grote meester bijgezet want anders liepen de drommen Japanners er straal voorbij. Recent werd een nieuw grafmonument opgericht. Zeeheld Maarten Tromp is vereeuwigd in zijn volledige wapen,uitrusting, het hoofd rustend op een kanon. Tromp liet het leven in volle strijd. Wetenschapper Anthony van Leeuwenhoek, de man van de microscoop, ligt hier ook. Bij het buitengaan zagen we ook nog schoolmeester/dichter Poot bekend van zijn grafschrift “Hier ligt Poot, en hij is dood”.
Vandaar naar de Nieuwe kerk waar Piet Vernimmen ons gidste langsheen de, in tegenstelling tot in België, niet toegankelijke koninklijke crypte. Een prachtig monument voor Willem van Oranje, vader des vaderlands met de nodige symboliek. Dit alleen was al de verplaatsing naar Delft waard. Koning Willem I ligt hier onder een werk van Guillaume Geefs. Vlakbij een monument voor Willem George Frederik van de hand van de wereldberoemde beeldhouwer Antonio Canova. Hugo De Groot studeerde op 16-jarige leeftijd te Orleans met een studie over het zeerecht. Hij werd gevangen genomen en wist te ontsnappen in een boekenmand. Piet Vernimmen leidde ons naar het Kalverbos alwaar Louis XVII ligt. Of toch net niet? Was Carl Naundorff de koning of was hij een bedrieger? Het instituut van de Leuvense professor Jean Jacques Cassiman deed DNA-onderzoek en wat bleek: Naundorff kon geen kind van Marie Antoinette geweest zijn. Ne een welgekomen drankje kwamen Leo & Christine eindelijk de groep vervoegen, in een vervangwagen. Juist op tijd om het enige minpunt van de gehele trip mee te maken: de begraafplaats Oud-Rijswijk. Beginnen we positief: de begraafplaats werd aangelegd door Leonard Springer, leerling van de beroemde landschapsarchitect Zocher. En daarmee was alles gezegd. Onze gids, die alles van een papier diende af te lezen, zegde dan maar dat het “schilderachtig” was, wat bij organisator Piet ontlokte: schilderachtig? Verwaarloosd! Ik denk dat we zesmaal dezelfde weg aflegden en indien iemand het dan waagde om een funeraire toelichting te verstrekken werd ze bekeken zoals alleen maar onze “Londense funeral dragon”, Miss Pateman kan doen. Dat beloofde voor de twee volgende dagen maar ik kan nu al zeggen dat dit de enige “mindere” gids was.

Zaterdag en met nog maar één vermiste persoon, maakten we kennis met de Algemene begraafplaats van Den Haag. Al van bij de aanvang wisten we dat dit ander koek was. Onze gids de heer Gerard Scholtes wist ons van bij de aanvang te boeien. Den Haag kent geen funeraire gidsen zoals in onze grootsteden maar dit werd ruimschoots gecompenseerd door de moeite dat deze persoon, en ook zijn opvolgers, zich getroostten om zich te documenteren. Gerard legde al direct de link met Vlaanderen met het graf voor Constant Ceurremans, een Nederlands wielrenner die de gangmaker was van de Vlaming Chareltje Verbist toen die op de piste verongelukte. Leuk was dat Gerard het toen ontstane liedje kende: Chareltje, Chareltje, Chareltje Verbist; had ge niet gereden op de piste; had ge niet gelegen in uw kist. 

We stonden stil bij de laatste rustplaats voor Pieter Jelles Troelstra, politicus en dichter. Het graf is eigendom van de Partij van de Arbeid en voor Cornelis Willem Lely, waterstaatkundige en politicus. Hij was de ontwerper van het plan voor de drooglegging van de Zuiderzee en Lelystad is naar hem genoemd. Nicolaas Frederik Emmanuel de Gumoëns was een Zwitsers kolonel die sneuvelde bij de verdediging van de vesting van Antwerpen in 1832. Het gietijzeren grafmonument kreeg de naam “Citadel van Antwerpen” en verklaarde meteen waarom onze Piet getooid was met een das met de “A” van Antwaarepe. Ten slotte vestigde Gerard Scholtes onze aandacht op het mausoleum met Grieks-Romeinse sarcofaag voor Pieter en David Ragay, schatbewaarders. In 1830 betaalde David Ragay 8000 Gulden om het graf te onderhouden, een enorm bedrag. Iedere winter wordt een houten bekisting rond het monument geplaatst om het te beschermen tegen versuikeren. Twee keer per jaar wordt de tombe gelucht, dit levert de luikopener 12 Gulden op. En wij een van de eersten die het monument zonder houten bekisting na de winterperiode mochten ontdekken. Piet Vernimmen nam de gidsbeurt op Sint Petrus Banden voor zijn rekening. Gestart werd bij het graf voor Richard Brenninkmeyer, ondernemer en oprichter van C & A. Wat verder Joseph Luns, diplomaat en secretaris generaal van de Navo. Onze Piet zijn jeugdsentiment kwam boven bij het graf voor Jan Nowee die de boeken van Arendsoog schreef opgevolgd door zijn zoon Paul. Bij testament werd vastgelegd dat de reeks eindigde met het overlijden van Paul Nowee. Het graf Delboy was een werk uit het Brusselse atelier van de familie Salu. Grazio, telg van een Italiaans binnenhuisarchitectuurbedrijf kreeg een modern graf in plexiglas met kleurrijke foto’s en ruimte voor verse tulpen. Via Paul Ackett, impresario van North Sea Jazzfestival ging het naar de arcade. We waanden ons hier in Italië, ook al omdat de zon van de partij was. Onder de arcade ligt zanger Robert Long die op zijn verzoek in de omgeving van Dimitri Frenkel Frank begraven werd. 

Voor de uitgang lag Jean Theodoor Toorop, tekenaar en schilder. Het funeraire gedeelte werd afgesloten met Ter Navolging: klein maar fijn en met de laatste rustplaats voor schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken. 

Zondag werd gestart op de Joodse begraafplaats met maar liefst 18 deelnemers, gelijk verdeeld tussen Vlaanderen en Nederland. Een soortgelijke begraafplaats kennen wij niet omdat eeuwige grafrust in Vlaanderen niet verzekerd is. Orthodoxe Joden trekken dan maar over onze grens naar Putte. Daar hebben bijvoorbeeld de drie Antwerpse Joodse “gemeenten” elk hun begraafplaats. In Den Haag waren Sefardische, komende uit het Iberisch schiereiland, en Asjkenazische, komende uit Oost Europa, Joden begraven. Ook schilder Jozef Israels kreeg hier zijn laatste rustplaats. Vandaar trok het gezelschap naar de begraafplaats Oud Eik en Duinen. Van Frans Van der Linden, ook een bevlogen iemand, kregen we de nodige toelichtingen. We zagen hier dat een zelfmoordenaar buiten de muur van de kerkruïne begraven werd. Alhoewel de kerk in puin was toch kwam de zelfmoordenaar de kerk niet in!  De excentrieke Alexandra Tinne in haar tijd reeds een wereldreizigster kreeg de nodige aandacht. Zij zeulde in Afrika vier doodskisten mee van haar moeder, haar tante en twee kameniersters en kwam zo aan in Caïro. Haar halfbroer probeerde haar te overtuigen om terug naar Nederland te keren maar zij weigerde. Hij nam wel de vier lijkkisten mee om de lichamen in Nederland te laten begraven. Alexandra Tinne werd in Khartoum beroofd en vermoord. Een eigenaardig grafmonument waarbij de “Omega”, laatste letter van het Griekse alfabet, links stond en de “Alfa”, eerste letter van het Griekse alfabet, rechts stond. Eerst dachten we aan een foutje van de beeldhouwer, misschien in spiegelschrift gebeiteld, maar een van de deelnemers stelde, misschien niet onterecht, dat er eerst de dood is en dan de “wedergeboorte”. Frans Van der Linden vertelde uitgebreid over Louis Couperus, schrijver van “de boeken der kleine zielen” en “Eline Vere”. Couperus werd gecremeerd. 

Ook over Ferdinand Bordewijk, schrijver van “Karakter” wist Frans enkele interessante weetjes. Hij had nogal een “air” over zich en liet de vragen tijdens een interview in de derde persoon stellen. Het diende te zijn van “vindt u dat de schrijver Bordewijk enzovoort”. De interviewer werd door Bordewijk nageroepen: “het zal u interesseren van mij te vernemen dat de schrijver Bordewijk weer bezig is fantastische vertellingen te schrijven.” Een ander leuk verhaal was dat Bordewijk op verschillende adressen in Den Haag woonde. Ooit zegde hij “ik heb de indruk dat ik hier al eerder was.” Hekmeyer was militair en werd reeds gecremeerd in 1903 in Berlijn wegens het verbod tot cremeren in Nederland. De as werd bewaard in een door Ch. van Wijk vervaardigd monument en in de tuin van zijn landgoed bijgezet tot het overlijden van zijn echtgenote in 1922. De gemeente Voorburg weigerde de zorg voor het monument waarna het in Oud Eik & Duinen werd geplaatst. Hier ligt ook de broer van Prins Bernhard die ooit conservator was van het Metropolitan Museum in New York. Hij leed aan de ziekte van Parkinson en werd door Bernhard naar Nederland gehaald waar hij overleed. Ook beeldhouwer Toon Dupuis, afkomstig uit Vlaanderen, passeerde de revue. Over revue gesproken: wij kenden ook namen als Willy Derby en Jean Louis Pisuisse met zijn lied “Mens durf te leven”. Toeval of niet … hij werd samen met zijn minnares Fie Carelsen vermoord door diens echtgenoot. Op het eind van de rondleiding kregen we ook nog de bekende pistewielrenner Piet Moeskops voorgeschoteld. Moeskops werd vijf keer wereldkampioen sprint. Als slot van deze funeraire hoogdagen kregen we van organisator Piet Vernimmen een rondleiding op Nieuw Eykenduynen. Muzikale, ook in Vlaanderen, bekenden waren hier Theo Uden Masman, oprichter van the Ramblers en Rudy Wairata, van de Kilima Hawaiians. Bij Simon Vestdijk vertelde Piet een verhaal en bij dichter Willem Kloos droeg hij een van diens gedichten voor. Eindigen deden we met een “mysterie”: het Raadsel van Nieuw Eykenduynen. “Hier rust zij van wie niemand wist dat zij de mijne was”! Niemand weet wie de steen plaatste. Een minnaar of minnares? Een geheime relatie of overspel? Niemand weet hoe lang de steen hier al ligt. De steen is bij toeval ontdekt bij een drastische snoeibeurt. Eerder pronkte hij aan de voet van een treuriep. 

Wat iedereen wel zal geweten hebben is dat de afwezigen eens te meer ongelijk hadden. We konden genieten van een prachtige organisatie van Piet Vernimmen, een leuke samenwerking tussen de Terebinth en vzw Grafzerkje en daarom ook een samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen, samenwerking die zeker voor de toekomst nog een vervolg krijgt.
 
Jacques Buermans

Begraafplaats Schoonselhof op Asce Ook in Italiaans vakblad


Vzw Grafzerkje sloot al een hele tijd geleden aan bij Asce (Association of Significant Cemeteries in Europe. Enkele tijd geleden vroeg ik de organisatie of we Schoonselhof op de website mochten zetten, want aangesloten steden betalen veel meer om toe te treden. Dit werd ons probleemloos toegestaan. U kunt Schoonselhof vinden in goed gezelschap op www.significantcemeteries.net. Met trots kan ik u ook melden dat er in het maartnummer van Oltre, een Italiaans vaktijdschrift, een artikel van liefst negen bladzijden verscheen over Schoonselhof.
 
Jacques Buermans