Nieuwsbrief Nr. 33 - januari 2007

Nieuwjaarsbrief 2006 was meer dan positief voor vzw Grafzerkje


Bij een nieuw jaar horen nieuwjaarswensen. Ik mocht al een aantal Grafzerkjes de beste wensen voor een gelukkig, vreugdevol en vooral gezond 2007 overmaken. Bij degenen die ik nog niet kon bereiken in ieder geval uit mijn naam al het beste wat u zich kunt indenken voor 2007. Dat het een jaar mag worden waarin al je wensen werkelijkheid mogen worden.
 
Even terugkijken naar wat 2006 in petto had voor de vzw Grafzerkje. Eind 2005 hadden we 130 leden, niet slecht voor een eerste werkingsjaar. Op het eind van 2006 was dit reeds aangegroeid tot 160 leden. Wanneer ik dit neerpen kan ik reeds melden dat 67 leden hun aanbetaling voor 2007 reeds verrichtten. Wat daarbij opvalt is dat een aantal nieuwe mensen lid werden van onze vzw wat we uiteraard alleen maar kunnen toejuichen. De tweemaandelijkse rondleidingen konden zoals steeds op de nodige belangstelling rekenen. Webmaster Willy Cornelissens heeft momenteel niet minder dan drie websites waar hij zich over ontfermt www.grafzerkje.be, met al het nieuws over onze vereniging; www.schoonselhof.be, over Schoonselhof en www.antwerpsebegraafplaatsen.be waarop momenteel alle 14 Antwerpse dodenakkers staan. Wat dit laatste betreft heerst er ook een goede samenwerking met de lokale heemkundige kringen én met de cel inventarisatie van de stad Antwerpen. Alle betrokkenen wisselen informatie uit en er wordt eveneens geluisterd naar de desiderata van de verschillende, dikwijls uiteenlopende belangen verdedigende partijen.
 
Overname van grafconcessies is eveneens een meer dan positief verhaal. Onze leden namen momenteel 44 verlopen concessies over én, wat zeker zo belangrijk is, onderhouden ze ook. Daarenboven werden 29 grafconcessies overgenomen of opgeknapt door bemiddeling van vzw Grafzerkje.
 
Dankzij de donatie verkregen van de Stichting ter bevordering van de Volkskracht uit Rotterdam werden een hogedrukreiniger en een elektrische zaag aangekocht, materiaal dat mijns inziens nog iets te weinig gebezigd wordt door onze leden. Eind van deze maand wordt het grafmonument van Victor Driessens heringehuldigd. Dankzij de firma Verstraete & Van Hecke waren de kosten voor de vzw Grafzerkje verwaarloosbaar. (zie elders in de Nieuwsbrief) De vzw Themis Fraternitas gaf ons een dotatie die we dienen te bezigen om een aantal grafmonumenten te restaureren. Door de stad Antwerpen werd ons een bedrag van niet minder dan € 5000 toegezegd die we zouden bezigen om een tweetal “stadsmonumenten” op de begraafplaats Schoonselhof te restaureren. Het project op de Westerbegraafplaats waar An Hernalsteen haar, stevige, schouders heeft ondergezet (gelukkig maar anders was het monument misschien ingestort) zou ook nog in de eerste helft van 2007 voltooid dienen te zijn.
 
Ik heb zo’n sterk vermoeden dat we in 2006 een hele stap in de goede richting hebben gezet. De contacten met stadsbesturen verlopen hoe langer hoe vlotter. (met als een der hoogtepunten de ontvangst die het bestuur van vzw Grafzerkje te beurt viel in Menen) Onze website wordt meer en meer gelezen en dit levert naast een aantal nieuwe leden ook contacten op die de vzw ten goede kunnen komen. We mogen ook zeggen dat we een aantal zaken bijgeleerd hebben wat voor de toekomst alleen maar vlottere afwikkelingen van dossiers tot gevolg kan hebben.
 
Jacques Buermans

Mechelen toont zijn, funeraire, schatten Geslaagde dag met twee verschillende rondleidingen


Onder leiding van de heer Wellens, die ons in het verleden reeds vakkundig rondleidde op de Mechelse begraafplaats, ging het om 10 uur richting Sint Rombouts.
 In 1207 werd aangevangen met de bouw van de kerk. In 1451 werd de sluitsteen van het koor geplaatst. Eén jaar later startte men met de bouw van de toren, wat nog eens 70 jaar zou duren. In 1559 werd Mechelen tot aartsbisschopdom gepromoveerd, de eerste kardinaal was de Granvelle. Een eerste grafmonument dat we bekeken was dit van Berthouts, heren van Mechelen. Boven het altaar, zo vertelde ons gids, geen schilderij zoals gebruikelijk is het gebeente van de Heilige Rombout. Aan de hand van een aantal schilderijen werd het leven van deze heilige uitgelegd. Spijtig genoeg konden we niet in het koor, daar zijn eigenlijk de prachtigste mausolea te bewonderen, onder meer voor de opvolgers van kardinaal de Granvelle: Joannes Hauchain, Mathias Hovius, Jacobus Boonen en Andreas Cruesen. Wat verder kardinaal de Franckenberg, kardinaal tijdens het Oostenrijkse bewind en de laatste kardinaal voor de Franse revolutie. Zijn grafmonument dateert uit 1818 en werd samengesteld uit beelden die van elders kwamen mits toevoeging van een medaillon met daarop kardinaal de Franckenberg. Zijn lichaam werd in Breda begraven en pas in 1924 naar Sint Rombouts overgebracht. 
   
Tussendoor zagen we ook de grafkapel voor kardinaal Sterckx uit het midden van de 19e eeuw. Aan de overzijde van het koor ligt de voorganger van kardinaal de Franckenberg: kardinaal d’ Alsace. Verder in de kerk wees de heer Wellens ons op de laatste rustplaats voor kardinaal de Méan. Kardinaal Mercier kreeg een gisant van de hand van een Pools priester-kunstenaar. Daarnaast kardinaal Van Roey. Een heel sombere grafplaat voor kardinaal Suenens, die in 1996 overleed. Onze gids had terecht Sint Rombouts als eerste gezet want we dienden de gebedsplaats te verlaten om plaats te maken voor een begrafenis.
Vandaar trokken we naar de Grote Markt van Mechelen. Onze gids vertelde over de twee bloeiperiodes van de stad: de Middeleeuwen en de Bourgondische tijd. Het beeld van Margaretha van Oostenrijk, die Mechelen uitkoos als residentiestad, moest wijken voor de wekelijkse markt en werd naar de hoek verbannen. De heer Wellens had nog enkele pittige anekdotes voor ons. Over het huis “het varken”, met een afbeelding van het dier op het dak, wist hij te vertellen dat de toenmalige eigenaar ruzie had met zijn buurman. Daarom deed het zijn gevoeg in de dakgoot van de buurman. Over een huis in de onmiddellijke omgeving wist de heer Wellens te vertellen dat het eertijds “de engel” heette. Na een nachtelijk bezoek van Karel de Stoute waar hem een allesbehalve vriendelijke ontvangst te beurt viel liet Karel de Stoute de naam “de engel” wijzigen in “den beer”, omdat hij de eigenares een beer van vrouw vond. We vernamen ook hoe de Mechelaars aan hun spotnaam “maneblussers” kwamen. Tijdens een “vochtige” nacht dachten ze dat Sint Rombouts in brand stond, de brandweer werd opgeroepen en kwam ter plaatse en begon te blussen. Toen pas constateerden ze dat het de maan was die achter Sint Rombouts scheen. We eindigden in de trouwzaal van het Mechels stadhuis waar we even dienden te wachten voor een aan gang zijnd huwelijk. Dus al onze tweede “begrafenis” van de dag. In de kolommenzaal bewonderden we een gigantisch wandtapijt “het beleg van Tunis” voorstellende dat geschonken werd door kardinaal de Granvelle. Een rondleiding met de vzw Grafzerkje zou niet geslaagd zijn zonder het steeds weerkerend “mysterie”. Onze An Hernalsteen zadelde de gids op met een vraag. Bij een wandtapijt van de hand van Willem Geets stelde zij dat bij  deze kunstenaar er een plooi in het afgebeelde tapijt ligt. Volgens kenner An is dit het geval voor elke afbeelding van een tapijt van de hand van deze kunstenaar. Ik dacht de het misschien te maken kan hebben met het feit dat Willem Geets, zoals onze An, een kettingroker was en hij ergens met zijn “stompeltjes” diende te blijven: onder het tapijt dus. De heer Wellens beloofde de zaak te zullen onderzoeken.
Om 14 uur van startten we met 15 deelnemers voor onze tweede funeraire ontdekkingsreis onder leiding van de heer Wellens. Op een plaats waar niemand, buiten onze Johan Moeys maar die was verdorie toch ter plaatse op prospectie geweest, verwachtte stond een plaquette voor Frederik de Merode die hier stierf. Hier waren er ook weer vragen want was de Merode niet overleden in Berchem bij Antwerpen? Neen, ziehier het verhaal: Frederik de Merode, Nederlander die tegen Willem I vocht, werd op 26 oktober 1830 gewond in de strijd bij Antwerpen. Dokter Seutin amputeerde het been van de onfortuinlijke de Merode in de hoop diens leven te redden. Dezelfde dag wordt Frederik naar zijn familie in Mechelen vervoerd. Op 4 november 1830 overlijdt hij aan zijn verwondingen te Mechelen. Zijn familie beslist om hem in Berchem te begraven. Onze eerste namiddagkerk was Petrus & Paulus, een Jezuïetenkerk. De heer Wellens vertelde hier over Marghareta van Oostenrijk. Haar lichaam werd begraven in een grafmonument in het Franse Bourg en Bresse, stad waar haar toenmalige echtgenoot overleed. Zij werd landvoogdes van de Nederlanden en haar hart vertoeft in het klooster van de Annunciaden te Brugge, omdat men zegde dat zij daar haar hart verloren had en haar ingewanden bevonden zich in een grafurne hier in Mechelen, omdat zij leefde en at in deze stad. Het graf werd vernield en overgebracht naar de Jezuïetenkerk waar zij rust onder een zeer eenvoudige plavei. Even schrokken we op toen we op een schilderij lazen “SEX doet de afgoden omwerpen”? Bleek dat het aan onze ogen lag want de heer Wellens wees er ons op dat er wel degelijk “S.F.X.”, Sint Franciscus Xaverius op stond. Of waar de mond van vol is? Tijdens de periode 1773 – 1783 werden hier 94 paters begraven in de crypte, die we niet konden zien. Wel zagen we een prachtig beeld “Maria met Jesus”, Maria houdt hier het kindje Jesus niet vast, het staat apart. Het beeld is van Maria Faid’herbe uit het begin van de 17e eeuw, zuster van Lucas Faid’herbe, waarvan we eerder reeds enkele meesterwerken mochten ontdekken. 
We bewonderden ook nog een beeld van Franciscus Xaverius op zijn sterfbed. Bij het verlaten van de kerk vergaapten we ons aan de 17e eeuwse preekstoel, de vier werelddelen symboliserend: Europa steunt op de hoorn des overvloeds; Amerika is een indiaan met typisch pluimenhoofdtooi; Azië wordt voorgesteld door een vrouw op blote voeten omwille van het brandend zand van de woestijn. Afrika is een negroïde figuur met aan zijn voeten een olifant en een krokodil met opengesperde bek – neen, dit is niet het symbool van de Brusselaar. Buiten stonden we op de plaats vanwaar we zicht hadden op de vier “akten”:  “Geloof” met de kerk die we juist verlieten, “liefde” met de stadsschouwburg (het voormalige paleis van Margaretha van York), “hoop” met het ziekenhuis en “berouw” met het gerechtshof, (het paleis van Margaretha van Oostenrijk). We namen een kijkje in dit prachtige gebouw. Vandaar toog het gezelschap op een drafje naar het Hof van Busleyden voor een bezoek aan een grafepitaaf. We zagen ook werk van de Mechelse kunstenaars Ernest Wijnants en Rik Wouters en konden ook een “schandpaard” bewonderen waarop vrouwen die zich prostitueerden te kijk werden opgezet. Het schijnt was het daar indertijd aanschuiven geblazen. We zagen daar ook het originele “Opsignoorke”. Deze houten pop, vroeger “sotscop” of “vuilen bras” genoemd, werd tijdens stoeten omhoog geworpen en terug opgevangen in een laken. In 1775 raakte de pop buiten het bereik van het doek en een Antwerpenaar, een zekere Jacobus De Leeuw, stak zijn armen uit om de pop af te weren maar werd van diefstal beschuldigd. Sindsdien kreeg de pop de naam “Opsignoorke”. Onze volgende kerk was niet toegankelijk wegens een doopfeest (dus we hadden op één dag een overlijden, huwelijk en doop gekregen) maar via het prachtige begijnhof en de kerk togen we naar Onze Lieve Vrouw aan de Dijle. We zagen daar het altaar van de visverkopers met een schilderij van Pieter Pauwel Rubens, de wonderbaarlijke visvangst. Moe maar voldaan en met een zak vol extra opgestoken kennis verlieten we Mechelen. De avondmis heb ik die avond maar even gelaten voor wat ze was want “trop is teveel”.
Jacques Buermans

Anneke Haasnoot “Verdronken streven”, nieuw gedicht


Anneke Haasnoot zorgt steeds voor de poëtische noot in onze Nieuwsbrief.
 
VERDRONKEN STREVEN

Ze wordt mevrouw genoemd
Telt achtentwintig jaren
Nog voel ik mij haar baren
Weer voelt mijn lijf gebloemd

Gedreven stond ik bij het vont
En liet mijn dochter dopen
Mijn grootmama stond bij de pont
Haar uurglas leeggelopen

Ik leek te zijn, maar was niet echt
Het kon niet, dood naast leven
Ik ging in nevelen gehuld

Bij wie kon ik hiermee terecht
Wie kon opheldering geven?
In dikke mist, van zorg vervuld

Bleef ik, verdronken, streven
 
Anneke Haasnoot

Baltics Rindert Brouwer bezocht de Baltische staten, laatste deel


Ons lid Rindert Brouwer en dé stuwende kracht achter de buitenlandse activiteiten van de Terebinth bezocht de Baltische staten en de begraafplaatsen aldaar. Hij bezorgde ons, in feuilletonvorm, de neerslag van zijn ervaringen.
 
feuilleton deel 9 en slot
 
ESTLAND - TALLINN (deel 3)
 
RAHUMÄE KALMISTU (begraafplaats ‘vredige aarde’)
 
In het zuiden van Tallinn ligt de Rahumäe kalmistu. De begraafplaats is goed te bereiken met buslijn 23/23A, die stopt bij halte Kalmistu in de Rahumäe tee. Je bevindt je dan bij twee ingangspoorten, aan beide zijden van de weg. De rechterpoort voert naar het oudste deel, de linkerpoort naar een nieuw deel en iets noordelijker daarvan ligt de joodse begraafplaats, de Juudi kalmistu. Langs de weg staan de bloemenstalletjes en -verkopers te wachten op klanten.

Toen op het eind van de 19e eeuw het inwoneraantal van Tallinn de 100.000 naderde, werd besloten tot de aanleg van een nieuwe begraafplaats voor verschillende religieuze groepen. Rahumäe kalmistu werd ingewijd op 7 november 1903 en werd aanvankelijk verdeeld over de religieuze gemeenten van Johannes, Karel, de Heilige Geest en de Baptisten. Later werd de begraafplaats diverse malen uitgebreid en kregen ook andere groeperingen stukken begraafgrond. De grootste uitbreiding vond plaats in 1928, toen de begraafplaats aan de overkant van de Rahumäe tee verder ging, ook met een joodse afdeling. De 29 hectare oppervlakte is nu verdeeld in 25 delen.
 
Buiten de apart gelegen joodse begraafplaats, is van enig religieus onderscheid niets (meer) te zien. Want ondanks het feit dat er op sectiepaaltjes verschillende namen staan, blijven de karakteristieke en typische kenmerken zich over het hele terrein herhalen. Zandbakken. Dat is het meest karakteristieke woord voor deze begraafplaats. De familiegrafveldjes, perekonna matusepaik, zijn omgeven door betonnen banden, waarbinnen een zandbak is gemaakt. Mooi geel zand, soms ook gravel in rode of okerkleurige tinten, gladgestreken of mooi aangeharkt met keurig rechte lijntjes van de hark. Soms wat slordig of verwaarloosd en met onkruid, maar over het algemeen keurig verzorgd. In die zandbak staat een stèle, er staan enkele plantjes en/of bloemetjes aan de kopse kant. Als er een bloembak staat is het een ronde. Hier en daar staat nog een krullerig gesmeed hekwerk rond het grafveld, soms staat er nog een bankje. Meestal staat er één grafteken, maar ook meerdere eenvoudige tegeltjes komen voor, slechts een enkele keer een eenvoudige sculptuur of reliëf in een dramatische of treurige houding. Er  staan veel bomen.
Groen begraven is ook hier standaard, zoals overal in Noord-Europa, waar we na de dood terugkeren naar en weer opgenomen worden in de natuur. Uit de namen op de paaltjes is de oorspronkelijke bestemming van de diverse sectoren af te lezen. In 1913 werd op het Kaarli vana-deel (oude Karelsbegraafplaats) een kapel gebouwd, die sprekend lijkt op de ingangspoort van de Vana-Kaarli kalmistu, die deel uitmaakt van de Siselinna begraafplaats. Waarschijnlijk is dit deel een voortzetting van deze eerste oude Karelsbegraafplaats. In 1932 werd een nieuwe moderne kapel toegevoegd voor de Pühavaimu- (Heilige Geest) - gemeente.
Verder staan er paaltjes, die afdelingen markeren als: Läti kalmistu (Letten), Rootsi kalmistu (Zweden), Jaani kalmistu (Johannes), Peeteli (Petrus) en Vaestekalmistu (armenbegraafplaats). Ook de brandweer kreeg in 1926 een apart veld, Tuletōrjrkalmistu.
Hoe weinig wij van de geschiedenis van Estland, c.q. Balticum afweten, blijkt uit een groot grafveld met ongeveer 250 namen van politieagenten en één datum: 1 december 1924. Op die dag moet een dramatische gebeurtenis hebben plaatsgevonden. In 1924 probeerden de communisten een staatsgreep te plegen ten tijde van de eerste onafhankelijkheidsperiode (1920-1941), die echter totaal mislukte. Heeft dat hier mee te maken? Een oude Est, die ons bij het graf ziet staan, steekt een heel verhaal af, ondertussen naar het monument wijzend. We verstaan er geen woord van, maar voelen de dramatische inhoud van de boodschap. Met behulp van het woordenboekje kunnen we de zin vertalen, die geregeld terugkomt: Isamaa Eest langenud 1.Detsembril 1924 - Gevallen voor het vaderland Estland op 1 december 1924.
Aan de overkant van de weg gaat de begraafplaats op dezelfde wijze verder: zandbakken. De jaartallen zijn recenter en de herhaling van steeds dezelfde symboliek gaat opvallen: een tak met hangende bladeren, vlammen en kaarsjes, al dan niet gedoofd. Er is al een heel nieuw veld met zandbakken aangelegd en omgeven met betonnen banden, die ter plaatse in een mal gegoten worden. Men kan voorlopig blijven doorbegraven
 
Juudi kalmistu
 
De joodse begraafplaats, die deel uitmaakt van de Rahumäe kalmistu wordt door een weg en  een omheining gescheiden van het oostelijke deel. Aan weerszijden van de poort staat een zuil met een Davidsster, terwijl in de spijlen van de beide poortdelen een chanoeka is verwerkt. Rechts van de ingang liggen een aantal geelgeverfde houten gebouwen met rode daken, waaronder ongetwijfeld een metaarhuis; of is het ook een synagoge? Diverse Davidsterren in de ramen geven de religieuze functie aan.
Het patroon van de zandbakken als familiegrafveldjes zet zich hier gewoon voort. Over de begraafplaats lopend zie je de voortschrijdende assimilatie van de joodse bevolking, die in het begraven nauwelijks afwijkt van de overige bevolking, maar nog wel op een eigen begraafplaats wil worden bijgezet. Vanwege de eeuwige grafrust? Aan de jaartallen te zien is deze begraafplaats ergens in de dertiger jaren van de 20e eeuw in gebruik genomen. Waar werden de joden dan eerst begraven? De oudste joodse begraafplaats heeft gelegen op de Siselinna kalmistu, maar is later geruimd. Hoezo eeuwige rust?

In tegenstelling tot Letland en Litouwen, waar de joden in getto’s bijeen werden gedreven en vandaar uit werden geëxecuteerd en gedeporteerd, verliep de joodse geschiedenis in Estland anders.  Toen  de  Duitsers  in  1941  Estland  binnenvielen,  trokken  de  Russen zich  terug  in  Rusland en met hen gingen de joden mee, gealarmeerd door berichten over jodenvervolgingen door de Duitsers. Van de joden, die toch achterbleven in Tallinn, werden ongeveer 850 vermoord. De Duitsers verklaarden op een gegeven moment triomfantelijk dat Estland ‘Judenfrei’ was. Nu is er in Tallinn en directe omgeving weer een joodse gemeenschap van ca. 4000 leden, die de Juudi kalmistu gebruiken.
 
De assimilatie is goed te volgen. Op de oudste graftekens komt nog veel Hebreeuws voort. Een enkele steen, zoals die van een kohen (priester) is geheel in het Hebreeuws. Er is zelfs een ohel, een tentvormig grafmonument, dat meestal voor rabbi’s werd gebruikt. Maar dan verdwijnt het Hebreeuws. Er komen nog wel veel joodse symbolen voor: een geknakte boom, de chanoeka en vooral de Davidsster. In de laatste fase verschijnen er graftekens met hetzelfde uiterlijk en met dezelfde symbolen als op de overige delen van de begraafplaats: vlammen, kaarsen, takken, zelfs een engeltje. Er zijn fotootjes op de grafstenen of een geëtste afbeelding van de overledene. En er staan bloemen of planten in de zandbak. De meeste teksten op de graftekens zijn in het Russisch. Er wordt, gezien de recente jaartallen, nog veel begraven.     Een grafzerk ligt verkeerd om, we zien het aan de zegenende handjes van de kohen, die dus ook verkeerd om zegenen en aan de traditionele Hebreeuwse openingsformule נ פ (Po nitman = hier ligt verborgen), die onderaan staat in plaats van bovenaan. Omdat de tekst op de steen in het Hebreeuws is, heeft degene die de zerk hier heeft neergelegd het waarschijnlijk niet goed begrepen.
Bus 23 brengt ons weer terug naar het centrum, waar een terrasje en een drankje lokken.
 
ANDERE BEGRAAFPLAATSEN IN TALLINN
 
Metsakalmistu (bosbegraafplaats)
Metsakalmistu werd gesticht in 1933 en geopend in 1939 en omvat een oppervlakte van 48,3 ha. In 1935 werd door architect Herbert Johanson een kapel gebouwd. Omdat het effect van een natuurlijk bos gehandhaafd moest blijven, werd in de voorschriften het plaatsen van kruisen, hekwerk of banden verboden en als maximum maat voor de grafsteen 80 x 50 cm aangegeven. Er mogen ook geen grote grafmonumenten geplaatst worden. Daardoor wijkt deze begraafplaats af van de gewone wijze van begraven in Tallinn.  En omdat op de begraafplaats aparte grafvelden bestaan, die bestemd zijn voor theatermensen, sportlieden, componisten, schrijvers, artiesten, journalisten, doktoren, architecten, wetenschappers en veteranen van de Estische onafhankelijkheidsoorlog is Metsakalmistu de meest nationalistische begraafplaats van Tallinn. De eerste die hier werd begraven was schrijver Eduard Vilde. Het familiegraf van de eerste president van Estland, Konstatin Päts (1874-1956), is ook hier. Bekende personen (voor de Esten), die hier zijn begraven, zijn dichteres Lydia Koidula, schrijver Anton-Hansen Tammsaare, Johannes Kotkas, schaakspeler Paul Keres, Raimond Valgre en Georg Ots.
Pärnamäe kalmistu (lindenbegraafplaats)
 
De grootste begraafplaats van Estland is de Pärnamäe begraafplaats, die in 1963 in gebruik werd genomen. De oorspronkelijke oppervlakte van 55 ha bleek na 15 jaar al te weinig, waarna de begraafplaats groeide naar de huidige 102 ha. De begraafplaats, die op een heuvelachtig terrein ligt, is verdeeld in 50 sectoren van ongelijke grootte. Ook hier zijn strenge voorschriften over de graftekens, die niet het algemene beeld van de natuurlijke omgeving mogen verstoren.
In 1992 werd een aula omgebouwd tot crematorium.
 
Liiva kalmistu (zandbegraafplaats)
Liiva begraafplaats werd in 1935 in gebruik genomen. Er is een kapel in functionalistische stijl van architect Herbert Johanson en een monument voor de slachtoffers van de ‘Rode terreur’. De oppervlakte is 64 ha.
Oorspronkelijk wilde men het principe van een maagdelijk boslandschap handhaven, maar vanwege de toename van begrafenissen moest men dit principe loslaten. Er is ook een deel met algemene graven voor patiënten van psychiatrische instellingen en voor mensen, die geen familie hebben.
Hiiu-Rahu kalmistu (Hiiu vredesbegraafplaats)
 
Met 2,2 ha is dit een van de kleinste begraafplaatsen van Tallinn, gesticht in 1919. De begraafplaats werd aangelegd naar ontwerp van architect K. Burman, het beheersgebouw uit 1934 door architect F. Wendach.
Er liggen een aantal prominente figuren uit de eerste onafhankelijkheidsperiode van Estland begraven. Voor de beroemdste van hen, Juhan Kukk (1885-1945), is er een symbolisch graf.
 
Pirita uus kalmistu (nieuwe begraafplaats van Pirita)
 
De nieuwe Pirita begraafplaats met een oppervlakte van 0,8 ha ligt in de wijk Pirita. De begraafplaats is gesloten, alleen familieleden kunnen worden bijgezet in bestaande familiegraven. Enkele bekende Esten, die hier zijn begraven: Enn Nurmiste, Madis Odenberg, Julius Koppel.
 
Rindert Brouwer
 
© Atelier ‘Terre aarde’
    tekst:   Rindert Brouwer
    foto’s: Jeannette Goudsmit & Rindert Brouwer
 
Wie alles nog eens wil nalezen: alle verhalen en gegevens zijn verwerkt tot een boekje van 52 bladzijden, met 65 foto’s (zwart-wit).
Het boekje NON OMNIS MORIAR. Begraafplaatsen in de Baltische Staten is te koop voor
€ 7,50. Ofwel incl. verzendkosten: Nederland € 9,00; België € 10,00
[email protected]
www.atelier-terreaarde.nl

Tante Kato ging op reis En ze zag het graf van George Sand


Amantine Lucile Aurore Dupin, barones Dudevant * 1804-1876 * Nohant, Frankrijk

In mijn tienerjaren dweepte ik met George Sand.  Niet omdat haar boeken me aanspraken - ik heb nooit een letter van haar gelezen - maar omdat zij een vrijgevochten, zelfbewuste, onafhankelijke, sigarenrokende en pantalon-dragende madame was. De mix “haar mannetje staan” met die uiterst vrouwelijke echte voornaam Aurore (de andere voornamen werden
niet gebruikt) boeiden mij tot en met. Als ik ooit een dochter heb noem ik haar Aurore, tot ik in gedachten schoolkameraadjes “horreur” op het speelplein hoorde roepen. Weg liefde voor Aurore en met de jaren verminderde mijn kalverdweperij met de revolutionaire George Sand. Toen we onlangs een reis naar Frankrijk planden en beslisten te overnachten in la France Profonde, in de Berry ter hoogte van Chateauroux kwamen de kriebels terug. Ik zou het kasteel én het graf van George Sand zien !

Aurore werd geboren in Parijs, ze was het liefdesproduct van een courtisane en een jonge edelman. De grens tussen de blauwbloedige hogere klasse en de style bohémien van de moeder heeft Aurore van jongsaf bewandeld. Na de dood van haar vader, toen ze vier was, nam haar rijke grootmoeder haar opvoeding in handen en die stuurde de weduwe-moeder met een goedgevuld kluitje in het riet. Vanaf dan waren de winters in Parijs en de zomers in Nohant - toen anderhalve dag reizen per koets - een vaste tijdsindeling. Als zeventienjarige erfde zij het 18de eeuwse landhuis van haar grootmoeder en het jaar daarop trouwde ze met baron Dudevant. Ze kregen twee kinderen maar Aurore werd smoorverliefd op de Berrichon Jules Sandeau en ze nam haar vriendje mee naar Parijs. Samen schreven ze een roman, die uitgegeven werd onder het pseudoniem Jules Sand. Na de breuk met haar Jules ging ze alleen schrijven, maar ze behield het tweede gedeelte van de schrijversnaam; en George (zonder s) verwees naar haar jonge jaren op een Parijse, Engelse school. Inmiddels liep een lange echtscheidingsprocedure want het was toen, dankzij Napoleon, als vrouw niet vanzelfsprekend je geërfde eigendom terug te krijgen.

Toen George Sand in 1836 eindelijk vrij was werd haar landhuis het toevluchtsoord en het zomerverblijf van kunstenaars als Balzac, Delacroix, Dumas fils, Flaubert, Gautier, Liszt, Mérimée en Tourgueniev, die zij haar vrienden mocht noemen. Maar de gepassioneerde vrouw had ook een tumultueuse levenswandel. Zij had talrijke minnaars, waaronder beroemdheden als Alfred de Musset (2 jaar) en Frédéric Chopin (9 jaar). George was alles behalve een luxe-popje. Ze was een werkende vrouw, die schreef voor haar boterham en die van haar gasten. Ook in het dorp werd ze op handen gedragen en er was treurnis alom toen de gevierde schrijfster op 72-jarige leeftijd aan een maagkwaal overleed.

Nohant is een klein dorpje met een pittoresk en charmant romaans kerkje en een dorpskerkhof dat grenst aan het domein van George Sand. In 1855 kocht zij het stukje van de begraafplaats dichtst bij haar tuin met de bedoeling er een familie-begraafplaats van te maken. Een laag muurtje met alledaags hedendaags hekwerk scheidt de twee begraafplaatsen. Vlakbij de omheining ligt het graf van George/Aurore. Het is een sobere tombe in Volvic-steen. Opdat je ’t graf niet zou missen staat haar naam nog eens in grote letters op de zijkant. Er liggen verder familieleden en nauwe verwanten begraven en de oude bomen zorgen voor de altijd groene mossen. Op het graf van ene Edmond Plauchut, een bewonderaar, leest men: “On me croit mort, je vis ici”.  
De graven kan men van op het dorpskerkhof zien, maar de geïnteresseerde zal zeker enkele muntstukken (6,50 €  in 2006) besteden aan een geleid bezoek van dit romantische huis, waar men oa Georges schrijftafel en sterfkamer kan zien. Daarna kan men nog uren vrij rondwandelen in park, rozentuin en uiteraard de privé-begraafplaats.

Nu ik ouder en misschien wijzer geworden ben, blijf ik toch een zekere bewondering koesteren voor deze grande dame - ook al was ze maar 1,55 m groot - die van bij haar geboorte een vat vol tegenstellingen was.

Een Belgisch tintje aan het einde van dit verhaal: de kleindochter van George Sand erfde blijkbaar ook haar gastvrijheid want in 1940 werden in deze manoir Belgische vluchtelingen opgevangen.
 
Tante Kato

Politie en district geven het goede voorbeeld grafmonument overgenomen door Berchems district


Op vrijdag 15 december 2006 vond een plechtigheid plaats op de begraafplaats van Berchem. Het district en de politie van Berchem namen de grafconcessie Jaak Daems over. De concessietermijn was verlopen en er bleken geen nabestaanden te zijn. Het risico bestond dat het graf van Daems ontruimd zou worden. Zo ver liet de Berchemse districtsraad en het politiekorps het niet komen. Zij “adopteerden” het grafmonument.
 

Wie was die Jaak Daems? In 1944 trad hij toe tot het politiekorps van Berchem in. Hij trad in de voetsporen van zijn vader Eugene die ook agent was. Eind 1946 woedde er in Berchem een ware plaag van inbraken en diefstallen. Op kerstavond zou er een gecoördineerde politieactie plaatsvinden. Jaak Daems was eigenlijk niet van dienst maar hij gaf zich op als vrijwilliger, omdat hij vrijgezel was en geen andere plannen had. Aan de Berchemse Elisabethlei werden Daems en zijn collega bedreigd door drie criminelen die hen ontwapenden en verplichtte om op de buik te gaan liggen. Uit angst om herkend te worden schoot één van de boeven Daems neer met een laf schot in de rug.
 
Het toenmalige gemeentebestuur nam de kosten voor de begrafenis volledig op zich. In een brief aan de ouders die hun enig kind net verloren hadden schreef het Berchem  gemeentebestuur: “Wees overtuigd dat we steeds de herinnering zullen behouden aan uw geliefde zoon”.
 
Het huidige districtsbestuur hield woord en “adopteerde” de grafconcessie. Het graf bevindt zich op perk 13 - Mb - 28.
 
Jacques Buermans

Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie Achtste gedicht uit de dichtbundel van Rudy Witse, ofte Willem Houbrechts


De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een achtste gedicht.
 
door van rijswijck
 
wie aan den drank zijn geld verteert,
wiens lever slechts jenever eert,
wie walm en roes als hemel ziet,
hem spaart de Nijv’re Maaier niet.
 
wie in het rokerig lokaal,
wie in de overvolle zaal,
hekelt en zuipt en wartaal lalt,
wie ogen rolt en vuisten balt,
 
wie d’afkomst als een schande voelt,
wie poëzie als dolk bedoelt,
wiens woorden raken waar zij slaan,
vlug is ’t met hem gedaan.
 
wie vrouwen liefst ziet zonder kleren,
wie pijnlijk pist en klaagt van zweren,
wie enkel naar zijn zinnen leeft,
hij hope niet dat God ’t vergeeft.
 
daarom en dat is de moraal,
daarom is ’t eind van het verhaal,
dat wie in zond’ zijn dagen slijt
zichzelf alleen ’t gevolg verwijt.
 
envoy
 
o lief, o broer, o kastelein,
zoek niet waar toch mijn graf mag zijn,
’t is lelijk, schamel, ‘t is niet groot,
het is gewoon – zoals de Dood.
 
Rudy Witse
 
Wie de dichtbundel, niet verkrijgbaar in de boekhandel, wenst aan te schaffen, prijs € 20 – verzendingskosten NIET inbegrepen, kan dit doen bij Houbrechts Willem, 03/230 49 26, E-mail: [email protected]

Herinhuldiging grafmonument voor Victor Driessens Op 31 januari is het eindelijk zo ver


In oktober 2006 startte de firma Verstraete-van Hecke met de restauratie van het grafmonument Driessens op begraafplaats Schoonselhof in Hoboken. Het werd vakkundig ingepakt, onder de kundige leiding van architect Sander Peters, werden allereerst de oude verflagen weggehaald. Nadien werd de zandsteen is orde gebracht zo dat hij voor een aanzienlijk aantal jaren weer en wind kan doorstaan. De heer Sander Peters en zijn team zorgden er ook voor dat de ontbrekende letters vervangen werden en de “sierkronen” werden gerestaureerd. Zeker vermeldswaardig is dat dankzij de heer Carlos Van Hecke, van de firma Verstraete-van Hecke, deze restauratie volledig belangeloos uitgevoerd werd. De vzw Grafzerkje financierde de gedenkplaat waarop dit vermeld wordt.
 
De herinhuldiging van het grafmonument vindt plaats op woensdag 31 januari 2007 om 11 uur. Er wordt bijeengekomen aan de hoofdingang van de begraafplaats, kruispunt Krijgsbaan – Sint Bernardsesteenweg te Hoboken. Vandaar trekken we naar het grafmonument. Ondergetekende zal in een korte toespraak de aanwezigen verwelkomen waarna onze secretaris Willem Houbrechts dieper zal ingaan op de doelstellingen van onze vzw Grafzerkje en zeker niet zal nalaten de heren Carlos Van Hecke en Sander Peters hartelijk te danken voor hun initiatief. Daarna zal hij de aanwezige schepenen van de stad Antwerpen bewieroken en onze projecten voor de toekomst toelichten. Daarna zal hij de heren schepenen Lauwers en Heylen uitnodigen om het grafmonument opnieuw in te huldigen. De schepenen zullen denkelijk ook een woordje plaatsen. Nadien volgt nog een korte receptie, aangeboden door vzw Grafzerkje, in de hal van het kasteel Schoonselhof. Leden van de vzw Grafzerkje worden van harte uitgenodigd maar graag een seintje, uiterlijk 27 januari, zodat we kunnen zien of we met één fles jenever toekomen of een tweede fles dient aangeschaft te worden.
 
Jacques Buermans