Nieuwsbrief Nr. 32 - november 2006

Schurhoven een begraafplaats met een, opgelost, mysterie Verslag van ons bezoek aan Sint Truiden


Een gelukkige keuze van onze An Hernalsteen om de begraafplaats van Schurhoven, Sint Truiden, te bezoeken. Van bij de start bleek al dat we hier te maken hadden met een prachtig onderhouden dodenakker. De gids ving aan bij een hele rij priesters die op deze begraafplaats uit 1850 tegen de kerkmuur lagen. Een van de oudste graven was dat voor postkoetseigenaar Bertrand. Op de begraafplaats vonden we ontelbare gietijzeren kruisen. Dit had alles te maken met de nabijheid van de firma Brialmont.
We passeerden langs een obelisk voor een officier van Napoleon. Iets verder lag broeder Janes, stichter van een fruitteeltschool. Een prachtig graf was dit voor de familie Coemans. Onze Marc was al onmiddellijk van plan de verfborstel te hanteren om de letter “r” toe te voegen om zo een Coremans te verkrijgen. De familie Van der Berck leverde een aantal burgemeesters. Een Schouberechts was student in de wijsbegeerte. We stonden ook lang stil bij het graf van de genaamde Baltus. We kregen hier heel veel informatie maar ik kon toch niet direct uitmaken dat het om een schilder, schrijver of eigenaar van een grootwarenhuis ging. Architect Jan Govaerts heeft goed “geboerd”. Niet alleen had hij 16 kinderen maar elk van die kinderen erfde, bij het overlijden van architect Govaerts, elk zo’n 30 huizen. Iets verder stond een monument voor de gesneuvelde geallieerden. Recent kreeg ook Roger Delanney, Belgisch piloot en oorlogsslachtoffer, zijn monument.
Een opmerkzaam Grafzerkje, zijn er anderen?, zag plots een grafsteen met een eigenaardig teken. Niemand had ooit zulk een teken op een grafmonument gezien. Direct werden al een paar mogelijke antwoorden geopperd gaande van het duivelsteken over de bokkenrijders tot “vier pintjes voor de mannen van de zagerij”. We bleven dus met een mysterie zitten. Langs de andere kant moeten we zeggen dat de gids zich goed gedocumenteerd had alleen weet ik zo niet wat begraven in Sulawesi met Schurhoven te maken heeft. Voor de, steeds aangroeiende, Norgafanclub waren er ook weer ontelbare werken te bewonderen van deze beeldhouwersfamilie.
 
Epiloog:
 
Thuisgekomen kreeg ik onmiddellijk een afbeelding van het beruchte teken doorgemaild van Erika Raven. Intussen had Johan Moeys ook niet stilgezeten en hij vertelde dat het iets met “rocking” zou kunnen te maken hebben. Ikzelf ging anders te werk en ontdekte dat het onderschrift “de vrienden van Diest” een vereniging van dove en gehoorgestoorde mensen was. Vandaar was het nog maar één stap: ik stuurde het “teken naar iemand van de vereniging en kreeg het volgende antwoord: Dat is het ‘I love you’-gebaar. Het bestaat uit een combinatie van 3 handvormen voor de i, de l en de y. De pink vormt de i, wijsvinger en duim de l en wijsvinger en pink de y. Het zijn die handvormen die je dus ook tegenkomt bij vingerspelling (elke letter van het alfabet heeft een eigen handvorm, zodat woorden waar geen pasklaar gebaar voor bestaat gespeld kunnen worden tijdens een conversatie. Maar de handvorm die je op de grafzerk ziet is dus een bestaand gebaar dat ‘ik hou van jou’ betekent).

Ook de piste “bokkenrijders” onderzocht ik: Dat is een universeel teken. Er bestaat een theorie uit de volksmond dat het een duivelsteken is. De vuist is het hoofd, de twee buitenste vingers zijn de hoorns van de duivel. Iemand van Beringen vertelde mij dat het ook het teken van de Grijze Wolven is, een Turkse organisatie.
 
Laat ons het, voor wat het grafmonument in Schurhoven betreft, houden op “ik hou van jou”. Dus alweer een mysterie opgelost. Wij worden er specialisten in.
 
Jacques Buermans.

Moskou in beeld Ons lid Mathilde Goelen bezorgde enkele mooie foto’s


Dankzij ons lid Mathilde Goelen kunnen we enkele mooie afbeeldingen tonen van de begraafplaats van Moskou van de begraafplaats gelegen naast het nieuwe maagdenklooster, men spreekt van het Père Lachaise van Moskou.
 
Een beeld van een balletdanseres. Het stelt de prima ballerina Galina Ulanova  voor die in het Bolshoïtheater optrad. Zij danste vaak op muziek van Tsjaikowski zoals “het Zwanenmeer”. Een clown is niemand minder dan Joeri Nikolin. Zijn hond stierf op dezelfde dag dan de clown. Hij was actief in het circus van Moskou met de beroemde clown Popov. Nikita Chroestjov. Hij verving Stalin in 1954 maar werd in de jaren ’60 afgezet door het politbureau. Hij viel in ongenade en werd vervangen door Leonid Breznjev. De kleuren wit en zwart wijzen op zijn manier van denken, ofwel was het goed ofwel slecht. Hij had nooit gehoord van de gulden middenweg.
Raïsa Gorbatsjov, de vrouw van Michaël Gorbatsjov. Ze studeerden beiden aan de universiteit van Moskou. Hij als advocaat en zij in de verpleging. Men zegt dat zij de touwtjes in handen had en zo mee het beleid van de Sovjet Unie bepaalde. Zij stierf in een ziekenhuis in Duitsland waar ze verzorgd werd voor kanker.
 
Mathilde Goelen.

Anneke Haasnoot “Niet mijn beurt”, een nieuw gedicht van Anneke Haasnoot


Anneke Haasnoot zorgt steeds voor de poëtische noot in onze Nieuwsbrief.
 
NIET MIJN BEURT

Ik sla mijn ogen naar 't gebergte heen
Vanwaar mijn angsten kwamen

Laf houdt het zich schuil vandaag
Het meer; een zee met een einder

Met een zeilmast als metronoom
Dirigeert de hoogste cypres
Het orkest in mijn oorschelp

Dan is het aan de golven te breken

Anneke Haasnoot

Baltics Rindert Brouwer bezocht de Baltische staten, achtste deel


Ons lid Rindert Brouwer en dé stuwende kracht achter de buitenlandse activiteiten van de Terebinth bezocht de Baltische staten en de begraafplaatsen aldaar. Hij bezorgde ons, in feuilletonvorm, de neerslag van zijn ervaringen.
 
feuilleton deel 8
 
ESTLAND - TALLINN (deel 2)
 
SISELINNA KALMISTU (begraafplaats ‘binnen de stad’)
 
Dit is de oudste begraafplaats van Tallinn, die het dichtst bij het centrum ligt, uit drie aparte delen bestaat en uit verschillende periodes stamt. De Russisch-orthodoxe Aleksander Nevski kalmistu werd gesticht in 1775, de Estische Vana-Kaarli kalmistu werd geopend in 1864 en de militaire Sõjaväekalmistu werd in 1887 gegrondvest voor het lokale garnizoen van het tsaristische leger.
In het verleden hebben ook een Juudi kalmistu (joods van 0,36 ha), Rooma-katoliku kalmistu (rooms-katholiek van 2,69 ha) en Muhamedi kalmistu (islamitisch van 0,19 ha) del uitgemaakt van de Siselinna kalmistu, maar deze delen zijn later geruimd.
Het geheel van de huidige Siselinna kalmistu beslaat een oppervlakte van 18 ha.
 
Aleksander Nevski kalmistu (Alexander Nevski begraafplaats)
 
Een eenvoudig hekwerk aan de Herne geeft toegang tot het oudste deel, de Aleksander Nevski kalmistu, de Russisch-orthodoxe Alexander Nevski begraafplaats uit 1775, die een oppervlakte heeft van 13,01 ha. In de meer dan 200 jaar bestaan hebben tienduizenden hier een laatste rustplaats gevonden, waaronder veel vooraanstaande figuren uit het culturele leven. In 1856 lieten twee handelaren uit Tallinn, Aleksandr Jermakow en Ivan Gremanov, een bakstenen kerk op de begraafplaats bouwen, gewijd aan Alexander Nevski. Bij bombardementen door het Sovjetleger op 9 maart 1944 werd de kerk vernietigd. In afdeling AN II-4 liggen de slachtoffers van die bombardementen begraven.
Direct achter de poort daalt een weldadige en eeuwige rust op je neer in een bosrijke omgeving. Evenals in Letland liggen de graven hier in ‘kamertjes’, maar dan niet omgeven door hegjes. De oudere grafveldjes zijn omgeven door smeedijzeren hekwerken, de meer recente door betonnen banden. Binnen de grafveldjes staat meestal één centraal grafteken met de familienaam en op afzonderlijke steentjes of tegeltjes staan de namen en data van de individuele familieleden. Naast enkele classicistisch of gotisch vormgegeven monumentjes op het voorste en oudste deel van de begraafplaats, staat er heel vaak een ijzeren kruis in de grafkamertjes, meestal van smeedijzer, soms van gietijzer. Als de hekwerken niet verroest zijn, zijn ze zilverkleurig geschilderd, een goed antiroestmiddel blijkbaar. Er staan overigens nauwelijks Russisch-orthodoxe kruisen. Gezien het wel bijna uitsluitend voorkomen van cyrillisch schrift is het de begraafplaats van Russen geworden.
Naast een enkele grafkapel is er nog één marmeren grafsculptuur van een levensgrote engel, die goed beschermd wordt door het bouwwerkje eromheen. Onder een blauw baldakijn op gele zuiltjes liggen de bisschoppen van Tallinn. Er staat een katheder en twee stèles, een voor bisschop Issidor († 1949) en een voor aartsbisschop Pavel († 1946). Op de begraafplaats ligt ook priester Pavel Joannovitš Polevitski († 1862). Tijdens zijn verblijf in Tallinn maakte Fjodor Dostojewski kennis met deze wat vreemde figuur en heeft hem als voorbeeld  gebruikt in zijn romans, o.a. in ‘De Dubbelganger’. 
Ook de ouders van de huidige patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk in Estland liggen er begraven. Dat Tallinn aan zee ligt is af te leiden uit een aantal ankers in een grafveld of fotootjes van zeelui op grafstenen. Een zeemansgraf (niet bedoeld is een graf op zee!) met twee ankers meldt op de centrale steen van roze graniet het vergaan van het MS Lidia Koidola op 26.11.1951. De kleine steentjes melden de functies van de 6 zeelui;  zelfs in het Russisch is het te lezen: капитанов, матрос, воотсман, кокк .
Paaltjes met AN en het nummer van het grafveld geven aan dat je je nog bevindt op de Alexander Nevski begraafplaats, terwijl paaltjes met een K en een nummer aangeven dat je op de Oude Karelsbegraafplaats bent aangeland.
 
Vana-Kaarli kalmistu (Oude Karelsbegraafplaats)
 
De overgang van de Alexander Nevski naar de Vana-Kaarli begraafplaats is nauwelijks te merken. Wie goed kijkt ziet ergens een muur lopen, maar de overgang van de ene naar de andere begraafplaats wordt niet gehinderd door een poort of een hekwerk. En al helemaal niet door een verandering van het karakter of de typische kenmerken. Ook hier hekwerken en ijzeren kruisen. Het grootste verschil is te merken in de verandering van het Russische cyrillische schrift naar het Estische. Maar ook al zijn het Romeinse letters, buiten de namen blijft het even onleesbaar, totdat de herhaling van een woord gaat opvallen en je er achter komt dat het voor ons merkwaardige woord Perekond familie betekent en dat deze aanduiding een perekonna matusepaik =  familiegrafplaats aangeeft.
Er staan enkele bustes van mannenkoppen op een zuiltje, dat zullen wel beroemde Esten zijn, want ze komen ook voor in het boek ‘Tallinna kalmistud’: Peeter Süda (1883-1920), helikunstnikku (toonkunstenaar) en Karl Kargi (1876-1953), insener & teedeminister (ingenieur en minister van verkeer). Ook hier bevindt zich een sculptuur, nu van een vrouwenbeeld, dat zich ook in een apart gebouwtje bevindt. Voor het merendeel bestaan de graftekens uit kruisen en stèles. Ook hier ligt alles in een bos, wat het geheel erg groen, rustig en vredig maakt.
 
Bij de uitgang, die eigenlijk de ingang is en duidelijk het oudste deel van de Karelsbe-graafplaats, staan nog wat oudere en grotere grafmonumenten, zoals die voor figuren uit het theaterleven van Tallinn: regisseur (lavastaja) Theodor Alterman (1885-1915) en theaterdirecteur Karl Jungholz (1878-1925), die samen een graf delen en die ieder op een medaillon staan afgebeeld.
De ingang, die bestaat uit een imposant poort- en torengebouw in neoromaanse stijl, ligt aan de Toonela tee no. 3. Als je vandaar af de weg volgt, een aantal troosteloze flatgebouwen links laat liggen, en rechts afslaat naar de Filtri tee, kom je langs een militair complex met slagbomen en soldaten op wacht en uiteindelijk op de militaire begraafplaats. De weg gewezen door een paar woordjes Duits sprekende tuinman weten we daar via een kortere route, door het gras en langs de zuidelijke begraafplaatsmuur, door een poortje op te komen.
Sõjaväekalmistu (militaire begraafplaats)
 
De begraafplaats oogt militaristisch. Krijgshaftige figuren kijken ons aan vanaf grafstenen, elders staan rijtjes uniforme stenen netjes in het gelid. Zoals het hoort hebben de soldaten een eenvoudig steentje, terwijl de stèles van de generaals hoger zijn en een fotootje dragen van een man die je vanonder zijn pet streng aankijkt. Maar ze zijn allemaal even dood, gesneuveld in de strijd of gewoon in bed gestorven na jaren trouwe dienst voor president en vaderland. Soms een ver vaderland, Rusland, soms dichtbij huis, Estland.
 
Sõjaväekalmistu werd in 1887 gesticht voor het lokale garnizoen van het tsaristische leger, dat daar gestationeerd werd toen de Baltische Staten in 1886 provincies werden van het Russische      Rijk. In 1896 werd op het westelijke deel een kapel gebouwd. Van de oorspronkelijke begraafplaats is niets meer over.De meeste begravingen vonden plaats vanaf de Eerste Wereldoorlog. Van 1918-1944 zijn er ongeveer 1150 gesneuvelden begraven van diverse nationaliteiten, Russen, Esten, maar ook een aantal Britten uit de Eerste Wereldoorlog. De oppervlakte van de begraafplaats bedraagt 2,46 ha. De oorspronkelijk hoofdingang, ontworpen door architect Edgar-Johan Kuusik, leidt nu naar het militaire terrein ernaast.
Er zijn velden met gevarieerde graftekens en velden met uniforme graftekens: voor Sovjetsoldaten vanaf 1941, piloten, leden van onderzeeër M-81 uit 21 juli 1941 en mariniers van de Baltische vloot.
Er staan diverse gedenktekens op verschillende plaatsen. Er staat een Estisch monument met de datum 15 juni 1936 en de tekst Männiku matuseoh / Rite mälestuseks (voor de doden van Männiku/ in memoriam). Het zijn de slachtoffers van de explosie van het munitiedepot in Männiku. Er staat een Russisch monument, gedateerd 24 februari 1944 en aan de achterkant voorzien van de afbeelding van een hamer & sikkel. Tegen de muur staat een monument met de reliëfs van twee soldaten bezijden een kruis met de tekst: Vaba Eestile truu surmanu, hetgeen vrij vertaald wil zeggen: voor een vrij Estland trouw tot in de dood. En er moet ergens een monument staan met de Russische en Estische tekst: voor een onbekende soldaat.
De conclusie kan niet anders zijn dan dat deze begraafplaats gebruikt is (en wordt) voor gesneuvelden van verschillende legereenheden: het tsaristische leger, het Sovjetleger, het Britse leger, het Estische leger en vermoedelijk ook Estische vrijheidsstrijders..
Met lijn 23 keren we terug naar het centrum om daar te lunchen. Het is een bijzonder smerige bus met door het vocht ondoorzichtige ramen, zodat je nauwelijks iets ziet van de troosteloze buitenwijken.
 
Wordt vervolgd.
Volgende keer: Estland - Tallinn deel 3 (slot)
 
Rindert Brouwer
 
© Atelier ‘Terre aarde’
    tekst:   Rindert Brouwer
    foto’s: Jeannette Goudsmit & Rindert Brouwer
 
Wie alles nog eens wil nalezen: alle verhalen en gegevens zijn verwerkt tot een boekje van 52 bladzijden, met 65 foto’s (zwart-wit).
Het boekje NON OMNIS MORIAR. Begraafplaatsen in de Baltische Staten is te koop voor
€ 7,50. Ofwel incl. verzendkosten: Nederland € 9,00; België € 10,00
[email protected]
www.atelier-terreaarde.nl

Tante Kato ging op reis En ze zag de mummie van Ramses II


* User Mat-Re Setep-en-Re Meri-Amon * ca 1303 BC - ca 1213 BC * Caïro, Egypte *

Je bent in Caïro en je bezoekt uiteraard het Egyptische Museum, waar de mooiste stukken uit ‘s lands verre verleden tentoongesteld worden. Er is zo veel te zien dat sommigen het een uitdragerswinkel noemen. Op museaal vlak kan inderdaad een en ander beter en daar wordt aan gewerkt. Nochtans ... over het nieuwe museum praat men al jaren en praat- en bouwwerken kunnen nog lang aanslepen.

Ik neem u graag mee naar de speciale afdeling van de koninklijke mummies. Daar is het serener, rustiger en overzichtelijker dan in de rest van het museum. Er worden geen groepen toegelaten, je moet een aparte inkom betalen (destijds ca. 11 € pp), zachtjes praten en er mogen geen foto’s genomen worden. Er heerst een constante temperatuur van 22° C en een sfeervolle gedempte verlichting. De ruimte is een oase van rust in het overvolle museum van deze hectische stad. In glazen kisten worden 11 mummies tentoongesteld, waaronder de beroemde Ramses II, de farao (1) waaraan Yul Brunner in de “Tien Geboden” op een onvergetelijke maar historisch onjuiste manier gestalte gaf. Alle historici zijn het er over eens dat Ramses II de grootste farao was. Zijn leven en 77-jarig bewind hier ook nog eens uit de doeken (hm !) doen, zou dit artikel véél te lang maken. Hierna de turbulente avonturen van mummie-Ramses. Zeg nog eens dat de éne mummie gelijk is aan de andere !

De 90-jarige farao werd zoals het hoort begraven in de Vallei der Koningen. Ongeveer 120 jaar na zijn dood werden verschillende koninklijke graven geplunderd en de betreffende mummies herbegraven in een makkelijker te bewaken tombe, namelijk die van Ramses’ vader en voorganger Sethi I. Dergelijke plunderingen en de daarmee gepaard gaande verhuizingen gebeurden in de oudheid nog minstens twee keer. Tot ze onderdak vonden in de eenvoudige bergplaats, die in de 19de eeuw ontdekt werd. Ramses II en gezelschap werden naar Caïro overgebracht en kregen als voorlopige thuishaven een stoffige vitrinekast. Maar de grote farao moest nog officieel geïdentificeerd worden (1896). In aanwezigheid van 17 ministers en hooggeplaatsten werd de mummie uitgekleed. De heren stonden zo zenuwachtig te drummen dat Ramses op de grond viel. In 1935 kwam een aantal mummies -en niemand weet waarom- terecht in de ambtswoning van de gouverneur. Er zijn leukere manieren om je salon te versieren ! Ramses II, weg ermee : eerst naar een leegstaand mausoleum en daarna naar het museum.

Wegens de hoge vochtigheidsgraad van Caïro en de slechte bewaaromstandigheden begon Ramses te stinken of zoals kenners zeggen : “de mummie is ziek”. We schrijven dan 1976 en Ramses was al zo’n 3189 jaar mummie ! De gereputeerde Franse egyptologe Christiane Desroches Noblecourt werd de redster van de zieke. Ze kreeg toestemming van de presidenten Sadat en Giscard d’Estaing om de mummie in Parijs te laten verplegen. Per militair vliegtuig werd de farao naar Frankrijk overgevlogen waar hij op de luchthaven officieel als staatshoofd verwelkomd werd. De Française zorgde ervoor dat de ambulance-corbillard langs de obelisk van de Place de la Concorde reed zodat Ramses één van zijn Luxor- pronkstukken kon terugzien.

In een steriele zaal van het Musée de l’Homme werd, onder het waakzame oog van een Egyptische deskundige, gedurende 7 maanden aan Ramses gewerkt. Maar liefst 110 medewerkers, waarvan 63 wetenschappers onderzochten zijne koninklijke hoogheid. Uit de onderzoeken bleek dat zijn rug onder de schimmel zat waarvoor radio-sterilisatie vereist was. De linkerhand vertoonde sporen van vernieling, veroorzaakt door een eeuwenoude roof en werd netjes hersteld. Men wou meer te weten komen over Ramses en hiervoor deed men oa beroep op het Franse textielinstituut en het huis L’Oréal. Resultaten van de analyses : Ramses was 1,75 m groot, van het blanke type en had een haviksneus. De laatste jaren van zijn leven leed hij aan een reumatische ontsteking van de wervelgewrichten waardoor hij voorovergebogen liep. Uiteraard had de bijna-eeuweling witte haren maar hij kleurde ze met henna waardoor zijn flamboyante natuurlijke roodharigheid nog meer in de verf gezet werd. Iets vrij opmerkelijk want roodharigen hadden in de oudheid iets demonisch.

Die 7 maanden in Parijs werd de mummie met de grootste waardigheid behandeld. Geen moment werd uit het oog verloren dat het een koning betrof. In 1977 vertrok Ramses terug naar Caïro en hij rust er nu in ideale omstandigheden, tot er weer een verhuis gepland wordt...
(1) De koningstitel farao is een bijbelse benaming, nu algemeen verspreid.
 
Tante Kato

Haarlem voor Grafzerkjes ons lid Johan Moeys toog naar de uitvaartbeurs te Haarlem, bezocht de algemene begraafplaats en maakte een knap verslag


Op de achterflap van het ledenblad van de Terebint las ik dat er een uitvaartbeurs was in de St-Bavokerk in Haarlem. Leuk excuus om nog eens de grens over te wippen.
 
Na een vlotte rit vind ik al snel een parkeerplaats dicht bij de kerk. Buiten vallen de corbillards al onmiddellijk op. Er staat er eentje van begin vorige eeuw, precies het model waar Les Gendarmes van Louis de Funès zich in verplaatsten. Een speciaal uit Amerika overgebrachte slee doet al sinds de jaren ’70 dienst. De St-Bavokerk heeft een ideale ambiance om er een uitvaartbeurs in te houden. De vloer bestaat voornamelijk uit een massa grafzerken. De ene al ouder dan de andere. Soms vlak, soms met reliëf uitgekapt. Als je niet goed oplet struikel je al eens over zo’n mooi versierde zerk. Af en toe heeft de vernieuwing geen rekening gehouden met deze zieltjes. De hoek van een zerk werd afgekapt omdat ze in de weg stond voor de zitbanken. De kerk zelf is zeer mooi versierd met oude muurschilderingen, epitafen en dergelijke. De Gereformeerden hebben hun best gedaan. Binnen in de kerk vind je alles wat je nodig hebt om je begrafenis (of die van een ander – mens of dier) te regelen. Standjes met uitvaartverzekeringen die je de meest gunstige prijzen aanbieden, het opmaken en kiezen van de brieven… De notaris heeft er spreekuur. Je kan zelfs een volledig scenario vastleggen op papier, zodat je nabestaanden exact weten wat er op je begrafenis moet gebeuren. Zo zit alles overzichtelijk in één boek. Ideeën doe je op, of je nu wil of niet. Ga je je laten begraven in een lijkwade? Dan kan je kiezen uit de verschillende modellen of nakijken wanneer je die moet bestellen. De traditionele kist bestaat uiteraard ook nog. Van een herbruikbare kist (de kist is dan voor de schijn, en de overledene ligt in een kartonnen exemplaar). Knutsel je liever zelf je kist? Er zijn bouwpakketten die eenvoudig in elkaar klikken en desnoods nog kunnen beschilderd, gevernist of zo kunnen worden. Dit zou helpen in het rouwproces: door het laatste rusthuisje zelf te bouwen voor je nabestaande. Rieten kisten zijn dan weer meer biologisch. Een andere exposant biedt urnen in alle mogelijke vormen aan. Nederland zou Nederland niet zijn als ze geen alternatieven hadden gevonden voor de grote lijkwagen. De eerste loopkoets kon je er in al zijn glorie bewonderen. De kist gaat op de koets. Vier tot acht nabestaanden, vrienden, of wie dan ook duwen de koets verder. Ze kan van thuis naar en in de kerk, en nadien naar de begraafplaats. Voorzien van vier grote wielen en remmen rijdt deze vlot door het verkeer. Voor de iets meer sportieve nabestaande is er de fietsaanhangwagenkoets. Dit is een aanhangwagen voor de fiets, waarop de kist geplaatst wordt. Doch daar houdt het nog niet op. Er is ook nog de uitvaartbus. Een omgebouwde, aangepaste autobus waar men samen met de overledene in kist naar de kerk, het crematorium, de begraafplaats, … kan rijden. Samen uit, tot het einde bij elkaar. Geschikt voor een vijftiental personen. Op diverse stands worden methodes gezocht om de nabestaande de gedenken. Je hebt teksten kant en klaar aangeboden, teksten die je zelf kan opstellen en die de verkoper dan op een aangepast manier afdrukt. Een foto van je dierbare overledene kan je in kristal laten afdrukken. Nieuw is de vingerafdrukhanger: men neemt via was een vingerafdruk van de overledene en reproduceert deze in een medaillon, met keuze in grootte. Dan kan je de vingerafdruk in een hanger van goud of zilver altijd dicht bij je dragen. De lezer kan er zijn hartje ophalen. Boeken over alle mogelijke funeraire onderwerpen. Zo is er bijvoorbeeld Anja Krabben met de laatste exemplaren van haar magazine “Doodgewoon”. Zij geeft me de tip om naar de begraafplaats van Haarlem te gaan. De stad Haarlem heeft zelf voor een aangepaste stand gezorgd: gratis brochures over hun begraafplaatsen, zoals die van de Kleverlaan. 
Even wandelen door het rustige en vriendelijke Haarlem tot aan begraafplaats De Kleverlaan. De handige brochure met uitgewerkte wandeling met informatie komt goed van pas.
 
Algemene begraafplaats Kleverlaan is één van de gemeentelijke begraafplaatsen in Haarlem. Ze heeft een oppervlakte van 8,5 hectare en telt ongeveer 7500 graven.
 
Tuinarchitect J.D.Zocher maakte het ontwerp in 1828. Hij koos voor de landschappelijke aanleg. Bij de aanleg werd de begraafplaats verdeeld in een protestants, een rooms-katholiek en een Israëlitisch deel. Latere noodzakelijke uitbreidingen zijn van de hand van L.P. Zocher en L.Springer. De eerste teraardebestelling had plaats op 1 juni 1832.
Het joodse gedeelte bevindt zich op het schiereiland. Het is niet meer in gebruik omdat er elders een nieuwe joodse begraafplaats in gebruik is genomen. Centraal staat het metaarhuisje, gebruikt voor begrafenisrituelen. De rechtopstaande zerken duiden erop dat hier mensen van de Hoogduitse joodse gemeente begraven liggen. De meeste teksten zijn uiteraard in het Hebreeuws, enkelen met Nederlandse tekst en zelfs eentje in het Frans. Symbolen zoals de zegende handen (kohen of gebedsvoorganger) en de waterkan (leviet of tempeldienaar) zijn er te zien.
Wat verder vind je een zerkenarchief: een verzameling van monumenten van vervallen graven en hekjes om een indruk te geven van de verschillende opvattingen over het vormgeven aan de nagedachtenis van hun dierbaren.
We komen er ook de graven van P. Zeeman en H.A. Lorentz tegen, de winnaars van de Nobelprijs voor natuurkunde in 1902. Zij kregen deze omwille van hun onderzoekingen over de invloed van magnetisme op stralingsverschijnselen. Klein maar indrukwekkend is het kinderhofje en het foetushofje.
Er staan geen monumentale gedenktekens maar persoonlijke kleinigheden om te verwijzen naar wat had kunnen zijn.
Het meest opvallende op de begraafplaats is het gigantische mausoleum van architect J. Leijh. Het mausoleum, met een Dorisch tempelfront, is gebouwd in de neoclassicistische stijl. In het timpaan staat een voorstelling van de drie schikgodinnen Clotho, Lachesis en Atropos. Buiten de architect zijn er nog zo’n 250 grafkelders en wandgraven. In het souterrain bevindt zich tevens nog een columbarium. De Engelsman W. Stokes heeft op de Kleverlaan zijn oorlogsgraf gevonden. Na een treffen tussen Duitse en Engelse oorlogsschepen voor de Nederlandse kust werden veel opvarenden als schipbreukeling aan land gebracht. Stokes overleed later aan zijn verwondingen in het Elisabeth Gasthuis. Beeldhouwer J. Bronner ontwierp het monument voor fotograaf P. Clausing. Een classicistisch monument in zandsteen. In de staande steen is een hoogreliëf verwerkt van een in meditatie verzonken, zittende vrouw met in haar rechterhand een klein omsluierd vrouwenfiguurtje, dat de ziel symboliseert. Verder komt men het graf tegen van zeven meisjes die kort voor het einde van de oorlog zijn omgekomen. Zij maakten deel uit van een groep kinderen van personeel van de Grafische Inrichting van J.Enschedé, die op weg was naar pleeggezinnen op het platteland om een beetje aan te sterken. Door een tragische vergissing werd de bus aangevallen door Engelse vliegtuigen. 
Op het oudste gedeelte van de begraafplaats liggen, ieder onder een zeer bescheiden hardstenen stèle, de graven van Jan David Zocher jr en Louis Paul Zocher, de ontwerpers van de eerste twee delen van de begraafplaats.
 
Na een hele dag tussen de doden is het tijd om de dorstigen te laven. Een korte wandeling terug naar het centrum van Haarlem, terrasje doen. En dan huiswaarts!
 
Johan Moeys.

Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie Zevende gedicht uit de dichtbundel van Rudy Witse, ofte Willem Houbrechts


De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een zevende gedicht.

 

ferre grignard (1939 – 1982) (ereperk R)

 

blues is muziek voor lonesome travellers

gedurende de vruchteloze race

van een greyhound naar een wijkende horizon.

klank voor hobo’s, drinkend op treinen naar nergens.

 

savante anesthesie is de blues.

integrale verdoving voor ongevoeligheid.

 

je kille schreeuw was verstaanbaarder

dan je zachtgesproken woord.

je penseeltrek duidelijker dan je dronken

tirades.

 

nu zwijg je. je keel wilde, niet meer, mee.

je rust naast een baron die jou bij leven

voor geen geld had aangekeken.

 

en nu? en verder?

 

kent iemand dat nog,

de blues?

 

Rudy Witse

 

Wie de dichtbundel, niet verkrijgbaar in de boekhandel, wenst aan te schaffen, prijs € 20 – verzendingskosten NIET inbegrepen, kan dit doen bij Houbrechts Willem, 03/230 49 26, E-mail: [email protected]

Allerzielen: ons lid Louis Van Dyck staat stil bij deze dag


Zoals elk jaar staat ons lid Louis Van Dijck stil bij allerzielen:
 
Een foto uit Sint Amandsberg met een tekst die tot bezinning nodigt.
 
In België sterven jaarlijks +/- 100 000 mensen = 290 per dag of 1 per 5 minuten. Als bij elk overlijden een tiental mensen rechtstreeks betrokken is, dan geeft dat per jaar +/- 1 miljoen rouwenden.
 
Verleden jaar stierf onze zoon Luk. Je kan tranen vergieten omdat hij er niet meer is, maar je kan ook glimlachen omdat hij heeft geleefd.
 
Ik kijk weleens naar boven en dat stemt mij telkens weemoedig blij. Ik vraag dan bij mezelf: denkt hij nu ook aan mij?
 
Dergelijke overwegingen brengen mij in een speciale stemming, zeker in deze novembermaand, terwijl de avond vroeg invalt.
 
Alice Nahon schetste hieromtrent een passend sfeerbeeld in haar gedicht “Deemstering”:
 
-“m’n kamerken wordt duister
de vormen worden vaag.
‘k droom en bid en luister
bij deemstering zo graag.
-m’n hoofd hangt nu gebogen
m’n woninkje wordt zwart
Het deemstert in mijn ogen
Het deemstert in mijn hart.”
 
Louis Van Dijck, allerzielen 2006.

De “lugubere” begraafplaats bij Dinant leden stellen een vraag, anderen togen op onderzoek uit


Ik kreeg een telefoontje van ons lid Christiaan Ketele: In de omgeving van Dinant zou er zich een “luguber” kerkhof bevinden. Het zou gaan over graven met een deurtje, gebouwd in de rotswand tegen de helling en in lamentabele toestand. Men zou zelf een “doorkijkje” op de skeletten kunnen hebben? Het zou gaan over een kerkhofje dat je ontdekt wanneer je in Dinant centrum de weg neemt naar de grot “La Merveilleuse” aan de linkerzijde. Ook richting Anthée werd gezegd.
 
Ons lid Philippe Theys zocht en vond: Eén van de mogelijke pistes is de Romaanse crypte van het (reeds afgebroken) Sint-Niklaaskerkje van Thynes in de omgeving van Dinant. De restauratie van deze crypte staat reeds op het restauratie programma van de stad Dinant sinds 1875 !!!!, en 127 jaar na de afbraak van de kerk waarmee ze verbonden was wacht ze nog steeds op een restauratie die deze naam waardig is !!!. Sinds het Jaar 2000 is de stad Dinant "officieel" eigenaar van deze site, een restauratiedossier werd opgesteld en de werken werden op 25/10/2004 gestart. Deze werken worden in 3 delen opgesplitst en de delen 2 & 3 werden en worden in 2005 & 2006 aanbesteed. Al deze werken gebeuren onder de leiding van archeologe Marie Verbeeck van de Waalse Gemeenschap - een zeer bekende archeoloog in Waalse middens. Ter informatie, sedert de 17e eeuw, werden de dorpelingen hier in terrassen begraven en dit tot +/- 1914. Van deze begraafplaats, gebouwd deels in de rotswand, werd tot op heden +/- een oppervlakte van +/- 50m2 blootgelegd; en de reeds gevonden beenderen wijzen tot op heden op 78 personen waarvan +/- 90% kinderen jonger dan 14 jaar en 10 % volwassenen. Enkele lijken waren zeer "speciaal" verpakt in zeer bijzondere rijkelijke stoffen speciaal gesloten met een ganse reeks knopen; ook werden er medailles, kettingen en paternosters bij de lijken gevonden.
 
Johan Moeys ging ter plekke kijken en maakte volgend verslag: 
Verder gaand op een tip van onze voorzitter trok ik – een goed excuus hebbende – richting Dinant. Een eerste poging om het mysterie te voet op te lossen viel wat tegen. Veel gewandeld, veel rotsen gezien, maar geen begraafplaats. Terug naar af. Nu met de auto. Vertrekkend uit het centrum van Dinant nam ik de rue de Philippeville, richting Anthée en grot La Merveilleuse. Enige kilometers buiten het dorpscentrum zag ik plots op de linkerhand een begraafplaats. Deze ligt op en tegen de rotshelling. Ze is nog steeds in gebruik, getuige de twee bezoekers die naar het graf van hun recent overleden familielid kwamen kijken. De meeste graven liggen beneden aan de helling. Op de helling zelf liggen ze her en der verspreid, gescheiden door hoog gras. Even was ik bang om tussen dat gras per ongeluk in een open graf te vallen. Zeer vele graven zijn er verwaarloosd. Roest, gebroken stenen, afhangende deuren, lege kapellen, je vindt het er allemaal. Zelfs het monument voor de oudstrijders van 1914-1918 kreeg hekkens, omdat het op instorten staat. Het beeld ligt in gruizelementen. Heb je daarvoor voor je vaderland gestreden? Ondanks alles kan je er nog enkele fraaie exemplaren van blikken grafdozen vinden. Iets meer luguber zijn de open grafkelderdeuren. Wie eens een kist van dichtbij wil zien, komt hier aan zijn trekken. Veel moeite moet je niet doen. Sommige deuren staan gewoon wagenwijd open, alsof de bewoner even de benen is gaan strekken. Anderen hebben zulk verroeste deuren dat ze al halfverteerd zijn, en wie dan even boven die halve deur piept, kan eens controleren of de gegevens op de zerk kloppen met de inhoud.
Een begeleid bezoek met de geschiedenis, de problemen, de bewoners lijkt me aangewezen. Er zijn paden op de begraafplaats, maar wanneer je nieuwsgierig bent naar de graven op helling verspreid ben je blij dat je goede stapschoenen draagt, samen met kledij die tegen wat water kan. Tenzij je er eeuwig zal blijven moet je wel over een voldoende dosis fysiek beschikken, met die steile hellingen.
 
Juist voor ik aan deze Nieuwsbrief begon kreeg ik een telefoontje van ons lid mevrouw Andrea Durlet. Ook zij las de vraag van Christiaan Ketele en zij had een vriendin die op haar beurt een vriendin had die een aantal dagen in Dinant verbleef. Aldaar trokken zij op onderzoek uit. De gemeente verwees naar een lokale vereniging en daar bleek een persoon aanwezig te zijn die er alles van wist, Michel Coleau. Op de valreep kreeg ik nog twee boeken toegestuurd van mevrouw Andrea Durlet dei ze schonk aan onze vereniging. Massa’s info over deze begraafplaats. Ge ziet dat leden van onze vereniging alles in het werk zetten om iedereen te helpen. “That’s the spirit”. En mevrouw Andrea Durlet: bedankt voor de boeken.
 
Foqueux, un vivant jardin de la mémoire, Michel Coleau, uitgave syndicat d’initiative van Dinant, september 2001.
De la Meuse à l’ Ardenne, nummer 34 van 2002, Saint Hubert. Prijs € 12,5
 
Jacques Buermans.

Prachtige foto’s van de hand van Erika Raven Erika Raven bezocht, gewapend met haar fototoestel, de begraafplaats Schoonselhof


Ons lid Erika Raven is zo wat van alle markten thuis. Naast schrijfster van strips en romans is zij ook, iedereen die haar bezig zag zal daar van overtuigd zijn, een voortreffelijk fotografe. Hierna laten we u kennis maken met enkele daar haar geschoten beelden op de begraafplaats Schoonselhof. Toelichtingen zijn overbodig: gewoon genieten.
   
Jacques Buermans

Sint Rochusbegraafpark Ludo Peeters geeft tekst en uitleg


Ons lid Ludo Peeters, voorzitter van vzw Turninum – de heemkundige kring van Deurne, deed in het kader van de nakende omvorming van het kerkhof Sint Rochus te Deurne tot een begraafpark volgend voorstel tot behoud van zoveel mogelijk grafmonumenten en natuur. Beginnen we met een korte geschiedenis:
 
Het bevolkingsaantal van Deurne-Zuid groeide eind negentiende eeuw zodanig (tot 2500 inwoners in 1889) dat een eigen bedeplaats met kerkhof zich opdrong. Bovendien was het 35 minuten gaan tot in de Sint Fredeganduskerk en was het bijhorende kerkhof er overvol, tevens vanwege de talrijke bijzettingen vanuit Antwerpen-stad . Men besliste in 1892 een nieuwe kerk te bouwen naar het ontwerp van de architecten “gebroeders Blomme “ die de oude houten kapel moest vervangen. De nieuwe kerk situeert zich op de linkerzijde van de huidige Sint Rochusstraat, ongeveer halverwege en is omsloten door een kerkhof. Zij werd in 1893 plechtig ingewijd. In 1894 bouwde men er vlakbij een pastorij in dezelfde stijl en in 1896 besliste de gemeenteraad eenparig tot de aanleg van het Sint Rochuskerkhof. Het gehele complex werd aangelegd en gebouwd volgens aloude tradities. Een pastorij vlakbij de kerk, een kerkhof rondom de kerk zelf met een gemeentekelder, een zone voor religieuzen en belangrijke personen,een dodenhuisje, een grafveldje voor kinderen, een fraaie kalvarie en prachtige “venijn-“ of taxusbomen. Er werden geen specifieke stèles meer tegen de kerkmuren aangebracht, deze historische periode van na keizer Jozef II, eind achttiende, begin negentiende eeuw was voorbij.
 
Het voorstel vanuit vzw Turninum is zeer eenvoudig:  ruim voorlopig alleen de onbelangrijke en beschadigde of omgevallen grafmonumenten op en op enkele plaatsen de overblijfselen van een rij; draag zorg voor bijzondere elementen zijnde dodenhuis, gemeentelijke kelder, taxusdreef, kalvarie, graven rond de kerk en graven met een bijzondere symboliek, beeldhouwwerk of stijlkenmerken; pas de beplanting aan naar het model van Sint Fredegandusbegraafpark zodat een oase van rust en bezinning ontstaat met enerzijds groenblijvende beplanting eigen aan een begraafplaats en anderzijds een inplanting van boompjes, struiken en vaste planten die voor een langdurige bloei zorgen. (we komen er regelmatig jonge mensen tegen die zittend op een grafzerk even komen denken of filosoferen); stel de waardevolle delen van de verwijderde grafmonumenten ter beschikking van beeldhouwersklassen in academie, of van jonge kunstenaars en verzamel en bewaar de porseleinportretten en waardevolle siervoorwerpen (porseleinen kruisen, kransen enz.).
Wat bijkomende informatie over de voorstellen: De grafmonumenten van religieuzen en belangrijke personen rond de kerk achteraan blijven staan en worden indien nodig heropgericht of  krijgen een minimum aan onderhoud. Grafmonumenten van bijvoorbeeld de familie De Preter, dokter Muylle, Ivanov (testpiloot van Stampe en Vertongen) en Stampe blijven behouden en dienen in goede staat te blijven evenals monumenten met waardevolle stijlkenmerken of beeldhouwwerk. De naamplaten van Stampe en Ivanov dienen teruggevraagd aan het Stampe &Vertongenmuseum en herplaatst. De grafmonumenten in de dreef naar de kalvarie worden in de mate van het mogelijke behouden zodat ze een aaneengesloten dubbele rij vormen tot aan de kalvarie. De gemeentekelder en het dodenhuisje worden  aangeduid met een educatief bordje. Het gietijzeren grafkruis dient terug rechtop gezet te worden en wordt bewaard. Van het dodenhuisje is de doodsklok nog aanwezig. Het gebouwtje is in vrij goede staat maar deur en vensters zijn dichtgemetseld. Turnimum vraagt om op het nieuwe metselwerk een deur en een venster te schilderen als een soort decor.
De taxusbomen van de dreef zijn zeer waardevol en dienen zeker behouden, onderhoud en opvolging van deze unieke reeks “venijnbomen” dient naar onze mening voorzien. Links en rechts van de kalvarieberg plant men kleinbladige klimop tegen de achterliggende afsluitmuur zodat een groene achtergrond ontstaat. De ontstane vrije oppervlakken worden als grasveld gecultiveerd, omzoomd door een taxushaag of haagbeuk en voorzien van enkele zitbanken. De grafmonumenten rond de kerk worden langs de kerkhofzijde afgeboord met een taxushaagje. Redelijk onderhoud van struiken en graszones is aan te bevelen. Vzw Turninum stelt de nog redelijk grote elementen van de verwijderde monumenten in waardevolle steensoorten (ardense blauwe steen, marmer) te bewaren en ter beschikking te stellen van de academieleerlingen beeldhouwen of van jonge kunstenaars-beeldhouwers beter dan hem tot steenslag te verwerken in de breekmolen.
Trouwens de huidige kostprijs van deze steensoorten loopt zeer hoog op. De heemkundige kring stelt ook voor om de porseleinfoto’s te recupereren met notitie van de familie- en overlijdensgegevens en in een archief onder te brengen, waarom niet in het Volksmuseum Turninum te Deurne. Naar aanleiding van de incidenten op Sint Fredegandus stelt Turnimum voor om het punt van het politiereglement dat stelt dat begraafplaatsen ‘s nachts open blijven te herzien. Vandalisme en kunstdiefstallen steken namelijk de kop op, het is aan te bevelen de poorten na zonsondergang terug te sluiten tot zonsopgang.
 
Ludo Peeters, voorzitter vzw Turninum.
 

In Memoriam prachtige theatervoorstelling op begraafplaats


Begin november werden een aantal toneelvoorstellingen op de begraafplaats Schoonselhof gehouden. Het Paleis voerde er “In Memoriam” van schrijfster Hanneke Paauwe op.
 
Toen de duisternis al lang gevallen was werden de toneelliefhebbers, waaronder een vijftal leden van de vzw Grafzerkje, opgewacht aan de wachtzaal van de begraafplaats. Tientallen lampen vormden het decor in de donkerte. Een “vrouwelijke ceremoniemeester” verzocht de aanwezigen om de lampen mee te nemen. In de verte luidden de doodsklokken. Aan de ingang van een perk hield de zwijgzame stoet halt. De lampen werden neergezet en een moeder deed haar verhaal. Ze vertelde fier over haar twee kinderen, een tweeling, een jongen en een meisje. Ze lachte toen ze over haar kinderen vertelde. Beiden speelden in een schooltoneelvoorstelling van “Doornroosje”, het meisje als “fee”, de jongen als de prins die Doornroosje mocht zoenen. Plots maakte dit plaats voor verdriet. Bleek dat haar zoontje overleden was aan een epilepsieaanval. Het pakte de toehoorders die er nog stiller van werden dan ze al waren. De vrouw verdween even plots als ze gekomen was. Tussen rijen lampen begaven de toeschouwers zich naar een volgende locatie op de begraafplaats. Daar vertelde de zoon zijn verhaal. Hij was “samoerai” en vertelde hoe zijn rol in “Doornroosje” een flop werd toen eerst Doornroosje weigerde hem te kussen en hij daarop een epilepsieaanval kreeg. Aan een derde grafmonument deed de vader zijn verhaal. Hij was grafdelver en vertelde dat hij duizenden mensen ter aarde bestelde. Toen zijn eigen zoon overleed werd het hem te machtig. Hij kon dit verlies moeilijk verwerken. Zijn echtgenote verwerkte haar verlies op haar manier en het koppel groeide uit elkaar. Op het eind vertelde de vader dat ze uiteindelijk mekaar toch vonden in hun verdriet. Op de vierde plaats kwam plots een fee tevoorschijn. Het was het tweelingzusje van de overleden knaap die haar verhaal deed. Zij vonden troost bij mekaar in hun verdriet en eindigden met een “Doornroosjelied”. Het daarop volgend applaus toonde aan dat eenieder genoten had van deze pakkende voorstelling. De locatie was daar zeker niet vreemd aan. In de wachtzaal van de dodenakker werden, zoals bij een koffietafel, drankjes aangeboden en kregen de aanwezigen een doodsprentje.
 
Ik heb echt genoten van deze voorstelling. De vier acteurs (Ineke Nijssen – moeder, Joris Van den Brande – zoon, Hans Van Cauwenberghe – vader en Janne De Smet – zusje) speelden echt prachtig. Het was mooi om zien hoe ze het ene moment lachten met de fratsen van hun kinderen en het andere moment ernst en een verdriet uitstraalden. Werkelijk mooie prestaties.
 
In de toekomst zoekt Het Paleis deze voorstelling nog op andere begraafplaatsen doorheen het Vlaamse land te spelen. Het is echt een aanrader. Nu eens niet een avondje “lachen geblazen” maar een concept dat beklijft.
 
Jacques Buermans.

Driessens en gift werken gestart en “cadeau” van schepencollege


Na een aangekondigde maar gemiste start in augustus was het in oktober dan toch zover: de firma Verstraete-van Hecke is begonnen met de restauratie van het grafmonument Driessens op begraafplaats Schoonselhof in Hoboken. Het is vakkundig ingepakt en regelmatig (maar met dikwijls lange tussenpauzes !) is er een bekwaam jongeman aan het werk. De oude, verstikkende en afbrokkelende verflaag is weggehaald en voor een deel is de aangetaste zandsteen al 'gerepareerd'. Zeker is dat het monument er na herstelling helemaal als nieuw zal uitzien, en dat de stichter van het Nederlands Toneel in Antwerpen opnieuw een monument zal hebben, hem waardig. Laten we nog eens vermelden dat Verstraete-van Hecke deze restauratie volledig belangeloos uitvoert. Een pluim dus, en een door ons gefinancierde gedenkplaat waarop dit vermeld wordt, evenals de naam van de initiatiefnemende vzw, wij dus.
Wanneer de werken voltooid zullen zijn, een gebeurtenis waar we nog geen precieze datum kunnen plakken, zal vzw Grafzerkje daar via de regionale pers uiteraard ruim aandacht aan besteden.
   
Ander goed nieuws. In het budget van de Antwerpse schepen voor Cultuur Philippe Heylen is een som van € 5000,- ingeschreven, te besteden door onze vereniging. Om die schenking (die in de toekomst eventueel structureel zou kunnen worden) te finaliseren dienden we een dossier in ter restauratie van de graven van twee mensen die voor de Antwerpse geschiedenis toch wel iets te betekenen hebben gehad: Pierre-Bruno Bourla, van de Bourlaschouwburg en andere Antwerpse monumenten, en Alexis van Mechelen van het operagebouw en tevens de man die de vorm van Schoonselhof als begraafplaats ontwierp en vastlegde! En ze zijn alle twee hoofdbouwmeester van Antwerpen geweest. Aan Bourla is niet zoveel werk, aan van Mechelen relatief wél, maar volgens een bevoegde firma (jawel!) kunnen de kosten met deze gift gedekt worden. Het dossier berust nu bij het gemeentebestuur voor definitieve goedkeuring.

Nog dit: Philippe Heylen blijft ook gedurende de volgende legislatuur schepen voor Cultuur van Antwerpen, een vaste waarde dus. Guy Lauwers, een nieuwkomer op de schepenbank, zal Edwin Pairon opvolgen als schepen bevoegd voor begraafplaatsen. Dàt wordt dus wel even afwachten ...
 
Willem Houbrechts

Epitaaf voor de eeuwigheid Marc Coremans ontdekte nieuwe mogelijkheid


Ons bestuurslid Marc Coremans vond volgend artikel:
 
Een historisch gebouw van eerste rangorde, de Keizerskapel te Antwerpen, gebouwd in de periode 1512-1514, wil de traditie van het funeraire en van de funeraire kunst nieuw leven inblazen. Kunstliefhebbers kunnen een epitaaf laten oprichten in de crypte van deze prachtige kapel/kerk. In de toekomst kan een en ander zelfs gecombineerd worden met het bewaren van bijvoorbeeld een urne. Een, nog op te richten stichting, moet er voor zorgen dat alles voor de komende eeuwen bewaard blijft. Op die manier worden middelen gecreëerd voor het behoud, het onderhoud en de opwaardering van de kerk. De op te richten funeraire monumenten mogen in geen geval de kwaliteit van het gebouw schaden. En kunnen alleen tot doel hebben het gebouw kunsthistorisch op te waarderen. Eind van dit jaar wordt een eerste epitaaf ingericht in één van de zijkapellen. Een levensgroot marmeren grafbeeld uit de 17e eeuw, voorstellend een knielende man met de handen in gebedshouding, zal opnieuw de bestemming krijgen waarvoor het werd gekapt: een religieus gebouw. In dit geval de Keizerskapel. Wat het Oostenrijks regime verbood, wat het Franse bewind vernielde einde 18e eeuw … wordt in ere hersteld.
 
(Dr. Jean Pierre De Bruyn, kunsthistoricus/conservator van de Keizerskapel)