Nieuwsbrief Nr. 29 - mei 2006

Wervik, oud en nieuw Willem Houbrechts maakte volgende verslag


Willem Houbrechts maakte volgend verslag van ons bezoek aan de oude en nieuwe begraafplaats van Wervik op 25 maart:
 
Beide bezoeken vonden plaats onder een grotendeels blauwe hemel en de kundige leiding van de charmante heer Bernard Delvoye, die inderdaad de trotse verwekker bleek te zijn van Wim-van-het-kakmachien en andere getatoueerde kunstvarkentjes. Die had gelukkig begrepen dat onze “harde kern” de algemene geschiedenis van de begraafplaatsen in Vlaanderen sinds de 18e eeuw slapend kan opzeggen en ging dus onmiddellijk over tot de orde van de dag.

1) De oude begraafplaats

De eerste “moderne” begraafplaats van Wervik na het verdwijnen van het klassieke “kerkhof” was gevestigd aan de Koestraat, maar die was al vlug te klein wegens de toestroom van grensarbeiders die in Frankrijk werkten maar in België woonden en stierven. Zodoende werd verhuisd naar de huidige lokatie, die op 31 december 1905 plechtig geopend werd. De rijke burgers die op de vorige begraafplaats hadden gelegen werden overgebracht, hun graven
sieren nog steeds de brede ingangslaan die voert naar een calvarieberg waarvan het kruis verwijderd is wegens versleten. En daar men niet goed weet of er nu een modern dan wel een namaak-oud moet komen, zou dat nog wel een tijdje zo kunnen blijven.

In 1925 werden de in deze streek gesneuvelde Duitsers hier samengebracht. Het waren er 3100 en ze kregen allemaal een houten kruisje. In 1957 werden de “bekende” overgebracht naar Menen, de “onbekende” naar Passendaele, zodat er nu nog één Duitse luitenant in Wervik ligt, iets wat diens familie nog niet zo lang geleden te weten kwam. Wat er nog wél staat, is de treurwilg die vroeger zijn schaduw wierp over de Duitse soldatengraven.

De meeste graven in Wervik zijn van brave, bekende neogotische strekking, al vinden we hier en daar wel een Art-Déco-uitschietertje of een vleugje Nieuwe Zakelijkheid en er staan zelfs een paar héél moderne dingen, in steen maar ook in glas of metaal, waarover de opinies sterk uiteenlopen, ook onder Grafzerkjes. Wat funeraire symboliek betreft staat er weinig opvallends. Wél een Keltisch kruis waarop de vier kraaien vervangen zijn door engeltjes.

Namen wier bekendheid de Wervikse grenzen overschreden hebben heeft zijn eerder zeldzaam. Maar we kennen natuurlijk wél de naam van de grootste familie : de Van Elslandes (en al haar vertakkingen) die je hier zowat overal aantreft, want die heeft politici van de hoogste rang voortgebracht. Van deze familie werd verteld dat zij van Wervik naar Ieper kond wandelen zonder van eigen grond te moeten afstappen ... Grote meneren dus, en zo waren er hier nog, en ze waren goed voor hun werkvolk en bediendes, want die kwamen dikwijls òòk in het meesterlijke familiegraf terecht ! Niet moeilijk dat Wervik ook een paar strijdbare socialisten en zelfs communisten gekend heeft ! Maar er zijn ook heel wat nonnenperken en er ligt ook een Vandermersch, als die naam U nog iets zegt uit de pre-Belgische vaderlandse
geschiedenis.

Waarmee we wel uitgekeken waren op de oude begraafplaats en ons onmiddellijk verplaatsten naar de nieuwe, de “moderne”, die er overigens niet zo ver vandaan ligt.

2) De nieuwe begraafplaats

De nieuwe begraafplaats, waar bijna geen graven te bespeuren vallen vermits er nog maar begraven wordt sinds november vorig jaar, is een zogenaamde “parkbegraafplaats”, naar een algemeen concept van Andy Malengier met een gebouw van architect Bart Lannoy. De opdracht luidde in 98 om een rustgevend groen eiland te scheppen, en dat moet niet onaardig gelukt zijn, want in 99 al werd de Funeral Award toegekend, een internationale prijs voor begraafplaatsen.

Achter het concept steekt een hooggestemde filosofie die uitgaat van de begraafplaats als sas tussen twee werelden. Oude begrippen als Eutopia en de Styx en de vier rivieren van Eden (U weet wel : de Pison, de Gihon, de Hiddekel en de Euphrates !) worden onvervaard van onder het stof gehaald, samen met het assenkruis van de kazuifel van meneer pastoor, elementen uit
de Keltische mythologie en nog veel meer. Als simpel mens duizelde het mij persoonlijk een beetje, maar er is een mooie, rijk-geïllustreerde brochure voorhanden voor wie er echt alles over wil weten. Hoe dan ook is het een beter idee om deze begraafplaats wat later op de zomer te bezoeken, de vele hagen en de 600 nieuw-aangeplante bomen zullen dan beter tot hun recht komen.

Even dreigden de zaken gevaarlijk te verhitten toen voorzitter Jacques begon te fulmineren tegen het begraafplaatsreglement dat hier enkel zielloos éénvormige graven wil toelaten. Hij pleitte bevlogen voor meer verbeelding aan de macht, iets wat aan déze jongen altijd wel besteed is. Gids Delvoye hield zich filosofisch glimlachend wat op de vlakte.

We zullen wel zien wat het wordt ... maar de aanwezige Grafzerkjes hadden alleszins een interessante voormiddag achter de rug, iets waarop bescheiden geklonken werd in het café van het plaatselijke tabaksmuseum !

Grafzerkje Willem Houbrechts.

Rite de passage Anneke Haasnoot pleegde volgend gedicht


Mijn vader is tot stof vergaan
Verslagen sta ik bij het marmer
Het kon met hem en mij veel warmer
Hoewel, een zelfbeeld brak zich baan

De stormwind teistert het ter aarde
Een tere bloem houdt dapper stand
Wij weten af van graf en rand
Van einde dat naar ons gebaarde

En hoe de wind ook trekt en duwt
Ik vlij de bloem behoedzaam neer
Verzwaar met kiezelsteen haar steel

In mij is het lawaai geluwd
De bomen buigen meer en meer
Maar breken niet, zoals zoveel


Anneke Haasnoot

Baltics Rindert Brouwer bezocht de Baltische staten, vijfde deel


Ons lid Rindert Brouwer en dé stuwende kracht achter de buitenlandse activiteiten van de Terebinth bezocht de Baltische staten en de begraafplaatsen aldaar. Hij bezorgde ons, in feuilletonvorm, de neerslag van zijn ervaringen.
 
feuilleton deel 5
 
LETLAND - RIGA (deel 1)
 
In Riga zijn ongeveer 25 begraafplaatsen, elke wijk heeft zijn eigen kapi ofwel begraafplaats. Op de begraafplaatsen zie je vaak een gimenes kaps = familiegraf.
Maar zoals in elke stad is er ook een centrale begraafplaats.
 
LIELIE KAPI (Grote begraafplaats)
 
De centrale begraafplaats in Riga was aanvankelijk de Lielie Kapi = Grote begraafplaats, gelegen iets ten noordoosten van het centrum aan de Miera iela. Je komt er met tram 11 langs als je op weg bent naar de huidige centrale begraafplaats. De oudste begraafplaats van Riga, waar destijds veel beroemde Letten en Baltenduitsers zijn
begraven is in de tachtiger jaren van de vorige eeuw geruimd. Her en der op het verwilderde grasveld staan nog enkele mausolea, grafhuisjes of grafmonumenten. In de uiterste zuidoostelijke hoek bevindt zich nog een rijtje graven van Duitse krijgsgevangenen uit de Tweede Wereldoorlog: Vācu karavīru kapi.
Trammend vanuit het centrum kom je in steeds armoediger wijken en zie je dat het herstel en de verwestersing zich tot nu toe heeft beperkt tot het centrum van de stad.
 
CENTRALE BEGRAAFPLAATS
 
agglomeratie
 
Ten noorden van de voormalige ‘Grote begraafplaats’ bevindt zich de centrale begraafplaats van Riga, bestaande uit een agglomeratie van begraafplaatsen op een terrein van ca. een vierkante kilometer: de algemene Meža kapi, bestaande uit twee delen, de militaire Brāļu kapi, de Russisch-orthodoxe Miķeļa kapi, de socialistische Raiņa kapi en de islamitische Musulmanu kapi.
Vanaf tramhalte ‘Brāļu kapi’aan de Gaujas iela leidt de Aisaules iela naar een centrale parkeerplaats, van waaraf je de beide delen van de Meža kapi kunt bezoeken. Daar vlakbij ligt ook  de hoofdingang van het militaire ereveld Brāļu kapi en takt de weg zich af als Varonu iela, die langs het crematorium voert en nog verder naar de wijkbegraafplaats Sarkandaugavas kapi. Trek dus maar een dag uit om deze agglomeratie van begraafplaatsen te bezoeken. Neem wel een lunchpakket mee, want in deze omgeving  is niet veel te halen, of tram tussendoor even terug naar de stad voor een lunch. Voor een voorgerecht, hoofdgerecht, toetje en drank ben je amper € 5,- kwijt in zelfbedieningsrestaurant Lido vlakbij het Domplein. En nog lekker ook; de salade op je bordje wordt gewogen.
In de buurt van de tramhalte staan veel bloemenkraampjes en ook steenhouwers. Bij een oude steenhouwerij worden nog echte beelden gemaakt, maar we zien ook zaakjes met een assortiment moderne stenen, die ook bij ons worden geïmporteerd en de bijnaam ‘glimmertjes’ / ‘golfjes’ hebben gekregen. Op de begraafplaatsen zelf  heeft deze trend evenwel nog niet toegeslagen of heeft men er een eigen invulling aan gegeven.
 
kenmerken
 
Met uitzondering van het militaire ereveld vind je op alle grafvelden hetzelfde beeld terug: de begraafplaats is strak ingedeeld in groene kamertjes, grafveldjes omgeven door een kniehoog hegje van dwergmispel (cotoneaster bullata) en voorzien van een grafteken, een of meerdere bloembakken en een zitbankje. De ingang van het kamertje is open, er staat geen hekje voor. De hoogte van het hegje wil nog wel eens variëren en de kleur en vorm van het zitbakje is ook niet overal hetzelfde. Het meest voorkomende bankje is een lattenbankje met afgeronde bovenkant en zonder leuning of rug. De bloembakken hebben de vorm van een trog. Deze kenmerken blijven zich herhalen over de hele agglomeratie van begraafplaatsen.
De kamertjes zijn familiegrafveldjes: gimenes kapi, zoals het grafteken vermeldt. De grootste verscheidenheid is terug te vinden in de graftekens, waaruit ook vaak iets van de aard en afkomst van de grafbewoner kan worden afgeleid: katholiek, luthers-evangelisch, Russisch-orthodox, moslim, socialistisch, kunstenaar, arm of rijk, beroemdheid of gewone burger, Russisch of Lets.
Het is zaterdag als wij de begraafplaats(en) bezoeken. Het is er druk. De kamertjes worden geveegd, de bloemen en plantjes ververst en vervangen, de grafsteen gepoetst, het bankje gesopt en de hegjes geknipt. Op het eind van de dag ziet alles er weer keurig uit, het weekend kan beginnen.
 
BRĀĻU KAPI  (Broederbegraafplaats)
 

 
De Brāļu kapi is het militaire ereveld, dat qua aanleg totaal afwijkt van de overige begraafplaatsen en grafvelden. Hier is het groen naar de achtergrond verplaatst en overheerst het beton. De begraafplaats ontstond toen drie Letse soldaten, vechtend voor de onafhankelijkheid van Letland, in 1915 bij Riga sneuvelden.
Toen Letland zich in 1918 onafhankelijk verklaarde, grepen velen naar de wapens om die onafhankelijkheid ook daadwerkelijk tot stand te brengen. De gesneuvelde soldaten werden ook hier begraven. En zo werd deze plaats het ereveld voor de Letse soldaten, die waren gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog en in de Onafhankelijkheidsstrijd van
1915-1922. In 1922 werd besloten het ereveld vorm te geven. Aan het huidige architectuurensemble is gewerkt van 1924-1936. Het ontwerp is van de Letse beeldhouwer Kārlis Zāle, die ook het vrijheidsbeeld in de stad heeft ontworpen. Hij werd geassisteerd door de architecten Aleksandrs Birzenieks, Pēteris Feders en tuinarchitect Andrej Zeidaks. De Broederbegraafplaats wordt gezien als een belangrijk kunst- en architectuurensemble, waar ongeveer 2000 soldaten liggen begraven. Aan weerszijden van de hoofdpoort, waarop het wapen van Letland staat, zijn strijdbare figuren te paard uitgebeeld. Een met linden omzoonde laan leidt naar het altaar met de eeuwige vlam. Daarachter kijk je vanaf de terrassen op het ereveld neer, dat is aangelegd in strakke lijnen en met enorme beelden, waarvan het 9 meter hoge beeld van Mate Lat vija (Moeder Letland) aan het hoofd van het ereveld de kroon spant. Zij kijkt neer op haar gesneuvelde heldenzonen.
Na de Tweede Wereldoorlog werden gevallen soldaten van het Rode leger en Sovjetpartizanen op de begraafplaats begraven, waarbij de Russische bezetters namen van gevallenen uit de Letse onafhankelijkheidsstrijd verwijderden.
Tijdens de Russische bezetting verviel de begraafplaats, maar vanaf 1993 is de restauratie begonnen.
Buiten de soldaten zijn er twee burgers begraven, architect Aleksandrs Birzenieks en beeldhouwer Kārlis Zāle. Zijn grafsteen is even eenvoudig als die van de soldaten, de tekst luidt: Kārlis Zāle 1888-1942. Brālu Kapu un Brīvības Piemenekla autors (maker van de Broederbegraafplaats en het Vrijheidsbeeld).
Vaak kom je op de stenen van de soldaten het woord nēzināms tegen: onbekend.

Wordt vervolgd.
Volgende keer: Letland - Riga deel 2

Rindert Brouwer
© Atelier ‘Terre aarde’
tekst: Rindert Brouwer
foto’s: Jeannette Goudsmit & Rindert Brouwer

Wie niet kan wachten op de volgende verhalen: alle verhalen en gegevens zijn verwerkt tot een boekje van 52 bladzijden, met 65 foto’s (zwart-wit).
Het boekje NON OMNIS MORIAR. Begraafplaatsen in de Baltische Staten is te koop voor
€ 7,50. Ofwel incl. verzendkosten: Nederland € 9,00; België € 10,00
[email protected]
www.atelier-terreaarde.nl

Tante Kato ging op reis en ze zag het graf van Petrarca


* Francesco Petrarca * 1304-1374 * Arqua Petrarca, Italië

Graag neem ik u deze keer mee naar een 14de eeuwse en onmogelijke liefdesgeschiedenis. Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo, Oost-Toscane. Zijn vader was een Florentijns notaris die in 1301 uit zijn stad verbannen werd. In 1311 vond vader een baan aan het sinds 1309 naar Avignon uitgeweken pauselijke hof van Clemens V. Moeder Petrarca zocht met haar twee zoontjes een onderkomen in het nabije Carpentras. Later studeerde Francesco in Montpellier en Bologna. Toen zijn vader in 1326 overleed keerde hij naar Avignon terug. Petrarca kreeg er twee kinderen : Giovanni (1337) en Francesca (1343). Het waren natuurlijke kinderen, de moeder is onbekend gebleven maar hij erkende beide officieel. Petrarca reisde veel en voelde zich zowel thuis in Frankrijk als in Italiaanse steden tussen Napels en Venetië. Misschien mag hij daarom als de eerste grote Europeaan beschouwd worden.

Op Paasdag 1341 kreeg Petrarca in Rome de titel “dichtervorst” en de daarbij horende lauwerkrans. In mijn fantasie stond die titel toen op dezelfde hoogte als de Nobelprijs voor literatuur nu, maar dan zonder de ermee gepaard gaande pecuniën. Francesco Petrarca wordt “de geleerdste man van zijn tijd” genoemd. Ter illustratie : van de stad Venetië kreeg hij een huis in ruil voor zijn bibliotheek. Geprezen als humanist, historicus en archeoloog; toch zal hij vooral bekend blijven als dichter want via zijn liefdespoëzie voor de ongenaakbare Laura verwierf hij eeuwige roem. Wie was die Laura, die hij op Goede Vrijdag van het jaar 1327 leerde kennen ? Heeft zij ooit bestaan ? Was zij Laura de Noves (1308-1348) gehuwd met Hughes de Sade met wie zij 11 kinderen kreeg ? Heeft Petrarca haar ooit persoonlijk ontmoet ? Kon zij zijn liefde niet beantwoorden vanwege standenverschil ? Feit is dat de onbereikbare Laura, gehuwd en oh zo trouw, eenentwintig jaar lang zijn inspiratie, muze en poëzie-koningin bleef. Petrarca maakte van haar de perfecte vrouw : wijs, mooi en discreet. Enfin, een ideaal waar wij vrouwen zo’n 700 jaar later nog steeds tegenop boksen ! Petrarca bezong Laura in zijn Canzonieri, een verzameling sonnetten waarin hij uiting gaf aan zijn smart, weemoed en passie. Vermoedelijk overleed Laura in 1348 aan de pest. Ook na haar dood was Laura nooit uit Petrarca’s gedachten : hij bleef zijn liefdesgedichten herschrijven en aanpassen. “Finetunen” om een trendy woord te gebruiken.

In 1368 vestigde Petrarca zich in Padua, sinds 1231 dé pelgrimstad van St Antonius en de stad met de onvoorstelbaar mooie Kapel van de Scrovegni waar men nog altijd de onovertroffen fresco’s van Giotto (dd 1303-1305) kan bewonderen. Een rijke Paduaan schonk Petrarca in 1369 een stuk land in Arqua, waarop hij een elegant huis liet bouwen. In dat rustig dorpje aan de voet van de Colli Euganei sleet de oude, zieke man zijn laatste vijf levensjaren. Hij woonde er met zijn dochter Francesca, haar man en zijn kleindochter (zijn zoon was in 1361 aan de pest gestorven).

Ben je ooit ten zuiden van Padua op weg naar Ferrara, neem dan even de afslag naar het dorp Arqua, dat nu Arqua Petrarca heet. Op het middeleeuws dorpsplein tegenover de kerk staat sinds 1380 Petrarca’s marmeren tombe. De sarcofaag wordt gedragen door vier zuilen, die op een vrij hoge sokkel rusten. Langs de zijkant werd Petrarca’s hoofd in brons afgebeeld. Het is een groot maar sober monument, eigenlijk te groot voor dit dorpsplein. Ter gelegenheid van Petrarca’s 700ste geboortedag (2004) werd zijn tombe geopend en de schedel werd aan een DNA-analyse onderworpen. Toen bleek het die van een vrouw te zijn !
 
 
Petrarca’s laatste toevluchtsoord is inmiddels een museum. Men kan er 16de eeuwse fresco’s bewonderen die de liefde tussen Laura en Petrarca illustreren. De toenmalige eigenaar moet een groot bewonderaar geweest zijn. Vanuit de Casa Petrarca geniet men van een magnifiek uitzicht over de heuvels, de antieke klimrozen en de serene sfeer. Net of de tijd stilstaat.


“Mij dunkt ik zie de Dood hier voor mij staan,
en vechten zou ik voor het leven, maar wapens heb ik niet...”
Uit Canzoniera 264
Vertaald door Grafzerkje Rudy Witse

Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie een vierde gedicht uit de dichtbundel van Rudy Witse, ofte Willem Houbrechts


De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een vierde gedicht.
 
albert szukalski (1945 – 2000) (ereperk R)
 
kom.
 
en hoor: hij was die altijd was. gedragen door een vrouw.
immer gedreven door dat lichte, wuft gegeven
lichaam. zoals u. en zoals ik.
 
ja: zoals wij allen. niet minder en niet hopelozer dan zij
die ongebeden, onbekwaam en ongeremd ondanks
hun vleesgeworden woord de betere wereld niet
brachten die ze constant hoogst irritant
beloofden zonder te geloven. geloof
is gave, Heer, voorwaar, het weze U vergeven.
 
maar: bij tijd en wijle vreet er iets aan die unieke mens
wat U niet raakt maar denkbaar in Hem groeit wat Hem
groter maakt. dat heet dan Kunst, als het naar buiten
breekt en beelden toont, niet om begrip smeekt en toch
witte, wondere, wolkende woorden slaat.
 
intussen: even denkbaar en even onverklaarbaar ook is er het rot
dat binnensluipt en sloopt en snel verval
decreteert. oh. geen klacht. klachten zijn vage schimmen
in de ongeruimd berijmde wereld van de kankeraar.
schermen met sprokke spoken heeft andere dimensies.
soms winnen. soms, uiteindelijk, krachteloos verliezen.
toch winnen.
 
want: wij zijn die zijn. hij was die was.
daar waarheen hij verdween verdwijnen
wij zodadelijk evenzeer, weg uit de schitterend
versierde hut die leven heet. hij? hij verdwijnt
niet meer. heeft lak aan alle grootse, bekrompen
festijnen die vroeger dienst deden als leven.
 
tiens: ogen tranen hier en daar. er is hoop.
Hield hij van hoop?
 
Rudy Witse
 
Wie de dichtbundel, niet verkrijgbaar in de boekhandel, wenst aan te schaffen, prijs € 20 – verzendingskosten NIET inbegrepen, kan dit doen bij Houbrechts Willem, 03/230 49 26, E-mail: [email protected]

Voor alle informatie slechts één adres. Reeds drie websites