Nieuwsbrief Nr. 26 - november 2005

Anneke Haasnoot pleegde volgend gedicht. Als humus lokt


Ik trek al krom, zo broos worden mijn nerven
De strohalm zal mij niet lang kunnen dragen
Ik hunker naar het zijn in aardes lagen
En velen zullen- weet ik- met mij sterven

Wat was de lente fris, de zomer drukkend
Velen van ons zijn daardoor vroeg bezweken
De wolken hielden zware donderpreken
Het loof,  met twijg en al, van bomen rukkend

Zelfs na mijn dood ben ik voor’t oog een lust
De mensen zullen niet lang om mij treuren
Mijn dodenmasker geeft de meesten rust

Soms hitst de wind mij op, is ‘t uit met zweven
En hult de zon de grond in koperen kleuren
Dan wèrvel ik de dans van dood en leven

Maar hoe dan ook, pas ik het doodskleed even
Door spinnen ijverig en getrouw geweven
 
Anneke Haasnoot.

Bezoek aan Sint Odiliënberg Guus Rüsing en een verrassende dodenakker.


Het is niet overdreven om te stellen dat ditmaal de afwezigen meer dan ongelijk hadden. Hadden. Wegens verlof deden maar 10 leden de verplaatsing naar Nederlands Limburg. Om 10.30 uur werden we opgewacht door Marianne van der Elsen, Guus Rüsing heerlijke koffie en cake. De locatie was prachtig: de basiliek van Sint Plechelmus, Wiro en Odgerus ligt namelijk op een hoogte; Onder leiding van Guus werd de begraafplaats rondom de kerk bezocht. Klein maar fijn. We zagen er de graven voor de zusters van het Heilig Graf, met dubbele kruisen, en troffen er enkele belangrijke families uit het naburige Roermond aan. Joep Nicolas, glaskunstenaar afkomstig uit Roermond en jaren actief in Amerika, ligt onder een van zijn eigen ontwerpen. Ook een vrouwelijke telg van de, uit Maastricht afkomstige familie Regout kreeg hier een laatste rustplaats onder een kanjer van een monument. Als men het breed heeft toont men dat ook met zijn grafmonument.
Vandaar gingen we naar de Natuurbegraafplaats Bergerbos waar we ontvangen werden door de directeur de heer Huub Kluitmans. Die vertelde hoe hij aan de begraafplaats kwam, een heel bijzonder verhaal. De heer Kluitmans was een particulier houthandelaar en kocht een bos aan met de bedoeling dit te ontginnen. Toen hij bij de gemeente zijn aankoop ging bevestigen vertelde men doodleuk dat hij eigenaar was van een begraafplaats. Zo stond het in het bestemmingsplan. In eerste instantie voelde Huub zich bekocht. “Wat moet ik nu in hemelsnaam met een begraafplaats”, zuchtte hij. Begraven en dodenakkers was voor hem een maagdelijk blad. Gelukkig kreeg hij hulp van instanties die kaas hebben gegeten van begraafplaatsen. De heer Kluitmans toog ook naar Groot-Brittannië, waar het fenomeen “natuurbegraafplaats” meer ingang kende.
Wat is nu een natuurbegraafplaats? Het ligt in een bos, kent geen sluitingstijd en is dus dag en nacht toegankelijk en men opteert voor een natuurlijke uitstraling. Dat houdt in dat grafbeplanting zo natuurlijk mogelijk dient gehouden te worden en dat gecultiveerde planten hier niet in thuishoren. Ook wil men hier geen gepolijste, traditionele grafmonumenten. Urnengraven komen dicht bij de bomen, gewone graven iets verder van de wortelpartijen. Aan de ingang was er een ontmoetingsplaats. Naast informatie over de zin van de natuurbegraafplaats en de ligging van de graven bestaat hier ook de mogelijkheid om de overledenen te gedenken met kaarsen. Heel origineel waren een aantal gleuven in de bakstenen muur. Kinderen of nabestaanden die de dood van een dierbare van zich wilden afschrijven door middel van een gedicht, een brief of een tekening konden die in de gleuf deponeren. De verdwenen zo in de anonimiteit. De natuur, de tijd en de vleermuizen deden de rest. Ook vertelde de heer Kluitmans dat er regelmatig post voor een overledene toekomt. De brieven worden, ongeopend, in de gleuven gedeponeerd. Op de begraafplaats ook een schommel zodat kinderen zich hier thuis voelen. Ook de wijze van afscheid nemen is origineel. In openlucht is er plaats waar de kist kan staan. Die kist, of een rieten mand zoals wij konden meemaken, wordt op een bolderkar geplaatst. Kinderen kruipen op de kar en nemen zo afscheid van oma of opa. Bij het reeds gedolven graf vijf schoppen zodat de familie zelf de put kan dichten. Na de rondgang waarbij wel opviel dat een groot aantal graven echt “één met de natuur” waren maar waar er toch waren die toch opteerden voor stenen zerken en bloemen recht van de winkel. Wel op zulk een natuurbegraafplaats passen deze zoals een tang op een varken. Hopelijk krijgt de heer Kluitmans vele klanten zodat hij zijn eisen kan stellen over de vorm van de graven.
Vlakbij is de gemeentelijke begraafplaats. Daar horen die “ondingen” thuis, niet op een natuurbegraafplaats. In de aula van de natuurbegraafplaats werd een broodmaaltijd aangeboden. Nadien vergezelde Guus ons naar die gemeentelijke begraafplaats. Een “rechttoe – rechtaan” begraafplaats van dertien in een dozijn. Ook gek: de nabestaanden eisten dat de bomen gerooid werden daar de blaadjes op de zerken vielen? De bomen werden inderdaad gekapt en … vervangen door andere bomen. Deze keer inlandse bomen. Waar heb ik dat nog gehoord: “eigen boom eerst”? Bij een drankje werd nog druk nagepraat maar over één ding waren alle aanwezigen het eens: het was een bijzondere dag geweest en de natuurbegraafplaats was echt een openbaring.
Jacques Buermans.

Tante Kato ging op reis en ze zag El-Alamein


Egyptische Middellandse Zeekust, 106 km ten westen van Alexandrië

El-Alamein, Tobruk, woestijnvos Erwin Rommel, het Afrika Korps. Allemaal begrippen uit de Tweede Wereldoorlog, uit de Noord-Afrikaanse regio. Op weg naar de Siwa-oase tegen de Libische grens maakten we een stop in El-Alamein. Eerst even het geheugen opfrissen : In juni 1942 had Italië alle macht over Libië en vanuit Tobruk rukten de Italianen, geholpen door de Duitsers, richting Alexandrië in Egypte met als uiteindelijk doel het Suez-kanaal te bereiken en te controleren. Ter hoogte van El-Alamein (letterlijk de twee heuvels) botsten ze op de Britten en gedurende twaalf dagen (van 23 oktober tot 4 november 1942) werd er slag geleverd. Rommels troepen (104.000 soldaten, 540 tanks en 2.433 kanonnen) konden niet op tegen de legermacht van Montgomery (respectievelijk 196.000, 1.600 en 3.171). Deze overwinning van de Gealliëerden, ook al was ze uiterst moeilijk, was het grootste wapenfeit op Afrikaanse bodem en betekende een keerpunt in die Tweede Wereldoorlog. In de buurt van de veldslag werden later verschillende oorlogsbegraafplaatsen opgericht :

De Gemenebest begraafplaats telt 7.367 grafstenen. Het is alsof de Westhoek zich verplaatst heeft. Perfect uitgelijnde wit marmeren graven. Alleen de flora verschilt en is aangepast aan de woestijn. Hier liggen “als zaden in ‘t zand” 4.074 Britten, 1.234 Australiërs, 1.108 Nieuw-Zeelanders en 495 Zuid-Afrikanen. Het Zuid-Afrikaanse opschrift “Eendrag maak mag” klinkt bekend in de oren. Tegen de wanden van de hoofdingang werden 603 gedenkplaten aangebracht voor de gecremeerde soldaten, merendeels Indiërs.

Zeven kilometer verder ligt het Duitse memoriaal, gebouwd als een hermetisch gesloten burcht met acht torens. Op het centrale binnenplein staat een obelisk waarvan het voetstuk versierd is met vier adelaars. In de rondgang zijn zeven nissen met telkens drie grote tombes. De achtste zijde is de toegang, die langs de binnenzijde versierd is met een mozaïek. Het monument werd opgericht in 1959 en er liggen 4.313 Duitse soldaten begraven.

Nog drie kilometer verder ligt het Sacrario Militare Italiano, eveneens van 1959. Op het einde van een lange laan staat een achthoekige toren van wit Carrara-marmer. Hier vonden 4.634 soldaten hun laatste rustplaats. Het interieur lijkt langs de zeekant een moderne kerk en de landzijde doet denken aan een columbarium of beter nog aan een resem bankkluizen : uniforme wit marmeren vierkante tegels met zwarte reliëfletters, waarvan 2.187 “Ignoto”. Nét naast het Italiaanse monument werd een moskee gebouwd voor de 228 Libische gevallenen, die aan de zijde van de Italianen vochten.

In totaal lieten 68.500 soldaten (méér dan drie kwart kwamen van de Asmogendheden) hier hun leven en duizenden raakten gewond. Veel gesneuvelden vonden een laatste rustplaats in zee. De dorre woestijn is nog steeds gevaarlijk : er liggen nog talrijke mijnen en men mag hopen dat ze geruimd worden nu er naar petroleum geboord wordt.


 
In de buurt is eveneens een militair museum met foto’s, uniformen, wapens, materieel, etc... van zowel winnaars als verliezers. Ik kwam er een groep Nieuw-Zeelanders tegen : familieleden van Oudstrijders en één zwaar bemedailleerde. Hun herdenkingsreis begon in Egypte en liep via Kreta en Italië naar Engeland. Ik kan mijn bezoek alleen maar afsluiten met de woorden van Nobelprijswinnaar Albert Schweitzer (1875-1965) die ik aan het Duitse monument noteerde “Soldatengraven zijn de grootste vredespredikanten”.


Tante Kato

Een funerair geschenk Marc kreeg een bijzonder verjaardagsgeschenk.


In de loop van de maand oktober mocht ik mijn verjaardag vieren. Voor iemand van wie het eerste cijfer van zijn leeftijd hetzelfde cijfer is als dat van de toekomstige nieuwe tramlijn in Antwerpen (ra ra) is dat vieren eigenlijk al heel relatief geworden. Maar ik zal het geweten hebben. Dit jaar niet de klassieke CD-, DVD-, boeken- of andere bon. Mijn echtgenote Jeannine heeft mij verrast (2 x r graag) met een prachtig kunstwerk.
Enige voorhistorie gaat hier wel aan vooraf. In juni werd ik door mijn echtgenote meegetroond naar een schilderijententoonstelling van  de moeder van één van haar collega’s : de Boomse kunstenares Theresa Van Hoof. Een prachtige tentoonstelling maar niet echt met onderwerpen die mij boeiden. Ik mocht echter ook nog een aantal foto’s bekijken van kunstwerken die niet tot de tentoonstelling behoorden en ja hoor, daar zat een vroeg werk tussen (gedateerd 1978), een olieverfschilderij met als onderwerp een dodenmasker. Ik mocht het prachtige werk kopen en dat heeft nu een ereplaats.
Ik kreeg ook de nodige documentatie mee over het curriculum van de artieste en hieruit bleek dat mevrouw Van Hoof toch al enige belangrijke prijzen in de wacht sleepte in binnen- en buitenland. Het AMVC (Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven) te Antwerpen heeft ook werk in de collectie.
Maar hier begint het verjaardagsverhaal pas. In juli contacteerde mijn echtgenote de kunstenares opnieuw met de vraag of ze ook iets funerairs “op bestelling” wou maken. Uiteraard volledig buiten mijn weten om.
Onderwerp van het kunstwerk : één van mijn adoptiegraven op Schoonselhof, de concessie Löwenthal-Renard, beter bekend als “de engel”. Aandachtige lezers van de Nieuwsbrieven weten wel over welk monument het hier gaat. Voor een geheugensteuntje : raadpleeg de website www.schoonselhof.be onder de rubriek restauraties en daar vindt je de concessie Löwenthal-Renard terug.
Intussen had mijn vrouw uit mijn archieven de fotoreportage van het restauratieproject “ontvreemd” en aan de kunstenares overgemaakt met als opdracht : doe uw zin, maak er iets moois mee. En het moest goed zijn want mevrouw Van Hoof is op Schoonselhof zelf gaan kijken om, naast het gebruik van de foto’s, inspiratie op te doen aan de hand van het monument zelf. Natuurlijk ook weer zonder dat ik ervan wist.
En zo werd ik verrast met een prachtig kunstwerk. Er werd gebruik gemaakt van speciaal perkament afkomstig van de Ardennen, waarvan het gedeelte van de engel zelf iets dieper ligt dan de rest van het papier. Zo krijg je perspectief. Dat gedeelte, de engel zelf dus, is geschilderd. De “omkadering” is getekend en dat geeft een prachtig resultaat. Overbodig te zeggen dat ondergetekende zeer tevreden is met deze vrije interpretatie van een beeld van één van mijn “adoptanten”.
Om te beëindigen met een rijmpje : een prachtig werkje voor een heel tevreden (Graf)zerkje.
Marc Coremans

Voor de Grafzerkjes die eventueel ook interesse zouden betonen: de coördinaten van Theresa Van Hoof zijn:
Galleria d’arte Teresa
Tuyaertsstraat 38
2850 Boom
Tel. 03 844 13 38
Website : http://www.galleria-arte-teresa.be

Allerheiligen: Mathilde Goelen kroop in de pen en bezorgde volgend gedicht


Allerheiligen:
 
Wat als een mens sterven gaat
Is ’t de veerman die je overvaart
Ver over het wijde meer
Van waar niemand wederkeert?
 
Een hereniging met geliefden
Een weerzien met vrienden
Is het een over-lijden heen gaan
Rustend in het hiernamaals?
 
Toch blijven wij met hen verbonden
De levensbanden ongeschonden
Bezoeken wij hun begraafplaats
Waar een naam en een foto staat
 
Wij sluiten hen in ons hart
Want echt sterven zij maar pas
Als wij niets meer om ze geven
En z’ uit ons binnenste weren.
 
Mathilde Goelen.

Baltics Rindert Brouwer bezocht de Baltische staten, deel twee


Ons lid Rindert Brouwer en dé stuwende kracht achter de buitenlandse activiteiten van de Terebinth bezocht de Baltische staten en de begraafplaatsen aldaar. Hij bezorgde ons, in feuilletonvorm, de neerslag van zijn ervaringen.
 
Feuilleton deel 2
 
LITOUWEN - VILNIUS
 
inleiding
 
Het stadsgebied van Vilnius telt zo’n 20 begraafplaatsen, waarvan de meeste kleine wijkbegraafplaatsjes zijn. Een drietal begraafplaatsen hebben van het departement Culturele Erfgoedbescherming van het Ministerie van Cultuur een beschermde status gekregen. Het zijn de drie oudste begraafplaatsen van Vilnius: Rasų kapinės (Rasos begraafplaats) uit 1801, Bernardinų kapinės (St. Bernhard begraafplaats) uit 1810 en Antakalnio kapinės (Antakalnis begraafplaats) uit 1809.
De twee oudste begraafplaatsen, Rasos en St. Bernhard, zijn praktisch onveranderd gebleven. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden zij zich niet verder, omdat ze gesloten werden door de Sovjetregering met de bedoeling ze te ruimen. Op Allerzielen werden de bezoekers door de KGB bespioneerd, omdat de dodenherdenking vaak aanleiding gaf tot vaderslandslievende manifestaties. Na de onafhankelijkheid in 1991 werd het begraven in familiegraven weer toegestaan, terwijl Antakalnis de begraafplaats werd voor de gesneuvelde helden van de onafhankelijkheidsstrijd en van Litouwse kunstenaars, wetenschappers en vooraanstaande figuren.
De begraafplaatsen in Vilnius hebben een duidelijk katholieke signatuur, het kruis overheerst. Litouwen is zeer christelijk en overwegend katholiek. Dat is terug te vinden in de vele kerken in Vilnius, die zeer druk bezocht worden en waar zoveel gebeden wordt voor de zielen van de overledenen, dat het niet meer hoeft op de begraafplaats, waar het dan ook niet erg druk is.
Om de begraafplaatsen in Vilnius te bezoeken, zul je over goed schoeisel en een goede adem moeten beschikken, want ze liggen bijna allemaal op een zeer heuvelachtig terrein. Buiten de hoofdpaden is er weinig structuur te ontdekken. Het gras staat hoog, het zevenblad woekert en de graftekens zijn verwaarloosd, waardoor het geheel een chaotische indruk maakt, maar ook een romantische plaatje oplevert.
 
RASŲ KAPINĖS (Rasos begraafplaats)
 
De Rasos begraafplaats ligt het dichtst bij het centrum en is vandaar uit gemakkelijk te voet te bereiken. Ga voor het treinstation (stotis) naar links, rechts onder de tunnel door, direct links en je komt vanzelf op de Rasų gatvė, aan welke weg de begraafplaats op no. 32 is gelegen. Bovendien zie je dan dat de fraaie restauratie van de stad zich tot nu toe alleen beperkt heeft tot het centrum.Zelfs wegverharding ontbreekt hier en daar.
De begraafplaats, die in de wijk Rasos ligt, wordt door de P. Višinskio gatvė in twee delen gesneden, de oude en de nieuwe Rasosbegraafplaats. Het verkeer raast er tussendoor, je moet bij het oversteken goed uitkijken om geen kandidaat voor de begraafplaats te worden. De totale oppervlakte bedraagt 10,8 ha.
 
Pools.
 
Bij de hoofdingang van de begraafplaats staan een paar kraampjes. Men verkoopt er kaarten, religieuze snuisterijen en het onvermijdelijke barnsteen. Ik koop er een brochure over de begraafplaats, in het Pools: Cmentarz Rossa w Wilnie. Opmerkelijk is dat alle boeken over de Rasosbegraafplaats alleen in het Pools zijn verschenen. Hoe komt dat? Het blijkt maar weer eens: op de begraafplaats leer je de geschiedenis kennen. In de loop van de geschiedenis zijn er veel connecties geweest tussen Litouwen en Polen. Het begon er al mee dat de Litouwse grootvorst Jogaila met Polen een verbond sloot tegen de Duitse Orderidders, in 1386 koning van Polen werd, zich liet dopen en in 1387 het rooms-katholicisme in Litouwen invoerde. In 1569 ontstond het Pools-Litouwse Rijk met een gezamenlijke koning, waarna een verregaande polonisering van Litouwen plaatsvond. De Poolse adel en de Poolse kerk domineerden en pas na 1795, toen Litouwen een provincie werd van het tsaristische Rusland, werd de Poolse invloed geleidelijk aan geëlimineerd en vervangen door allerlei Russische sociale en politieke instellingen.
Na de Eerste Wereldoorlog maakte Polen echter weer aanspraak op Vilnius en omstreken. In de strijd om onafhankelijkheid werd Vilnius tussen 1918-1920 achtereenvolgens Litouws (op 16 februari 1918 werd ‘het herstel van de onafhankelijke staat Litouwen op democratische grondslagen met als hoofdstad Vilnius’ uitgeroepen), Pools, Litouws, Russisch, Litouws (op 07.10.1920 werd Vilnius in het verdrag van Suvalkai aan de Litouwse staat toegekend), maar toch Pools, want op 09.10.1920 bezetten Poolse troepen onder generaal Zegilowski Vilnius en de regio. De Volkerenbond kon het probleem niet oplossen en zo bleef Vilnius met zijn regio tot het begin van de Tweede Wereldoorlog bij Polen. De provisorische hoofdstad van de eerste onafhankelijke republiek Litouwen (1920-1940) werd Kaunas.
Blijkbaar hebben de Polen de Rasosbegraafplaats altijd gebruikt voor hun doden. Op andere begraafplaatsen in Vilnius komen we dat Poolse accent minder tegen. Dat alles verklaart waarom de boekjes in het Pools zijn, waarom we zoveel Poolse namen op de graven tegenkomen en waarom er op een aantal graven Groby Rodzinne staat, wat Pools is voor ‘familiegraf’.  De pas verworven brochure biedt in elk geval een plattegrond en wat foto’s, zodat we weten waar we op moeten letten.
 
Geschiedenis
 

 
Rasos, de oudste begraafplaats van Vilnius, werd gesticht in 1801 in het zuidoostelijke deel van de stad als de parochiebegraafplaats van de Missiekerk. Eens stond er een oude heidense tempel, gewijd aan de Litouwse godin Rasa (dauw), en was er een kleine pestbegraafplaats. In de 19e eeuw, toen de kerk werd gesloten, kwam de naam Rasosbegraafplaats in zwang. Ook de wijk kreeg de naam Rasos. De begraafplaats werd aangelegd in de Ribiškės heuvels. Bij de stichting was er geen ontwerp voor de begraafplaats, het heuvelachtige landschap oefende de grootste invloed uit op de aanleg van de grafvelden en de graven. De paden en paadjes ontstonden vanzelf. Tot op de dag van vandaag is dat ordeloze en chaotische patroon gebleven. Vanaf de toppen van de heuvels heb je een prachtig uitzicht op de delen die in de dalen liggen. Het rommelige beeld met de grote verscheidenheid aan graftekens in steen, beton, smeedijzer en gietijzer maakt de begraafplaats overigens wel romantisch.
In het begin van de 19e eeuw werden er twee columbaria gebouwd, waar tot vijf hoog kisten in konden worden bijgezet. In het midden van de 20e eeuw zijn ze echter wegens bouwvalligheid gesloopt. In 1850 werd een neogotische begraafkapel op de begraafplaats gebouwd naar een ontwerp van architect Tomas Tyszecki, waaraan in 1881 een klokkentoren werd toegevoegd als vervanging van een houten exemplaar. Architect Julian Januszewsky ontwierp de toren.
In 1812 brandde de houten omheining van de begraafplaats af. In 1820 werd een stenen muur geplaatst samen met het huis voor de beheerder. Het onderste deel van de muur bestaat nog steeds aan de noordelijke en oostelijke kant. Een aantal bouwwerken werden gerenoveerd of gereconstrueerd in de afgelopen jaren, zoals delen van de muur, het beheerhuis en de ingangspoort.
De hele Rasosbegraafplaats zou in de tachtiger jaren van de 20e eeuw geruimd worden, omdat de Sovjetautoriteiten op die plaats een autoweg hadden gepland. Een perscampagne, geleid door de Poolse krant Czerwony Sztandar (Rode Bannier) en economische moeilijkheden hebben de ruiming weten te voorkomen.
Een oudere Litouwse man probeert ons met boze gebaren duidelijk te maken dat men de oude monumenten wil slopen. Of bedoelt hij dat die oude troep weg moet? Elders op de begraafplaats is men aan het restaureren. Gelukkig maar, want zo’n fraai stuk tweehonderd jaar oude geschiedenis mag natuurlijk niet verdwijnen. Dat men aan her redden is, blijkt ook uit het feit dat 164 architectonisch, historisch en artistiek waardevolle grafmonumenten op de monumentenlijst staan.

Oorlogsgraven


Op de Rasų kapinės zijn ook een aantal erevelden voor Poolse en Litouwse soldaten en/of verzetsstrijders. Links voor de ingangspoort en nog buiten de eigenlijke begraafplaats ligt een Pools ereveld van 0,2 ha, dat in 1920 werd aangelegd voor de Poolse soldaten die in de stad waren gesneuveld tijdens de Pools-Russische oorlog van 1919-1921, waarbij de grenzen tussen de Russische Sovjetrepubliek en de Tweede Poolse Republiek werden bepaald. De Poolse president Józef Piłsudski had een Oost-Europese federatie van Polen, Litouwen en Oekraïne voor ogen, geleid door Polen als een bolwerk tegen het Duitse en Russische imperialisme. Hij kwam in conflict en in oorlog met de Bolsjewieken, die inmiddels in Rusland de overhand hadden gekregen. De oorlog eindigde op 18 maart 1921 (Vrede van Riga) met de verdeling van de bevochten gebieden tussen Rusland en Polen, waarbij Vilnius en omstreken Pools werden.
Het Poolse ereveld werd in 1935-1936 herbouwd door Wojtiech Jastrzębowski, die ook het project rond Piłsudski’s graftombe realiseerde. De reeds genoemde Józef Piłsudski (1867-1935), geboren in de buurt van Vilnius, ontwikkelde zich tot een Pools staatsman, die in 1918 het eerste staatshoofd werd van de Poolse Republiek en tevens als maarschalk opperbevelhebber van de strijdkrachten. Zijn hart lag blijkbaar toch in Vilnius, want na zijn dood werd zijn lichaam dan wel bijgezet in de Wawelkathedraal in Krakau, maar zijn hart kwam te rusten onder de zwartgranieten grafplaat, op een plateau in het midden van het Poolse ereveld. Op de steen, waaronder ook zijn moeder Maria († 1884) rust, staat een Pools gedicht en het opschrift MATKA I SERCE SYNO (moeder en het hart van haar zoon). Het was zijn wens dat deze tekst op de steen vermeld zou worden en niet de namen.Desalniettemin weet iedere Pool wie hier liggen en is de plaats een bedevaartsoord, waar constant bloemen, kransen met linten in de Poolse kleuren en kaarsen worden geplaatst en ververst. Tot 18 september 1939, toen het Rode Leger de stad binnenviel, stond er constant een erewacht bij het Poolse ereveld. Drie onbekende soldaten, die weigerden hun wapens in te leveren aan de Sovjets, werden ter plekke geëxecuteerd en rusten nu naast maarschalk Piłsudski. Op een deel van het ereveld liggen Poolse soldaten, die vielen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hun graven, die na de oorlog werden geruimd, werden in 1993 herbouwd door de Poolse staat.
Ook in het noordelijke deel van de nieuwe Rasosbegraafplaats aan de overkant van de weg liggen Poolse soldaten, maar ook Litouwse vrijwilligerssoldaten van het Litouwse leger, die sneuvelden voor de onafhankelijkheid in 1919-1920. Op het grafveld staat een hoge zuil en tegen de wand staat een modern vormgegeven Piëta.

Graven en grafmonumenten


De enige structuur die op de begraafplaats valt te ontdekken is die van de graftekens. De grotere monumenten en mausolea liggen in de omgeving van de ingang en de begraafkapel, het centrale gedeelte dus. Hoe verder je van de ingangspoort afkomt, hoe eenvoudiger de graftekens worden. Het nieuwe deel, aan de overzijde van de P. Višinskio gatvė, heeft de eenvoudigste grafmonumentjes. Helemaal achteraan loop je vast in het hoge gras.
Net zo min als de begraafplaats is aangelegd volgens een bepaald plan, is er sprake van een bepaalde stijl bij de grafmonumenten. De oudste nog aanwezige graftekens stammen uit het eind van de 19e eeuw. Alle stijlen die de afgelopen honderd jaar werden gebruikt, zijn wel ergens terug te vinden.
En of het nu gaat om neogotiek, neorenaissance, classicisme, Jugendstil, moderne vormgeving of folkloristisch houtsnijwerk, het harmonieert allemaal uitstekend.
Direct links van de hoofdingang ligt de zogenaamde ‘literaire heuvel’, de heuvel van de kunstenaars, schrijvers, componisten, schilders en architecten. Onder hen heeft Mikalojus Konstantinas Čiurliones (1875-1911) het toch wat verder gebracht dan alleen nationale roem. Hij was een verdienstelijk componist en schilder. Hij schreef ca. 300 composities en maakte ca. 300 schilderijen. Dat hij beide kunsten beoefende, is duidelijk uit zijn schilderijen af te leiden. De titels zijn vaak muzikale termen, zoals prelude, fuga en sonate en de taferelen, geschilderd in een symbolistische stijl, zijn gecomponeerd op het melodische ritme van lijnen en met een harmonie van kleuren.
Interessant is zijn schilderij van de begraafplaats in Zemaitija, in het noorden van Litouwen. Op het schilderij staan een aantal houten ‘huisjes’ op palen. Op Rasos vinden we op het nieuwe deel, net aan de overkant van de weg in het noordelijke puntje, daarvan ook een voorbeeld. Het huisje hoog boven op de paal bevat gesneden heiligenfiguren. Zou deze vorm van grafteken vroeger vaker zijn gefrequenteerd in Litouwen? Ook op de ‘literaire heuvel’ staat een paal met een dakje, dat aan dit fenomeen doet denken; onder het afdakje schuilt een Jezus-op-de-koude-steen. Dergelijke houtgesneden figuren van Jezus-op-de-koude-steen kom je trouwens vaker tegen, niet alleen op de begraafplaatsen van Vilnius, maar ook op die van Warschau en vooral in de souvenirwinkeltjes en op de marktkraampjes van beide landen. Twintig jaar geleden brachten wij er al eens een mee uit Polen. Op de Antakalnis begraafplaats zet de literaire heuvel zich voort.
Rechts van de hoofdpoort ligt de grote sarcofaagvormige tombe van W. Korwin-Milewska. Naast elkaar staan het uiterst modern vormgegeven mausoleum van de familie Gimbuttów (groby rodzinne, Pools voor familiegraf) en de neorenaissancistische grafkapel van de familie Mączyńskich. Verschillend, maar niet detonerend. Elders staan nog twee op een columbarium lijkende bouwsels, een voor nonnen (siostra) en de ander voor de familie Vileišis, waarvan de Litouwse ingenieur van wegen, spoorwegen en bruggen Petras Vileišis (1851-1926) enige bekendheid verwierf.
Op het centrale deel is het gras en het zevenblad gemaaid, maar verder naar achteren en omhoog is de begraafplaats totaal overwoekerd en zijn er nog slechts kleine smalle paadjes door het meterhoge gras uitgesleten.
Hoe langer je rondloopt hoe meer de herhaling gaat opvallen. Dat geldt voor de reeds genoemde Jezus-op-de-koude-steen. Dat geldt ook voor de imitatiebomen, stenen graftekens in de vorm van een boomstronk. Het meest eenvoudige en vaak voorkomende grafteken noemen wij het ‘buizenkruis’. Het bestaat uit twee ijzeren holle buizen die in kruisvorm aan elkaar gelast zijn en waarop zich een schildje bevindt. Daarop zijn met de hand naam en data geschilderd. De drie uiteinden van de buizen hebben nog wel eens een versierinkje in de vorm van een bol of een driepas.
Op een bepaald ogenblik noemen we hem de ‘koppenkunstenaar’, de beeldhouwer die op diverse graven koppen heeft gebeeldhouwd in een specifieke vorm, die soms doet denken aan de Paaseilanden en dan weer aan Modigliani vanwege de gerekte eivorm. Later in de stad en op andere begraafplaatsen zien we dat soort koppen ook terug.
Dat Litouwen een katholiek land is, is ook duidelijk te zien aan de symboliek op de begraafplaats: het alles overheersende kruis, medaillons met Christus- of Mariakoppen, Heilig Hartbeelden, Mariabeelden, Jezussen en engelen. Op de graven van priesters staat de kelk met hostie op een missaal met stola. Maar ook engelen(beelden) sterven: een engel met een kruis heeft haar hoofd verloren, op het kruis prijkt heel toepasselijk de tekst Memento Mori, gedenk te sterven.

Wordt vervolgd. Volgende keer: Litouwen - Vilnius: overige begraafplaatsen

Rindert Brouwer, [email protected]
© Atelier ‘Terre aarde’
tekst: Rindert Brouwer
foto’s: Jeannette Brouwer & Rindert Brouwer

Wie niet kan wachten op de volgende verhalen: ik heb inmiddels alle verhalen en gegevens verwerkt tot een boekje van 52 bladzijden, met 65 foto’s (zwart-wit).
Het boekje NON OMNIS MORIAR. Begraafplaatsen in de Baltische Staten is te koop voor
€ 7,50. Ofwel incl. verzendkosten: Nederland € 9,00; België € 10,00

Graf Frédéric de Merode gerestaureerd plechtigheid aan het graf


Bijna driehonderd aanwezigen op de herinhuldiging van het graf voor Frederic de Merode op de begraafplaats van Berchem. Dit was een onderdeel van een hele dag “de Merodefeesten” mede georganiseerd door ons lid Swa Beerten.
 
Graaf Ludovicus Fredericus de Mérode (Maastricht 9/6/1792 – Mechelen 4/11/1830) onderscheidde zich in de Belgische omwenteling van 1830. Nadat hij financiële steun had verleend aan de nieuwe voorlopige Belgische regering nam hij dienst als soldaat in het patriottenleger. Op 25/10/1830 werd hij tijdens een schermutseling te Berchem aan het rechterdijbeen gewond. De heelmeesters gingen slechts de volgende dag tot amputatie over. De graaf overleefde in eerste instantie de ingreep maar gaf, een paar dagen later, toch de geest, na overbrenging te Mechelen. In 1914 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht van de oude naar de nieuwe begraafplaats te Berchem.
 
De sprekerd van dienst meldde de aanwezigen dat men eertijds aan de Merode geen militaire eer mocht bewijzen met een geweersaluut omdat er nog veel Nederlanders in de stad Antwerpen waren en men geen nieuwe schermutselingen wilde ontketenen. Tevens werd de “anekdote” ontkracht dat hier enkel het geamputeerde been van de graaf begraven zou zijn. Na de onthulling van het gerestaureerde monument werd door soldaten in de kledij van die tijd, wel eigenaardig dat er in 1830 reeds veel Rolexuurwerken in omloop waren, een eresaluut afgestoken waarna om een aantal minuten stilte verzocht werd.
Daarna trok het bont gezelschap, een aantal onder hen had zich met liefst meer dan 100 jaar vergist want ze kwamen opdagen in tenues van de tweede wereldoorlog, verder.

Tekst: Jacques Buermans, foto : Marc Coremans

Amsterdam, een meevaller verslag van de driedaagse


Voor de driedaagse funeraire trip naar Amsterdam mochten er wel wat meer deelnemers van Vlaamse kant zijn geweest maar dankzij de publicatie in het blad van onze Nederlandse vrienden van de Terebinth kon de driedaagse toch nog op wat belangstelling rekenen. Gestart werd met de begraafplaats van Ouderkerk aan de Amstel. De heer Cortissos vertelde allereerst de geschiedenis van de begraafplaats. In 1614 werd hier begraven en sindsdien werd er nooit geruimd. Op 4 hectare liggen meer dan 27000 personen begraven. De heer Cortissos vertelde dat zonder de holocaust de dodenakker nu vol geweest zou zijn, nu is er nog voor zo’n 80 jaar plaats ook al doordat er momenteel jaarlijks slechts 7 à 8 begrafenissen plaatsvinden. Meer dan 6000 graven werden in kaart gebracht. Daarvan zijn er 1000 hersteld. Een van de problemen is dat niemand exact weet hoe de prachtige grafstenen te reinigen. Onze gids stelde heel gevat: “onze problemen komen van boven en daarmee bedoel ik niet “de hemel” wel de zure regen”. Nadien maakten we een rondgang langs de graftombes. Sommigen bevatten bijbelse taferelen en vele bezoekers zagen voor het eerst zulke prachtig uitgewerkte beelden op een joodse begraafplaats. We passeerden langs het rodeamentoshuis, waar vroeger de lijkwassing plaatsvond en dat vlak bij het water gelegen was. De aanwezige waren zeker geïnteresseerd, getuige de vele vragen die aan de heer Cortissos gesteld werden.
 
Zaterdagmorgen was Zorgvlied aan de beurt. Onze gids was Peter Faase, lid van onze vzw
Grafzerkje. Hij kreeg bijstand van een levende encyclopedie, André Evers – wat een kennis bezit deze kerel -, en Cees Florie. Peter vertelde dat de begraafplaats door de bekende tuinarchitect Jan David Zocher werd  aangelegd en, in 1870,  in gebruik genomen. In 1892 werd de begraafplaats uitgebreid door Louis Paul Zocher, zoon van. Cees Florie vulde aan met te vertellen dat latere uitbreidingen niet meer in de stijl van Zocher waren, maar meer zakelijk met paden in rechte lijnen. Dit werd uitgevoerd door tuinarchitect C.P. Broerse. Dan vertrok de tocht langsheen de talrijke beroemdheden die deze dodenakker rijk is. Gestart werd bij Eduard Cuypers, architect en de neef van de beroemde P. Cuypers, architect van het Centraal station en het Rijksmuseum. Via de bekende actrice en Beppie Nooy en acteur Leen Jongewaard, misschien meest bekend van zijn vertolking in “Ja Zuster, Nee Zuster” trok het gezelschap naar de laatste rustplaats voor Adolf Wilhelm Krasnapolsky, van het gelijknamige hotel. Bij het mausoleum voor Oscar Carré, circusdirecteur en oprichter gelijknamig theater kregen we nuttige informatie van Cees Florie die het mausoleum gebouwd door J.P.F. Van Rossum & W.J. Vuyk, die ook de architecten waren van het circustheater Carré restaureerde. Hij wist te vertellen dat Carré dit mausoleum liet bouwen voor zijn, in 1891 bij een treinongeluk, omgekomen vrouw Amalia Salamonski. Ook de resten van Oscar Carré en zijn tweede vrouw Ada Graham en zijn derde vrouw Edith Maud Adams rusten in het familiegraf. Omdat dit verbouwd moest worden werd Carré tijdelijk bijgezet in de Grote Kerk te Kopenhagen. Cees vertelde dat er in totaal zo’n 12 kisten én een prachtig borstbeeld van Amalia is de grafkelder te bezichtigen zijn. Vandaar naar het mausoleum voor plantagehouder Dorrepaal met engel die neerknielt en bij wijze van eerbetoon een lauwerkrans neerlegt. Bij het graf voor beeldhouwer Hildo Krop met het beeld "De eeuwige vrouw" van zijn hand legde Cees Florie uit dat Krop dikwijls een deel van het beeld metselde en dat andere delen er op geplaatst werden als een soort “stuckwerk”, een probleem bij restauratie zo stelde hij. Via het graf voor Louis "Loe" Lap, joods handelaar van een bekende dumpzaak mijn als devies
"Wat Lap lapt, lapt Lap alleen" trokken we naar de slechts twee dagen geleden begraven Joop
Doderer, bekend als vertolker van Swiebertje. En dan kwamen we aan bij het “In Paradiso”, een ruimte voorzien voor grafmonumenten die elders op de begraafplaats niet zouden kunnen door hun afmetingen of door de aard van het monument.
 
Blikvanger was hier zeker Herman Brood, zanger bij Cuby and the Blizard en bij Herman Brood and his Wild Romance. Herman Brood was ook schilder. Hij kwam aan zijn eind door van het dak van het Hilton Hotel in Amsterdam te springen. Opvallend was wel dat “In Paridiso” bevolkt werd door een groot aantal “criminelen”. Een enorme gorilla met kind op het graf van onderwereldfiguur Jules Leo Jie.
Op onze weg terug, we moesten plaatsmaken voor de enorme belangstelling die er was voor de teraardebestelling van regisseur Willem van de Sande Bakhuyzen, kwamen we nog voorbij Ischa Meijer, schrijver, journalist en acteur en Annie M.G. Schmidt, schrijfster. Zij is bekend van “Abeltje”, “Jip en Janneke”, “Minoes”, “Pluk van de Petteflet” en “Ja zuster, nee zuster”. Eindigen deden we bij het graf voor Manfred Langer, voorvechter van de emancipatie van de homobeweging. Zijn begrafenis had hij zelf geënsceneerd. Duizenden hadden zich verzameld rond de roze kist. Geëscorteerd door politie te paard en 20 witte limousines werd de kist in een roze Chevrolet via zijn discotheek iT naar de begraafplaats gereden. Daar krijgt iedereen een flesje whisky of vodka met het verzoek dit leeg te drinken en het flesje in het graf te werpen. De deelnemers aan de rondleiding moesten het zonder drank doen.

Voor de “die hards”, what’s in a name?, ging Peter Faase met ons nog naar Vredenhof. Na wat zoekwerk vonden we zanger Johnny Jordaan en accordeonist Johnny Meijer. Voor wat een bezoeker “de schande van deze begraafplaats” noemde moesten we niet op zoek. Een enorm grafmonument met paarden kreeg Cor Van Hout, de ontvoerder van bierbrouwer Heineken. Hij ligt naast een andere gangster Gijs van Dam. Vandaar naar Buitenveldert waar we de laatste rustplaats voor cabaretier Wim Sonneveld en zijn levensgezel Hubert Jansen, tekstschrijver en accordeonist Harry Mooten aantroffen.

Zondag werd deze driedaagse beëindigd met een bezoek aan de Nieuwe Ooster. Gerard Defourny was onze gids en, zeker voor wat de bomen en de struiken betrof, werd hij bijgestaan door Wim Vlaanderen. De begraafplaats is van de hand van Springer en veel ruimer opgevat dan Zorgvlied. Allereerst brachten we een bezoek aan het crematorium met zijn prachtige muurschilderingen van de hand van Albert Muis. De rondgang startte bij Jacques Perk, dichter van grote invloed op de Tachtigers. In 1900 overgebracht van de Oude Oosterbegraafplaats. De zerk werd in België vervaardigd. Op het graf Rädecker een beeldje van hun zoon Anton Rädecker dat de soberheid en de verbondenheid van man en vrouw voorstelt. We passeerden een grafmonument voor de bemanning van een, in 1981, neergestortte Fokker Friendship. Gerard Defourny stond ook stil bij de verschillende types van begraven. Hier wordt, iets wat in België onbekend is, in algemene graven drie hoog begraven. Gerard toonde ons ook de, lelijke, betonnen graven waar, in de toekomst, liefst vijf hoog zal begraven worden. Wat wel mooi is zijn de diverse mogelijkheden om urnen in te begraven. Naast kelders zijn daar mooie urnenmuren en zal er dra, op een vijver, de mogelijkheid komen om urnenkelken te plaatsen. Echt origineel. Een monument van Hildo Krop, de verzinnelijking van de arbeidersbeweging, stond op de laatste rustplaats voor karikaturist en ontwerper van affiches Albert Hahn. Origineel was ook het voetbalveld met de bal op de middenstip op het graf voor voetballer Stephen van Dorpel, die omkwam tijdens een vliegtuigongeval met een jongerenploeg. Na de “bungalow” voor de zigeunerfamilie Petalo, een echt onding, troffen we een juweeltje van een grafmonument aan op het graf voor portretschilderes Thérèse van Duyl-Schwartze. De tombe werd ontworpen door haar zuster Georgine. In de jaren '60 overgebracht van Zorgvlied. Ten slotte Everhardus Johannes Potgieter, dichter en schrijver en George F. Westerman, dier- en plantkundige en de oprichter van Artis. De hond als belichaming van trouw is een ontwerp van Jacob F. Klinkhamer en werd uitgevoerd door de Antwerpse beeldhouwer Jacques Verdonck. Het bezoek werd afgesloten bij een koffie met gebakje waarbij nog kon nagekaart worden over deze geslaagde driedaagse.

Jacques Buermans.

Allerzielen Louis Van Dyck staat stil bij Allerzielen


Het wordt zo wat een jaarlijkse traditie: Louis Van Dyck staat stil bij Allerzielen.
 
Tijdens de begrafenismis herinnerde een tienermeisje er aan dat haar oma zoveel en zo graag heeft gebreid: een sjaal, sokken of een trui. Al de kinderen en kleinkinderen dragen wel iets dat oma heeft gemaakt. “Ik heb een trui” zie ze “en telkens als ik hem in ’t vervolg zal aantrekken zal ik iets van jouw warmte voelen oma”. Een prachtige liefdesverklaring.
 
Hierbij een foto genomen op een sombere oktoberdag. Toch eens even rondkijken op de begraafplaats. Een mooi gebeeldhouwde zerk van een straatzanger valt meteen op langs de hoofdlaan. Zelfs het hulpje met de bedelhoed ontbreekt niet. Het waren zangers die van markt naar markt trokken. Zij legden de ziel van het volk bloot, heel anders dan de “geleerde” muziek. Zij zongen over amoureuse onderwerpen zoals over “Marie die ’t nog niet kende” of drama’s als: “de meid met den bloedenden vinger.” “Zing nog eens over Lisieux” vroeg een kind. En hij zong: “ferme tes jolis yeux” zo lees ik in het levensverhaal. Aandoenlijk lief! Bij he bekijken van het kruisbeeld denk ik ongewild aan de reklameslogan van de spijkerfabriek Van Leeuwen in Nederland: een reuze kruis boven op het dak waarop een Christusfiguur gespijkerd, met onderschrift: “dank zij Van Leeuwen hangt Hij hier al eeuwen.”

Slotgedachte: Funeraire archeologie leent zich niet gemakkelijk tot gesprek. Veel eenzaamheid in de branche.

Allerzielen 2005. Louis Van Dyck

De eeuwige stad heeft ook funeraire troeven Marie Claire Van der Smissen & Edgard Nelissen en Jacques Buermans bezochten Rome


Een trip naar Rome achter de rug. Vzw leden Marie Claire en Edgard waren er voor het eerst en hadden nog wat andere dan funerair dingen op hun programma staan. Ondergetekende was hier voor de vierde maal en besloot de funeraire troeven van Rome eens uit te testen. Wat je zeker niet dient te bezoeken is Flaminio. Dit is de enorm grote begraafplaats van Rome, zo’n 15 kilometer buiten de stad gelegen. Dit is een recente begraafplaats. Voor funerair geïnteresseerden gelijk wij allen zijn valt hier niets te rapen.
 
Dan maar naar Verano, de grote Romeinse begraafplaats. Neen, dit is geen Milaan ook geen Genua maar je vindt hier toch dingen die daar niet zouden misstaan alhoewel niet in zo’n grote hoeveelheden. Vlakbij de ingang kreeg de architect en bouwmeester van deze begraafplaats Virgilio Vespignani een ereplaats. Grafmonumenten zoals die voor de families Cecchini en Ciacci zijn typisch voor deze dodenakker. Onder de arcaden staan grafmonumenten vergelijkbaar met die van Genua. Domenico Lombardi, Giordano Apostoli, beeldhouwer en schilder die onder een monument van hemzelf ligt en Emilia Filonardi Lombardi zijn hier zeker goede voorbeelden van. Maar er staan nog “juweeltjes. Op het achterste gedeelte van de begraafplaats kregen militairen hun laatste rustplaats. Van hier uit heb je dan ook een zicht op de enorme flatgebouwen waar de columbaria zijn. De monumenten voor de familie Calderai en voor Eduardo Barbavarra di Gravellona zouden in Milaan zeker niet misstaan. Hier treft men ook een aantal bekende namen aan: Claretta Petacci, minnares van Mussolini. Door de partizanen gedood. Maria Montessori, stichtster van scholen. En verder een hele resem filmspelers: Marcello Mastroiani, Vittorio de Sica, Vittorio Gassman en Roberto Rossellini. Hier kreeg ook beeldhouwer Giulio Monteverde zijn laatste rustplaats. Hij is de man van de hypnotiserende engel op Staglieno in Genua.
 
Enkele tussendoortjes. Het altaar des Vaderlands aan de piazza Venetia herbergt de onbekende soldaat. Vroeger onbetreedbaar is de “suikertaart” of de “schrijfmachine”, zoals de Romeinen dit noemen, nu wel voor bezoek toegankelijk. In het Pantheon treffen we Umberto I en Victor Emmanuel I aan. Ook schilder Raphael mag hier op veel belangstelling rekenen. In de kapucijnercrypte, waar overigens niet gefotografeerd mag worden, sta je oog in oog met monniken in bruine pij. Alleen zijn ze reeds enkele honderden jaren overleden. Voor de inrichting van de gang werd ook ruimschoots gebruik gemaakt van allerlei menselijke beentjes.
 
Een leuke combinatie ook al omdat je zo de strenge veiligheidsmaatregelen kunt omzeilen, tijdswinst minstens één uur, is het Campo Teutonico met aansluitend bezoek aan Sint Pieters. Om binnen te geraken dien je je aan te melden bij de Zwitserse wacht. Niks controle enkel de zekerheid dat je Duits spreekt want enkele duitstaligen mogen dit kerkhof bezoeken. In de kerk een prachtig grafmonument voor beeldhouwer Laurentio Rues. Jacobus de Haze, Antwerps schilder ligt onder een putti van François Duquesnoy. Op het eigenlijke kerkhof, niet groot maar heel charmant, kreeg onder andere Herman Schaepman, Nederlands dichter en politieker een plaats. Terug buiten kun je zonder problemen aansluiten bij de massa die de crypte onder Sint Pieters verlaat en zo, controlevrij, de basiliek binnentreden. Naast de piëta van Michelangelo zijn er nog talrijke juweeltjes te bewonderen. Christina van Zweden ligt onder een gedenkteken van Carlo Fontana, Mathilde van Toscane, kreeg een werk van Bernini. Veel moderner is het beeld van Franceso Messina voor Pius XII. Hier ligt ook Gregorius XIII, de man van de Gregoriaanse kalender. Pius VII kreeg een beeld van de Deen Bertel Thorvaldsen.
Innocentius XI verloste Wenen van de Turken. Clemens XIIII ligt onder een topwerk van Canova en Alexander VII van Bernini. Minpunt is dat de hele horden toeristen die achter de gidsen, gelukkig met microfoon, aanhossen en de meerderheid daarvan denkt dat de genoemden Bernini en Canova voetballers zijn bij het Italiaanse voetbalelftal. Er wordt gefilmd en gefotografeerd dat het een lust is door Amerikaanse cultuurbarbaren. Gelukkig worden deze hooligans er regelmatig op gewezen dat ze zich in een gebedshuis bevinden door de talrijke pelgrims die hier ook massaal aanwezig zijn. In de crypte brengen vele van hen een laatste groet aan het recente graf voor Johannes Paulus II.
 
Tot slot een must voor iedere Romebezoeker, ook de funeraire analfabeten. Vlakbij de pyramide voor Caius Cestius bevindt zich het Protestantse kerkhof. Prachtig in één woord. Het kerkhof wordt goed onderhouden door hoveniers en door grafmakers. Hier vinden ook vele katten een tehuis. Een bereidwillige ziel bekommert zich over hen. Ze zijn “ongediertevrij” dankzij die dierenvrienden die ze ook voeden. Op het kerkhof staat dan ook een urne waarin een kleine bijdrage voor de katten gedeponeerd kan worden. Dankzij deze inzet gedragen deze katten zich dan ook alsof de dodenakker hen en alleen hen toebehoord. Maar het is hen gegund. Ook de plattegrond die aan de ingang kan aangeschaft worden mag er wezen. Elk graf staat er zo duidelijk op vermeldt dat zoeken een makkie is. Hier liggen in het “antieke” gedeelte Nils Jacob Blommer, Zweeds schilder, William Wordsworth, dichter en kleinzoon van de beroemde dichter, Jacob Asmus Carstens, Duits classisistisch schilder. Maar natuurlijk komt de meerderheid van de bezoekers voor John Keats, Engels dichter en schilder Joseph Severn. In het central gedeelte een prachtig beeld voor William Wetmore Story, Amerikaans dichter en beeldhouwer. Hier ligt ook een “topper” Percy Byssche Shelley, Engels dichter. Hij verdronk tijdens een zeiltocht. Nadat zijn lichaam 11 dagen later aanspoelde werd het door zijn vrienden verbrandt. Zijn hart werd verwijderd ging naar Engeland, zijn as werd hier begraven. Naast hem zijn vriend Edward Trelawney. Verder beeldhouwers Richard Wyatt en John Gibson. De enige zoon van Johann Wolfgang von Goethe, August von Goethe ligt hier. Prachtige beelden voor zijn er voor Irma Passarge, Gerda Salzmann, die op 11 jarige leeftijd stierf, Court en Henrietta Hertz, de stichtster van de “bibliotheek Hertziana”. Hier ook het graf voor Gottfried Semper, de Duitse architect die onder meer het prachtige operagebouw in Dresden maakte.

Dus bezoekers van Rome kunnen toch nog enkele funeraire hoogstandjes meemaken maar natuurlijk heeft deze stad nog veel meer te bieden. Leden die ooit eens een trip plannen en op zoek zijn naar een bed & breakfast die iets meer biedt dan de doorsnee mogelijkheden kunnen altijd bij ondergetekende terecht voor een adres.

Jacques Buermans

ASCE – bijeenkomst in Berlijn op 22-24 september 2005 Rudy D’Hooghe was ter plaatse en maakte een verslag


De bijeenkomst werd ditmaal georganiseerd door de Protestantse Kerkgemeenschap van Berlijn. Martin, de initiatiefnemer, heeft gedurende meerdere jaren als landschapsarchitect zelf meegewerkt aan de heraanleg van enkele Oost-Berlijnse kerkhoven. Kerkhoven die na jaren verwaarlozing volledig waren dichtgegroeid. Er werden opnieuw paden vrijgemaakt en een aantal monumenten werden op een conserverende manier aangepakt. Helaas ook daar meer roepingen dan geld.
 
De studiedag (Rudy D’Hooghe rechts onderaan, zittend, midden met witte T-shirt – allez de schoonste van het gezelschap) zelf bestond uit een combinatie van voordrachten en workshops. Sprekers waren collega’s uit Berlijn, Milaan, Denemarken, Granada, Barcelona en York.

In de workshops hadden we het onder meer over het hergebruik van oude monumenten op grondgraven rond een bepaalde kathedraal in Noorwegen. Om de rust van de oorspronkelijke bewoners niet te verstoren schuift men gewoon “pizzaboxes for ashes” met een hoogte van 7 cm onder het monument. Een extra naamplaatje wordt op het monument gekleefd. Zo gaat er niets van de geschiedenis van die gemeenschap verloren en brengt men toch nieuw leven en nieuwe financiële middelen in een omgeving die anders tot verwaarlozing zou gedoemd zijn.

Ook de biologische diversiteit van een begraafplaats kwam uitvoerig aan bod. Op begraafplaatsen vind je niet enkel de geschiedenis van je stad op een bijzondere manier terug, je treft er ook vaak een unieke natuur. In de steeds voller wordende steden begint men stilaan te beseffen dat ook begraafplaatsen een belangrijk deel uitmaken van de groene longen van een stad.

Vooral in Noord-Europa is de natuur een belangrijke medespeler binnen de begraafplaatsen, in Zuid-Europa primeert dan weer de architectuur. Zoals vaak situeert Vlaanderen zich ergens tussenin met toch een waardevol funerair patrimonium en ook behoorlijk wat groen binnen de begraafplaatsen van onze grotere steden.

Overal in Europa wordt crematie gestimuleerd, vooral via tariefreglementen. Steeds meer wordt effectief rekening gehouden met de kost van een lijkbegraving op lange termijn. In veel gevallen is er gewoonweg geen vertering en kampt men na meer dan honderd jaar begraven op dezelfde plaats met overvolle gronden. Dit wordt een zeer duur probleem. In Berlijn duiken reeds tarieven op tot 10.000 EUR voor een lijkbegraving in de grond met een concessie van 20 jaar op. In Italië voorziet de wetgeving voor nieuwe begraafplaatsen in systemen die het regenwater samen met het lijkvocht moeten opvangen en zuiveren. Dit leidt tot een ernstige meerkost die dient te worden doorgerekend naar diegenen die kiezen voor een lijkbegraving. Nu dat men in Vlaanderen strenge milieunormen heeft opgelegd voor de crematoria, gaan er tevens stemmen op om de impact van lijkbegraving op het milieu eens wat nader te bekijken.

De Londense begraafplaatsen kampen dan weer met een plaatsgebrek. Dit door een wet uit 1850 die lijkopgravingen verbiedt. Er zou momenteel nog slechts begraafruimte zijn voor de komende 4 jaar. In Denemarken zit men dan met het tegenovergestelde : hier beschikt men over begraafruimte voor 55 miljoen mensen terwijl Denemarken slechts 5 miljoen inwoners telt. Hier werkt men steeds meer met “diversity in use”. De begraafplaats wordt opgesplitst in drie gedeeltes : een parkgedeelte, een historisch gedeelte en een nieuw begraafgedeelte dat voldoet aan de hedendaagse normen.

Milaan besliste om geen oudere grafkelders meer te gebruiken. In de plaats voorzagen ze een bouwproject van meer dan 1 miljard BEF dat ruimte biedt aan 4600 bovengrondse grafkelders en meer dan 30.000 columbariumnissen.

Om efficiënter te kunnen werken, richtte Granada een stadsbedrijf op om de begraafplaatsen te runnen. De concessietermijn werd daar terug gebracht van eeuwig naar 99 jaar en inmiddels naar 75 jaar en niet hernieuwbaar. Ook de Vlaamse decreetgever zou dit eens ernstig moeten overwegen. Dit kosteloos hernieuwen in schijven van 50 jaar zadelt de stadsbesturen op met een al te hoge financiële aansprakelijkheid. Denken we maar aan sectie R op de begraafplaats Sint-Amandsberg waar de kost van de renovatie van 496 grafkelders die aan het instorten zijn geraamd wordt op 3 miljoen euro.

In Stockholm gaat 0,07 % van je inkomen rechtstreeks naar de werking van de begraafplaatsen, in Barcelona betaalt de effectieve gebruiker de rekening, ook die van het algemeen groenonderhoud. Ook hier weer situeert onze begraafcultuur zich in het midden. Ook uit IJsland was er een vertegenwoordiging. Daar kan je een totaalpakket kopen voor je toekomstige herdenking, onderhoud van het omgevingsgroen inbegrepen. Stockholm denkt aan een banksysteem dat voldoende geld voor jou bijhoudt voor 25 jaar groenonderhoud post mortem.
Tijdens de werkbezoeken toonde Martin de vergeten Oost-Berlijnse kerkhoven die met beperkte middelen opnieuw structuur en conserverende ingrepen kregen. ’s Namiddags bezochten we een prachtige bosbegraafplaats uit 1919 in Stahnsdorf ten Zuidwesten van Berlijn. Ondanks de immense oppervlakte van 206 ha kennen ze momenteel nog slechts 400 lijkbegravingen per jaar. Ter vergelijking : Gent kent momenteel nog 900 lijkbegravingen per jaar.

In 1961 kenden ze nog 10 begravingen per dag en werkten er 150 personeelsleden. Nu werken er nog 30 personeelsleden. Vanzelfsprekend wordt er voor een extensief onderhoud gekozen. Sedert 1989 investeerde de Protestantse Kerkgemeenschap reeds meer dan 6 miljoen euro in deze begraafplaats. Momenteel wordt er naar gestreefd om de Friedhofsbahn van Berlijn naar deze begraafplaats her aan te leggen. Van 1961 tot 1989 werd die immers onderbroken door de Berlijnse muur waardoor deze begraafplaats werd afgesneden van zijn bevolking.

Sedert september 2005 worden hier urnen begraven aan de voet van een boom, concessieprijs voor 20 jaar voor 4 urnen : 1800 EUR, naamplaat inbegrepen. Voor een land dat vooral anonieme urnenweiden kent een interessante koerswijziging. Veel heeft natuurlijk te maken met het zoeken naar extra inkomsten. Zij werken momenteel al samen met externe sponsors, zoals Lotto. Verder organiseren ze er concerts, nocturnes (“de lange nachten”), cultuurvoordrachten en sightseeings. Allemaal positieve initiatieven die pogen de burger opnieuw bij zijn begraafplaatsen te betrekken.

Rudy D’Hooghe

Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie een eerste gedicht uit de dichtbundel van Rudy Witse, ofte Willem Houbrechts


De dichtbundel “Père Lachaise – Schoonselhof een confrontatie” van Rudy Witse, bij vzw Grafzerkje bekend onder de naam Willem Houbrechts, met foto’s van Michel Wuyts is recent verschenen. Hierna een eerste gedicht.

Schoonselhof (introïtus)
 
lange, nauwkeurige haakse wegen
die doden niet lopen moeten, enkel levenden
door weer en geen weer.
 
zij leiden, die wegen, het is geweten,
naar ergens waar ergens
nergens wordt.
 
waar vroeger schor kakelende kippen scharrelden en
wroetende varkens vadsig vuil liepen te zijn
zoals het zwijnen past. waar kirrende edellieden
kwalijke daden stelden met gespeelde maagden:
daar zwijgt alles nu van lust of last.
 
behalve voor wie heel goed
luisteren wil. behalve voor wie verdomd goed
horen kan.
 
Rudy Witse
 
Wie de dichtbundel, niet verkrijgbaar in de boekhandel, wenst aan te schaffen, prijs € 20 – verzendingskosten NIET inbegrepen, kan dit doen bij Houbrechts Willem, 03/230 49 26, E-mail: [email protected]

 

Matara, Sri Lanka Johan Moeys zat in Sri Lanka waar, naast voortreffelijk werk dat hij er leverde, hij ook nog een neerslag van funeraire indrukken neerpende


Ondergetekende had het geluk om in Sri Lanka te gaan werken. Weliswaar bij de naweeën van de tsunami. Als Grafzerkje kijk je dan extra uit naar tekens van funeraire activiteit. De aankondigingen van een overlijden worden geafficheerd op muren, lantaarnpalen, enz. Er zijn geen doodsbrieven, zoals hier. Bij het rondwandelen in de rustigere stukken van de stad zie je regelmatig grafzerken tussen de bomen. Deze vind je ook langs de wegen. Het zijn mini-begraafplaatsjes met een of meerdere grafzerken.
Een fietstochtje langs de boeddhistische tempel, over de spoorweg en dan naar links bracht me op een van de centrale begraafplaatsen. Effe schrikken: de koeien lopen er vrij rond. Bestonden hier bij ons vroeger geen duivelsroosters voor? Het voorste gedeelte van de begraafplaats ligt vol met de katholieken. Gelijkaardige monumenten als in België, wellicht beïnvloed door de kolonisten. Ze zijn niet zo groot of spectaculair. Wat verder op vind je de boeddhistische graven. Veel versieringen met lintjes. Elk lintje is een gedachte of een wens. Van een echt onderhoud kan je niet spreken. Eenmaal je het voorgeschreven centrale pad verlaten hebt, moet je je plan trekken. Wilde beplanting, verzakte zerken, … Achteraan is het crematorium. Een kleintje, uitgerust met een ceremonieplaats onder het afdakje. Rustig gelegen. Rondom de strooiweide en wat verder de urnenmuur. Weinig verschil met de onze. Als je de taal en de boeddhistische symbolen niet mee telt.
Dankzij een tip van Leuvense studenten vond ik nog een vervallen begraafplaats. Vervallen is niet echt het woord. Het is een kleine compacte begraafplaats, aan de Indische Oceaan gelegen. De tsunami sloeg er toe en vernietigde de grafzerken, dolf de overledenen op en dropte deze tot in de school aan de overkant. De begraafplaats is nog een chaos, en je vindt er nog menselijke resten tussen de gebroken zerken. Zelfs dood ben je nog niet veilig voor het natuurgeweld.
 

 

Een bezoek aan Elsene Michael Devisscher bezocht Elsene


De Klare Lijn organiseerde een rondleiding op de begraafplaats van Elsene. Enkele leden van de vzw waren aanwezig en ons lid Michael Devisscher vertrouwde een aantal dingen aan het papier toe.
 
De gidsbeurt van de Klare Lijn, die op aanvraag nog verschillende begraafplaats gidst, ( 
http://www.opbrussel.be/BoordevolBrussel/boordevol.asp?hoofdcategorie=12#43) was interessant en degelijk gedaan, zij het dat je wel merkte dat Lutgarde diverse wandelingen gidst en niet specifiek “gespecialiseerd” was in het funeraire wereldje. (ook enkele andere leden van vzw Grafzerkje merkten op dat de gidsen weliswaar hun best deden maar helemaal niet “zo funerair bevlogen waren dan onze mensen”. Dat te vernemen doet deugd) Hierna volgen enkele losse en oppervlakkige notities, niet meer dan dat.
 
We vernemen dat dit de tweede begraafplaats van Elsene is. De eerste, het oorspronkelijke “kerkhof”, bevond zich rond de kerk nabij het Flageyplein. Dit ligt een eind verder op een heuvel van waaruit je aan één zijde een panorama hebt met onder meer zicht op Watermaal-Bosvoorde. Een deel van de graven ligt op een hellend vlak en daar valt het op dat meer recente grafstenen niet volledig “waterpas” op de bodem liggen, wat doet vermoeden dat ze eerder vroeg dan laat kunnen barsten of beschadigd raken. Op andere, “verse” graven werd serieus wat aarde gelaten. Blijkbaar om ook daar het hellende karakter te effenen? De grafsteen van de “kunstenaar”Marcel Broodthaers (1924-1976) sluit perfect aan bij zijn creaties en is even absurd. Teksten en afbeeldingen aan de voor- en nog meer achterzijde die geen enkele steek houden (winkelopschriften en dergelijke meer). Graf van een zekere Jean-Baptist Moens (1833-1908), houder van de eerste postzegelwinkel te Brussel en patroonheilige van de Belgische filatelisten alsook de veel bekendere beeldhouwer Opvallend tussen de graven her en der het orthodoxe kruis van de Oost-Europeanen die hier begraven werden én worden.
Op het grootste particulier perk treffen we een vergulde wereldbol aan op de laatste rustplaats van prinses Tourandokht Samii (Teheran 1923 – Elsene 1996), geboren Housseinpour, aanhangster van de “baha’ie”, een religie met 6 miljoen adepten.
Twee blauwe punten symboliseren Teheran, geboorteplaats van de prinses, en Haïfa, waar de stichter van deze religie begraven is. Zijn naam, Baha’u’llah, wordt gesymboliseerd door een negenpuntige ster.
Wat verder het beeld van Tijl op het graf van Charles “Tijl Eulenspiegel” de Coster (1827-1879) en enkele meters verder dit van de familie Neuhaus. Begonnen als apothekers, en vervolgens zich gespecialiseerd in het populaire medicijn chocolade. Constant(in) Meunier (1831-1905) (onder meer de bekende mijnwerker op de koperen halve frank doet bij iedereen wel een belletje rinkelen).
Los van het koude weer (misschien nog meer doordat we op ons op zekere hoogte bevinden?) valt toch steeds weer op dat deze dodenakker wel een extra mistroostige indruk nalaat doordat het grijs van het merendeel van de grafzerken nog wordt versterkt door het grijs van de kiezelsteentjes die overal de ondergrond vormen. Enkel op het gedeelte waar voldoende bomen en ander groen werd voorzien is het minder troosteloos. Niettemin, al snel wordt onze aandacht weer aangewakkerd door de rijke monumentencollectie van het ereplein op de begraafplaats dat volledig in het teken staat van het Belgische leger. Dit wordt aan één zijde geflankeerd door een mooi symmetrisch geheel van grafzerken met op iedere hoek een levensgrote bronzen soldatenfiguur. In het midden van het plein ook enkele klassieke, uniforme grafzerken maar daarrond soms bombastische, maar steeds esthetisch zeer aantrekkelijke monumenten met meestal uitvoerige tekst én bijhorende verklaringen. Bij één grafkapel staan we langer stil want daar wordt aan weerszijden de tragische heldendood van de overledene geïllustreerd én natuurlijk om geen misverstanden te laten ontstaan ook hier verklarende én stichtende teksten waarbij onder meer geciteerd wordt uit een brief van onze frontheld dat “het beter is te sterven op 23-jarige leeftijd voor het vaderland dan een lang en egoïstisch leven te leiden”. Elders symboliseert een gevallen adelaar een gesneuvelde piloot. Vlakbij en onopvallend voor de toevallige passant is er het eenvoudige graf waar Victor Horta (1861-1926) ligt nadat we eerder het graf van zijn “petekind” Marcel Rau tegenkwamen en van de stichter van Spullenhulp Abbé Edouard Froidure (1899-1971). Het graf van componist Arthur de Greef (1862-1940) wordt onbesproken voorbijgelopen, dit van de schilder Antoine Wiertz (1806-1865) vermeld maar niet bezocht. Daartegenover staan we wel even stil bij dit van Eugene Ysaye (1858-1931), onder meer bekend gebleven als leermeester van Koningin Elisabeth. We eindigen nog bij de graven van enkele notoire “shopkeepers”: de brouwers Wielemans en de familie Delhaize. Tot slot nog het door Horta ontworpen graf van Solvay. Opvallend ook de naakte manspersoon die klaarstaat om de levensdraad door te knippen en een nog gedeeltelijk blinkende haan hoog tronen op het graf van één of andere wallingant. Er lijkt nog een plaatsje aan de overkant vrij, dus indien iemand bereid is én de middelen heeft daar de ondergrond te verkennen en boven hem (of haar) een Vlaamse leeuw te plaatsen die dubbel zo groot en hoog is zou dit een mooi ensemble geven.  
Michael Devisscher

Dagboek van een funeraire rondreis door Duitsland en Oostenrijk verslag van Lin Verbeemen


Proloog vrijdag 26/8
Om 14u uit het Belgische vertrokken om uiteindelijk rond 18 u in Eindhoven te geraken. De Lage Landen mogen dan klein zijn, zo’n treinreis kost toch heel wat tijd. Na aankomst zag  Rindert me zoeken op het stationsplein en begeleidde me prompt naar het hotel waar ik amper de tijd kreeg om te bekomen want zes uur in Nederland, dat is etenstijd. Maar Rindert en Jeannette hadden een uitstekende restaurantkeuze gemaakt. Zo kon ik tijdens een gezellige maaltijd kennismaken met enkele andere medereizigers, zoals Wil, Beerend, Marleen en Esther. Eén bijzondere traktatie: het Jazz-weekend in Eindhoven ging uitgerekend die avond van start. Vlak onder m’n hotelraam nog wel, en heb zo tot minstens 2u in de ochtend (gratis) kunnen meegenieten.
Dag 1  zaterdag 27/8
Zaterdagmorgen 27/8: iedereen stipt aan de bus behalve twee reisgenoten die ervan overtuigd waren dat we pas een uurtje later zouden vertrekken. Na vruchteloos wachten zijn we dan maar zonder hen vertrokken in de hoop dat ze ons naderhand wel zouden inhalen. Wat na 165 km inderdaad gebeurde. In Würzburg werden we voor een vrije namiddag losgelaten met de mededeling ‘dat we geen kudde zijn’. Maar we hebben toch lekker in groep een bezoek gebracht aan de Killiansdom met zijn crypte en aan het Neumünster met zijn prachtige plafondfresco’s achter het altaar (moest ik toch even bij gaan zitten). Ook in de Mariënkapelle namen we een kijkje en op advies van Rindert  werden met name de timpanen boven de verschillende uitgangen aan een grondig onderzoek onderworpen. Eén daarvan toonde een wel heel eigenaardige voorstelling van de conceptie van Maria. God lijkt via een buisje met het hoofd van Maria verbonden te zijn, en blaast door een spreekbuis het Jezuskind in het oor van Maria, waar de Heilige Geest-duif het kind naar binnen leidt.
Dag 2 zondag 28/8
De volgende ochtend mochten we vrij op stap richting Hauptfriedhof van Würzburg, dat bijzonder goed onderhouden is en opviel door  enkele typisch-Duitse houten kruisen. Daarna richting Neurenburg met als doel het Johannesfriedhof, ook  Rozenkerkhof genoemd vanwege de beplanting met bijna uitsluitend rozen. Typisch aan dit kerkhof is de uniformiteit. Alleen liggende zandstenen grafmonumenten werden toegelaten om onderlinge concurrentie te vermijden. Natuurlijk probeerden de nabestaanden zich toch nog te onderscheiden, bijvoorbeeld door de bijzondere epitafen waarop vaak de familieleden werden afgebeeld: links van de familievader de zonen en rechts dochters en echtgenote. Vaak meer dan één echtgenote, want er was niet alleen veel kindersterfte maar heel wat vrouwen lieten vaak ook het leven in het kraambed. Indien een van de familieleden stierf voor de familievader, werd er boven de beeltenis van deze persoon een kruisje of doodshoofd afgebeeld.
In de namiddag ging het richting Straubing waar we het Sankt Petersfriedhof bezoeken. Wat nog dateert uit de 15e eeuw en vanwege de sluiting van het kerkhof is het Middeleeuws karakter goed bewaard gebleven. Men is ondertussen druk bezig met de restauratie van stenen monumenten en vooral van de zeer mooie smeedijzeren kruisen die vaak een kastje met deurtjes hebben waarin men soms de sterfdata en beeltenissen van de overledenen kan terugvinden. Via een plaatselijke gids met Nederlandse roots krijgen we de kans om de 3 kapellen, waarvan één met geschilderde dodendans, van binnen te bekijken.
Dag 3 maandag 29/8
Naar Passau, waar ik het Hauptfriedhof aan me laat voorbijgaan en met enkele reisgenoten gelijk naar de ‘Altstadt’ ga. We hadden echter geen dag eerder moeten komen want de bewoners waren nog druk bezig met het ruimen van slijk en water vanwege de overstromingen de week voordien. We besloten eerst een wandeling langs de kade te maken omdat we het punt wilden zien waar de Donau en de Inn samenvloeien. Normaal zou je duidelijk de kleurverschillen kunnen waarnemen maar door de overstromingen was het water overal gewoon bruin. Het kwam tot net onder de kade en er steeg een erge muffe, vochtige geur uit op. Eigenlijk waren we een heel klein beetje ramptoeristen geworden. Rond 11u30 kwamen we de meeste van de andere medereizigers weer tegen aan de ingang van de Dom, voor het dagelijkse orgelconcert, telkens door een andere organist verzorgd. Naar men ons zei is dit het grootste orgel ter wereld, maar dat hoorde ik al eerder in Salt Lake City bij de Mormonentempel. Hoe dan ook, ik vond het schitterend zoals de organist alle mogelijkheden van zijn instrument benutte: het ene moment heel zacht en teder en dan plots met een enorme uithaal. Later op de bus kon Jeannette er precies uithalen wie naar het concert was gaan luisteren want hun haar stond nog recht overeind. Na het concert nog een paar winkeltjes bekeken vooraleer we richting Wenen vertrokken.
Dag 4 dinsdag 30/8
Wenen. Na alle regenellende komt inderdaad zonneschijn want in de Oostenrijkse hoofdstad kwam de voorspelling dat het 27° zou worden uit. Gelukkig hebben we een ‘binnendag’. Die begint in het uitvaartmuseum en voert ons vervolgens naar, in mijn ogen, alle grafkelders die Rindert en Jeannette maar konden vinden. Het uitvaartmuseum was in één woord schitterend. We kregen er de nodige uitleg van een gids. Eén ding is duidelijk: de Wiener en vooral dan de welgestelde inwoners van die stad, hadden vaak last van grootheidswaanzin na de dood. Maar ze waren tegelijk ook verschrikkelijk bang om levend begraven te worden. Niet zonder reden, want volgens statistieken overkwam dat 3% van de overledenen. Om dat te voorkomen werd men gedurende een periode van 48 uur opgebaard met een ingewikkeld systeem van touwen en belletjes als waarschuwing indien er toch iemand zou ontwaken uit zijn diepe slaap. Een andere eigenaardigheid was de Jozefnistische klapkist, een vorm van recyclage avant la lettre, waarbij de overleden in deze kist buiten de stadsmuren werd gebracht en uit het zicht van nieuwsgierigen dan in een kuil gedumpt. Zo werd de kist steeds hergebruikt. Dit gebruik werd echter afgeschaft door de rijke mensen, die dergelijke kisten niet overdadig genoeg vonden. Wim Vlaanderen voegde daar nog aan toe dat in de film ‘Mozart’ de begrafenisscene historisch onjuist is omdat de klapkist toen al niet meer gebruikt werd.
Daarna trokken we richting Stephansdom en catacomben, waar ingewanden en harten van de meeste regerende Habsburgers in urnen bewaard worden. Tijdens de lunch snel naar Sacher gelopen om de wereldberoemde sachertorte te proeven. Is dat een ‘machtig’ stukje taart! Met volle maag naar de Kaisergruft in de Kapuzinerkirche. Hier werden alle gekroonde Habsburgers bijgezet. In grootse sarcofagen gaande van vroege barok tot Jugenstil, waarvan de meeste gemaakt zijn in tin vanwege de zachtheid van het materiaal om te verwerken. De volledige geschiedenis van het Habsburgse rijk ligt hier bij elkaar. Van keizerin Maria-Theresia tot Sissi. De in ballingschap gestorven Keizerin Zita is als laatste in 1989 bijgezet en bij haar was het geld duidelijk op. Haar sarcofaag is zeer eenvoudig en lijkt gemaakt van goedkoop koper. Erg rustig ligt ze daar, maar toch ook niet, want iedereen heeft de neiging om eventjes te kloppen...
In de Augustinerkirche kregen we een niet bijster boeiende uitleg van een in het zwart geklede persoon, met een kruisje op de kraag van zijn jas gespeld. Gelukkig riep Berend ‘wakker worden’. Wat ik wel nog weet is dat achter een zwaar hek met een groot slot de urnen met de ingewanden in een zijkluis van de Georg Kapelle bewaard worden. De ‘houten crypte’ heet dat. Later die dag was er een rondleiding in de Michaelergruft, waar de kisten van de iets minder gefortuneerde Wiener staan. Het bijzondere aan deze crypte is dat de constante temperatuur en een lichte bries in een deel van de ruimte heeft bijgedragen tot mummificering. Zelfs schoenen en kleding zijn zeer goed bewaard gebleven. Die avond trok een deel van de groep naar een Mozartconcert, met diner. Sfeer- en stijlvol.
Dag 5 woensdag 31/8
De volgende dag brengt de bus ons naar het St. Maxer Friedhof; een groen, enigszins overwoekerd kerkhof met een standbeeld op de plaats van het massagraf waar ook Mozart begraven zou zijn.
Vervolgens maakten we een korte stop bij het Friedhof der Namenlosen, een rustpunt in het Weense industriegebied. Hier werden de drenkelingen begraven die in de Donau omkwamen, elk met een identiek kruisje op het graf – met enkele uitzonderingen van mensen die uiteindelijk toch geïdentificeerd konden worden.
Toen kwam het hoogtepunt van deze reis: Het Zentral Friedhof, een reusachtige begraafplaats van 240 hectare, waar om het uur een busje voorbij komt om de bezoekers van punt a naar punt b te brengen. Veel verder dan de graven van componisten zoals Strauss en Brahms en Beethoven, en de president en de in Jugendstil opgetrokken Carlus Borromeuskerk kwamen we echter niet, want het was bijzonder warm in Wenen, die dag. Dankzij onze chauffeur Ruud werd een deel van de groep op de vrije middag die volgde afgezet bij het Hundertwasser Museum, dat is gewijd aan een van Oostenrijks befaamdste hedendaagse beeldende kunstenaars.
Dag 6 donderdag 1/9
Servuss Wien, we verlaten de stad van Sissi en rijden naar Sankt Florian. In dat prachtige barokke klooster leidde een gids ons, onder het motto ‘kijken mag, aanraken niet’ rond in de bibliotheek. Volgende stop op de nu echt begonnen terugtocht was Hallstatt, een dorp dat ligt ingeklemd tussen de rivier en een bergwand en waar het Beinhaus werd bezocht. De schedels van overleden dorpelingen worden hier, na te zijn beschilderd, al sinds vele generaties bijgezet, met vermelding van naam, geboorte- en sterfdatum. Dat gebruik lijkt intussen te zijn beëindigd, want de meest recente schedel dateert van 1983. Vandaar door naar Salzburg.
Dag 7 vrijdag 1/9
Om half negen stipt staan we (de meesten toch, want langslapers zijn er altijd) klaar om in het kielzog van Rindert en Jeannette  het Sebastien Friedhof te bezoeken. En vooral het graf van de Constance, de vrouw van Mozart, die hier  tesamen met zijn vader is begraven - hoewel ze elkaar tijdens hun leven niet konden luchten. Maar helaas voor ons vroege opstaanders: het kerkhof was nog dicht. Dan maar richting St Peters Friedhof waar ik voor het eerst een transi kon bewonderen, een afbeelding van een lijk in staat van ontbinding, soms compleet met wormen. Ook hier veel epitafen waarop de familie uitgebeeld staat, enfin, volledige familiedrama’s. Het kerkhof grenst aan de rotswand van de Mönchberg, met daarin uitgehouwen catacomben. Net voor de ingang daarvan bevindt zich het graf van Mozarts zuster, aan weerszijden bevinden zich tableaux met de afbeelding van een dodendans
Daarna volgt een bezoek aan de Dom, met catacomben waar de geestelijken begraven liggen en met een prachtige moderne stiltekapel. De Dom, met zijn barokke interieur, is op zichzelf ook zeer mooi, maar jammer genoeg werd dat tijdens ons bezoek een beetje ontsierd door de herstellingswerkzaamheden. Daarna gaat ieder zijns weegs, want er is tijd om te gaan shoppen. Winkels die gespecialiseerd zijn in feesten als Pasen en Kerstmis, verdere uitleg behoeft denk ik niet. Nog even de binnenstad bekijken en een doos (zoals later blijkt heel lekkere) Mozartkugeln kopen en dan terug naar het Sebatien Friedhof, Constance gedag zeggen en even door de schitterende arcade lopen.
Epiloog
Zaterdag  2/9 De laatste loodjes. Op de terugweg in Stuttgart afgestapt bij het Hoppenlaufriedhof, een vergane glorie-begraafplaas, met een indrukwekkende joodse sector. Laatste stop: het groene Prager Friedhof, met  enkele spectaculaire Jugendstilgraven en een zeldzame mannelijke pleurante. Ook de uitvinder van de Zeppelin bewezen wij hier de laatste eer. Dat was de laatste halte. We rijden terug naar vertrekpunt Eindhoven en van daar naar huis – met de auto dit keer, toch wel iets sneller dan overstaptreinen. Een beetje moe maar heel tevreden.
Tekst en foto’s: Lin Verbeemen

Grafsierkunst van de familie Norga : Marcel Desmedt betoont al geruime tijd interesse in het werk van de familie Norga en pleegde er volgend stuk over


Ons lid Marcel Desmedt betoont al geruime tijd interesse in het werk van de familie Norga en pleegde er volgend stuk over.
 
Het viel ons reeds meerdere malen op dat op een grafmonument bronzen versieringen werden aangebracht die getekend werden door S. Norga. Ook te Menen vonden we talrijke voorbeelden van deze grafsierkunst.
 
De stamvader van deze beeldende kunstenaars was Frans Norga. Zijn zoon Sylvain werd een erken d beeldend kunstenaar die zich specialiseerde in de grafsierkunst. Omdat hij trachtte naar tijdsbestendige voorwerpen op grafmonumenten koos hij voor brons. Daartoe had hij een bronsgieterij nodig
Hij stimuleerde zijn broer Pascal om met de bronsgieterij te beginnen. Tussen de twee wereldoorlogen begon Pascal Norga dan inderdaad een bronsgieterij te Etikhove (nabij Geraardsbergen in Oost-Vlaanderen). Daar hij zich echt specialiseerde in het gieten van bronzen letters, kruisen en religieuze motieven voor grafzerken had de zelfstandige bronsgieterij – mede door de ontkerking – na de Tweede Wereldoorlog onvoldoende overlevingskans en werd tenslotte opgeslorpt in de gieterij “Art Casting bvba”, thans gelegen in de Industrizone Meersloem-Leupegem, 9700 Oudenaarde. Dit fabricageprogramma heeft een uitgebreider gamma: reliëfletters en cijfers in verschillende types en afmetingen, firma- en naam- gedenk- en inwijdingsplaten, emblemen, medailles, wapenschilden, beelden, borstbeelden, bas-reliëfs maar ook binnen- en buitenversieringen, exclusieve deurtrekkers, enz. Dit alles in brons, koper en aluminium. De grafsierkunst zit dus nog steeds in het gamma van producten maar ook de industrie, openbare besturen en zelfs de scheepstimmerwerven doen een beroep op deze gieterij.
Het werk van de gebroeders Norga vinden we in grote of kleine getale terug over gans het Vlaamse land tot in Brussel toe. Het is wellicht de enige kunstenaar die in brons zoveel grafornamenten heeft gecreëerd.
 
Marcel Desmedt.
 
Als gerespecteerd beeldhouwer kon Sylvain Norga ook grotere grafornamenten aan zoals deze “pleureuse” op het graf van Frans  Carette (1896 – 1947) en Beatrice Bécourt op de gemeentelijke begraafplaats te Menen. Foto van Martin Demedts.

Leden van vzw Grafzerkje restaureren dat het een lust is


De kleindochter van de heer Frans Durlet, mevrouw Andrea Durlet dochter van Emmanuel Durlet die op het kunstenaarsereperk van Schoonselhof ligt, wees ons op het feit dat een “akte van verwaarlozing” op het grafmonument voor haar grootvader stond. Nadat mevrouw Durlet de kiezel, die grotendeels “verdwenen” was, verwijderd had werden Ook het grafmonument van Jos Bascourt stond op een lijst. Ik contacteerde kleinzoon Michel Bascourt en William deed het nodige. Gedurende ettelijke uren werden enkele delen van het grafmonument opgehoogd waar nodig. Nadien werden de stukken opgevoegd. Het grafmonument bevindt zich op perk 26-B.
door de onvolprezen William de boordstenen rechtgezet en opgehoogd waar nodig. Nadien werden de stukken opgevoegd en na het leggen van een onderlaag werd nieuwe kiezel aangebracht. Mevrouw Durlet zorgde ook nog voor een summiere reiniging van het monument zodat de vermeldingen iets duidelijker leesbaar zijn. Het grafmonument bevindt zich op perk 21-H.
Frans Durlet was architect en promotor van de neogotische kunst in onze gewesten. Hij ontwierp onder meer het koorgestoelte van de O.L. Vrouwkathedraal van Antwerpen. Tevens was hij gespecialiseerd in het bouwen van mooie herenhuizen in Antwerpen en van het eerste atheneum van Deurne.
Jos Bascourt werd in 1880 student aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten, afdeling bouwkunst. Hier kreeg hij onder meer les van Jozef Schadde, Leonard Blomme en Pieter Dens. Bascourt bekwaamde zich in de neo-Vlaamse renaissance bouwkunst. In opdracht van zijn vriend kunstschilder Jos Ratinckx realiseerde hij in 1890 een opmerkelijk woonhuis in de Berchemse Waterfordstraat. Jos Bascourt toonde wat hij waard was in de nieuwe wijk Zurenborg. Na een eerste opdracht volgde het “café du Dôme”, op de hoek van de Grote Hondstraat. Een volgende opdracht was een aantal woningen aan de Dolfijn- en de Tweelingenstraat. In 1894 bouwde Jos Bascourt “In de sterre de Sonne en de Mane” en twee jaar later de woningen “’t Molentje”, “Minerva” en “de Zevensterre” aan de Cogels Osylei. Verdere projecten zijn “huis Mercurius”, Cogels Osylei, “huis Boreas”, Transvaalstraat, “de vier seizoenen” op de hoek van de Waterloo- en de Generaal Van Merlenstraat, “Lotus en Papyrus”, Transvaalstraat, “huis Nymphea”, Waterloostraat, “de Morgenster”, Cogels Osylei, “Euterpia”, Generaal Capiaumontstraat en zijn eigen woning aan de Sint-Vincentiusstraat.
Mevrouw Andrea Durlet en de heer Michel Bascourt zijn nu ook steunend lid van onze vzw Grafzerkje, waarvoor onze dank.
Ook zorgde de onvolprezen William ervoor dat de, gestolen, deur van de grafkapel Nicolopulo op Schoonselhof vervangen werd. Alweer een knap staaltje van zijn vakmanschap. 
Tenslotte werd op dinsdag 8 november door een gespecialiseerd bedrijf de concessie Dumont, door mezelf overgenomen met de bedoeling om er ooit zelf in begraven te worden, geruimd. Nu kan ik eindelijk met een gerust geweten mijn laatste adem uitblazen maar ik sta daar nu niet echt voor te springen.

Jacques Buermans

Voor alle informatie slechts één adres. Ook een website.