Nieuwsbrief Nr. 23 - mei 2005

Grenspost Gene Anneke Haasnoot pleegde volgend gedicht


En in de kaarsvlam doemen oude tijden
Een Kelt grijpt naar zijn harp, de wierook geurt
De bisschopswijn haar wangen roder kleurt
Langzaam wordt zij verlost uit al haar lijden
Zij laat haar blik over de heuvels glijden
Waar Walter Scott om dreary changes treurt
En in de kaarsvlam doemen oude tijden
De holocaust die zij wilde vermijden
De lava die haar door de straten sleurt
Nog eenmaal laat ze zich de stad rondrijden
En in de kaarsvlam doemen oude tijden
Een Kelt grijpt naar zijn harp, de wierook geurt

Anneke Haasnoot

Oude begraafplaats Menen verslag van een prachtige dag


Een prachtig onthaal viel ons te beurt bij ons bezoek aan de oude begraafplaats van Menen. Spijtig genoeg diende onze Martin Demedts verstek te geven wegens ziekte maar Guy Desloovere van de toeristische dienst deed de moeite om ons met folders te en zijn aanwezigheid te verblijden. Zelfs de lokale pers had oog voor onze vereniging. De 24 aanwezigen trokken dan op weg onder de meer dan deskundige leiding van Yves Dupont die voor ons zelfs zijn verlof wijzigde, waarvoor uiteraard onze hartelijke dank. De tocht begon langs het imposante grafmonument voor de familie Tyberghein, eigenaars van een fabriek in namaakbont. Zoon François Tyberghein kwam aan zijn eind als piloot. Iets verder werden we gepakt door het verhaal bij het graf van de familie Deleu. De 19-jarige Joseph wilde zijn 8-jarige broer Daniel van de verdrinkingsdood uit de Leie redden. Beiden lieten het leven. Wat verder het graf voor brouwer Lannoy. Yves vertelde ons dat in Menen ontelbare brouwerijen waren, het merendeel daarvan waren plaatselijke ambachtelijke brouwerijen. Een grafmonument vol van vrijmetselaarssymboliek (passer, winkelhaak, hamer, vijfpuntige ster en toorts van de vrijzinnigheid) kreeg Arthur Coel. Da familie Capellen kreeg, hoe kon het anders, een enorme grafkapel. Een aantal “slechte geesten” van onze vereniging, bestaan er andere ?, begonnen al onmiddellijk te meten om te zien of de deur niet in “mijn” grafkapel paste, foei. De tekst op het graf van de familie Sabbe vermeldde dat ze “stierven door een vliegerbom”. Yves vertelde bij het monument van tabakshandelaar Duboreau met verhaal dat de man slachtoffer werd van een mislukte diefstal. Hij werd eerst met een hamer bewerkt en alsof dit nog nier genoeg was nadien nog met een mes. Op het graf van de familie Welvaert troffen we het beeld van de heilige Tacicius aan. Verder ging het langs het graf voor Pardoen, dokter en burgemeester en Marceau Dupont. Alfred Wallecan was Leieschilder, directeur van de academie en frontstrijder. Een prachtig beeld van Delafontaine siert het graf. Een eenvoudig graf kreeg prinses Obolenski, de echtgenote van Maklakoff die tegen het Russische parlement was. We gingen nog langs het monument voor de gesneuvelden. Jaarlijks wordt hier nog een plechtigheid gehouden. Onze tocht eindigde bij mevrouw Spruyt met haar 108 jaar de langst levende oudstrijdster. Na de rondleiding kregen een aantal onder ons nog de kans om, onder leiding van Martha, de kazematten te bezoeken. Zij deed dat belangloos en uiteraard gaat onze dank ook naar haar. In de namiddag deden 11, nieuwe, geïnteresseerden de rondleiding nog eens over.
Foto van Eric Vanthournout. Waarvoor hartelijke dank

Wat is dood? Johan Moeys pleegde volgend artikel


Dood is het einde van het leven en wordt traditioneel aangenomen op het moment dat het hart stopt. Nochtans is biologisch gezien dood geen afgelijnd voorval, maar een gradueel proces dat eindigt met het onomkeerbare verlies van het functioneren van het gehele organisme. Zoals Morrison zei: “Er is geen magisch moment wanneer alles verdwijnt. Dood is net zo min een eenvoudig, duidelijk afgebakend tijdelijk fenomeen als dat het geval is voor kinderjaren, adolescentie of middelbare leeftijd.” En Horan voegt er aan toe:”In tegenstelling tot de juridische beroepen kijkt de medische wereld naar de dood als een doorlopend proces en niet als een ogenblik of een moment in de tijd, zoals de wet denkt.”
 
Hoewel een persoon “dood” kan zijn omdat zijn hart gestopt is, blijven sommige spieren, huid en beendercellen nog voor vele dagen verder leven. Met andere woorden, terwijl de gehele persoon als functionerend organisme dood is, blijven gedeelten van het biologisch organisme voor verschillende perioden verder leven. De tijd dat deze cellen en weefsels leven hangt af van hun mogelijkheid om zonder zuurstof en andere voedingsstoffen te overleven en met een toenemend aantal metabole afvalstoffen die in hen opstapelen. Richard Selzer beschrijft deze laatste levende onderdelen als “buitenposten waar groepen cellen schitteren, belaagd, kleine lichtjes in de toenemende duisternis. Ten dode opgeschreven soldaten die verder vechten. Tot de Dood alles overwonnen heeft.”
 
Wanneer is iemand dan dood?
 
Duidelijk niet als elke individuele cel bezweken is, maar eerder wanneer het aan het individu ontbreekt “aan de eigenschappen die mensen moeten hebben om als levenden in plaats van dode personen beschouwd te worden.” Deze eigenschappen nodig om te behoren tot de levenden variëren tussen de verschillende culturen, in verschillende omstandigheden en in de tijd.
Het 22ste World Medical Assembly wees er op dat “de klinische interesse niet ligt in de staat van bewaring van geïsoleerde cellen maar in het lot van een persoon. Het moment van dood van de diverse cellen en organen is niet zo belangrijk als de zekerheid dat het proces onomkeerbaar geworden is.”
Het bepalen van de dood als definitie op het moment dat het hart stopt werd verwarrend toen de cardiopulmonaire resuscitatie (CPR) de intrede deed om mensen wiens hart stilviel te reanimeren. Deze definitie is nu nog minder correct omdat hartchirurgen doelbewust het hart tijdens de operatie stilleggen of verwijderen tijdens transplantaties. Deze patiënten zijn niet dood, maar worden geacht te herstellen en normale levens te leiden na de operatie. Dit kan suggereren dat het stoppen van de bloedsomloop eerder dan het stoppen van het kloppen van het hart de dood bepaalt, doch beiden zijn slechts mechanismen in plaats van definities van dood.
 
Een nieuwer en dikwijls emotioneel moeilijk concept is dood op hersencriteria, beter gekend als “hersendood”. Bij hersendood werkt het hart dikwijls normaal en de bloedsomloop gaat verder. Deze definitie berust niet op de afwezigheid van hartactiviteit of bloedsomloop maar op de onmogelijkheid van het gehele organisme, de persoon, om verder te functioneren en zichzelf onafhankelijk in stand te houden. De hersenen werken niet langer meer, hoewel alle andere organen en weefsels in het lichaam nog voor een beperkte tijd normaal kunnen functioneren.
Vele individu’s met gevorderde hersenbeschadiging sterven wanneer hun gezwollen hersenen op het ademhalingscentrum in de hersenstam drukt en hun ademhaling stopt. Gelijkaardig is als het ademhalingsmechanisme in de hersenen blijvend beschadigd is na zuurstoftekort gedurende een langere tijd, zoals bij hartstilstand, wurging of verdrinking. Zoals de bekende fysioloog John Scott Haldane zei: “de machine is vernield”. Kunstmatige beademingsmachines kunnen het lichaam laten “ademen”, maar schakelen zo het elementaire eerste teken van de dood uit. Deze machines hebben vele mensen het leven gered, maar kort na hun ontwikkeling was het duidelijk dat de dokters niet langer meer wisten wanneer ze hun patiënten dood moesten verklaren.
In 1957 vroeg paus Pius XII zich af of dokters “het levensproces niet verder zetten terwijl de ziel het lichaam al had verlaten” en of “de dood al was ingetreden na een zwaar hersentrauma dat diepe onbewustheid en centrale ademhalingsverlamming tot gevolg had, fatale gevolgen die uitgesteld werden door kunstmatige beademing.” Spijtig genoeg beantwoordde hij zijn eigen vragen niet, door te zeggen dat “dit niet tot de bevoegdheid van de Kerk behoorde.”
Door “hersendood” te definiëren is de maatschappij verplicht om een grotere vraag te beantwoorden: wat is de relatie tussen een mens en zijn lichaam? Deze vraag, meestal gesteld als “geest-lichaam dualiteit” heeft filosofen, religieuze experts en dokters door de jaren heen bezig gehouden.
Twee tegengestelde antwoorden op deze vraag zijn gegeven door de “lichamelijken” die de mens zien als alleen maar het lichaam, en de “dualisten” die het lichaam als zuivere bijkomstigheid bij de zuivere wil en reden (en die geloven in menselijkheid, geweten en autonomie) beschouwen. Er bestaat geen theoretische oplossing tussen deze twee visies. Westerse culturen, hoewel, hebben pragmatisch gekozen voor de dualisten, met gevolg het concept van dood door hersencriteria – hersendood.
In de toekomst zullen mensen wellicht kunnen kiezen onder welke omstandigheden ze dood willen verklaard worden: wanneer hun hart onomkeerbaar is gestopt, hun volledige hersenen niet meer werken, of alleen het gedeelte van de hersenen dat de persoonlijkheid bepaald (neocortex) is afgestorven. Sommige staten, zoals in Arizona, laten nu al mensen toe op voorhand te bepalen of ze al dan niet verder willen leven in blijvende vegetatieve toestand; de andere mogelijkheden kunnen weldra elders ter beschikking zijn. Dan kan elk individu voor zichzelf dood bepalen.

Tante Kato ging op reis en ze zag het graf van la reine Bérengère


* Berengaria van Navarra * 1170-1230 * L’Epau, Le Mans, Frankrijk *

Vorige keer had ik het in deze nieuwsbrief over Saladin en zijn Engelse tegenstander Richard Leeuwenhart, Coeur de Lion, the Lionheart. Dat Richard, geromantiseerd in menig boek en televisiefeuilleton, gehuwd was met de Spaanse prinses Berengaria komt bijna nooit ter sprake. En toch. Ziehier de korte geschiedenis van de trieste bruid van de koene kruisvaarder; het verhaal van de Engelse koningin die haar land nooit zag.

In de 12de eeuw had de Engelse koning Henry II Plantagenêt dankzij zijn huwelijk met Aliénor van Aquitaine een groot deel van West-Frankrijk toegevoegd aan zijn kroon. Toen Richard in 1189 zijn vader opvolgde ging moeder Aliénor dringend op zoek naar een bruid voor haar lievelingszoon. Richard was de dertig voorbij en moest voor nakomelingen zorgen om aldus de troonsopvolging veilig te stellen. Een goede partij leek Berengaria, de dochter van Aliénors zuiderbuur koning Sancho VI, de Wijze, van Navarra.
Aliénor en Berengaria verlieten de Spaanse Pyreneeën richting Sicilië want Richard, op kruistocht naar het Heilige Land, was daar even bij zijn zus de koningin-weduwe Joan blijven “hangen”. In de lente van 1191 werd het stel aan elkaar voorgesteld en Berengaria’s bruidschat was vermoedelijk zeer overtuigend. Richard beschikte nu over meer middelen voor zijn heilige doel en kon vertrekken. Berengaria en Joan reisden eveneens naar de Levant maar werden op Cyprus gevangen genomen door de Byzantijnse keizer. Richard keerde zijn vloot richting Cyprus, bevrijdde zus en aanstaande en werd tot vorst van Cyprus uitgeroepen. Na hun huwelijk in de kathedraal van Limassol (12 mei) reisden ze apart richting Jeruzalem. In september 1192 keerde Berengaria terug naar Europa en wachtte ze in Rome trouw op haar gemaal. Die werd op terugweg van een mislukte kruistocht gevangen genomen en bracht 18 maanden door in Oostenrijk (Dürnstein aan de Donau) en Duitsland. Begin 1194 kwam Richard eindelijk vrij, nadat zijn moeder een buitenissig bedrag aan losgeld betaald had. Richard trok naar Engeland waar zijn broer Jan zonder Land het nogal bont maakte en Berengaria, die bleef op haar echtgenoot wachten. Die hield echter meer van mannelijk gezelschap. In 1199 werd ze weduwe. Ze was pas 29, was 8 jaar koningin van Engeland geweest maar had nooit een voet op Engelse bodem gezet. Nog ellendiger werd het toen haar schoonbroer Jan zonder Land koning werd en haar eigendommen in beslag nam.

Berengaria leidde een teruggetrokken en armoedig leven. In 1229 stichtte ze de abdij van l’Epau, in huidig voorstedelijk Le Mans en een jaar later stierf ze er. In haar abdij werd een grafmonument opgericht, waarop ze liggend op een praalbed, een gebedenboek in de hand, afgebeeld werd, een funeraire sculptuur voorbehouden aan koningen, hooggeplaatste geestelijkheid en adel. Voor de Fransen werd zij la reine Bérengère alsof het een eigen koningin was.

Ongeveer 100 kilometer zuidelijker, in de abdij van Fontevraud, ligt haar echtgenoot Richard Coeur de Lion (1157-1199) begraven. Men kan er nog meer koninklijke gisants van Bérengères schoonfamilie bewonderen, namelijk die van Henry II Plantagenêt (1133-1189), Aliénor van Aquitaine (1120-1204) en Isabelle d’Angoulême (1186-1246, de tweede vrouw van Jan zonder Land).


Tante Kato.

Van Bunhill Fields tot Brookwood tweede deel van een tocht langs minder bekende Londense dodenakkers


Crematorium en Joodse begraafplaats.
 
Vlakbij metrostation Golders Green ligt het crematorium Golders Green. Dit is het eerste Londense crematorium, 1902. Bekende hier gecremeerde personen zijn onder meer: Neville Chamberlain (1869-1940), eerste minister, James Dewar (1842-1943), de uitvinder van de thermosfles, Alexander Fleming (1881-1955), ontdekker van de penicilline en Nobelprijswinnaar, George Frampton (1860-1928), beeldhouwer,  Rudyard Kipling (1865-1936), schrijver van onder meer het “Jungle Book”, Matt Monro (1930-1985), crooner, Keith Moon (d. 1978), drummer van The Who die stierf aan een overdosis nadat hij van zijn drankprobleem afwilde, Ralph Vaugh Williams (1872-1958), componist. Een gedenkplaat kreeg Ivor Novello (1893- 1951), de componist en schrijver van komedies. Anderen worden hier herdacht door een rozenstruik of een boompje: Peter Sellers (1925-1980), filmacteur, Kathleen Ferrier (1912-1953), conteraltozangeres, Victor Sylvester (1900-1978), orkestleider en Marc Bolan (1947-1976), de zanger van de rockformatie T-Rex die stierf in auto-ongeval en een druk bezochte laatste rustplaats heeft. In het Ernest George columbarium, sleutel te bekomen bij de beheerder van het crematorium, de urne voor Anna Pavlova (1881-1931) balletdanseres. Zij werd geidentificeerd met de “Stervende Zwaan” op muziek van Camille Saint-Saëns. Het ballet “Le Cygne” werd voor haar gecreëerd door de choreograaf Fokine, in 1905. Zij was de laatste klassiek-romantische ballerina en zij overleed in het Hotel des Indes in Den Haag. De urne was versierd met roze balletschoentjes maar die verdwijnen regelmatig. Hier ook de Griekse urne van Sigmund Freud (1856-1939), de Oostenrijkse psychiater. Hij verbleef en werkte te Wenen tot hij in 1938, bij de “Anschluss” van Oostenrijk bij Duitsland, emigreerde naar Londen. Hij was de vader van de psychoanalyse. Hier eveneens zijn echtgenote Martha Freud (1861-1951) en zijn dochter Anna Freud Anna (1895-1982). Een ander urne is die van Bram Stoker (1847-1912), de auteur van Dracula. Hij stierf aan syfilys.
 
London telt ook een vijftiental Joodse begraafplaatsen. Een aantal daarvan zijn moeilijk toegankelijk, anderen zijn echt niet interessant. Eén uitschieter: de Joodse begraafplaats Willesden, metro Willesden Green en dan verder met de bus. Hier liggen verschillende leden van de Solomonfamilie, eigenaars van Zuid Afrikaanse diamantmijnen en leden van de Rothschilddynastie. De meest in het oog springende monumenten zijn die voor de familie Samuel en de vier identieke schrijnen voor de familie Rosenberg.
 
Dierenbegraafplaats en lichaam in de kast.
 
Het was een hele zoektocht naar de “Pet Cemetery”. Ergens had ik opgevangen dat de dierenbegraafplaats zich in een der Londense parken bevond. Niet in Green park of in Regent’s park maar uiteindelijk kon men mij in Hyde park op weg helpen. Aan Victoria Gate, aan Bayswater Road bevindt zich het “Pet Cemetery”. In 1880 bekwam de hertog van Cambridge toelating om zijn lievelingshond hier te begraven. Tot 1915 werden hier zo’n 300 kleine grafmonumentjes opgericht, het merendeel voor honden maar ook enkele voor katten en vogels. Hier ligt “Cherry” de hond van een aristocratische dame die haar briefwisseling op bed bracht en wanneer de deur gesloten was de post onder de deur schoof en “Topper”, de fox terriër van het korps van Hyde park. Hij deed mee de ronde met de agenten maar was zo “snob” dat hij zijn post verliet om op te trekken met een goedgeklede “gentleman”. Heden kan hier nog enkel een dier bijgezet worden, mits speciale toelating.
De universiteit van London aan Gower street bezit ook een eigenaardige bewoner. Jeremy Bentham (1748 – 1832), pionier van de politieke economie, wenste dat zijn aangekleed lichaam, met wassen dodenmasker, voor het nageslacht bewaard zou blijven. Zo geschiedde: de in een stoel gezeten Bentham kan bezichtigd worden in een glazen kast bij de ingang van de collegezalen. Het oorspronkelijk hoofd werd in een kluis geplaatst en zou, naar men zegt, op maaltijden van de universiteit een ereplaats hebben. Moet kunnen in London.

Ik wil de grootste zijn.

Zo’n 45 minuten trein rijden vanuit Waterloo station brengt ons in Brookwood. Brookwood is de grootste begraafplaats van Groot Britannië met zijn 450 hectaren. Sinds de opening, in 1854, werden 240 000 personen hier begraven. De Brookwood Cemetery Society geeft een boekje uit met de voornaamste personen die hier liggen en heeft ook zes wandelingen doorheen de begraafplaats uitgestippeld. Indertijd werd de begraafplaats aangedaan door een spoorweg met twee stations op het domein. Het meest tot de verbeelding spreekt de militaire afdeling Men treft hier een Belgische, Poolse, Tsjechische, Italiaanse, Russische, Franse, Canadese en een Amerikaanse afdeling met een kapel van de hand van Egerton
Swartwout, aan.

Verhoudingsgewijze tot andere begraafplaatsen liggen hier niet zoveel bekende personen begraven. Toch een bloemlezing. Johanna Kinkel (1810-1858), geboren Mockel, Duitse pianiste, componiste, dichteres en schrijfster. Felix Mendelssohn ondersteunde haar muzikale loopbaan. Haar echtgenoot werd ter dood veroordeeld en ontvluchtte de Spandaugevangenis in 1848. Zij pleegde zelfmoord in 1858. Het monument van beeldhouwer Grass bevatte eertijds een harp. Hier liggen ook vier geëxecuteerden uit de Londense Hollowaygevangenis, naar hier overgebracht in 1971. Edith Thompson (1893-1923), onschuldig opgehangen voor medeplichtigheid op de moord op haar man. Amelia Sach en Annie Waters, eerste vrouwen opgehangen in 1903 voor kindermoord. Styllou Christofi schuldig bevonden voor moord op haar schoondochter. Zij zou krankzinnig geweest zijn maar werd toch in 1954 opgehangen. Thomas Blackwood (1820-1847), Zweeds ingenieur betrokken bij mijnbouw. Daniel Nicols (1833-1897), afkomstig uit Parijs en stichter van het bekende Café Royal in London. Zijn echtgenote Celestine (1832-1916) die de zaak voortzette en hun dochter Emma Josephine Pilet (1856-1912) zijn hier eveneens begraven. Henri Van Laun (1819-1896), Nederlands academicus. Hij vertaalde uit het Frans en was gespecialiseerd in het werk van Molière. Gottlieb William Leitner (1840-1899), was taalkundige en sprak meer dan 50 talen. Luke Fildes (1843- 1927), schilder en illustrator van onder meer werk van Charles Dickens. Hij was tevens gespecialiseerd in Engelse en Venetiaanse onderwerpen. Ernst William Moir (1862-1933), ingenieur. Het portret, een werk van Lilian Wade, is voor zoon Rex Moire
(1898-1915). Douglas William Freshfield (1845-1934), geograaf en bergontdekker. Zijn zoon Henry Douglas Freshfield (1877-1891) ligt hier ook. Een mausoleum is er voor Samuel Bagster Boulton (1830-1918), industrialist. Hier liggen ook George Bush Power (1846-1928), tenor, die gehuwd was met Boulton’s dochter en Harold Boulton (1859-1935), industrialist en schrijver. Ook een mausoleum voor de Woodfamilie: George Hay Wood (d. 1824), luitenant-generaal. George Wood (d. 1892) militair. James Athol Wood (d. 1829) admiraal. Andrew Wood (d. 1787), luitenant. Het columbarium werd oorspronkelijk opgericht als laatste rustplaats voor de hertog van Cadogan (1840-1915). De hertog verkocht het monument in 1910 voor 200 pond om in eerste instantie te dienen als columbarium. Sint Alban kreeg een aparte begraafplaats in de grote Brookwoodbegraafplaats.

Jacques Buermans.

Grafmonument Henri Orlow-Andersen eindelijk overgenomen na bijna vier jaar werd dit prachtig monument van de ondergang gered.


We schrijven eind 1997. In de Nieuwsbrief van vzw Epitaaf verschijnt een artikel van de hand van Antoon Van Ruyssevelt. Hij slaat alarm omdat drie belangrijke grafmonumenten op de begraafplaats Schoonselhof bedreigd worden: Flor Mielants, Josuë Dupon en Henri Orlow-Andersen. Nog geen reden tot paniek voor vzw Epitaaf voor Monumenten & Landschappen en voor de mensen die de begraafplaats Schoonselhof genegen zijn. Eind 2000 wordt een Werkgroep Antwerpse Begraafplaatsen opgericht die de begraafplaatsen in de belangstelling wil brengen. Deze groep onder leiding van Anne Mie Havermans kabbelt rustig verder tot blijkt dat er op grote schaal grafmonumenten op de dodenakker afgebroken worden. Tijdens een onderhoud met schepen Pairon verkrijgt de Werkgroep toelating om, aan de hand van de gebezigde lijsten van de begraafplaatsmensen, te kijken of daar geen belangrijke grafmonumenten op die lijsten staan die behouden dienen te worden. Enkele dagen nadat Anne Mie en ondergetekende gestart zijn met het nazicht van de lijsten wordt het grafmonument voor Josuë Dupon in de containers gekieperd. Josuë is niet de eerste de beste. Hij is de beeldhouwer van de kameel op de Antwerpse zoo, het beeld voor Frederik de Merode en het monument voor de gesneuvelden te Berchem, het monument voor de militairen op de begraafplaats van Roeselare, het Lievensmonument te Moorslede en nog zo vele dierenbeeldhouwwerken. De afbraak van het monument noopt tot actie maar de Werkgroep gaat eind 2001 ter ziele. Ondergetekende trekt dan maar zelf ten strijde om, onder andere, de twee andere grafmonumenten van de ondergang te redden. De mensen van de administratie verlenen hun medewerking en ik kreeg “uitstel van executie” voor die monumenten. In mei 2002 neem ik contact op met de kleinzoon Mielants. Deze doet het nodige en op 26 juni keurde het College de verlenging goed tot in 2044.
 
Anders was het gesteld met het grafmonument voor Henri Orlow-Andersen. In april 2002, zegge en schrijven drie jaar geleden, meldde ik de heer Rodolphe Orlow-Andersen dat de grafconcessie van zijn vader met afbreken bedreigd werd indien de concessie niet overgenomen werd en een eind aan de verwaarlozing gesteld werd. Rodolphe, politicus én zaakvoerder van een bedrijf op de Antwerpse linkeroever was erg tevreden dat iemand hem dit meldde en hij ging, voor eind 2002, het nodige doen. In april kwam onze Rodolphe tot de conclusie dat hij niemand kende om die herstelling uit te voeren. Ik won, tevergeefs, informatie in bij de verantwoordelijke voor restauraties van de Antwerpse academie en in mei 2003 werd door een van de bloemisten, die ook de nodige herstelling verricht, een offerte ten bedrage van € 520 opgemaakt voor herstel van de concessie.
 

Onze politieke vriend was nog altijd uiterste tevreden met mijn tussenkomsten en verzekerde mij dat alles opgelost zou worden voor september 2003. Tussen oktober 2003 en april 2004 werden nog een aantal loze beloftes gedaan aan Stefan, de bloemist, maar toen kreeg deze de verzekering dat alles mocht uitgevoerd worden en dat hij, voor wat de aanbetaling, op beide oren mocht slapen. In mei 2004 werden de nodige werken uitgevoerd nadat ik Stefan verzekerde dat, bij niet-betaling, ondergetekende het geld wel uit eigen zak zou ophoesten. De heer Rodolphe Orlow-Andersen deed nog ontelbare beloftes maar in maart 2005 wacht de bloemist nog steeds op zijn aanbetaling.

Ook de mensen van de administratie werden ongeduldig want zij wilden, na drie jaar, hun
dossier eindelijk succesvol afsluiten. Ik gaf Orlow-Andersen nog een kans en zond hem een aangetekend schrijven. Hij verkreeg tot dinsdag 19 april 2005, juist voor dit dossier zijn vierde jaar ingaat de tijd om de aanbetaling te doen én de grafconcessie over te nemen. Zoals ik kon verwachten: geen reactie. Op 20 april, ik ben wel van mijn woord, deed ik de aanbetaling en nam ik de grafconcessie over.

Proficiat mijnheer Rodolphe Orlow-Andersen. Uw vader mag fier zijn op zijn zoon. Ik denk dat hij zich ettelijke malen in zijn graf omkeert wanneer hij dit verhaal verneemt. Maar hij hoeft u niet meer mee te maken.

Jacques Buermans. (foto Marc Coremans)
 

V-Bommen op het Schoonselhof Tanto Kato hoorde het verhaal van de gestolen deur en ging op onderzoek uit


Tanto Kato hoorde het verhaal van de gestolen deur en ging op onderzoek uit.
 
 ‘t Zal je maar overkomen. Je bent een deur gemaakt uit hoogwaardig brons - alleen goud en zilver gaan je vooraf op het podium - en je hangt sinds 1924 aan de grafkapel van de familie Basile Nicolopulo. De eerste die dat jaar achter mij kwam te liggen was Alexandre, daarna bleef het jaren rustig. In 1937 werd broer Constantin bijgezet en begin oktober 1944 Julie Louise, de weduwe van Alexandre. Die winter van 1944 werd een ramp. Op 23 december om 14.45 uur stortte een bom neer op het Schoonselhof. Wég twintigjarige schoonheid, voorbij twee decennia rust. Je wordt opengerukt, uit de hengsels gelicht en uit pure miserie gewoon tegen de grond gezet. Verlaten door familie, vriend en vijand. Begin jaren vijftig wou een Franse erfgenaam heel de “caveau” zelfs verkopen, deur inbegrepen ! Tot een stel goeie zielen zich over deze ouwe deur van tachtig ging ontfermen. Ze trekken je recht, masseren je, geven (schouder)klopjes, halen schoonheidsproducten boven en bewonderen je. Enfin : eindelijk klaar voor een tweede leven vol gratie en glorie. Lente 2005 : ‘t was duister, ze waren met drie of vier en ze nemen je mee naar godweetwaar. En nu, nu lig je daar, je weet niet waar. Welke toekomst wacht nu ? Een ouwe deur mag je niet verplanten !

Jacques’ verdwenen bronzen deur zette mij aan het denken. Hoeveel V-bommen zijn eigenlijk op het Schoonselhof gevallen ? Na een beetje opzoekwerk kwam ik tot 5 inslagen op het Schoonselhof zelf en nog een paar in de omgeving :

Schoonselhof :
17 oktober 1944 10.15 uur
23 december 1944 14.45 uur
2 januari 1945 17.00 uur
5 februari 1945 14.45 uur (1 dode en 3 gewonden)
8 maart 1945 15.21 uur

Elders is de schade toegebracht door de V-bommen reeds jaar en dag hersteld maar de verdwenen deur bracht die koude, angstige winter weer in herinnering. De allereerste V-bom dateert van 7 oktober 1944 (Brasschaat) en werd op vrijdag 13 oktober (men zou er bijgelovig van worden) gevolgd door deze bij het Museum voor Schone Kunsten. 30 maart 1945 was het einde van “175 dagen terreur”.
Terug naar de grafkapel van Nicolopulo. Op de architraaf boven de neo-Dorische zuilen en de Egyptiserende deuropening staat een Griekse tekst, die vrij vertaald luidt : “Wie op een mooie wijze gestorven is, wordt opnieuw geboren.” De deur is niet mooi maar hardhandig aan haar einde gekomen en zal geen wedergeboorte kennen tussen dieven, grafrovers en helers. Kon ik, Kato van Antwerpen, maar een vloek uitspreken !

Bron : “Antwerpen onder de V-bommen 1944-1945” door Koen Palinckx, een uitgave van Pandora, Antwerpen, 2004. Verschenen ter gelegenheid van de herdenkingstentoonstelling in het Koninkijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen (5 september - 28 november 2004).


Tanto Kato

Problemen in Menen toch niet alles rozengeur en maneschijn in Menen?


Elders spraken we over een geslaagde dag in Menen. Eerlijkheidshalve dienen we er aan toe te voegen dat dit niet helemaal correct was. Onze vereniging kon allereerst een kunstdief op heterdaad betrappen. We maakten het de politie wel heel makkelijk daar we zelfs een afbeelding bezaten van de “snodares”. Het bleek om een beducht en berucht iemand te gaan die eerder al gesignaleerd werd in het Gentse. Bij haar aanhouding bleef ze steeds maar herhalen: “ik weet niets af van die bronzen deur op Schoonselhof”, waarmee ze uiteraard ook deze diefstal bekende.
 
Later op de dag werd op datzelfde politiekantoor een man binnengebracht. De man bleek een petje met het opschrift “Grafzerkje” op te hebben en zich heel eigenaardig te gedragen. Hij zegde dat hij Marcske Vermeulen, Trammezandlei 122 uit Schoten was. Bij de politie was enkel de genaamde Joske Vermeulen, Trammezandlei 122 uit Schoten bekend. De man sloeg constant wartaal uit en herhaalde steeds “ik ben de bronzen deur van het Schoonselhof, ik ben de bronzen deur van het Schoonselhof”. De man werd in een gespecialiseerde instelling geplaatst en tot op heden werd er niets meer van hem vernomen.
 

Jacques Buermans

P.S. Enige gelijkenis met bestaande personen is zuiver toevallig.

Parijse “mysteries” opgelost een dagje Parijs lost een aantal vragen van vzw Grafzerkjesleden op


Een aantal jaren geleden meldde ons lid Gerda Van de Perre mij dat Gustave Wappers, kunstschilder, pionier van de romantiek en directeur aan de Antwerpse academie op de begraafplaats van Montmartre zou
begraven zijn. Ik informeerde mij bij de administratie en kreeg de bevestiging dat Wappers op divisie 5 zou
 liggen. Ik toog een dagje richting Parijs om de rondleiding  Montmartre nog eens aan de actualiteit te
toetsen en de laatste rustplaats van Wappers op te sporen. Dankzij de tussenkomst van de bereidwillige
dame op de administratie vond ik hem.
Een tweede “mysterie” meldde mij gemeld ons lid Johan Moeys. Hij las dat Caroline Delacroix, maîtresse van koning Leopold II die twee kinderen van hem kreeg en met onze koning huwde drie dagen voor diens overlijden op Père Lachaise zou begraven zijn. Ditmaal kwam de administratie van Père Lachaise mij ter hulp. Baronne de Vaughan, titel die zij kreeg van Leopold II lag op divisie 94.
 
Gewapend met nog wat cijfermateriaal ging ik op zoek. Gelukkig waren enkele arbeiders aan het werk zodat ik vroeg om mij te helpen. Antwoord van een van hen, vooraleer ik iets gevraagd had, “Piaf ligt een divisie verder”. Toen ik zegde dat ik op zoek was naar iets anders waren ze heel behulpzaam. In een mum van tijd werd het graf aangeduid. De interesse van de twee was gewekt want ze vroegen mij om wie het ging. Op mijn antwoord repliceerde een: “zeg aan uw koning dat hij beter dit monument eens opkallefatert”.
Op het derde “mysterie” werd ik gewezen door aandachtige toehoorders, zijn er andere (?), tijdens een rondleiding op Père Lachaise. Hun aandacht werd getrokken door het graf van…. Josephine Baker. Toen ik hen zegde dat dit zeer onwaarschijnlijk was wezen ze mij op een graf met een houten kruis met daarop de naam van de danseres. Een vijftal ruikers en enkele foto’s van Josephine moesten het verhaal nog meer geloofwaardigheid geven. (foto boven) Natuurlijk gaf ik mij zo maar niet gewonnen. De “find a grave” website vertelde mij dat zij haar laatste rustplaats had in Monaco. Het kon natuurlijk zijn dat ze recent overgebracht was naar Père Lachaise. Ik stelde de vraag aan de administratie en zij antwoordden mij: het is spijtig genoeg het werk van een onbekende die de toeristen op een dwaalspoor wil zetten.
 
Toen ik, de dag van het ontvangst van de Parijse mail, het graf bezocht was er geen spoor meer van het houten kruis en de foto’s van Josephine Baker te bekennen. Of hoe vzw Grafzerkje zijn invloed kan laten gelden tot in de Franse lichtstad.

Jacques Buermans

Vergeten oorlog of toch niet? slag Gembloux kost Marokkanen het leven


vzw Grafzerkjelid Marleen Van Ouytsel is met een project bezig om allochtone jongeren te betrekken bij de materie van de oorlog, die toch niet “zo ver van hun bed is” dan velen denken. In dat kader trok ik samen met haar Saïd, van Student Focus, en een 15-tal Marokkaanse jongeren naar Chastre. In het “Musée Français” werden we ontvangen door de heer Noël, conservator, die ons, in het Nederlands nota bene, rondleidde en ons informatie verschafte over de slag bij Gembloux.
 
Hij schetste de voorgeschiedenis zodat de jongeren wisten waarom zoveel Marokkanen zich lieten inlijven bij het Franse leger. Mohammed V liet, in 1939, een brief voorlezen in alle moskeeën waarin hij pleitte voor onvoorwaardelijke steun aan Frankrijk. Het vooruitzicht van eten, drinken, kledij en soldij was niet niks in tijden van hongersnood en bittere armoede. Een aantal van die vrijwilligers kwam via Marseille naar Europa. Zo’n 10% liet het afweten zodat de regimenten werden aangevuld met Fransen. We spreken mei 1940. Aan de grens van Maubeuge maken zes divisies waaronder de 1e division Marocain, 2e division Nord Africain en 5e division Nord Africain van het 1e Franse leger zich klaar. Op 10 mei starten ze van daar hun tocht om de as Waver-Namen te versterken met de bedoeling vier dagen tijd te winnen zodat de Franse pantsers daar, een ideaal terrein voor pantsergevechten, de vijand kunnen bestrijden. Probleem is dat de Duitsers hun voornaamste aanval voorzien in de Ardennen op zwaar terrein en dat zij in Gembloux een secundaire aanval plannen. Na vier dagen langs kleine wegen getrokken te zijn, de grote wegen werden voor het zwaar vervoer gebezigd, kwamen ze ter plaatse. Doordat de Duitsers op minder tegenstand stootten waren zij vroeger. Op 14 mei bevond het 7e Régiment des Tiralleurs Marocains  zich, uitgeput, in een boomgaard in de omgeving. Na een eerste contact tussen de Duitse tanks en de stellingen was er een tweede aanval met de infanterie omdat de Duitse tanks niet konden passeren. Op 15 mei werd er wel een bres geslagen door de Duitsers. Op 15 mei 21.45 uur dienden zij zich terug te trekken. Het was de enige nederlaag van hen in mei 1940. Veel levert dit het Franse leger niet op: op 20 mei zijn de Duitsers in Abbeville en omsingelen zij daar de geallieerde troepen. De balans was enorm: ter plaatse lieten bijna 180 Marokkanen het leven.
 
Op de begraafplaats te Chastre staan tussen de vertrouwde witte kruisen 340 zuilen met Arabische inscripties. Deze “vergeten oorlog”, de organisatoren willen deze bladzijde beter bekend maken, is in ieder geval ter plaatse NIET vergeten. Jaarlijks op 15 mei is hier een herdenking.

Jacques Buermans

Grafmonument Bertels in ere hersteld met de hulp van de mensen van de begraafplaats


Eind juni 2002 werd het grafmonument van Bertels op perk Y van het Schoonselhof neergehaald. Er werd altijd gedacht dat dit het werk was van vandalen. (zie Nieuwsbrief 7) De vandalenstreken werden gemeld aan de bevoegde schepen de heer Pairon en er werd klacht tegen onbekenden neergelegd bij de politie van Wilrijk. De mensen van de begraafplaats plaatsten het beeld, een levensgrote mansfiguur van de hand van beeldhouwer Eward Melis, in hun depot. Enkele jaren later hoorden we dat het beeld, dat in 1981 al eens een levensgrote hamer kwijtraakte, wat in de weg stond. Omdat we altijd op deze technische mensen van de begraafplaats kunnen rekenen besloten we, hoewel de concessie eerst in 2007 vervalt, het beeld terug te plaatsen. Dankzij de hulp van enkele van deze mensen die met zwaar materiaal ter plaatse kwamen en dankzij onze “technische duizendpoot” William werd het beeld teruggeplaatst. Bij dit werk kwamen we tot de vaststelling dat de bevestiging doormidden gezaagd was. Dus het waren geen vandalenstreken maar wel een poging tot diefstal.
Terwijl er vroeger slechts uitzonderlijk diefstallen te meldden waren op Schoonselhof zijn er de laatste jaren al een aantal pogingen. De diefstal van het beeld van Bertels werd door ons toedoen verijdeld, idem de engel Löwenthal. (zie Nieuwsbrieven 16 en 20) Bij de bronzen deur van Nicolopulo (zie Nieuwsbrieven 22 en deze Nieuwsbrief) waren de dieven ons te vlug af. Wie zoiets doet is geen toevallige passant. Er dient eerder gezocht te worden bij de mensen die hier beroepshalve bezig zijn en dan bedoel ik zeker NIET de mensen van de begraafplaats of de bloemisten vanuit de omgeving maar eerder bij de malafide firma’s die hier restauratiewerken uitvoeren. Maar zulke aantijgingen zijn uiteraard moeilijk te bewijzen.
 
Jacques Buermans.

Voor alle informatie slechts één adres