Nieuwsbrief Nr. 101 - september 2017

Begraven in de kerk mag niet meer


Tijdens elke inleiding van een rondleiding op een begraafplaats vraagt de gids of hij meer moet vertellen over Jozef II en zijn Edict op het verbod te begraven in kerken en of wij dat kennen. Iedereen knikt dan volmondig ja, want elke rechtgeaarde Grafzerker kent dat Edict als zijn broekzak. Of toch niet? Waar komt het vandaan? Wat staat er precies in? Wie was Jozef II? Een poging om hier wat verlichting te brengen.
 
Om iets te kunnen verbieden moet het eerst toegelaten zijn. Waar komt het idee vandaan dat er mensen in een kerk mogen begraven worden? In 785 had het 5de Concilie van Paderborn plaats. Daar beslisten de hoge heren dat christenen niet meer gecremeerd mochten worden. De verplichting tot begraven werd ingevoerd. Uiteraard in gewijde grond. De kerk en de (kerk)hof zijn een gewijde grondeenheid. Begraven worden zo dicht mogelijk bij het altaar was het ideale. Personen van aanzien of vermogen mochten tegen vergoeding in de kerk begraven worden. Hoe meer invloed/geld, hoe dichter bij het altaar. Ze mochten ook een grafteken of epitaaf oprichten. De gewone/arme sterveling kreeg een plaatsje buiten. Op den hof: het kerkhof. Deze kon zich meestal geen grafteken veroorloven. De kerkhof was ook een boomgaard en een marktplaats. De ruimte was beperkt, en werd regelmatig omgewoeld voor verse begravingen. Eeuwige rust was dus relatief. De kerkhof was exclusief voor katholieken. Andersdenkenden mochten naar het “jodenkerkhof”, protestanten hadden hun eigen tuin. Bij oorlogsgeweld en epidemieën moesten noodbegraafplaatsen ingericht worden. Tenslotte moest er ook een armenkerkhof zijn.
Eind achttiende eeuw was er in de kerken en de kerkhoven een nijpend plaatsgebrek. Niet-aflatende graafwerken was het gevolg. De kerk was onderhevig aan een steeds dreigend instortingsgevaar. Er hing tevens een doordringende geur door het rotten van de lijken en het regelmatig openen van de kerkvloer. Lodewijk XVI van Frankrijk vaardigde op 10 maart 1776 zijn Ordonnance Royal uit. Gevolgd op 26 juni 1784 door Jozef II van de Oostenrijkse Nederlanden met zijn Keizerlijk Decreet.
Keizer Jozef Benedictus (Jozef II) werd geboren op 13 maart 1741 en overleed 20 februari 1790 in Wenen, Oostenrijk. Van 1765 tot 1790 was hij Keizer van het Heilige Roomse Rijk, en van 1780 tot 1790 de Heerser van de Habsburgse Monarchie. Zijn eerste echtgenote Isabella van Parma stierf aan de pokken. Zijn tweede echtgenote Maria Josepha van Beieren had een chronische huidziekte. De keizer had twee kinderen: Maria Theresia van Oostenrijk en Christina, die stierf bij de geboorte.
Het was de periode van het verlicht absolutisme. De keizer voerde moderniserende hervormingen door. Voortaan zouden de boeren geen lijfeigenen meer zijn. Hij maakte de kerk ondergeschikt aan de staat. Bij de keuze van de paus heeft hij invloed uitgeoefend, en zorgde zo voor de opheffing van de Jezuietenorde. Met het Tolerantie-edict van 1781 kwam er godsdienstvrijheid. Niet-katholieken - zoals joden en protestanten - krijgen gelijke toegang tot openbare ambten en mogen hun religie vrij beoefenen. Het hofceremonieel schafte keizer Jozef II af. Voortaan geen kniebuigingen meer, geen Pruisisch uniform maar Spaanse gewaden, de hofdignitarissen worden niet meer onderhouden op kosten van de staat, en alleen op nieuwjaarsdag zal er nog een gala-ontvangst zijn. Tenslotte had hij een grote invloed op het strafrecht. Zijn bijnaam werd keizer-koster. Hij voerde het burgerlijk huwelijk in. Zorgde voor de opheffing van de "contemplatieve" of de "onnutte" kloosters en ontbond de broederschappen. De vrijmetselarij werd gelegaliseerd. Verder sloot hij bedevaartplaatsen en reduceerde het aantal kerkelijke feestdagen. Hij bepaalde zelfs het aantal kaarsen in de kerk.
"Edict van den Keyser angaende de begraefenissen. 
Het begraeven in eene Kerk, Kapelle, Bidplaets of ander bedekt Gebouw wordt verboden."
"Art IV: Daer zullen buyten den omtrek der Steden en buyten de Vlecken ofte Borgten, Kerckhoven worden opgerecht in de welcke alleen het zal georloft esen te begraeven." schreef de Keizer op 26 juni 1784.
Vanaf 1 november 1784 was het verboden te begraven binnen de stads- en dorpskernen. Er kwam een verplichting buiten de de steden en dorpskernen gemeentelijke begraafplaatsen aan te leggen. En de protestanten hadden recht op een eigen perk, of zoniet, een afzonderlijke begraafplaats.
Twintig jaar later was Napoleon genoodzaakt om de zaken opnieuw onder de aandacht te brengen, met wat toevoegingen. Met het Keizerlijk Decreet van 12 juni 1804 bleef het verboden te begraven in bedehuizen. Iedereen diende een individueel graf te krijgen, gedaan met de anonieme massagraven. De gemeenten krijgen voortaan het recht begraafplaatsen aan te leggen, mits goedkeuring van de overheid. Deze begraafplaatsen staan dan onder toezicht van de gemeentebesturen. Artikel 10 stipuleert dat particulieren een perceel grond kunnen verwerven en er een monument mogen oprichten, en dit voor onbeperkte duur (maw de eeuwigdurende vergunning).
Met deze korte opfrissing kunnen we nu onze gidsen overdonderen met onze kennis en kunnen we in eer en geweten zeggen dat we "Jozef II en zijn edict" kennen.
 
Johan Moeys