Nieuwsbrief Nr. 95 - september 2016

Roeselare Berten Rodenbach e ne veugel in zien nand


Eind juli. Zerkjes aan het werk en Zerkjes met vakantie. Een select maar fijn groepje verscheen ten tonele om de sfeerrijke begraafplaats te ontdekken. We mochten zelfs een nieuw lid aan ons hart drukken. Een wat opgejaagde en nerveuze gidse doet mij pennen van jewelste. Vanaf 1806 aangelegd kant Groenestraat, begin twintigste eeuw uitgebreid richting Blekerijstraat, wat begrijpelijk is want op het oudste gedeelte liggen ze als haringen in een ton.
In 2011 besliste de stad Roeselare om deze dodentuin in verschillende fasen te herwaarderen. Mooi initiatief! Eerst werden de bestrating en de paden aangepakt. Wagens werden gebannen (joepie, we begraven onze geliefden weer zoals het moet, ingetogen en traag, te voet). Fietsers en voetgangers kregen de voorkeur. Weggesmeten geld want wat bleek: op de kaarsrechte paden waanden fietsers zich een reïncarnatie van Eddy Merckx die de spurt aantrekt. Wandelaars werden omvergekegeld en ondersteboven gereden.  Men gaat het huiswerk overdoen en kronkelwegjes aanleggen.
Men stelde een lijst op van 120 te restaureren graven. Handje klap. Tot de stad ontdekte dat ze in een financieel putje zaten. Uiteindelijk werden maar 8 graven opgeknapt. Einddoel is de creatie van een begraafpark. Een wat? Iedereen die mij kent, weet dat mijn nekhaartjes zich onttrekken aan de wetten van de zwaartekracht telkens dit modewoord valt. Want elke keer doemt de moord op het kerkhof van Ter Eken, St.-Niklaas voor mijn ogen op. Wat daar aan funeraire pracht tegen de vlakte is gegaan. Schandalig! In Roeselare hebben ze een bloemen- en insektentuin ontworpen. Het oogt mooi. Tot we vaststellen dat de muren rondom opgetrokken zijn met stukgeslagen grafmonumenten. Daar gaan mijn nekhaartjes weer. Maar genoeg gekafferd. Wat hebben we kunnen bewonderen.

Militaire erepleinen

Het Franse ereperk WO I is na St. Charles de Potyze (nabij Ieper) en de Ossuaire aan de voet van de Kemmelberg het derde grootste in Vlaanderen. Een monument ontworpen door Emiel Duyvewaardt domineert het geheel. Hier rusten ook strijders uit de Noord-Franse kolonies zoals Zouaven (Piés Noirs), Tirailleurs Sénégalais en Berbers. Ferdinand Le Hetet schonk men een praalgraf. Op Schuwe Maandag dekte hij moederziel alleen, tot op de tanden gewapend, de aftocht van zijn kameraden. Hij werd met bajonetsteken afgemaakt.
Tussen de gesneuvelden uit het Gemene Best ontdekken we 2 onbekende Fransen. Waarom ze hier werden bijgezet blijft een mysterie.
Achter een monumentaal gedenkteken, een ontwerp van architect René Doom en beeldhouwer Josué Dupon, kregen de Belgen een laatste stek. Soldaten en burgerslachtoffers rusten allemaal onder hetzelfde type kruis.
Pakkend is het tragische verhaal van de Joodse Helena Popper. Geboren in Wenen en gehuwd met Jakob Korn. In januari 1939 vluchtte ze met haar man en zoon Friedrich voor de Nazi’s. Het gezin kwam in Antwerpen terecht. In mei 1940 werden de 2 mannen gearresteerd. Helena reist verder door naar Roeselare waar ze weinig hulp krijgt. De trein biedt een uitweg, ze pleegt zelfmoord. Haar stoffelijke resten worden later naar het Nederlandse Anna ten Putte overgebracht.
Het Duitse ereplein, het Wilhelmfriedhof (nu bekend als onder de ceder) werd opgedoekt in 1956. Ook de obelisk, ingehuldigd op 1 augustus 1915, verdween met de noorderzon.
We verlaten de militairen en komen bij de ambulante handelaren van de Nieuwmarkt terecht. Zij verdienden flink hun brood en investeerden in het hiernamaals. Prachtige en goed onderhouden grafkapellen strijden om de eerste prijs. Soms werd er plagiaat gepleegd. Een zekere A. Plancke kopieerde een Parijse grafkapel voor de familie Plancke-Houthoofd. Hij kreeg een proces aan zijn broek.
Nu gaat het in sneltreinvaart, ik kan amper volgen. De familie Denys-Tailleu handelde in hout, leden van de familie Declercq-Debal waren aannemers. Zoonlief was verantwoordelijk voor het graven van het kanaal Brussel-Charleroi. De Brouckere was notaris-burgemeester, hij verfranste zijn naam tot de Brouckère, dat stond chiquer. Een oud graf, toebehorend aan de familie Coussement, versierd met de 7 smarten van Maria. Willem Denys, schrijver van de onsterfelijke Peegie.
Het perceel van de familie Rodenbach. Oef, een adempauze. De oudste concessie mag op naam van Pierre Rodenbach geschreven worden. Hij was schepen van de stad. Alexandre Rodenbach, de blinde Rodenbach, studeerde rechten in Leuven, schopte het tot burgemeester van Rumbeke en maakte deel uit van het Voorlopig Bewind. De beroemdste telg van de familie, blauwvoeter Albrecht, rust onder een ontwerp van Jules Lagae.
Amand Tant, eigenaar van een mechanische spinnerij, werd depressief na het overlijden van zijn echtgenote. Hij pleegde zelfmoord. De kerkelijke overheid verbood de begrafenis in gewijde grond. Maar de familie had geld en geld opent vele deuren. Zijn 2 zonen Louis en Henri hadden hun buik vol van de katholieke kerk. Louis werd vrijzinnig en Henri bekeerde zich tot het protestantisme.
We eindigden bij het romantisch graf van de familie Verhoestraete-Lagae. Neef Jules Lagae realiseerde dit beeld in Rome. Zijn dienstmeisje stond model.

Besluit: hoe komt het toch dat deze stemmige begraafplaats nog altijd niet beschermd is als monument.

Wat ontdekten de kleinen en ik nog meer?

Vanaf 1409 zwaaide de familie van Kleef de plak over de heerlijkheid Land van Wijnendale. Jan van Kleef, alias Jan bastaard van Ravenstein, want in 1446 geboren als buitenechtelijke zoon van Adolf V van Kleef, huwde Johanna van Lichtervelde. Hij stierf op 14 augustus 1504 en werd begraven in de St. Michielskerk. Zijn echtgenote vervoegde hem na haar overlijden op 20 december 1526. Beide gisanten werden als levend en rustend met open ogen afgebeeld. In de 19° eeuw restaureerde men de kerk. Het praalgraf stond in de weg. De toenmalige pastoor vond er niets beters op dan het gevaarte te verpatsen aan de graaf van Thiennes uit Rumbeke. Die wist ook niet wat er mee gedaan en schonk het aan het Gentse Museum voor stenen voorwerpen. Pas in 1964 ondernam Roeselare een poging om het monumentale ding terug te krijgen. Echt succesvol was dit verzoek niet. In 1998 begon ’t Gild der maten van Peegie zich er mee te moeien. Minister Luc Martens zette zijn schouders onder het initiatief. Die van Gent zijn gulle mensen, ze schonken het praalgraf terug aan de St. Michielskerk. Op 29 mei 1999 werd het ingehuldigd.
Kruis van Moen: efkes paniek want ik dacht dat Christus van zijn kruis aan het donderen was. Maar wat bleek: zo hoort het. De roze, levende kant komt los van het kruis. Het grijze, dode gedeelte blijft genageld. Dit kunstwerk van Hendrik Sulmont van Moen is gedateerd 1988.

Wat ontdekten Philippen en Mari-Therese nog meer?

u ons aller Philippe zich de fiere eigenaar noemt van een elektrische fiets is hij niet meer te stuiten. Aan 25 km per uur zoeft hij door het Vlaamse landschap op zoek naar de laatste rustplaats van iedereen die zich ooit op een tweewieler voortbewoog. En Marie-Thérèse mag mee. Zo ontdekten ze in Beveren-Roeselare het graf van Jempi en Giovanni Monseré. Op maandag 15 maart 1971 sloeg het noodlot toe. Wereldkampioen Jean-Pierre Monseré, 22 jaar jong, knalde tijdens een kermiskoers te Retie op een stilstaande wagen. Hulp kon niet meer baten. De begrafenis te Roeselare op zaterdag 20 maart werd massaal, door naar schatting 40.00 treurende wielerfanaten bijgewoond. We weten het allemaal: de geschiedenis herhaalt zich. Zoontje Giovanni kreeg voor zijn eerste communie een Flandria koersfietsje. Vijf jaar na zijn papa reed de zevenjarige jongen tegen een auto. Op hetzelfde merk fiets en eveneens getooid in een regenboogtruitje.
Foto’s: Philippe Theys, Edgard Maes, Dirk Joos

Veenhuizen, het graftrommelparadijs ! Twee graftrommelaars op werkbezoek in het graftrommelmuseum van Veenhuizen.


Mark Sweertvaegher en ikzelf trokken het verlengde weekend van 15 augustus richting Veenhuizen op werkbezoek bij Pieke van Doorn, de eigenaresse van het graftrommelmuseum.
Het was ver maar de 370 kilometer afstand hield ons niet tegen!
 
Het eerste wat we zagen toen we het grondgebied van Veenhuizen binnenreden was een toeristi-sche gevangenisbus… Ja, in het verleden werden hier de koloniën van Weldadigheid gesticht door ene Generaal van den Bosch, waar ook Wortel en Merksplas toe behoren.
M.a.w., als je hier terechtkwam had je iets uitgestoken of je was landloper en je moest heropgevoed worden.
De kolonie bestond uit 3 gestichten, nu heeft Veenhuizen 2 moderne gevangenissen waarvan een gevangenis wordt verhuurd aan de Noorse Justitie. Sindsdien wordt dit ook beschouwd als Noors grondgebied!
 
Enfin, genoeg geschiedenis want we kwamen eigenlijk om te werken én gewerkt hebben we!
 
Kort na de middag maakten we kennis met Pieke en na een korte bespreking van foto’s en onze krans werden we zonder pardon aan het werk gezet.
Allereerst werd het hoopje oud ijzer ontleedt en daaruit leerden we dat de krans werd opgebouwd uit groepjes bladeren van twee, drie of vier stuks met onderaan de zwaartepunten.
Toen gingen we de laspunten tellen en kwamen we tot de ontdekking dat we amper een drietal blaadjes te kort kwamen!
Vorige zomer echter, hadden Jos Donny en ikzelf alle blaadjes met een borstel proper gemaakt. Elk blaadje en afgebroken stukjes apart in zakjes gestopt en bleven al die tijd met de schrik zitten omdat we die ooit eens aan elkaar moesten gaan solderen. Niks van, gewoon de afgebroken stukjes links laten liggen en de bladeren gebruiken zoals ze zijn want er is geen mens die het verschil zal opmerken.
Om terug te komen op de ontleding van de krans: aan de hand van de dikte van de ijzerdraadjes ontdekten we perfect waar de bloemetjes hadden vastgezeten. Jammer genoeg zijn we van deze porseleinen bloemetjes wel een aantal kwijtgeraakt.
Geen nood, in april hadden we al een workshop porseleinen bloemen maken en hadden al wat op reserve opgebouwd. Vermits drie verschillende bloemen in de trommel werden teruggevonden houden we ons daaraan en is het de kunst om zo correct mogelijk alles weer op z’n plaats te krijgen.
Maar er is natuurlijk een kleurverschil tussen de oude en de nieuwe… Bleek ook weer heel simpel op te lossen want onze mooie nieuwe bloemen werden een nacht in de thee gelegd. ’s Anderdaags verontschuldigde Pieke zich wel dat ze in de groene thee gelegen hadden wegens gebrek aan zwarte thee.
En inderdaad je ziet het verschil niet!
Om zes uur mochten we beschikken en namen op aanraden van Pieke onze intrek in het hotel Bitter en Zoet.
Vroeger hadden alle gebouwen en woningen allemaal een eigen naam en ons hotel is onderge-bracht in een aantal dienstwoningen van het vroegere hospitaalcomplex. Bitter was de naam van de apotheek en Zoet de naam van de dokterspost en wij sliepen in het pand met de toepasselijke naam Toewijding.
 
De tweede dag werden we om 10u00 verwacht en het was alweer werken geblazen. We kregen elk een tak, bladeren, een soldeerbout, tin en we mochten beginnen.
Tijdens de arbeid werden we geëntertaind met de geschiedenis en enkele anekdotes, waaronder het verhaal dat het de inwoners van Veenhuizen verboden werd om de was buiten te hangen. Een ontsnapte gevangene had het wel eens in zijn hoofd kunnen krijgen om de klederen van de was-draad te stelen en zo ongestoord de vrijheid tegemoet te wandelen.
Na de lunch nam Leo, haar echtgenoot ons mee naar zijn werkhuisje en werden onderlegd in het restaureren van de trommels. Zij hadden voor ons een trommel als voorbeeld kunnen bemachtigen want de onze kregen we vanwege de grootte niet in de auto.
Wat leek het weer eenvoudig. Eerst schoonmaken met een bus St. Marc, stukadoorsgaas, auto-plamuur en spatel…
 
Rond zes uur werd er vriendelijk gevraagd of we gingen aanschuiven maar we hadden de hint begrepen. Trouwens we hadden al een afspraak, we kregen namelijk bezoek van Henk Rook en Ella Eefting, twee Terbinthers die op 10 kilometer afstand in Asse wonen.
Wederom werd er die avond uitgebreid over de geschiedenis verteld met de nodige anekdotes, waaronder het verhaal van het warm water.
Hoe dichter je tegen de gevangenis woonde, hoe groter het huis en uiteraard was je dan ook heel belangrijk! Omdat er in de beginjaren geen waterleiding met warm water was, werd er op een cen-trale plaats op maandag, water gekookt. Ja, op maandag was het wasdag.
Dat water werd dan rondgedragen en hoe belangrijker je was, kreeg je niet alleen meer liters maar werd je ook eerst bediend. De minder belangrijken moesten het dan stellen met lauw water.
 
De volgende dag werden we weer om 10u00 bij Pieke verwacht indien we nog vragen hadden, en die hadden we maar zij had die middag alweer een andere afspraak en onze tijd was op.
We mochten nog even graaien tussen de mallen en stansen
 
 
Jammer…
Maar, op aanraden van zowel Pieke als van Henk en Ella brachten we voor we definitief naar België terugreden nog een bezoek aan de begraafplaats.
Dat was pas het paradijs, niet meer dan 27 gerestaureerde graftrommels lagen daar te pronken waarvan er 6 door de Stichting werden gerestaureerd!

Restauratieatelier/museum voor graftrommels


het restauratieatelier/museum is op 15 april 2016 officieel geopend door vier vrijwilligers.
Het atelier/museum is gevestigd in een oude paardenschuur gelegen in het historische dorp Veenhuizen Dr.
Veenhuizen is een van de vijf Koloniën van Weldadigheid opgericht door Generaal van den Bosch.
Doordat Veenhuizen tot 1981 een gesloten gemeenschap was i.v.m. de aanwezigheid van drie gevangenissen heeft de begraafplaats zeer waarschijnlijk zijn 27
graftrommels behouden.
Wij zijn met vier vrijwilligers vijf jaar geleden op de begraafplaats van Veenhuizen begon-nen met de restauratie van de aller slechtste trommels met kransen.
In 2015 hebben wij besloten om zelfstandig verder te gaan met de restauratie.
Er is een Stichting opgericht en  de locatie op de Bergveenweg werd ingericht.
Niet alleen uit Drenthe krijgen wij trommels en kransen te restaureren maar ook uit andere delen van Nederland.
De oudste  kransen die wij nu onderhanden hebben komen uit een Grafkransenkast uit 1885.
Doordat wij authentieke mallen en stansen hebben kunnen wij de bloemenkransen met nieuwe "oude" blaadjes en bloemen aanvullen.
Ook het gebruik van onze keramiek oven en de bekendheid met porselein klei zorgt ervoor dat wij de kransen weer compleet kunnen maken.
Heel recent hebben wij de 125ste bezoeker mogen ontvangen in ons Museum.
Het doorgeven van onze kennis staat voor op en natuurlijk het redden van de kransen in de vaak zeer slechte trommels die er nog zijn in Nederland.
 
Het Museum is alleen op donderdag open en op afspraak.
Voor meer informatie of om een afspraak te maken kunt u mailen naar,

[email protected]
 
Pieke van Doorn-Witteveen, Veenhuizen Dr. Holland.
Foto's : Lin Verbeemen

Familie moet zelf graf delven Uit HLN (donderdag 14 juli 2016 - doorgestuurd door Johan Moeys)



De nabestaanden van een 63-jarige vrouw uit Groningen hebben onlangs zelf een graf voor haar urn moeten graven nadat de Nederlandse gemeente Noordenveld was vergeten een delver te regelen.
De begrafenisonderneemster had toevallig een schep in de achterbak van haar auto liggen, waarmee de familie zelf aan de slag kon, meldt de regionale zender RTV Noord. "Dan zak je wel even door de grond."
Op de dag van de bijzetting heeft de familie van de vrouw haar as opgehaald bij het crematorium. Het zat in een ecologische urn, die op termijn vergaat en één wordt met de aarde. "Dat vinden we een mooie gedachte'', zegt de 44-jarige dochter van de vrouw tegen de omroep.
"Toen we bij de begraafplaats aankwamen, stond de begrafenisondernemer ons al op te wachten. 'Ik moet jullie wat vertellen', was het eerste wat ze zei. 'Ze hebben het graf niet gedolven.' Nou, dan zak je wel even door de grond. Ik vind het respectloos."
Rouwproces
De moeder van de vrouw wilde graag in Veenhuizen (provincie Drenthe) begraven worden omdat ze daar is opgegroeid. "Zo'n bijzetting kun je maar één keer doen'', zegt de partner van de dochter. "En het is niet bepaald een dag waar je naar uitkijkt. Het maakt onderdeel uit van het rouwproces, en dat wil je gewoon netjes laten verlopen."
Uiteindelijk moest de familie zelf de schep in de grond steken. "Samen met mijn schoonbroer hebben we een gat gegraven. Na de plechtigheid hebben we het gat ook zelf weer gedicht. Op zich een mooie gedachte, maar daar denken wij toch anders over. Het aanstampen van de grond is toch heel raar als je dat zelf moet doen.''

Excuses
De gemeente Noordenveld heeft inmiddels in een brief haar excuses aangeboden. "Het is een stomme fout en erg emotioneel voor de nabestaanden. Maar we kunnen het niet meer rechtzetten'', zegt verantwoordelijk wethouder Reint-Jan Auwema tegen RTV Noord.
"We zijn gewoon vergeten om een grafdelver te regelen. Heel simpel, maar schrijnend." De gemeente wil er alles aan doen om zulke fouten in de toekomst te voorkomen. De familie krijgt het betaalde geld voor de grafdelver terug.
"Toch, een belletje of een bos bloemen was op zijn plaats geweest", zegt de dochter. "Is de urn op een verkeerde plaats terecht gekomen? Nee. Is het een prachtige begraafplaats? Ja. Maar daar gaat het niet om. Ik had me deze dag heel anders voorgesteld, dit soort dingen mogen gewoon niet gebeuren.''

Sterven in het paradijs (2) Curaçao deel 2


Een eiland in de blauwe Caraïbische Zee, heerlijke stranden, palmbomen wuiven, een subliem hotel, 32 graden celcius, kolibries en papegaaien fladderen rond – of vallen om van de warmte –, leguanen zitten in de schaduw,  een zwembad om te verkoelen, Agatha Christies ‘Murder in the Caribean’ op het nachtkastje. Wat wil een mens meer op z’n huwelijksreis in Curaçao? Niets .... tenzij je lid van Grafzerkje bent! Dan ga je op zoek naar de dichtstbijzijnde begraafplaats om te kijken hoe het leven eindigt in het paradijs.
In het vorige artikel behandelden we de verrassingen. Deze keer volgen we braaf de reisgids (niet echt m’n beste karaktertrek) naar de Joodse begraafplaats beth Haim.

Beth Haim

De Joodse aanwezigheid is van groot belang voor Curaçao. Sefardische Joden verlieten in de 17de eeuw Spanje onder andere naar de vrije Noordelijke Nederlanden. Via Amsterdam kwamen ze in Curaçao terecht waar ze een nieuw leven opbouwden. Anderen trokken naar Zuid-Amerika maar toen Spanje ook daar orde op religieuze zaken begon te stellen staken de Joden de 60 km brede zee tussen Venezuela en Curaçao over om zich vooral in Willemstad te vestigen. Hun handelsinstinct kwam de Nederlanders goed van pas. Het waren de Joden die van Curaçao een bloeiende handelspost maakten in de routes tussen Europa, Afrika en Amerika. Die Joodse gemeenschap heeft prachtige herenhuizen, dé oudste nog gebruikte synagoge ter wereld én een fraaie begraafplaats achtergelaten. De Joodse Begraafplaats ‘Beth Haim’ stond wel in de reisgids dus stond ze natuurlijk met stip op het programma. Maar niets kon ons voorbereiden op het hallucinante schouwspel dat we daar gepresenteerd kregen.
Beth Haim, wat vertaald kan worden als Hoop van Israël, werd gesticht in 1659. De stichtingsdatum valt samen met de aankomst van de eerste Joden op Curaçao. Het eiland was zo’n 25 jaar eerder door de Zeven Provincien veroverd op Spanje. De oudste bekende bijzetting is die van Nunes de Fonseca op 18 januari 1668. Tegen de 18de eeuw maakten Joden de helft van de blanke bevolking uit en werden ze rijk door de handel. De aangroei van de Joodse kolonie en het feit dat Joden niet ontgraven worden, betekende dat de begraafplaats regelmatig werd uitgebreid. Dat gebeurde in 1726, 1750, 1800 en een laatste keer in 1822. In 1726 werd de stenen ommuring gebouwd die vervolgens bij elke uitbreiding vergroot werd. Momenteel is de begraafplaats iets groter dan 1 hectare.
 
In 1826 werd het Casa de Rodeos opgericht. Het is een Sefardische gewoonte om voor de begrafenis zeven keer in processie rond het lichaam van een overledene te lopen voor de teraardebestelling. Zo’n 30 jaar later volgde het Huis van de Cohens. Deze afstammelingen van de priesterklasse mogen geen begraafplaats betreden en voor hen werd een huis net buiten de begraafplaats gebouwd waar ze konden bidden voor hun overleden familieleden.
Van de 5000 graven op de begraafplaats heeft ongeveer de helft een grafteken. De oudste graftekens zijn vervaardigd uit koraal of terracotta. De groeiende rijkdom van de gemeenschap in de 18de eeuw liet toe om Blauwe Hardsteen uit Henegouwen en Carrara-marmer via Amsterdam naar Curaçao te transporteren. Ze werden rijkelijk gedecoreerd met een mix van Joodse en Christelijke symbolen. Naast de traditionele symbolen zijn er verwijzingen naar het beroep van de overledene (vb. een schip voor handelaars), de sociale status, typisch Joodse sterfbedscènes, verwijzingen naar de verhalen uit de Torah, bekende doodssymboliek (skelet, zuil, schedels, …). Tegen de 19de eeuw werden de internationale funeraire modes ook in Beth Haim gebruikt. De epitafen zijn opgesteld in het Nederlands, Engels, Frans, Hebreeuws, Portugees, Spaans en Yiddish en getuigen van de internationale Joodse migratie naar het eiland.
.
In 1916 zat Curaçao economisch aan de grond. Iedereen was dan ook zeer blij dat Shell zich op het eiland kwam vestigen. De raffinaderij vestigde zich in de natuurlijke baai bij Willemstad, midden het eiland. Beth Haim werd opgeslokt door de fabriek en ligt nu midden in de raffinaderij. 100 jaar van zure regen hebben de stenen zwaar aangetast en het sissen en blazen van de fabriek is oorverdovend. De stank is er penetrerend. Na 10 minuten krijg je er barstende hoofdpijn. De Joodse begraafplaats ligt nu op de meest vervuilde plek van het eiland! De stenen begonnen zeer snel te vervallen, letterlijk op te lossen,  en een noodzaak tot inventarisatie van de site drong zich op. De begraafplaats werd geïnventariseerd (2500 grafplaten) door Isaac S. Emmanuel in 1939-1941. De vergankelijkheid van het leven wordt er in de aangetaste grafstenen pijnlijk zichtbaar.

Nog een Belgische band ...

Helemaal afzonderlijk, net buiten de Joodse begraafplaats, eveneens door een gewit muurtje omringd, ligt het graf voor Louis Brion. Pedro Louis Brion (1782 – 1821) was admiraal ter zee en vocht samen met de Simon Bolivar in Venezuela tegen de Spanjaarden. Hij wordt als een echte nationale held vereerd. Zijn grootouders kwamen uit Thimister nabij Luik. De familie Brion trok in 1766 naar Amsterdam. Pedro’s vader vertrok in 1777 naar Curaçao. Als gevolg van de Amerikaanse burgeroorlog en de Spaans-Engelse conflicten was de handel op dat ogenblik booming business. Vader Pierre Brion bouwde een fortuin op dat zoon Louis zou besteden aan de Zuid-Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlogen in Venezuela en Colombia (1805-1819).
Conclusie
Als onze reis naar Curaçao ons al iets geleerd heeft, is dat Curaçao een heerlijk eiland is waar je bij de ondergaande zon en onder de palmbomen op het strand, rustig de dood kan vergeten. Overdag kan je dan lekker uitzweten op geasfalteerde begraafplaatsen van Christenen, Joden, slaven en vrijheidsstrijders waar de zon je bruin brandt. Net als op het Oude Continent, creëerden geld en macht er samen prestigieuze graftekens met een internationale vormentaal. Met name de begraafplaats in Willemstad en Beth Haim herbergen fraaie 19de-eeuwse graftekens. Het gebruik van Blauwe Hardsteen, Italiaans Carrara-marmer en ‘onze’ Europese funeraire symboliek, aan de andere kant van de wereld, herinnert aan de Europese tradities die mee getransporteerd werden naar het Caraïbisch gebied en er vermengd werden met nieuwe gewoontes in een nieuwe omgeving. Samen met onze nationale funeraire steen, werd blijkbaar ook het Belgische surrealisme geïntroduceerd want anders kan je Beth Haim onder de rook en het geluid van de raffinaderij niet noemen.
Joeri Mertens – Joris De Kegel 


Bibliografie
DE HISTORIECIE, Kamphuis M. 2001: The Jewish Cemetery Beth Haim Curaçao, Willemstad.
KAMERBEEK E., Mooij J. 2014: Landhuis Ascencion, Vormingscentrum Koninklijke Marine, s.l.
SCHELLEKENS J. 2012: De rijke geschiedenis van Curaçao Indianen, de WIC en invasies, Amsterdam.

De Reis van Paneb – deel III Naar het hiernamaals


Sinds enige tijd volgen we de begrafenis van de Oude Egyptenaar Paneb, uit de 21e Dynastie.  In delen I en II zagen we hoe Paneb gemummificeerd werd, en hoe de begrafenisstoet van zijn woning naar zijn graf trok.  Dat was echter de materiële reis van Paneb’s lichaam.  Deze keer gaan we wat dieper in op zijn spirituele reis.
Tekst en foto’s: Daniël Coninx (2009)
Oude Egyptenaren waren extreem pragmatische mensen. Het Hiernamaals leek als twee druppels water op het leven zoals zij dat kenden (al was het dan wel zonder de dagelijkse ongemakken of problemen). Al vroeg hadden ze begrepen dat het allemaal heel mooi is als ziel naar dat Hiernamaals te gaan, maar wat kan men daar eigenlijk aanvangen zonder lichaam ? Men redeneerde dus dat de Ka (de ziel) niet zonder lichaam kon. Maar als dat lichaam nu dood is, wat dan ? Dan moet dat lichaam dus eerst en vooral goed bewaard worden (vandaar de mummificatie), en ten tweede, moet het weer tot leven gewekt worden. Dat dat onmogelijk is, was hen ook wel duidelijk, maar men maakte dankbaar gebruik van een verschil tussen “levend” in de letterlijke zin, en “levend in het hiernamaals”. Door middel van rituelen werd de mummie weer tot “leven” gewekt, om te kunnen leven in het hiernamaals.
Het ritueel van het Openen van de Mond was voor elk individu het belangrijkste, want door de mond ademt men, eet men en communiceert men. Zonder dit ritueel sterft de mens definitief. Het verbieden van dit ritueel bij de terechtstelling/begrafenis van zware criminelen, was de ergste straf die uitgesproken kon worden. Samen met het afnemen van de naam zorgde het er symbolisch voor dat de misdadiger onbekend, onbemind, en onbestaand verklaard werd. De schuldigen voor de moord op Ramesses III bijvoorbeeld, worden in de processtukken nooit met hun naam aangeduid, maar slechts met “De Kwaadaardige”, “De Vervloekte”, “De Gehate”, enzovoort.
Hoe ging dit ritueel in zijn werk ?
Alleszins niet zoals zovele lokale gidsen in Egypte goedgelovige toeristen proberen wijs te maken. Men brak niet letterlijk met een hamer en een beitel de mond van de mummie open. Eerst 70 dagen al dat meticuleuze werk doen, om dan als een vandaal die mummie zo toe te takelen ? Soyons serieux, hé zeg !
Dit is, reeds in Paneb’s tijd, een millennia-oud ritueel, diepzinnig en fijngevoelig, overgeleverd uit de prehistorie en verfijnd door de eeuwen. Het betreft trouwens niet alleen het openen van de mond, maar van alle openingen in het hoofd (al is en blijft de mond het belangrijkste). Gelukkig heeft ook Paneb deze ceremonie op de wanden van zijn graf laten vereeuwigen, zodat wij, 3.000 jaar later, een duidelijk beeld hebben van hoe dit ritueel verliep. Aangezien het doel van de hele oefening was, de dode weer levend te maken, moesten de gevolgen van de mummificatie (op zijn minst symbolisch) weer ongedaan gemaakt worden. Tijdens het mummificatieproces waren de mond, ogen, oren en neus dichtgemaakt. Die moeten nu weer geopend worden. In Paneb’s geval wordt de Sem-priester (die steeds een priester van Ptah is) bijgestaan door twee andere priesters : één van Toth, de God van het schrift, wetenschap en wijsheid (een belangrijke God voor een handelaar als Paneb), en één van Ma’at, de Godin van het kosmische evenwicht, de rechtvaardigheid en het mededogen. Rijkere burgers hebben soms wel tien priesters voor dit ritueel, terwijl een arme duts het met één moet stellen. Paneb is hiermee tegen de traditie (en tegen zijn zoon) ingegaan, trouwens. Als er al meerdere priesters bij het ritueel betrokken worden, zijn het doorgaans een priester van Osiris (die de overledene symboliseert), en een priester van Horus (die de zoon van de overledene voorstelt). Paneb was echter te verknocht aan Toth en Ma’at, en zijn zoon is niet tegen zijn wensen ingegaan (aangezien dat ongeluk zou brengen), maar gelukkig is hij er allerminst mee. Dat hij, als zoon, op deze wijze “gepasseerd” wordt, is een blaam die velen zich nog lang zullen herinneren, en zal een sterke invloed op zijn sociale status hebben.
Voor het ritueel worden verschillende werktuigen gebruikt. Het belangrijkste hieronder is een dissel. Bij zeer uitgebreide ceremonies werden zelfs meerdere dissels gebruikt. Verder werden een grote hoeveelheid vazen, zagen, sjerpen, vuurstenen messen, zalven en wierook gebruikt. Mochten ook niet ontbreken : water, wijn en bier ! Van een aantal voorwerpen weten we thans helemaal niet meer waarvoor ze dienden. Waarvoor dienden in Godsnaam een gouden vinger, of een houten ossepoot ? Het volgende is dan ook een reconstructie van het ritueel op basis van onze ongetwijfeld zeer schetsmatige kennis. Kijken we naar de ceremonie door de ogen van Nefer, Paneb’s volwassen kleinzoon.
“De priesters staan klaar.  De priester van Toth heeft de wierook ontstoken, en de priesteres van Ma’at houdt water, wijn en bier gereed.  Met wolken wierook wordt grootvaders mummie gereinigd.  De priesteres van Ma’at besprenkeld hem met water, bier en wijn om boze geesten te verdrijven.  Wat nu ?
Oja, de ossen moeten worden geslacht, want de priesters hebben een ossehart nodig.  Dat zal even duren.  Ondertussen praten we over grootvader met onze vrienden.  Dan gaat het ritueel verder.
De Sem-priester heeft de dissel ter hand genomen, en maakt ingewikkelde, rituele gebaren.  Ik snap er niets van, maar vader heeft me verzekerd dat met deze gebaren de priester ervoor zorgt dat grootvader, in het hiernamaals, zal kunnen eten, drinken, en spreken.  Ik vermoed dat hij dit ritueel herhaalt met een zaag, om zeker te zijn…
Dit is belangrijk : met een gouden vinger, het vlees van de Goden, raakt hij de mond van de mummie aan.  Grootvader opent voor de eerste keer zijn mond in het hiernamaals.  Hij is aangekomen !  De Goden zij dank !  Aangezien het al meer dan 70 dagen geleden is dat hij gegeten heeft, hebben de priesters voor grootvader druiven meegebracht.  Zo kan hij ook aan gene zijde van zijn eten genieten.  Hij krijgt ook een beker wijn aangereikt, zodat hij kan drinken.  Opdat hij zou kunnen ademen aan de andere kant, wuiven ze hem met een struisvogelveer lucht toe.  Het duurt allemaal erg lang, en dat in deze hitte.  Ik moet er niet aan denken dat die hele ceremonie voor elke lichaamsopening nog eens herhaald gaat worden.  Pas dan, nadat de mummie nog eens met wierook, water, wijn en bier gereinigd is, kunnen we grootvader uitnodigen met ons een laatste maal aan tafel te gaan.
Hoezeer de mens een gewoontebeest is, blijkt uit wat volgt op het ritueel van het Openen van de Mond: de tot op de dag van vandaag gebruikelijke koffietafel.  Toegegeven, in Paneb’s tijd was er geen koffie, en er werd ook niet aan een tafel gegeten.  De keuze was ook groter dan tussen koffiekoeken of sandwiches met hesp of kaas, maar de idee was dezelfde.  Tijdens een groot feestmaal, voorgezeten door de mummie, werden herinneringen aan de overledene opgehaald, werd er gelachen, trof men vrienden en familie die men soms jaren niet meer gezien had.  Veel verschil met nu is er dus eigenlijk niet.  Op voorwaarde dat men niet teveel rekening houdt met die mummie aan de kop van de tafel…
De grafdelvers wachten tot het feest voorbij is.  Dan pas kunnen zij aan de slag voor het laatste, en zwaarste deel : de sarcofaag moet nog in het graf, en zoals steeds, is het ook dit keer weer een passemaatje.  Wie in Deir el Medina ooit de particuliere graven bezocht heeft, zal zich ongetwijfeld afgevraagd hebben hoe men die volumineuze sarcofagen in die grafkamers heeft gekregen.  Het lijkt soms wel of het graf rond de sarcofaag is gebouwd.  Het antwoord is nochtans eenvoudig : met (veel) bloed, zweet en vloeken.  Eens de sarcofaag op haar plaats stond, konden de grafgiften, canopen, vaatwerk, enz. ook gestapeld worden.
Paneb’s familie wacht hier niet op.  Alvorens het graf afgesloten wordt, zal het nog minstens een paar dagen duren tot de laatste items op hun plaats staan.  Uiteindelijk sluit de meester-metselaar het graf af, in de hoop/wetenschap alles gedaan te hebben om de overledene het eeuwige leven te garanderen.  Zodra iedereen weg was, nagenoeg zonder uitzondering, de volgende gasten : de grafrovers…
Was het dat dan ?
Al dat werk om die mummie te maken, dat graf, die begrafenisstoet… waarom ?  Iedereen voelt natuurlijk al met zijn of haar ellebogen dat er meer achter schuilt.
Als wij, mensen van de 21e eeuw, sterven, dan geloven wij dat één van de volgende dingen gebeurt, naargelang onze persoonlijke overtuiging :
n De atheïst gaat dood, en dat is het einde van de reis.  Geen ziel, geen hiernamaals, alleen het zoete niets.
n Een goeie katholiek gaat naar de hemel om daar ten eeuwigen dage God te aanbidden en driemaal daags rijstpap met gouden lepeltjes te eten.  De slechte katholiek gaat naar de hel om daar voor eeuwig en drie dagen te branden.  Al de rest gaat naar het vagevuur in afwachting van een definitieve bestemming.
n De Jood doet ongeveer hetzelfde (maar dan zonder rijstpap).
n De Moslim wordt opgenomen in Allah (al dan niet met 70 maagden).
n Boeddhisten worden herboren of gaan over naar een hoger niveau van “zijn”, net zoals de Hindu’s.
Over één ding zijn ze het allemaal echter roerend eens : alle anderen gaan naar de hel, en een flink pak van de eigen geloofsgenoten trouwens ook.
En bij de Oude Egyptenaar ?
Die pragmatische Oude Egyptenaar ziet het tegelijk veel eenvoudiger, en daardoor ook een pak ingewikkelder…
Ten eerste is er voor hem niets als een eeuwigdurende hel.  Dat maakt het hiernamaals veel eenvoudiger.  Ten tweede heeft een mens twee soorten “zielen”, wat het dan weer een pak ingewikkelder maakt.  De mens bestaat uit drie delen, die geen van allen zonder de twee anderen kunnen.
De Ka is de onsterfelijke ziel, de persoonlijkheid, het wezen van de mens.
De Ba is zijn levensenergie, die niet onuitputtelijk is, maar eindig, al is de Ba, op een ander niveau, dan weer wel onsterfelijk.  Als “container” voor de levensenergie is de Ba onsterfelijk, maar zonder deze energie is een lege doos ook maar een lege doos.
Het lichaam is het huis waarin die twee wonen.  Als de mens sterft, is het eigenlijk de Ba (de levensenergie) die sterft.  Die dood is echter van korte duur, en kan veeleer als een metamorfose gezien worden.  De Ba, die voorheen Ka en lichaam van energie voorzag, zal in de toekomst alleen nog de Ka bedienen.
De Ka verlaat, bij de dood, het lichaam en wordt door Anubis naar Osiris gebracht.  Anubis wordt vaak als de Egyptische dodengod gezien, maar dat is eigenlijk niet correct.  Anubis is de gids.  Osiris is de god van het dodenrijk.  Alvorens voor Osiris te verschijnen, wordt het hart van de overledene afgewogen tegen een veer van de godin Ma’at, de reden waarom het hart in de mummie is gebleven.  Dit is het moment waarop de “positieve biecht” van de overledene aan bod komt.  Wij biechten (als we al biechten) onze zonden, wat doorgaans een korte lijst is.  Dit noemt men een “negatieve biecht”.  De Oude Egyptenaar deed het tegenovergestelde, en somde al het goede op wat hij gedaan had, en al het slechte dat hij niet gedaan had.  Als geheugensteun kreeg hij die lijst mee in zijn srcofaag.  Een riskante bedoening, want wie bijvoorbeeld vergat te vermelden dat hij nooit gemoord had, gaf, bij omissie, toe dat hij wel gemoord had.  Zo groeide de lijst van “Ma’at’s Biecht” van een povere 42 punten uit tot een boekwerk met ettelijke duizenden vergrijpen.
Gelukkig was er voor Ma’at nog een andere manier om na te gaan of de overledene een rechtschapen persoon was geweest.
“Het hart van een rechtschapen man is lichter dan een veer van de kroon van Ma’at.”
Het hart van de overledene ging aan de ene kant de weegschaal in, en werd afgewogen tegen een veer van de hoofdtooi van Ma’at.  Sloeg de weegschaal door naar het hart, mocht de Ka voor Osiris verschijnen.  Sloeg de weegschaal door naar de andere kant… dan zat naast de weegschaal een honderdogig monster dat Ka’s vrat.  Voor de Oude Egyptenaar was dit de ultieme dood : eens de Ka vernietigd was, was de mens voor eeuwig verloren.
Paneb is echter altijd een goed en devoot man geweest, en dus is iedereen ervan overtuigd dat Ma’at hem zonder problemen zal doorlaten.  Ook Osiris, die het laatste woord heeft, verwelkomt de Ka van Paneb met open armen.  Nog is Paneb echter niet in het hiernamaals aangekomen.  Elke dag, tegen zonsondergang, verzamelen Osiris en Anubis de doden van die dag op een schip.  Daarmee varen ze door de onderwereld naar het uiteindelijke hiernamaals.  Deze plaats is zowat de enige die met onze hel te vergelijken is.  Het is letterlijk de onderkant van de wereld.  Een ondergrondse rivier leidt door grotten en spelonken naar “de andere kant”, waar men bij dageraad zal aankomen.  Een symbolische wedergeboorte in de wereld van het hiernamaals.  Geen hel zonder zijn duivels, uiteraard, en voor de Egyptenaren is deze onderwereld dan ook bevolkt met ontelbare monsters en demonen.  De belangrijkste daaronder is Apepi (in het Grieks Apophis, wat bekend zal klinken aan fans van de TV-reeks “Stargate”), een gigantische slang.  Gelukkig hebben Osiris en Anubis de hulp van Osiris’ kleinzoons Amset (de bewaker van de canope met de maag), Kehbensenef (de bewaker van de levercanope), Duamutef (longen) en Hapi (dunne darm).  Ook de beschermgodinnen Serket, Neith, Nephtys en Isis staan mee in voor een behouden vaart. 
Bij dageraad komt Paneb’s Ka aan in het hiernamaals… dat er identiek uitziet als de wereld die hij net verlaten heeft.  Zo zagen de Oude Egyptenaren hun hemel : het beste van wat het leven te bieden had.  Er is toch niets mooier dan in vrede en welvaart aan de oevers van de Nijl te leven, dus waarom zou het hiernamaals anders zijn ?  Die instelling toont ons een fundamenteel onderscheid : de Oude Egyptenaar was tevreden met zijn leven, en het was zijn ultieme wens dat leven eeuwig verder te zetten.  Wij, anderzijds, creëren een hemel die fundamenteel verschilt met het leven dat we leiden.  Wij zijn blijkbaar, over het algemeen, zeer ontevreden met ons leven.
In het hiernamaals zal Paneb uiteindelijk tevreden leven met zijn familie.  Zijn ushebti’s zullen voor hem het werk doen, en zoalng zijn vrouw en kinderen nog leven zal Paneb’s Ka hen bezoeken.  Daarom is het belangrijk dat de mummie zo goed bewaard blijft, want hij is Paneb’s huis op Aarde.  Zolang die behouden blijft, kan Paneb’s Ka zijn familie bezoeken.
Zo.
Paneb is aangekomen.  Zijn reis is ten einde, en dus is voor ons de tijd gekomen afscheid van hem te nemen.  Het was mij een genoegen U te begeleiden op deze bijzondere reis, en ik sluit af met de woorden van mijn goede vriend Jacques : “Voila, dat was het.  Tot volgende keer, en vergeet de gids niet…”.